← Table of contents
De 'handel in blanke slavinnen'

Stellingen.

Reading edition

I.

Het Justiniaansche Recht vorderde niet, dat het pas geboren kind, om rechtssubject te kunnen zijn, levensvatbaar was.

II.

Door welke omstandigheden de verantwoordelijkheid van den voogd voor ’t beheer van de goederen van een minderjarige ook moge verminderen, steeds zal vermindering van de hypotheekstelling toegestaan kunnen worden.

III.

De Ambtenaar van den Burgerlijken Stand is na verloop van den bij art. 29 B. W. gevorderden termijn van drie dagen niet meer bevoegd tot ’t opmaken eener geboorteacte.

IV.

De aansprakelijkheid van den eigenaar van het schip en van de reeders krachtens art. 321 W. v. K. wordt beperkt door de bepaling van art. 372 W. v. K.

V.

Bij tweezijdige overeenkomsten, waaraan tijdens de faillietverklaring nog niet geheel is voldaan, heeft de tegenpartij het recht ontbinding te vragen ook dan, als de wanpraestatie na de faillietverklaring plaats heeft.

VI.

Het verlof tot dagvaarding op verkorten termijn ingevolge art. 7 B. Rv. kan in spoedeischende zaken worden verleend ook dan, wanneer op ’t oogenblik, dat het verzoek wordt gedaan, de gewone termijn van dagvaarding tegen de eerstvolgende terechtzitting nog kan worden in acht genomen.

VII.

Onder het “rijk in Europa” in art. 2 Wetboek van Strafrecht moet ook begrepen worden de luchtruimte boven het grondgebied van den Nederlandschen Staat in Europa. Ergo is een strafbaar feit gepleegd in een luchtvaartuig, zich bevindend in die luchtruimte, te berechten volgens de Nederlandsche Strafwet.

Wenschelijk is het op luchtvaartuigen voor de toepassing der strafwet bepalingen in het leven te roepen gelijk aan die, welke voor gewone vaartuigen bestaan.

VIII.

Art. 452 W. v. Sr. is van geen kracht tegenover hem, die een bordeel houdt in eene gemeente, waar het houden van bordeelen bij politieverordening verboden is.

IX.

Art. 452 W. v. Sr. voldoet niet aan het doel, dat zich de Heer van Houten voorstelde, toen hij het initiatief nam tot de opname van een artikel, dat eene strafbepaling moest inhouden tegen hen die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken.

X.

Er is geen strafbare poging tot diefstal aanwezig, in geval de beklaagde met ’t oogmerk om diefstal te plegen een winkel is binnengetreden, zich over de toonbank heenbuigende, met ’t oogmerk om zich het eventueel daarin bevindend aan een ander toebehoorend geld wederrechtelijk toe te eigenen, de toonbanklade opent en zijn hand daarin steekt, doch in de volvoering van zijn voornemen wordt verhinderd door de afwezigheid van geld in die lade.

Wanneer ceteris paribus een offerbus toevallig ledig is, kan er evenmin sprake zijn van strafbare poging tot diefstal.

XI.

Het is als gevolg van de uitbreiding en vergemakkelijking van het moderne internationale verkeer van het grootste belang, dat aan het buitenlandsche strafvonnis onder zekere beperkingen een voor de recidive van invloed zijnde kracht toegekend wordt.

XII.

Zoolang tractaten over internationaal strafprocesrecht de internationale rechtshulp nog niet op ruimeren grondslag geregeld hebben, is het wenschelijk uit art. 68 Swb. voor binnenslands gepleegde misdrijven in alinea 21º het geval van “vrijspraak” te laten vervallen.

XIII.

Bij de toepassing van art. 1 der wet van 13 Aug. 1849 (S. 39), “tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen”, wordt steeds ten onrechte de uitdrukking “middelen van bestaan” geïnterpreteerd als te zijn synoniem met het uitoefenen van een beroep of ambacht e. d.

XIV.

Art. 6 van de wet van 1 Juni 1865 (S. 60), regelende de uitoefening der geneeskunst, verplicht den geneeskundige aan den inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht en aan B. en W. zijner gemeente kennis te geven van ieder geval eener ziekte, waardoor de volksgezondheid bedreigd wordt.

XV.

In strijd met de Gemeentewet is een veelvuldig in reglementen van orde voor gemeenteraden voorkomende bepaling, die bij de toepassing van art. 51 Gem. wet van deze gedachte uitgaat, dat de rijkswetgever den raad zou hebben vrijgelaten naar willekeur te bepalen, wanneer geacht moet worden, dat de stemmen staken hetzij dit plaats hebbe na de eerste, hetzij na eene volgende stemming.

XVI.

Het is onverklaarbaar, hoe art. 14 der wet op de Regterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie, zooals het gewijzigd is door de wet van 4 Juli 1874 (S. 90) “tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke tucht” spreken kan van het recht van waarschuwing van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad tegenover de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het Openbaar Ministerie, welke immers sedert de Grondwet van 1848 niet meer bestaan.

XVII.

Wenschelijk is het niet aan den arbeidsduur voor volwassen mannelijke arbeiders wettelijke beperking te stellen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings