INLEIDING.
Reading edition
In de eerste jaren na 1860 heeft Multatuli zijn lezende en denkende landgenooten in heftige beroering gebracht: door de Max Havelaar, door zijn geschrift Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië en door zijne Minnebrieven wekte hij geestdrift eenerzijds, sterke afkeuring andererzijds door zijne excentrieke persoonlijkheid.
Voor den groeienden kring zijner aanhangers begon hij in 1862 zijne Ideen uit te geven. Deze verschenen op ongezette tijden per vel druks in een lossen omslag, dien M. als correspondentieblad met zijne lezers en lezeressen gebruikte. Zoodoende kreeg hij voeling met zijnen lezerskring. De strijd om recht te verkrijgen voor den Javaan werd verruimd tot een “strijd tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen”: “Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is”, verklaart M. in I. 403.
En dit deed hij—schrijvende naar den indruk van het oogenblik—in kernachtige spreuken en prikkelende paradoxen, in parabelen en betoogen, soms zangerig en dichterlijk van taal, dan weer vlijmend scherp van toon.
M. leefde voor en in zijn geestelijken strijd. Hij was vol moed en vervuld van hoop, toen zijne Ideen bij velen insloegen. Maar nieuwe denkbeelden dringen tot de groote hoop, ook tot die der intellectueelen uiterst langzaam door: ondanks een groeienden kring van geestverwanten lieten werkelijke hervormingen op zich wachten. En dit maakt geestelijken strijd zoo ontmoedigend. Deze ontmoediging heeft M. ruimschoots gekend en het heeft hem vaak bitter gestemd, ja het vervulde hem met walging. En dan barst hij uit in een wanhoopskreet: “Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walglyks òm my.” (I. 360–361.) En dan zegt Fancy hem tot troost een sprookje voor, een sprookje geboren uit heimwee naar de heerschappij van ’t goede, schoone en ware.
Een zeer eigenaardig sprookje is de geschiedenis van Woutertje Pieterse: geen zweverig sprookje, dat buiten het alledaagsche leven omgaat, maar het wonderverhaal van een ontwakende dichterziel temidden der meest stuitende alledaagschheid en van zijn streven naar goedheid, waarheid en schoonheid in een wereld, waar platheid, zelfzucht en eigengerechtigheid hoogtij vieren. Het is de strijd van Multatuli’s eigen kinderjaren, dien hij eerst onbewust, later bewust gestreden heeft.
Toch moet de Woutergeschiedenis niet opgevat worden als M.’s autobiographie. In dieperen zin is dit wel het geval: het leed, de droomen, de innerlijke strijd en ontwikkeling zijner kinderjaren zijn er in geteekend. Maar niet zijn ouderlijk huis, niet zijn moeder vooral. Alleen de schepping van Stoffel staat eenigszins in verband met herinneringen aan een niet zeer beminden broeder en Leentje is historisch. Episoden als het romanlezen, de pepermenthandel met de Hallemannetjes, de kantoorcarrière bij de firma Kopperlith, en het twijfelachtig genot van de uitnoodigingen op hun “buiten”, Femke en Pastoor Jansen (voor wien een braaf dorpsdominee tot model diende),—dat alles is min of meer historisch.
De groei van een kinderziel in een gezin en een maatschappij, die door conventie verwrongen zijn, en die door de kracht van dien zuiveren, innerlijken groei bestemd is om eenmaal de knellende vormen te verbreken, maar voorloopig moeite heeft zich te schikken in de grootemenschenwereld, die hij niet verstaat: dat is de Woutergeschiedenis.
Voor het eerst heeft Multatuli in ons land den ontwikkelingsgang van het kind in een kunstwerk geschetst. Wat Rousseau met zijn Emile, Bernardin de St. Pierre met Paul et Virginie, von Sallet in Contraste und Paradoxe hebben gedaan, dat deed Multatuli op zeer oorspronkelijke wijze in zijn Woutergeschiedenis. De Fransche schrijvers plaatsen hun kinderen buiten de werkelijkheid. Maar Multatuli plaatst Wouter midden in het leven. Hij laat Wouter opgroeien in een uiterst-bekrompen, kleinburgerlijke omgeving. Deze omgeving schetst hij met scherpe humor; hij laat zien hoe bekrompenheid van woning samenhangt met die van lichaam en ziel: “begrippen van deugd, zedelijkheid, godsdienst zijn veelal geschoeid op de leest van de ruimte waarin men zich bewoog”, en “er bestaat ’n zeer innige verwantschap tusschen de benauwde tweede-achter-verdiepingsche denkbeelden, en de bekatechiseerde stofferigheid van zoo’n omnibus-bedstede. Alles is in alles.” (I. 401.)
Wouter nu doorbreekt dien samenhang tusschen uiterlijke en innerlijke bekrompenheid. Hij ontwikkelt zich juist in sterke tegenstelling tot zijn omgeving. Bij deze heerscht harmonie tusschen uiterlijke omstandigheden en innerlijk leven. Maar Wouter groeit innerlijk tegen de verdrukking in door den adel van zijn aanleg. Telkens ontvlucht hij het ouderlijk huis om te droomen bij slooten en molens en bruggetjes. Daar gaat de romantische boekenwereld voor hem open, daar vindt hij Femke en de liefde en uit al die sensaties wordt Fancy geboren.
De tegenstelling tusschen Wouter en zijn familie vinden we terug in de tegenstellingen in de omgeving, waarin hij opgroeit: ’t huis Pieterse en consorten staat tegenover Vrouw Claus en Femke, huisdominee en Pennewip tegenover Pastoor Jansen, de holle deftigheid der Kopperliths tegenover de wezenlijke superioriteit der Holsma’s.
In het tweede gedeelte der Woutergeschiedenis krijgt Wouter een lotgenoot: tegenover Wouter, die aan kleinburgerlijke bekrompenheid tracht te ontkomen, verschijnt Prinses Erica, die zich tegen vorstelijke geesteloosheid en vormelijkheid verzet.
Wouter ziet in Erica de ware verschijning zijner Fancy, door wie de liefelijke Femke wordt verdrongen. Erica waant in de ruwheid van het volksleven, in den degelijken eenvoud van Vrouw Claus de ware menschelijkheid te hebben gevonden.
En onbewust spreekt ze waarheid, als ze bij vergissing in de donkere kroeg Wouter Mein Bruder noemt: want als zusterzielen zoeken beiden naar poëzie en ware menschelijkheid in de sfeer tegengesteld aan de eigene.
Het verzoenende beeld, dat deze uitersten moet opheffen, is geteekend in het gezin van dokter Holsma: niet in hoogheid van rang of eenvoud van leven, maar in zuiverheid van gemoed, in innerlijken rijkdom schuilt de ware menschelijkheid. In de uitspraken van Dr. Holsma, Zielearts en Opvoeder in den waren zin des woords, vinden we Multatuli’s eigen denkbeelden terug.
Wouters ontwikkeling wordt zeer uitvoerig geschetst: zijn kleeding, zijn leeren, zijn omgang met kameraden en vriendinnetjes, zijn reageeren op moederlijke en Pennewipsche paedagogie, zijn tobben over de z.g.n. levenswijsheid der groote menschen en dan het ontwaken in zijn gemoed van liefde en begeerte naar macht om het goede te doen zegevieren, zijn tobben, waarom een almachtig God zooveel onrecht duldt, de botsingen van zijn ontwakend idealisme met het bestaande thuis, op school, in den handel.—dat alles wordt in fijn gevoelde, humoristische tafreeltjes geschetst.
De Woutergeschiedenis is onvoltooid gebleven. Wel is het Multatuli’s plan geweest Wouter tot diens dood toe te volgen, daarom liet hij hem dan ook omstreeks 1800 geboren worden. Maar de bittere stemming over kritiek op zijn werk en persoon, over het uitblijven der zoo vurig bepleite hervormingen, verduisterden voorgoed de Fancy-verschijning in zijn gemoed.
En zoo verliezen we Wouter uit het oog als een jongen, die op het punt staat het groote leven in te gaan. Hij is bezield met goede voornemens—maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegt Multatuli er aan toe.
En zijn de eerste daad als hij met Pastoor Jansen op pad gaat om eigen domheid te herstellen, is een poging twee meisjes van hare domheid te redden: en dit stemt sceptisch of Wouter zijn goede voornemens inderdaad ten uitvoer zal leggen.
Multatuli beperkt zich niet tot het schetsen van Wouters wederwaardigheden: hij wijst telkens op fouten in opvoeding en onderwijs, op bekrompenheid, op maatschappelijk onrecht. Hij trekt telkens een parallel tusschen de ontwikkeling der kinderziel en die der menschheid: hij vindt hierin aanleiding opmerkingen over taalontwikkeling, mythologie, folklore en geschiedenis te plaatsen.
De grens tusschen deze uitweidingen en de Woutergeschiedenis is vaak moeilijk te trekken: soms zijn het korte kernachtige spreuken, soms dijen ze uit tot lange vertoogen.
Zoo vinden we hoofdstukken mèt en hoofdstukken zònder ideen, ook wel eens Ideen zonder hoofdstuk, herhaaldelijk hoofdstukken met zijsprongen op ’t gebied van kunst, geschiedenis, zedelijkheid, politiek of literaire kritiek.
Zoo is de Woutergeschiedenis in en door de Ideen heengewerkt, maar toch als een bewuste tegenstelling tot die Ideen. In de Woutergeschiedenis geeft Multatuli de idee op de wijze van het sprookje, de idee gekleurd door het schoone licht der fantasie. Maar telkens weer wekten de beelden door Fancy hem voorgetooverd den beschouwenden, kritischen geest van den schrijver; dan onderbreekt hij Fancy om redeneerend, afbrekend en opbouwend aan hare beelden zijne ideen te demonstreeren. En dan gebeurt het niet zelden, dat hij van idee tot idee voortredeneerend, Fancy laat glippen.
Zoo is de Woutergeschiedenis zeer nauw, ja haast onverbrekelijk met de Ideen verbonden: en tòch, wie de bekoring van Fancy’s sprookje ten volle wil genieten, zal bij voorkeur achter elkaar die stukken van de Ideen opslaan, waarin de Woutergeschiedenis wordt voortgezet, en de betoogen, die deze onderbreken, zooveel mogelijk overslaan. Want ondanks alle uitweidingen is ze in zichzelven een eenheid van groote schoonheid. Dit nu komt beter tot zijn recht in een afzonderlijke uitgave, dan in de Ideen zelve.
Wegens den innigen samenhang met de Ideen echter is Multatuli nooit overgegaan tot het bewerken eener afzonderlijke uitgave en heeft zijne weduwe sterk geaarzeld, eer ze er toe kon besluiten.
In deze nieuwe afzonderlijke uitgave zijn weer meer stukken weggelaten, dan in die van Multatuli’s weduwe. De eenheid en samenhang dezer kunstschepping zuiver te doen uitkomen is hierbij richtsnoer geweest, doch allerminst was het de bedoeling den samenhang met de Ideen weg te doezelen; wie de Woutergeschiedenis volkomen wil leeren kennen, leze deze zoowel in de afzonderlijke uitgave, als in de Ideen.
Daar vele der weggelaten betoogen in zeer nauw verband staan tot de Woutergeschiedenis, is in noten met enkele woorden naar deze Ideen verwezen; minder belangrijke coupures zijn echter niet aangegeven.
Door besprekingen met den Heer Van der Valk over de keuze der illustraties en met ondergeteekende over het al dan niet weglaten van sommige stukken heeft Mevrouw de Weduwe Douwes Dekker—Hamminck Schepel ook aan deze uitgave hare vriendelijke medewerking verleend.
Dat een en ander hare goedkeuring verwierf, moge gelden als waarborg, dat de bewerking dezer uitgave het werk van Multatuli tot zijn recht doet komen.
J. van den Bergh van Eijsinga-Elias.
Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.
Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walg’lyks òm my.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in ’n stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen ’t vermoeden van misdaad. Apothéose van Glorioso. ’t Gevaar van den roem, en de veiligheid van ’t bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had—ik meen de Kat—als de kinderen die z’n versjes moesten leeren—de versjes van Van Alphen, meen ik—en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze moesten aanhooren.
Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt, zal ik ’n paar punten opgeven als jalons.
M’n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. ’t Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. “Dat was zoo zuinig, meende de ziel, om ’t schoeisel.” Daaruit zou men nu weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.
Hoe dit zy, ’t is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb bepaald pyn in ’t hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de inkomende Rechten bestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, ’t is lang geleden.
Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat hartenstraat genoemd wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker beteekent.
Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het ’n straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.
Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke stand wordt geregeld bygehouden... er is geen Ghetto geen Templebar, geen “Chinesche kamp”, geen Cour des miracles... wie er ’n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of Jansjen. Alles proza.
Er is moed noodig om ’n verhaal te doen aanvangen in ’n plaats die op “dam” uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence’s of Héloïzes kan laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang geprofaneerd zyn.
Hoe maken ’t toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri’s en Ernesten die evenzeer doen denken aan M’sieu Henri en M’sieu Ernest uit den nouveauté-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?
Göthe was ’n moedig man: Grietje, Klaartje...
En ik: in de hartenstraat!
Maar ik schryf geen roman, dat ’s waar. En al schreef ik ’n roman, dan nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En wel van iemand die in z’n jeugd verliefd werd op ’n houtzaagmolen, en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.
Want verliefdheid is ’n kwaal, al is ’t maar op ’n molen.
Men ziet dat m’n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als ’t me wat al te mager voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geen Eau de Lob hebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit ’n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.
In de hartenstraat dan was ’n leesbibliotheek. Een kleine jongen met ’n stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het was hem aantezien dat-i gebukt ging onder ’n plan boven z’n kracht.
Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens veranderde hy die halfvolbrachte beweging in ’n onnoodig neertrekken van ’t rechthoekig hemdskraagje dat als ’n juk op z’n schouders lag, of in ’n even onnoodig tegenhouden van ’n gemaakte kuch.
Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot ’n staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke soldaten, dwaalde z’n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die vreest betrapt te worden op misdryf. ’t Was duidelyk dat-i ’n opzet in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder ’t opgeschort kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z’n broekzak, zou allicht op ’t denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was huisbraak te plegen, of zoo-iets.
Want hy heette Wouter.
’t Is wel gelukkig dat ik op ’t idee ben gekomen z’n geschiedenis te verhalen, en ik beschouw ’t als ’n eerste plicht u te zeggen dat-i volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.
Maar ’t zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken van andere vergrypen. ’t Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in z’n linkerbroekzak, was wel geen rossignol, geen passe-partout, geen casse-tête, geen tomahawk of machine infernale... maar toch ’n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z’n Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman op d’ouwenbrug, en ’t plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z’n intrede in de tooverwereld der romanlektuur: hy wilde Glorioso lezen.
Glorioso! Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!
Al de Rinaldini’s en Fra Diavolo’s van later tyden mogen niet op één dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen, en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.
Maar dit laatste was Glorioso’s schuld niet, zeker niet. Men zou schromen ’n held of ’n genie te wezen—of ’n roover zelfs—als men daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.
Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na m’n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m’n weg naar roem niet laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal ’n Nieuw-Testament met gezangen kon worden verkwanseld voor ’t “Leven en de daden van Multatuli”, schoon ik ’t niet duur vinden zou.
—Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.
Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen van Glorioso. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als ’n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i eenmaal toornig was gemaakt door doelloos “malen” aan de deur. Althans Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... ’t was of de boekwinkel hem inslikte.
—Glorioso... asjeblieft, m’nheer, en hier...
Hy haalde z’n machine infernale voor den dag.
... en hier is geld!
Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met de romanziekte, dat men in ’n leesbibliotheek “pand” eischte van onbekende klanten.
De boekenman scheen zich “gedekt” te achten door de neergelegde veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast ’n deeltje dat, vet en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk genot.
Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar ’t is niet moeielyk rein te blyven als men op de bovenste plank staat, en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk hadden. En dat vind ik van veel preeken.
Na met ’n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette, verstopte Wouter z’n misdadig geluk onder ’t helend kieltje, en vloog de deur uit, schichtig als ’n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze “uren lang gedoken zat.”
Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman op Wouter’s heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met ’n wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote menschen bezien door de kleine.
Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte was bekrompen.
Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan ’n poort die hy zich herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook niet. ’t Was ’n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl, en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z’n durven.
Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis was in Habakuk, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien ’n barometer in z’n verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd waarschuwde als ’t regenen zou.
In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter’s overgang van de kinderlektuur tot de boeken waarin van “groote menschen” wordt verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z’n eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet voorkomen in ’n burgerhuishouden.
Een Italiaansche roover op ’n buitensingel te Amsterdam. Proefje van ’t bitter lyden der deugdzame Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe eerlykheid ryk maakt.
Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig voor de afwezige schoonheid van ’t landschap aan ’n moddersloot kwam, waarover ’n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z’n roover.
Ik heb ’n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot te maken van Wouter’s genot, door ’t leveren eener schets van ’t onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso’s geschiedenis niet recht ken—wat me trouwens niet volstrekt beletten zou er over te spreke—heb ik u veel andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen over d’ouwen-brug. Laat het u genoeg zyn te weten dat het “heel mooi” was. “De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met derzelver zilte tranen... kortom, ’t was treffend. Ook was er meer zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond ’n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen ’t licht hield om er meer van te weten.
Hy las tot “sterf verrader”. Toen was ’t donker, en hy begreep dat het tyd werd ’n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de Hallemannetjes “dat zulke fatsoenlyke kinderen waren.” Met weerzin sloot hy ’t dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde beknord te worden over z’n lang uitblyven.
“Hy zou nooit weer permissie krygen” werd er by zoo’n gelegenheid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen “eens van de vloer heeft, als men zoo klein behuisd is.” En: “de Hallemannetjes waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast ’n huis met ’n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen.”
Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef van m’n geloof, wil ik hier ’n voorval inlasschen dat iets vroeger had plaats gevonden.
Wouter ontving geen zakgeld. Z’n moeder zei dat hoefde niet omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. ’t Stuitte hem altyd te moeten wachten op vergunning om “meetedoen” als z’n kameraadjes met den bal speelden, en hem verweten dat hy ’t zyne niet had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel. ’t Kostte drie duiten in Wouter’s tyd. Nu zal ’t wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de staathuishoudkunde.
En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z’n voortdurende geldeloosheid. Later zullen we zien of ’t waar was, wat z’n moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over ’n kleinigheid te beschikken naar eigen wil. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen.
De bittere verwyten der Hallemannetjes—die zoo byzonder fatsoenlyk waren—maakten Wouter wanhopig.
—Ik heb gevraagd aan m’n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.
—Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes d. z. b. f. w. Je bent ’n klaplooper.
Wouter hoorde dit woord voor ’t eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.
—Klaplooper, klaplooper... ik ben ’n klaplooper!
Schreiend liep hy heen, en koos ’n omweg om de straat te myden, waar lange Ceciel’s vader ’n lappenwinkel “deed”. Och, als ze gezien had hoe hy als ’n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was èrger dan de broek boven ’t buisje.
—Klaplooper, klaplooper!
Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter.
—Klaplooper!
Hy zag ’n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. ’t Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.
—Klaplooper!
Daar kwam de man van de vuilniskar, die ’t woord naklepperde met z’n ratel, ’t Was niet uittehouden!
Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes d. z. b. f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te behalen op ’n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had men ’n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor ’n duit zou ’t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moest kapitaal wezen. Zy zouden de inkoopen doen, zy zouden zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.
—Klaplooper... klaplooper...
Wouter stal ’n gulden uit het “knipje” van z’n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w.
—Hoe kom je ’r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i ’t antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid.
—Hoe kom je ’r aan—zonder vraagteeken alzoo—zie, nu zullen Franssie en ik ieder ’n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan koopen wy de peperment. Op de Rozengracht is ’n fabriek... zóó’n zak voor vier schellingen! Wy zullen al de moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld—hy zal betalen na de vakantie—wy zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...
Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou ’n daalder teruggeven in ’t knipje van z’n moeder, en voor lange Ceciel ’n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in ’t hout van z’n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan ’n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot ’n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de hoop dat-i weldra ’n goed geweten hebben zou over ’t bestolen knipjen en ’n voldaan hart over z’n liefde tot lange Ceciel.
Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en ’t fatsoen van de Hallemannetjes!
Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder ’t gewicht van ’n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten of Kris Kloskamp z’n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen geen zak peperment droeg, maar bovendien ’n zeer ernstig gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.
—Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder ’n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door ’t geluideloos openen van z’n mond en ’t vooruitsteken van zyn gelaat.
—Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.
Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z’n geweten en z’n hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend “moeder’s knipje” weg, houtborend potlood dat ’n opening klieven zou in ’t hart van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!
—Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...
—Ja...a...a, hikte de arme jongen.
—En die Kris Kloskamp, die ’r twaalf besteld heeft, weetje?...
—Ja...a...a...
Of Kris ook smelten zou?
...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.
—Zoo...o...o?
—Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in ’n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje?
—Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar ’n “eerst” beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet ’t weeromgeven.
En hy bood Wouter ’n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig woog op z’n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i ’t... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op dat oogenblik.
Fransje stak ’t zware pepermentjen in z’n mond, en zei, al zuigende:
—Ja wezenlyk, heel zwaar... ’t is engelsche, weetje? En dan is ’r nog wat... niet waar Gus? ’t Fatsoen! Toe Gus, zeg jy ’t maar.
—’t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.
—We meenen ’t fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.
Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.
—Zeg jy ’t maar, Gus.
—Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met ’n zakje, en by ons “op” de gracht...
—Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m’nheer Krullewinkel die ’n buiten heeft...
—En ’n balkon ...
—’t Is maar om ’t fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek komt, dan prezenteert onze mama...
—Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is van zilver...
—Né, Franssie... maar ’t is net als zilver, weetje Wouter?
De arme jongen zei maar dat-i ’t wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaad niet wist: het verband tusschen al die dingen en zyn vervlogen hoop. Hy stamelde:
—Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?
—’t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.
—Ja. Gus.
—En braaf.
—Ja...a...a... Franssie!
Arme Wouter!
—En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...
—Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als ’t winter wordt kan je ’t zien, dan gaat-i rond met ’n weesjongen...
—Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...
—Dat je...
—Die gulden...
—Die gulden, weetje?
—Dat je ’m niet...
—Dat je ’r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die ’n tweede pepermentjen uit z’n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord.
’t Was er uit! Arme, arme Wouter!
—En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maar gelyk deelen... dat is afgesproken!
—Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... wy hebben al de moeite gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!
De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en alzoo... Wouter ontving acht stuivers.
—Weetje, zei Gus, ’t is omdat onze pa diaken is.
—Ja... en onze tabakspot... al is ’t dan geen zilver, ’t lykt precies op zilver.
Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van ’t geweten. De onmannelykheid der natie, volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de gebreken van Leentje, beschouwd uit ’n menschenvriendelyk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen van ’t vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip’s eer. Leentje’s onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.
Hoe ’t zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte, Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent den oorsprong. Over z’n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z’n nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z’n uitstapjen in de Abruzzen, en by z’n terugkeer in Amsterdam viel hem de herinnering aan z’n boosheid—of liever ’t voorzien van de straf die er volgen zou op die boosheid—drukkend zwaar op ’t gemoed.
Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou ’t Nieuw-Testament niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de week zou er niet naar gevraagd worden.
Nogeens: ’t was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of zoo-iets van dagelyksch gebruik...
Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten Glorioso achter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z’n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z’n moeder ’t nooit geweten heeft.
Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet niet of “broek” mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral omdat ik ’t toch niet begrypen zou, al vond ik “broek, m.” in ’n woordenlystje. Onlangs vond ik géén m. achter natie. Dat zal ’n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.
Of Wouters’s broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en ’s avends ’n boterham.
Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: “goeien avend, juffrouw. Goeien avend, m’nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avend, Wouter”... en de rest.
Want Wouter’s moeder heette “juffrouw” om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z’n zusters, die dansen geleerd hadden. En z’n broer was “m’nheer” sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z’n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en “Stoffel” paste toen niet langer, meende Wouter’s moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar ’n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.
Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze ’n booze tong voerde. Ze zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken in de Nederlanden.
Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en ’n boterham? ’k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.
Dat Leentje scheef was, kwam van ’t aanhoudend naaien. Ze hield het gansche gezin “heel” en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en ’n lakenschen pet te maken uit ’n duffelsche jas, en toch schoten er nog lappen over voor de sous-pieds die Stoffel noodig had voor z’n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door ’n fout in Euklides.
Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De “jonge-juffrouwen” spraken gedurig van “stand” en “dat ieder op z’n plaats moest blyven.” Dit gold háár. Leentje’s vader namelyk was ’n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had ’n winkel “gedaan” waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt ’n groot verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door ’n ander, dan zelf wat te maken.
Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z’n hemdsboordjes, “die zoo nadeelig werkte op ’t respekt” en klaagde dat ze hem altyd zoo mal aankeek, als-i “heeren had.”
Dat “heeren hebben” was ’n privatissimum over de leerwyze van Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet geslaagd in ’t wegbyten van ’n lach, toen ze Stoffel z’n naam hoorde spellen, en uitvaren tegen ’t onkiesche ouwerwetsche “esse té” dat dan ook leelyk is.
En dan, die bessen met suiker!
Aldus had ieder z’n grieven tegen ’t arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel genoodzaakt was, of genoopt althans, z’n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt ’n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.
Wouter’s moeder noemde hem: “die jongen.” Z’n broers—er waren er meer dan Stoffel—beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem ’n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor “sleets” of “sleetsch.” Ik weet niet hoe ze ’t spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet meer “werk maakte van ’n jongen als hy.” Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet ’n kind was als ’n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z’n geschiedenis te vertellen.
Tot kort na de expeditie naar ouwenbrug, hartenstraat en aschpoort, was Leentje Wouter’s eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z’n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm “redelyk” gaf, en “uitmuntend” met ’n krul, aan ’t roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen “som” alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche graven.
—Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in ’t huis van Beieren... ’t is wel schande! En dat om ’n duit op ’t pond.
Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje’s vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en hun gedurig verhuizen.
Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van ’s mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door Keesje’s voorzitterschap. Want waar onze eer in ’t spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van ’n ander.
Of, als z’n broers hem plaagden met ’n sarrend “professer Wouter”... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat “mal gekrabbel op ’t behangsel”... of, als z’n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was ’t altyd Leentje die Wouter’s gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z’n kleeren onzichtbaar maakte met ’n onnavolgbaar “heen-en-weertje.”
O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat ’n zalving in je liefderyk:
—Daar heb je-n-’n naald, en ’n draad, en ’n lapje... naai ’n zakje voor je griften, m’n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van ’n eene huis in ’t ander.
Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende terugblik op Scelerajoso’s dood, dien we, om ’t gevoel des lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreide binnenlandsche betrekkingen, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen eener eigenaardige stofwisseling.
Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van ’t wegmaken van z’n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig en beweerde dus dat zoo’n jongen opgroeide voor de galg, want:
—Men begon met ’n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met wat anders.
Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch dat andere wel wezen zou, als men begonnen was met ’n bybel. Ik denk dat zyzelf ’t niet wist, en dat ze ’t maar zoo zeide om de menschen in den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de zaken verstond dan zy uiten wilde. ’t Is my wel, schoon ’k niet houd van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als ’t myn zaak geweest was, zou ’k juffrouw Laps den duim tusschen de deur gezet hebben.
Stoffel hield ’n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met ’n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: “dat de eer van de familie op d’ouwenbrug was verloren gegaan, dat hy, als “eenige” oudste zoon van ’n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van ’t huis...
—Van Beieren, zei Leentje zacht.
...dat ’n huwelyk of ’n andere konditie voor de meisjes kon afspringen door Wouter’s schuld, want dat niemand zou willen tedoen hebben met meisjes, die... in ’t kort, Stoffel beweerde “dat het schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg van ’t feit. Hy had duidelyk bemerkt dat “de jongens” er ook al van wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken.”
Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend was.
Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken werd van “dat andere” dat komen zou volgens juffrouw Laps, droomde hy van z’n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.
’t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot het openbaren der wyze waarop hy ’t ontvangen geld had besteed, ydel waren. Men moest daarvan afzien, na ’t vruchteloos aanwenden van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood, brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk, juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we gezien hebben.
Zoodra ’t hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z’n boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z’n held, die op ’t laatste blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de deugdzame Elvira.
Toen Wouter z’n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z’n blik aangetrokken door amandeltaartjes by ’n banketbakker op den hoek. Hy handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig zoo’n held optevolgen, en binnen weinig tyds was ’t overschot van ’t Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer veranderde.
Wat het aandeel der “gezangen” betreft in het saldo dat Wouter restte na z’n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste stof tot ’n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde, en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor de schoolrust.
Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.
Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men ’tzelfde van ons zal zeggen. Hoe dit zy, de man heette meester, z’n school was ’n school en geen instituut, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik vind het ’n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen dan ze werkelyk heeten. Op z’n school, waar volgens de naïve gewoonte van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men—of kón men leeren—lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in ’t verzenmaken, een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.
Hy maakte de jongens “klaar” tot het “aannemen” toe, en met behulp van z’n vrouw voerde hy de meisjes op tot ’n merklap met ’n rood vader-ons op zwarten grond, of ’n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden van onzen tegenwoordigen burgerstand.
Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het is ’n kind nutter te weten hoe ’t koren groeit, dan het te kunnen toespreken in vreemde taal. Maar ’t zou kunnen samengaan.
Buiten ’t verzenmaken bereed meester Pennewip nog ’n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op ’n troon. Hy was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van ’n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip’s onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot familiën, genera, klassen, species en onderdeelen, en maakte alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot ’n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te beweren dat Wouter’s Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man behoorde, die ’t gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.
Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip’s verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m’n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken—dat après-tout niet verboden is—wanneer ik niet voorzag weldra ’n paar gedichten van z’n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.
Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield—waarby de goeieman stoutweg den mensch ’n ziel gaf—volgde ’n stelsel dat er uitzag als ’n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogte stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche dingen—mits tweepaardig—advokaten en ongedokterde dominees, kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren—maar ze moesten ’n stelsel hebben—dokters met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.
BURGERSTAND, IIIe KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.
Burgermenschen “op kamers” wonende.
a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren den Kerstnacht. De meisjes heeten Lena, Maria, soms—maar zelden—Louise. Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister, en ’n “mensch voor ’t grove werk.” De was nat thuis. Lezen preeken van v.d. Palm. Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.
b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die “tweemaal schellen.” (Zie b2) Leentje, Mietje, Jansje. Louise komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met ’n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, “halve naaister” en ’n “mensch.” Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.
b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met ’n “mensch.” Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.
c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. ’t Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten Louw, Piet of Gerrit, en gaan “op” horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in ’t portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan “heel fatsoenlyke menschen.” Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2 (Pp.) Geen meid of “mensch” maar ’n naaister van zeven stuivers en ’n boteram...
Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.
De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter’s omgeving, en begrypt waarom ik z’n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor ’t eerst zagen in de hartenstraat.
Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in ’n kindermymering (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met ’n luchtreis.
’t Was woensdag. Er zou ’n “avendje” wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man “aan de beurs” was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had “maar altyd heel in ’t fatsoenlyke.” Dan de weduwe Zipperman, “die ’n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of ’t kadaster, of zoo-iets.” Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was “zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen.” Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht men “maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over ’t gebroken glas.” En kwam ze nù niet, dan was ’t ook uit, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou ’t uit wezen met de juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en dat het dus met die juffrouw uit was.
De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van ’n kop koude saliemelk aan ’t ontbyt “als men ze den heelen avend niet hoorde.” ’t Is ook lastig de kinderen te “hooren” als men ’n avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op ’n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die natuurlyk op ’t letterzetten was, en gewoonlyk ’s avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by ’t tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf—ze hadden de belydenis en den merklap achter den rug—en Stoffel zat voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen halen, en ’t gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.
Leentje zou blyven tot de “menschen” er waren, wyl ’t anders voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon ze wat helpen aan ’t wegzetten van de latafel, en aan al ’t geredder dat onafscheidelyk is van ’n avendje. “Maar ze moest wat vlugger wezen, of anders deed men ’t waarlyk liever zelf.”
Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, “maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren.”
’t Zou allerprettigst wezen “als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak.” Ook was het te hopen dat de weduwe Zipperman “wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op ’t laatst.” En de juffrouw boven den melkkelder “mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in ’n toehuis gewoond, en ’n winkel was geen schande, en op-kamers-wonen ook niet... heere, neen!” Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou.
Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, “en als ze-n-’t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe ’t hoort.”—En “dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, ’t raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z’n beenen maar vóór zich houden... en dáár ’n stoel... ja, zóó... ’t is heel goed dat ze niet komt, ’t was toch te vol geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga ’ns even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-’n paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag ’n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat ’t voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe ’t kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus.”
Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. ’t Was zoo onbeleefd, vond ze.
Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z’n brug, die ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot, en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy gedachteloos of vol gedachten—wat byna ’t zelfde is—daarin wierp, werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd moesten worden door de beide molens: “d’ Morgenstond” en “den Arend” welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.
Na Glorioso namelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van ’t eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hy ooit z’n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.
Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z’n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’t nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond.
Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italie ging, om daar ’n behoorlyke roovery optezetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.
’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...
Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot z’n deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.
Hyzelf was, als alle schryvers—en menschen—zeer ingenomen met z’n werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.
Zoo droomde hy, en wierp z’n strootjes in ’t water. Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter’s verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in ’t kroos. Nu Wouter-zelf: hy naderde Amalia’s kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo ’t behoort, werd-i opgeslokt door ’n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter’s laatste strootje, en in ’t geklapper van den molen hoorde hy duidelyk Amalia’s verwytend geklaag:
Warre, warre, warre, wou. Waar is warre, warre, wou... Wouter die me redden zou?
Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden ’n steen te werpen naar den eend die door z’n gulzigheid oorzaak was van Amalia’s twyfel aan z’n riddereer.
De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper voort.
Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in z’n eigen gemoed.
—Wie ’t snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk beginnen... zóó! Neen, de Arend was vóór! Nogeens.. nu! Och, weer verkeerd!
Wie nu ’t eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van die wolk af. Morgenstond, pas-op... mis weer! Ik kan ’r geen oog op houden... wat ’n gedraai!
Zoo, ben je moê? ’k Wil ’t wel gelooven!
Als ik eens op zoo’n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat zou de molenaar gek kyken!
Waarom heetje Morgenstond? Hebje wat in den mond? En... Arend... kunje vliegen? Wilje my meenemen? Ik zou wel willen... wat ’n ruimte daarboven... en geen school!
Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er ’t eerst... ’n school of ’n meester?
Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school moet toch ’n meester gehad hebben...
Of zou de eerste meester vanzelf...
Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe ’t eens, Arend... toe! Kryg de Morgenstond... gauw, gauw... pak ’m beet... mooi!
Nu weer samen... karre, karre, kra, kra... steek-uit je armen... neem me mee... wilje niet? Goed Arend! Zet je hoed op... wat fladderen die linten... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou... ik kon ’t niet helpen... ’t was die eend. Zeg, hoe heetje? Fanne, Fanne, fan, fan... heetje Fan? En jy, Morgenstond, hoe is je naam? Sine, sine, sine, si... wat is dat voor ’n naam, si? Nu tegelyk, komaan... samen... zingt ’n liedje samen:
Fanne, fanne, fan, fan... Sine, sine, si, si... Fanne, sine, fanne, sine, Fanne sine... Fan... cy...
Fancy... wat meenje daarmee? Heetje Fancy! En... wat is dàt... hebje vleugels?
Ja, “d’ Morgenstond” en “den Arend” waren ineengesmolten, hadden vleugels en heetten Fancy.
Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.
Toen ze hem weer neerzette op de brug, was ’t al lang donker. Wouter schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch moeten daartoe ’n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet te collet monté is tot het aannemen van m’n uitnoodiging op de saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg.
In ’t voorbygaan echter, wenschte ik ’n kort bezoek te brengen by meester Pennewip.
Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.
De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al haar luister op ’t zwarte bord, maar toch, de school was geen school meer, de geest was er uit, ’t was ’n lyk.
Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen ’n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra blyken.
Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de dichterlyke voortbrenselen van ’t genie zyner leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z’n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem bezielden by ’t lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om over z’n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.
Pruik: recht en in rust.
“TRYNTJE FOP, op haar muts. Ik heet Tryntje Fop. En heb een muts op myn kop.”
—Niet kwaad... maar... laat zien—ja, zóó is ’t beter—die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid.
Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel eenvoudig ’n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.
Pruik: iets of wat links.
“LUKAS DE BRYER, op het Vaderland. Vaderland, koek en amandelen. Ik ga in de maneschyn wandelen. Koek, vaderland en brandewyn, Ik ga wandelen in de maneschyn. Vyf vingers heb ik aan myn hand Ter eer van ’t lieve vaderland.”
—Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet brandewyn, en ’t vaderland daartusschen.
Pruik: rechts.
“LYSJE WEBBELAAR, op het beroep van haar vader. De kat viel van de trappe, Myn vader verkoopt aardappe- Len en uyen.”
—Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.
Pruik: links.
“JANNETJE RAST, op een windwyzer. Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet. En wyst aan den wind hoe hy waaien moet.”
—Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er door.
Pruik: vooruit.
“GRIETJE WANZER, op een rups. Het rupsje zonder schromen, Springt rond op alle boomen.”
—Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.
Pruik: in rust.
“LEENDERT SNELLEMAN, op de lente. In de lente is het heel aardig. In Mei is myn broertje jarig. Maar nu heeft hy wintervoeten. Zoodat wy de lente pryzen moeten. Dan gaan wy samen kuieren. En op paasch, vacantie met eieren.”
—’t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.
Pruik: in den nek.
SLACHTERSKEESJE, lofdicht op den meester. Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven, Maar meester Pennewip is nog in leven. Soms waren zy mager en somtyds vet. En hy heeft zyn pruik op zy gezet.”
De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.
—Hm... ’t is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?
De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.
—Wat heb ik met die ossen te maken?
De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle verwantschap met die ossen.
—Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers humor noemen?
De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.
Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...
De pruik kwam weer terecht op ’t zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over meester’s voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te nemen.
“LUKAS DE WILDE, op de godsdienst. De godsdienst is een goede zaak. En geeft het menschdom veel vermaak.”
—Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden.
De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.
TRUITJE GIER, op juffrouw Pennewip. Het pad der deugd wyst zy ons aan. Wie zou niet gaarne medegaan? En in verloren oogenblikken Leert zy ons naaien, stoppen en stikken.”
De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten z’n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.
By ’t volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar onbewogen, maar de oplettende beschouwer had ’n hysterische geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.
“KLAASJE VAN DER GRACHT, op God. Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven Met stof, en stergewoel, van ’t aardsch bazuingeschal! Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven, Wie zegt ons waar ’t gewoel, een einde nemen zal? Tot weêrklank van Genaè, met Eng’len op de transen, Gevaar van ’t smalle pad, uit onbekend genot... Een vader weegt zyn kind, met eeuw’ge kroonbalansen, Zich spieg’lend in, en door, en op, en onder God. Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen. Het zevenslotig boek, een zang van ’t boos geslacht, Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.
Dit vers is saamgedicht door Klaasje van der Gracht van den katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de vliegende theeketel uithangt.”
—Verheven! Als z’n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is verbazend!
Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.
“LOUWTJE DE WILDE, op de vriendschap. De vriendschap is een schoone zaak. En geeft het menschdom groot vermaak.”
De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes vriendschap.
—Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of zyn.
“WIMPJE DE WILDE, op het hengelen. Het heng’len is...
—Hoe... wat is dat?
Ja waarachtig, ’t stond er:
“Het heng’len is een schoone zaak. En geeft het menschdom veel vermaak.”
De pruik was in voortdurende beweging. ’t Scheen wel dat ze meehengelde.
Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan ’t menschdom! ’t Was ’n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden.
Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden ’t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na ’t inzien der vruchteloosheid harer bemoeiingen om onderscheid te vinden tusschen hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool, hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in ’t juiste midden, met ’n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag naar ’t vervolg, als de lezer.
“LEENTJE DE HAAS, op admiraal de Ruyter. “Hy is op een toren geklommen, En heeft daar touw gedraaid. Toen is hy op zee gekommen, En werd met roem bezaaid.
Hy wou ’t er niet by laten, En heeft Saleh geveld. Toen hebben heeren Staten Hem aangesteld als held.
Toen is hy aangekomen In ’t roofziek Engeland. Dat heeft hy zonder schromen Belegerd en verbrand.
Hy heeft veel christenslaven Met vryheid overstrooid. Toen hebben Neêrlands braven Zyn glazen ingegooid.
Tot afschrik van verraders Toen hy de zee bevoer. Was zyn naam bestevader, Zyn vrouw was bestemoêr.
Hy gaf de eer den Heere, En was als Christen groot. Toen kreeg hy door zyn kleeren Een kogel, en was dood.”
De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen verheugd. Helaas... de vreugde van zoo’n pruik duurt niet lang! Ook de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...
“WOUTER PIETERSE, Rooverslied...”
—Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?
Meester vertrouwde z’n oogen niet. Hy keerde ’t blad om en bekeek de achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...
Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter’s blaadje!
Arme pruik!
Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit ’n pruik onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op ’n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort: heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven, hoe komt-i er aan!... plakte ze met ’n vuistslag weer op z’n schedel... dekte haar toe met z’n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als ’n bezetene.
Hy ging den weg op naar Wouter’s woning, waar we hem weldra zullen zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.
Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel’s zoölogische geestigheid, oorzaak van ’n laatsten punischen oorlog. Pennewip homœopaath en vredestichter malgré lui. Arme Wouter!
—Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou die stoel wech, en cheef ereis ’n tessie in die stoof... toe as ’n meit, of ’k doe ’t liefer sellif. En-oe maak je ’t, mens? Juffrò-Laps k’mt ook, weet je?—Myntje, denk ’m je deeg, en skei uit mê-kamme—ze ken niet f’n d’r hare blyve, die meit, as ’r folk is... ga sitte, mens... né, niet in die hoek... ’t tocht ’r so...
Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw Stotter was ’n “vrouw” en geen “juffrouw.” Ze had dus geen recht op de eereplaats, want eens-vooral, ’n juffrouw gaat boven ’n vrouw, zoo goed als ’n mevrouw gaat boven ’n juffrouw. Ieder moet op z’n plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7. b1 of c, (Pp) waar de préséance nauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan ’t hof te Madrid, jazelfs met ’n angstvalligheid die ’t ceremonie-meesterschap op die hoogte der maatschappy, tot ’n hoofdbrekend werk maakt voor menige juffrouw Pieterse.
Ik zeg dit maar, om door ’t woord “hoofdbreken” ongezocht te geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor ’t afleggen van ’n bezoek op dezen of genen III. 7, b1. (Pp).
Want als ’t nu eens later iemand in ’t hoofd komt, vrouw Stotter te verheffen tot algemeene baker van ’t heele menschdom, zal ’t dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd heeft, en hòe ze ’t gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft, ’k wasch m’n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.
Ik ben er geweest! Ziehier:
—Och me lieffe juffre Pieterse... ’k was so bedaan toe Louweris me kwam fraache. Want ’k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt, weetje—né, dankie f’r fuur. Strakkies, Pietje—’t zech al so teuche Wimpie, hoe sou juffre Pietersen ’t make, ’mdâ-’k in so lang niet fâ-je chehoort-ep, weetje,—ja, lech ’m m’r neer,’t is m’n outje—je neemt ommes nie kwalik, dâ-’k m’r m’n outje hep omchedaan?... en doe sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...
Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het “outje” van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan ’t voeteneind op de bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt lagen, de beenen niet uittesteken, om baker’s “outje” niet te bederven.
—Wel mens, cha sitte... ja, dâ’s f’rons... ’t is tweemaal—Leentje, wâ-benje weer... d’r wordt cheskelt, hoorje niet!—’t Sel juffre Sipperman wese... w’nt juffre Sipperman k’mt ook, weetje...
Ik weet alweer niet of ’t inderdaad juffrouw Zipperman was die gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in ’t onzekere latende of ’t ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den koekbakker, of juffrouw Krummel “die ’n man op de beurs had” of juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was ’t heele gezelschap kompleet, en Stoffel rookte z’n pyp alsof ’t zoo hoorde. Leentje was weggegaan zonder boterham. “Die zou ze morgen wel krygen, omdat ’t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen.”
—En toe hebbe ze daadelik ’n and’re chenome... uwe weet wel... die soo’n flakki op ’r neus het.
—Och, ’t is soo’n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe, neemt uwe d’r noch eentje, en lâ-je nie nooie... ’t is ’n koekie f’n j’eiche deech.
—Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met ’n konynenmondje, dat fatsoen beduidt.
—Kemän, of ’k sou denke dâ-je ’t niet lustte.
Dat mocht ze niet laten denken, want ze had ’t zelf gebakken.
—Dan mach ’k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en dankie wel.
—En uwé, juffre Laps, toe, mach ’k ’r j’eentje cheefe?
Juffrouw Laps koos janhagel.
—Skenkerissin, Trui!—Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je meedrinken, ’t wort je f’n harte chechunt, mens!—Pietje, feeg de tafel ’r’s of... só, as ’n meit... en cha nou ’r’s kyke na de kleintjes, en sech dâ’k se nie hoore mot.—Och, juffre Mabbel, ’t is zoo’n chedoe mettie kindere... en hoe faart uwe’s Sientje mette kinkhoest?
—We hebbe d’r nou ’n machenetisseur bycheroepe, m’r ’t wil nie vatte... ’t m’nkeert ’m an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.
—Isset moooochelik... wat ’n mens al beleeft! En w’nneer komt-i... die kle ... klik... kleer...
—Dat leit ’m an de sénewe, juffre Sipperman. M’r nou het-i d’r slaapmussie, en d’r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en nou sel ’t chou komme, seit-i.
—Wel mens, wat sech-i! M’r oe cháát ’t dan?
—Wel... dan sel de sonnebuul ’t seche, wâ-me doen motte.
Juffrouw Laps was er tegen.
—Ik dééj’t niet, ik dééj’t niet... fô-cheen werels choet! Want weetje wat ik sech? Ik sech maar, as Chot ’t wil, d’n mô-je beruste, dâ-sech ik!
—Ja, juffre Laps, m’r de juffr’ uit de chruttery het ’t ook chedaan, en d’r kint is veel beter.
—Dat seit uwé, juffre Mabbel, m’r ik sech dâ-se wat in d’r oochies het, wâ-me niet befalt...
—Wâ-dan, juffre Laps?
—Se kykt onstichtelik... en ik houw ’t f’r sonde... en dàt sech ik maar. ’t Benne allemaal m’r kunste die nie te-pas komme... en as Chot wil, mô-je beruste.
—Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis ’n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken ’n heel fers f’n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook ken-i al de werrikwoorden f’n ’t frouwelyk cheslacht.
—Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-’k rook.
—Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-’s ’n werrikwoord opseche.—Je sou seche, w’r haalt de jong’ ’t f’ndaan, juffre Sipperman.—Hoe is ’t ’k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn, en hy sou beskonke chewees syn—och heere, begryp ’t goet, mens, niet omdat-i dronke was, gut né, m’r ’t kwam so te-pas in s’n werrikwoort, ’tis ’m je slap te lachen, as-i bechint.—Skenkerissin, Trui, en blaas es in de tuit... d’r sit ’n blaatje foor.
Stoffel dreunde z’n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken geweest was, en dat zy ’t wezen zouden. Daarop werd de buurt over den hekel gehaald, en de juffrouw van “onder-achter” kreeg haar deel. Dat spreekt vanzelf want ze was er niet.
De godsdienst en ’t geloof speelden ’n groote rol, en juffrouw Laps gaf te kennen dat ze van plan was ’n “oefening” optezetten, omdat de tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet goed in de hoeken veegden.
—Ik zeg maar, ’t staat in de Schrift dat ’n mensch ’n mensch is, riep ze, en dáár kom ik maar op. Men moet ’t niet beter willen weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door ’t geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje... en daarom wou ’k zoo graag ’n eigen oefeningetje houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om ’n zakduitje op kermis en nieuwjaar. Denk ’r ’ns over juffrouw Mabbel.
Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag ’s avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: “’t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat ’n “werkelyk” beroep was.”
—Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat ’t wel gaan zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de schoteltjes... want om geld is ’t me niet te doen, gut né! We zouden beginnen met ’t ouwe testament... en dan... oefening, weet uwé... oefening, weet u?
Juffrouw Zipperman wist ’t wel, doch haar schoonzoon van de assurantie—of van ’t kadaster—had gezegd dat de dominees voor die zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten wezen zou.
Die heeren van ’t kadaster—of van de assurantie—zyn zoo gek niet.
—Wat denkt uwe d’r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat zoo’n oefeningetje...
Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke aanbiedingen te doen aan ’n “vrouw.”
—Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-’ns zoolang gebakerd had als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m’nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik heb altyd heel in ’t fatsoelyke gebakerd, weetje... ’t is ’n huis met ’n hooge stoep, en in de gang stond zoo’n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: “vrouw Stotter, zeit-i, je bent ’n goeie vrouw, zeit-i en ’n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m’n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je ’t niet hoort”—dankie, juffrouw Pieterse, m’n koppie is omgekeerd, dat zie je wel—en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet weten wat-i doet.
—Maar zoo’n oefeningetje... vrouw Stotter.
—’t Is mogelyk, juffrouw Laps, ’t is wel mogelyk... maar ik heb al zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m’n eigen gang ga, en dat ’s dan ook maar ’t beste. Want ik ben in ’n kraam geweest by m’nheer De Witte die ’n oom heeft aan ’t stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in ’t fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei altyd: “baker, baker, zeit-i, je bent m’n ’n baker!” Zoodat ik maar zeggen wil dat ’k heel goed weet wat ’k doe, want ik heb ’r al wat ingespeld van m’n leven. Daar heb je nou m’nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen, op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...
De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van ’t punt in kwestie. Maar dat doen er wel meer.
—En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over ’n oefeningetje?
—Och mensch, ik heb al zoo’n geoefen met m’n kinderen! Je weet niet wat ’t is, mensch, om ’r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar m’n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee ’r wat voor, ik hoor ’r weer.
Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer ging om kleine Kee er “wat vóór te geven.” Men kon ’t haar aanzien dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.
—Waar was ik weer? Ja, dat is m’n godsdienst, zeg ik maar. ’t Is ’n getob met die kinderen, mensch, je wéét ’t niet! En ik vind, als ik ze goed opbreng... ga jy nu ’ns, Pietje, en breng Simon terecht, die knypt zeker z’n zussie weer, dat doet-i altyd als ’r volk is.
Simon werd terechtgebracht.
—Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik daar weer? Myntje, ga ’ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.
Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat “ze wat hadden omgegooid.”
Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van “achter-onder.” ’t Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, achter. Vreeselyke opschudding.
Eindelyk:
De kinderen waren “terechtgebracht.” Juffrouw Zipperman zat weer in den hoek “waar ’t zoo tochtte” waaruit men ziet hoe alle aardsche grootheid ’n keerzy heeft, en dat ’n schoonzoon by ’t kadaster—of de assurantie—regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. “’t Was juist als in de Schrift stond”, zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar ’t staat, weet ik niet, maar ’k ben zeker dat het èrgens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.
—Kom, Stoffel, vertel jy nou ’reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.
—’k Weet niks op ’t oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische hovaardy.
—Och toe, zeg maar ’reis wat je verleden zei... och toe—zoo is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, anders gaat ’t niet. Maar dan weet-i ’t wel, dat zal uwe zien—toe, Stoffel!—hy zal moe wezen van z’n school, weet u... ’t is ’n gedoe met zoo’n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is ’n heele boel aan vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk zyn. Is ’t niet waar, Stoffel?
—Né, moeder.
—Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je—’t is maar, weet uwe, juffrouw Zipperman, om ’m aan ’t praten te krygen, maar dat kan zoo in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z’n school—verleden zei je, dat alles...
—Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.
—Nou hoort uwé ’t, juffrouw Mabbel... waar haalt-i ’t vandaan! Begryp ’ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook—je korrenet, weetje—en jy ook...
—Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en baker ook.
Baker keek heel vreemd. Zy mannelyk... dat had ze nooit geweten.
—Baker is mannelyk, ging Stoffel voort—nou begint-i! riep z’n moeder—alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker, baker.
—Is ’t mogelyk! riepen de gasten uit één mond.
—Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd staan als je ’t hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?
—Ik... ik? Wat ik bèn?
—Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?
—Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei ’t mensch, maar ze zei ’t met wat twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in ’t eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.
De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van ’n byzondere zaak ’n algemeene makende, vroeg Stoffel’s moeder, kringsgewys rondgaande met haar blik:
—En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent?
Ze wisten ’t geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende de hoogschalke Stoffel ’t niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:
—Ik ben juffrouw Laps!
—Mis... mis... glad mis!
—Wel heerem’ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?
—J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet gevraagd wie je bent, maar wat je bent... daar zit ’m ’t fyne!
—Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!
—J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is ’t nu niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...
Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal mogelyk:
—Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.
—Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op ’t punt staat zich beleedigd te voelen.
—Ik ben ’n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
—En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.
—Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit ’n dierlyk oogpunt...
—Als ’t onfatsoenlyk wordt, ga ’k liever heen, zei juffrouw Laps.
—Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.
—Menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek—Stoffel, zeg ’t maar—je zult ’r om lachen, juffrouw Mabbel, en ’t mooiste is dat ’t in ’n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen—toe, Stoffel, zeg ’t maar!
—Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig—en er was ’n gewichtig oogenblik aangebroken in ’t avendje van juffrouw Pieterse—juffrouw Laps, je bent ’n zoogdier.
Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er volgde op dat vreeselyk woord.
Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen, en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. De voorlaatste fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las, bepaalde zy zich tot ’n schrikinboezemend violet, en riep... neen, ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op ’n wyze die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien avend waren komen te overlyden.
Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in ’n dikken wolk van rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze stamelde deemoedig:
—’t Staat in ’n boek, ’t staat waarachtig in ’n boek! Och, lieve menschen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek!
Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna ’n oogenblik, hoestte, wierp ’t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:
—Juffrouw Pieterse, je bent ’n keronje. Je mag zelf ’n zoogdier wezen, jy en je zoon, dat zeg ik je! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te denken, want m’n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder ’t zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over ’t bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen, hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag, zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En ik zeg je nou nog ’ns dat je-n-’n keronje bent, jy en je zoon en je heele familie—weg, Trui!—m’n vader was in de granen, weetje... en ik ben te fatsoenlyk om door jou...
—Maar mensch, ’t staat in ’n boek... omdeliefdewil, geloof me... ’t staat in ’n boek!
Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die Godswoord hebt verkwanseld en verdaan op d’ouwenbrug...
Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z’n moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer ’t een voor ’t ander.
—Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys ’t toch aan de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!
—Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te wyzen in je boek, dat zeg ik je! En ik zeg je nogeens dat je-n-’n keronje bent, jy en je lummel van ’n zoon, en je sletten van dochters die opgroeien als...
Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. ’t Overige gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd ’n woordje tusschen. Er kwam weer ’n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de politie dreigde. De kinderen maakten gebruik van de opschudding, om hun konsigne te breken. Ze hadden ’t bed verlaten, en loerden door ’t sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar “lodderyndoos” en zei dat ze ’t besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar “oudje” en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.
Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. “Men kon veel verdragen, maar dàt niet.” Juffrouw Krummel zou ’t geval meedeelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of ’t kadaster. Vrouw Stotter zou ’t vertellen aan dien m’nheer op de Prinsengracht, dien ze gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet of ’t by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in ’t vorige hoofdstuk.
Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.
Ja, daar werd gescheld... nog eens: ’t was ...f’r ons.”
Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon ’t altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men ’n ander was dan men is. ’t Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen kan dat ze ’t in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel ’n mensch zal geweest zyn als ’n ander.
—Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de heeren wezen.
De “dames” beweerden dat de “heeren” nog niet konden dáár zyn, wyl ’t nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf ’t de heeren waren, gaf ’n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.
Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is ’t heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was.
Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar ’t ging niet, want haar: “’n zoogdier... hebje van z’n leven, ’n zoogdier!” werd overstemd door: “hedenm’ntyd, anders komt-i nooit voor tienen.” Juffrouw Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou “opentrekken”. Truitje werd belast met het “terechtbrengen” van de kinderen—die er heel slecht by voeren—en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met ’n nieuwe zoölogische verhandeling die ’n ongehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde aan ’t nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer weet het.
De homoeopathen zullen hier denken aan hun similia similibus, want de verrassing van z’n komst werkte gunstig op de aangevangen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend ’n wapenstilstand gesloten tusschen de krygvoerende partyen—niet zonder voorbehoud aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip’s komst zou voldaan zyn—en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men ’t den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.
—Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...
—Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.
’t Gezelschap was niets, en: “ga maar zitten.” Daar heerscht ’n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, b1, (Pp).
—Wil uwe-n-’n koppie meedrinken, meester... saliemelk?
—Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!
—Maar ga toch zitten, meester...
Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en ’t kwam er toe.
Pennewip kuchte met ernst. Hy zag ’t gezelschap rond, haalde een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:
—Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...
Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met ’n zegevierenden blik.
—Ja meester, dat deet-i!
—Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?
—Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip’s toon, jawel, dat is waar, meester.
—En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, klachten hebt—ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse—over de wyze waarop ik—met behulp myner echtgenoote—aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?
Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevredenheid.
—Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl hy ’n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen jaren later.
—Maar, meester...
—Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u—want het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel achterwege te laten—ik vraag u of gy klachten hebt—ik bedoel natuurlykerwyze: gegronde klachten—over myn onderwys in lezen, schryven, rekenen...
—Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...
—Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw zoon Wouter?
—Wouter?—’t Is waar ook—is-i niet thuisgekomen. Trui?—Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen...
—Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7 a1... misschien a... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn—want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse—het kan niet anders... zedeloosheid, verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...
—Hè?
—Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...
De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die ’n gevolg was van z’n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar eau-de-la-reine-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren zou over Wouter “dien jongen” die haar altyd zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van ’n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.
—Hèb ik ’t niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men begint met ’n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... in ’t geheel niet! Ik heb ’t lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in ’n familie, waar...