← Table of contents
De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1

INLEIDING. (continued 6)

Reading edition

Volgt: de schoolknapheid.

...en: die in den handel zou gaan.”

—Maar, moeder, de man zei toch....

Allen berstten uit in schamper gelach.

—Als men dáárnaar luisteren zou!

—Nu, wat men in zoo’n winkel zegt!

—Uiliger heb ik ’t nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo’n man bly is als-i z’n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?

—Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?

—Wat is er aantevangen met zoo’n kind!

De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter’s hoofd losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by Leentje geen troost vond.

—Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.

Dit “ikzelf” was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde zoowel: “ik, ’t hooge hof van appèl!” als: “ik, die anders zoo graag party voor je trek.” Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor Wouter’s eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.

—Maar de man zei toch...

—Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?

—Maar ... hy gaf er z’n woord op!

—Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....

Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in ’n burgerlyke boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op beter lyst. Leentje’s woorden hadden verdiend te weergalmen langs onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen door de spleten van ’n krypt. By de diepte van haar wysheid zou ’n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met overlyden aan ergernis over ’t ontsluieren van ’n nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen...

—Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo’n man de waarheid zegt of niet!

—Wel, jongen...

De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren wisten wat er volgen zou.

—Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de menschen je zeggen, is maar fut, zieje!

Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot ’n lager soort van spreekwys behooren, was ’t hem zeker meermalen in ’t oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z’n onnoozelheid. Hy had het nooit in z’n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen ’t gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch ’n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje’s toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem aan ’n stembuiging, aan ’n toonval, aan ’n melodie....

Neen, ’n melodie was ’t niet! Waar toch had-i—en onlangs nog—iets gehoord, dat ... dat....

Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar maxime als ’t ware ’n weerslag was....

Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy herinnerde zich haar: “wel zeker, ieder moet handelen naar z’n overtuiging!” en op den klank af, begreep hy Leentje’s apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien ’t woord “fut” bekleedt in de nederduitsche taal.

“Zelf uit de oogen zien!” En “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging.” Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan dan....

Ach, z’n nieuwe wysheid haalde hem dien dag ’n verdrietig geval op den hals. ’t Was diep in ’t voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen ’t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.

Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z’n school....

—Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of ’t geen schande-n-is! De aardappelen zyn verleje-n-Oktober “opgedaan” en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, ’t waren expresse winteraardappelen, overblyvers...

—Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo’n man zegt, is... fut!

—Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg, heelemaal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor’t schavot? Ja, voor ’t schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, ’n ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt zeg ik maar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zeg jy, Stoffel?

Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z’n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.

—Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je ’n mensch z’n moeder ... gut, ik lust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar exkuus, en zeg dat je ’t nooit weer zal doen.

—Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z’n overtuiging, niet waar?

De laatste opmerking ging Leentje’s sfeer te-boven. Ze bleef er by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....

Wanneer? Waar? Hoe?

Indien de oorzaak van z’n ergernis zich bepaald had tot de slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevredenheid. Kort na z’n vreeselyke schavotzonde kwam hem ’n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By ’t behandelen van een der jonge-juffrouwen—in den burgerstand zyn altyd ’n paar huisgenooten ziek—had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z’n moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op ’n wys die niet paste by Holsma’s toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot was z’n verbazing, toen-i z’n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan onlangs toen hy zich beklaagd had over dezelfde zaak.

—Juist, dokter, zei ze. Ik zeg ook dat het geen behoorlyk eten is. En de kinderen ook. En Wouter ook. ’t Kind kan ze niet eten, die glazige dingen! En als ’t nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we ’t goddank niet te overleggen, en ik zeg ook: liever goeie boonen dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m’n oudste dochter—Trui heet ze, maar we noemen d’r Sertrude—zy heeft óók gezegd: niet waar, Trui?

—Ja, moeder.

Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z’n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in ’t late voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als ’n oude bekende dien men byzonder genegen was. ’t Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.

En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen inteboezemen op z’n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had haar niet weergezien sedert z’n ... zonderling bezoek, en wist dat ook z’n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had z’n afgelegd examen—of wat daarvoor heette doortegaan—’n normaal verloop genomen. Maar nu?

Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier ’t mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit “iets” zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z’n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan ’t licht bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld was, en dat Wouter’s kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg?

De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht ’n middel om ’t huis te verlaten, en was juist gereed met ’n voorwendsel, toen er gescheld werd:

—Daar is ze, riep Petro die ’t spionnetjen in ’t oog had. Daar is ze-n-al. Ze heeft ’r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen op ’r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar ’ns open, als ’n jongen!

Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo’n wys hielp ’t uitgaan niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:

Tweede verwondering.—Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat je zoo’n best kind bent!

En ze gaf hem ’n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.

—Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat’s niet mooi van je! Komaan, die boodschap zal zoo’n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zeg ik maar.

En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar weer de kamer binnentrad.

Derde en vierde verwondering. De heele familie Pieterse ontving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke vordering: “dat zoo’n kind àlles weten zou!”

Als Wouter latyn te verliezen gehad had...

—Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de juffrouw ’r hoed op ’t kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in ’t spionnetje, en ze zei ... nou, dat ’s tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, maar ’t is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet gezien. Onze Mine heeft ’t weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar ’t wil niet dóórgaan. Anders ... koekdeeg is ’t beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo’n goeien dokter ... niet omdat-i zweeren snydt—gut né, want-i is dokter, weetje, en geen surezyn—’t is maar om te zeggen dat we zoo’n goeien dokter hebben. En hoe gaat het uwe!

De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die praatjes werd geantwoord, mits-i zich ’n ander punt van uitgang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en ’t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde persoon was, die hem by ’t binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z’n moeder aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:

Vyfde verwondering.—En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem z’n moeder. Ik kan je niet zeggen, m’n goeie juffrouw Laps, wat ’n last ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut ’n boodschap doen—hy moest ’n potlood koopen, weetje, om ’n landkaart te teekenen—want in landkaarten is-i knap, en als ’n land niet deugt, veegt-i ’t uit met gommelistiek—en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef ’m ’n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu weer! Dat’s geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?

—Wat ik zeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met ’n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat’s m’n zinnigheid en m’n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....

—Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....

—Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár, daar in ’t hoekje, zal blyven zitten zoolang ik ’t verkies. Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is ’n barsie in. Neem ’n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen?

—’t Zit ’m alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.

—In de dominees?

—Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, ’t Ware geloof gaat te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo’n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had—met pinkster wordt het zeven jaar—maar jawel! Prulwerk is ’t, niets dan prulwerk. ’t Heele woord “dominee” komt in de Schrift niet voor. En “preek” ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus’ voeten. Dàt ’s ’t ware, zieje.

Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse ’t verband niet, tusschen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen ’t kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op ’t ontbreken van ’n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam ’t er niet op aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men ’t minste scheurtjen opmerkt en betreurt.

—Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens zeggen wat de zaak is? ’n Dominee is net ’n mensch als ’n ander. Daar heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i ook, Sertrude?

Trui noemde een naam.

—Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, ’t is ’n naam die ... hy heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont ’n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....

—De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen dat het kind naar de kerk gaat, in ’t minst niet! Al zingen ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...

De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen ’n heel andere afkomst hebben?

... toch is ’t beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt, of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan ’t kind gemerkt dat jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In ’t geheel niet, volstrekt niet! ’t Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten en den tabernakel des Heeren.

Hier volgde een beschryving van Wouter’s gemoed, die juffrouw Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden—wat ze dan ook niet was—en moest dus wanhopen aan z’n eigen verstand. Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z’n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor ’n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van ’n berisping dáárover, vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen z’n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan “overhoord” had?

—Want, zieje, ’n ieder leert uit z’n eigen boek. En als je dan op-eens uit ’n ander boek gaat vragen....

—Ik vraag nooit uit ’n boek, riep juffrouw Laps, met ’n waardigheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin zit het hem niet!

—Maar, juffrouw, zei Wouter met z’n gewone bedeesdheid, u heeft me niets gevraagd!

—Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m’n dank! Je ziet nu zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders ’t kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis’ wil waar ’t naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z’n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der verstoktheid van ’n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp je-n-immers ook wel? Moest ik je wat vragen, jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja ... maar dat’s ’t ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!

En ze knipte met de vingers.

—Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?

—Stuur ’m gerust ’ns by me ... al was ’t van avond nog.

Wouter rilde. Maar gelukkig drong z’n moeder dien dag niet op de herhaling van ’t bezoek aan. Integendeel, na ’t vertrek der oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes niet recht kon wys worden.

Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om haar niet te begrypen. In z’n onnoozelheid meende hy slechts de keur te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!

Wouter’s intrede in ’n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in ’t vinden van den oorsprong van ’t woord hypotheek, dat geboren is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in ’n leesbibliotheek, naast snuif en tabak.

“In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling (P. G.) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op ’n fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder ’t motto: “Handel” aantemelden by den boek- plaat- en kunsthandelaar E. Maaskamp, Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...

Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam, weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in ’t whistspel. ’t Was ’n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen, waarnaar zich de “incroyables” en “merveilleuses” kleedden... niet precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering van 13 Juni 1795, die: “bevallige tooy” voorschreef “bestuurd door nette eenvouwigheid.”

De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te brengen. Ik wil namelyk by ’t schetsen van Wouter’s ontwikkeling niet gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve, 2º om wáár te blyven in hoofdzaken.

Ik weet zeer goed dat het “P. G.” waarop met zoo aandoenlyke geloofsvastheid gelet wordt by ’t kiezen van keukenmeiden, boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor ’t korrekt aanhalen van ’n diploom. Psychologische kunstwaarheid heeft àndere eischen.

Wanneer ’t me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik ’t zonder gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis, na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam, zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan ik nu schryf. Of men ’t ooit waargenomen heeft, is de vraag.

Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk “P. G.” werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet ... welnu, ’t had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.

—Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, Stoffel?

—Ja, moeder, ’t kan niet mooier.

—Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.

—Op goed zedelyk gedrag, moeder!

—Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je dàt, Stoffel?

—Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.

—Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik je niet altyd precies ’t zelfde gezegd? En ... ze vragen: “P. G.” Dat ben je, goddank!

—Ja, moeder, dat is-i!

—En, Stoffel, als jy nu eens den brief schreef? Wat dunkt je dáárvan?

—Maar ... er staat: eigenhandig!

—Wel zeker! Als jy nu eens ’n eigenhandigen brief schreef. Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo’n kind het doet?

Stoffel slaagde niet zonder moeite in ’t begrypelyk maken dat hier zeer in ’t byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, en dat de zyne—hoe mooi ook—in dit geval niet baten kon. Wouter werd dus aan ’t schryven gezet.

—Maar ... wat moet ik er boven zetten?

—Weet je dàt weer niet? ’t Is heel eenvoudig! Je moet schryven: Weledele Heeren! Er staat immers dat het ’n gevestigde handelszaak is?

—Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook ’n zaak heeft gehad, ’n zaak, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.

—En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...

—En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...

—En van goed zedelyk gedrag ...

—En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je misschien terstond salaris.

Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk in ’t voor-den-dag brengen van ’n staatstuk dat aan alle eischen voldeed. ’t Adres werd, na rype deliberatie: Aan de Weledele Heeren, den heeren ... motto: “handel.”

Maar ...’t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z’n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ... motto: handel, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden zien. “Maar, zeid-i, zeg ’t er dan by, als je m’nheer Maaskamp te zien krygt.”

Met ’n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle voorbygangers ’t hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den “handel” te bestormen. De geringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden by Weledele Heeren die ’n “gevestigde zaak” hadden. Zóó stond er in de advertentie, en ’t zou dus wel waar wezen.

By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook die man ’n gevestigde zaak hebben? En ’t was alweer karakteristiek, dat-i verzuimde naar ’n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo’n “gevestigde zaak” dan toch eigenlyk voor ’n ding was? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?

Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.

Stamelend vroeg hy aan ’n bediende in den winkel verschooning dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam Wouter’s dokument in ’n bakje waarin reeds ’n paar dozyn stukken van gelyken aard op ’t goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de man uit den prentwinkel niet in, daar-i ’t juist byzonder druk had met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo’n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg naar “handel” en niet naar heldendaden.

—Later, later! dacht-i.

Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z’n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit ’n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z’n goed zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.

—En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo’n advertentie? Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op ’t goeie zedelyke gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!

Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en ’t adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu “haantje-de-voorste speelden” zouden achter ’t net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op ’t voorrecht dat z’n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.

—Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn ’t zelfs niet! ’t Is maar, zieje, om te bewyzen, dat we-n-ook ’n zaak hadden, ’n effektieve zaak! Gut, de man nam nooit ’n elst in z’n hand. Is ’t waar of niet, Stoffel?

De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden ’n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met ’n leesbibliotheek, gesticht op den Zeedyk, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de “grootste koopstad van Europa” werd opgezet door ’n paar visscherlui. Van parallel tusschen ’t succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.

Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van ’n paar lood snuif, waarop ’n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan ’t hoofd te staan van ’n “gevestigde zaak.”

Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien gemaakt had over de beteekenis van ’t woord: “handel” zoud-i by deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z’n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van ’t woord “handel” niet vroeger had begrepen. Nu wist-i ’t! “Handel” beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter ’n toonbank snuif te wegen. En ... op den Zeedyk nogal!

Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide visschers—laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei geslacht waren!—die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam “stichtten.” Maar ook aan m’n lezers heb ik verplichtingen, en om hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, ’n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By stedenstichters is dit ’n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om ’n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.

Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen slaan op de keuze van ’t plekje waaruit de adel van hun nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?

De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van ’t huis in, en stond door ’n zydeur in gemeenschap met ’n leesbibliotheek, die ’t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden de geheele breedte van ’t perceel, en gaven door overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing en lettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, ’t Moest ’n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de “zaak” van de heeren Motto, Handel & Cie “gevestigd” was op twee industrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, en omgekeerd.

Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er in die lokaliteit iets “gefabriceerd” werd. De ordonnateur van ’t opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan ’t verkoopen. Juist andersom dus dan we ’t genoegen hadden waartenemen by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn ’t nog niet eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie ’t eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en ’t andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z’n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.

Of ’t evenwel waar was dat er in de hier “gevestigde zaak” inderdaad iets gemaakt werd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo’n byzonderen lust in werken hebben zou.

De handelswaar waarmee ’t winkeltje gestoffeerd was, bedroeg ter-nauwernood de waarde van ’n jaar huur, en de booze wereld van den Zeedyk durfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: rappee en zinking te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van ’n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks kwam kyken of z’n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]

De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door ’n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing ’n verweerd scheerspiegeltjen in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel—op dit oogenblik getooid met de jas van den Weledelen heer Motto—en van ’t halfrond tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop ’n pomadepot aan ’n kam scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door ’n mislukte poging tot tandwisselen. De heer “patroon” Motto namelyk, hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan “handel” wydde, niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van z’n gelaat ’n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.

Dat overigens in dien winkel zelf ’n groote rol werd gespeeld door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den oudheidkundigen lezer, die Motto’s lokken geen plaats geven kan naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m’n verhaal. In Wouter’s jeugd was ’n sigaar nog altyd ’n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan ’n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius aanstelt.

—Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i ’t oude vrouwtje geëxpedieerd had “met ’n snuifjen uit den pot toe.” En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En wat doen je ouwers?

—In ... schoenen, m’nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.

—Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalf pietje? Wouter stamelde dat-i ’t niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid als ik in de meesten van m’n lezers veronderstel, voor zoover ze ’t geluk hebben minder dan ’n halve eeuw oud te zyn.

—Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat ’n pietjen is? En ken je-n-’t verschil wel tusschen ’n zest’half en ’n schelling? En tusschen daalders en acht-en-twintigen? Kyk ...

De heer Motto trok de lade open, en scheen naar ’n “daalder” te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor deze keer met ’n “zest’half.” Hy stelde Wouter’s handelskennis op de proef, door hem optedragen ’n “schelling’” daarnaast te leggen—in z’n verbeelding—en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van ’t verschil. Dit alles moest men “in den handel” precies weten en kennen, beweerde m’nheer Motto.

Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z’n hemdsmouwen snuif verkoopt achter ’n toonbank. Het was zeer juist gezien van den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte voor iemand die “in den handel” gaat. De overlevering luidt dat-i er grondbeginselig byvoegde:

—Dat’s ’t voornaamste!

—En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet zeer bemoedigenden toon.

Helaas neen!

—En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?

Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.

—Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m’n zaak, en je begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta je deensch?

—N... e... e... n, m’nheer!

—Zoo! Deensch ook al niet? ’t Is maar, weetje, omdat hier soms wel ’reis deensche matrozen komen om ’n onssie tabak te koopen. In ’n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat’s ’t voornaamste! Anders ben je fittu! Grieken heb ik hier ook al gehad...

Wouter’s gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?

—Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden ’n pruim negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de kleintjes passen is ’t voornaamste! Anders ben je fittu, zieje? ’t Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, om alle-man te-woord te staan. Dat’s ’t voornaamste! Maar dat’s nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet ’n mensch z’n zekerheid hebben. Dat’s ’t voornaamste! Anders ben je fittu, dit begryp je zelf wel.

—M’n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet wist wat-i zeggen moest, en toch ’ns eindelyk wat zeggen wilde.

—Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan?

—Ik... zal... ’t... ’r... vragen, stotterde Wouter.

—Wel zeker! Ga jy ’r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat’s ’t voornaamste! Anders ben je fittu. Hier is nòg ’n winkel. Daarin heb je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat’s ’t voornaamste!

De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal niet veel anders dan ’n inslagtrapje dat dienen moest om de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en ’n dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen laven voor ’n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter’s tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.

—Zieje, zei m’nheer Motto, daar is ’t boek, of wat je zou kunnen noemen: ’t grootboek. Je verstaat toch ’t boekhouden wel?

Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.

—Ook al niet, jongen? Dat’s toch in den handel ’t voornaamste! Want, zieje, wie dàt niet kan, is fittu. ’t Is heel eenvoudig. Je moet opschryven wie ’n boek haalt, met dag en datum er by, en ’t huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-’t weerom brengen, dan haal je-n-’r ’n streep door. ’t Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je...

—Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.

—Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van ’t heele werk. Want, dit begryp je, als er één deel weg is, is ’t heele werk fittu. Van de sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik moet eerst weten of je moeder ... ga ’t ’r maar ’ns gauw vragen! Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd—want aan jongetjes die in ’n zaak willen, is waarachtig geen gebrek—maar als ’t dan aankomt op Mozes en de profeten—de borgstelling, weetje!—dan halen ze bakzeil. En dat’s toch ’t voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders ... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je storten kan! Ajuus!

Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den “handel” was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende hy, in ’t weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i zeker ’n allerontmoedigendst relaas van z’n wedervaren hebben afgelegd, indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!

Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den “handel” gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er ’n som van honderd gulden zou worden gestort, die ’n jaarlyksche rente van drie en-’n-half procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van ’n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. “Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor z’n kinderen.”

Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of ’t eerste derde. Hy was zoo vry z’n verwondering hierover in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen: & Compagnie, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde, en dat ook de heer Handel ’n voortbrengsel was van Motto’s ryke verbeeldingskracht. Als ’n Atlas droeg deze de dubbel “gevestigde zaak” op z’n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid zocht ’n deel van z’n last op den nek te wentelen van ’n protestantsch jongetje dat lust in werken had, en ... cautie stellen kon. Dit was ’t voornaamste ... inderdaad!

Wel eenigszins ten-nadeele van z’n tabaks- en snuifkennis, omvatte Wouter’s gemoed het ander deel van z’n werkkring met ’n liefde ... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met ’n waren geeuwhonger slikte hy ryp en groen in—véél ryps was er niet by!—en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in ’t voorzien van den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen dan eigenlyk ’n auteur aangenaam is. De bekwaamste faiseur kon geen tien bladzyden lang ’n vondelingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee ’t kind zou getooid worden op ’t laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in ’t onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang—eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon ’t als ’n stap tot hooger beschouwen—zichzelf geen rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden z’n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle ontwikkeling van z’n begrip, bleef by hem de naïveteit van smaak en opvatting ongeschonden. Al wist hy welke ridder straks onder de hoede van ’t Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou in het tournooi, toch had hy ’t geduld zich langs de voorgeschreven ficelles te laten leiden tot op ’t oogenblik van den officieelen triumf, en hy zou ’t zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:

Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!

En ... en—och, ik durf ’t byna niet zeggen, doch wáár is het!—hem bezielde daarby ’n gevoel alsof hyzelf...

Ivanhoe was?

Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in Valentins day, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund in the Maiden of the mist, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben, èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van ’n godsoordeel!

En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!

O, als hy ’t boek geschreven had, als hy de god ware geweest, die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten op hun respektieve plaatsen zet...

Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.

’t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op ’t gebied van ’t goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, en niemand ’n sigaar “van de tien” in-handen stopte voor ’n dito “van de acht.” En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de soort die eigenlyk “van de twintig” zou moeten heeten, als zy ’n naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z’n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. “Je moet altyd zien wien je voor hebt, zeid-i, dat’s ’t voornaamste!”

Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was hem tien, acht was acht, onverschillig met wien hy te-doen had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men hem op eenvoudige wys gevraagd had: “is ’t waar wat je daar zegt?” zoud-i hoogstwaarschynlyk byna altyd—en toen-i moediger werd: altyd—geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!

Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren was. Zeker werd z’n afkeer van onjuistheid—vreemd genoeg!—gevoed door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking neemt dat slechts ’n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z’n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z’n natuurlyke inborst dreef hem—naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso—om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik in Millioenen-Studien “zedelyk rym” noemde. De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van ’t stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by ’n aan den dood gewyde kohorte. Dat’s korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door ’n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z’n kleed, ’t Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is ’t, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!

Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit ’n oogpunt van Kunst aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, ’n verkeerde voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was ’t voldoende dat ieder die in zoo’n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God—Wouter’s god—vervulde in al die boeken z’n plicht veel beter dan ... byv. op den Zeedyk, waar-i gister nog ’n kleinen jongen had zien mishandelen door ’n groote. ’t Moest eens in ’n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!

En ook Wouter had getracht...

Kon hy ’t helpen dat z’n patroon hem op strengen toon terugriep?

—Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dáárop! Nooit je-n-inlaten met ’n andermans krakeel... dat’s ’t voornaamste!

Ziedaar ’n wysheid van àndere soort dan in z’n boeken stond!

Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver van z’n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind gebrachte: Sophia’s reize van Memel naar Saksen—och, Wouter vond Sophia’s oneindige reis veel te kort!—en eindelyk by planken. By planken, ja, en juist zoud-i ’n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika—’t voornaamste zeker!—en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had ’n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden: rappee en zinking al dan niet mochten verzwolgen worden in de “faillite massa.”

Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien op den Zeedyk te Amsterdam geraadpleegd te worden...

Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over: râpé. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.

We willen hopen dat ieder ’t zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: “dat er met dien jongen altyd wàt was!”

Alsof Wouter ’t helpen-kon!

Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z’n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo’n geval gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat Bulwer’s Paul Clifford wel inderdaad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of wat anders, als ’t maar terdeeg spannend en onmogelyk is.

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van slecht voedsel.

Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan ’n ander proces, dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze faktoren ’t meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, wyl ze had kunnen dagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig man in de negentiende eeuw zich aanmatigt ’n denkbeeld te vormen van Recht, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in hooge achting, te-meer omdat ze—na Cicero’s waarschuwing—finaal afgeleerd hebben elkaar in ’t gezicht uittelachen wanneer ze ’t genoegen hebben ’n kollega-auspex of ’n konfrère-haruspex te ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen’skamers doen, staat aan hun bescheidenheid.

Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en zaadkorrel, ’n question brûlante, waarmee onze overgrootouders zich den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan ’n Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten moet, noch op de hoedanigheden van ’t gestrooide zaad, noch op die van den bodem. Het komt me voor, dat ook—en misschien vooral—de verhouding tusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in aanmerking genomen worden.

Zéker is ’t dat de in Wouter’s gemoed uitgestrooide romanlektuur niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd had. Ook de aanraking met dien Motto en ’s mans zonderlinge klanten, had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had kunnen verwacht worden.

Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter’s ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit—er hoort moed toe!—dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.

Wouter’s gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid van z’n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en zedelyk vernietigen—en hierop scheen de kans het grootst!—òf ... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder die—zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van ’t kind, maar overigens voldoend ingelicht—van de zaak had kennis gedragen, zou ’t ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.

De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter’s hoofdeigenschap uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te bezwyken. Het moest schynen of z’n gevoel, na wat ziekelyk en onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid, zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou dan ook ’t geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest, niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy ’n andere hoedanigheid die hem staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper te-hulp kwam. Wouter leefde maar voor ’n zeer klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z’n ziel woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z’n helden en heldinnen te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, maarschalk en—alweer precies als in Afrika—koning. Meer nog, hy voelde zich de verantwoordelyke persoon, de deus ex machinâ van rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?

De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken over den dienstyver van z’n leerjongetje. Hy was er de man niet naar, om den hartigen toon van Wouter’s antwoord optemerken, als deze door hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig: “ik kom!” waarmee dan ’n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken, klonk veeleer als ’n krygshaftig: “ce sera moi, Nassau!” dan als blyk der gewilligheid die elk “patroon” eischen kan van winkeljongetjes die lust in werken, en—onder borgstelling voor de geldlâ—’n behoorlyk geloof hebben.

Wouter’s ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door ’t vuil waarin men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot taak had gesteld z’n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te oefenen in kracht. Noch ’t een noch ’t ander was echter het geval. Hy kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze eerste levensproef z’n behoud alleen te danken aan ... smaak, die toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen de beelden die z’n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys, toon, manieren en ... gedrag van z’n omgeving hebben nagebootst, hy die zoo precies wist hoe ’n edele ridder zich uitdrukt? Hoe ’n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in ’t gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog niet eens van z’n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z’n eigen zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou hy—op de bewustheid na—te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor ’t ééne noodige, voor ’t behoud van het goede.

Dat ons kind het goede voor-als-nog op ’n verkeerde plaats zocht, doet hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z’n streven niet, ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.

Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om ’t punt te bereiken waarop z’n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende tusschen te hoog of te laag, was ’t voor hem ’n logische noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meening dat men meer kon zyn dan goed, dat men edel moest wezen, en verheven!

Gewis, ’t is ’n fout—en ’n zeldzame!—maar beter dan menige soort van niet zeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in ’t gemeene!

Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden in de werking van zekere boeken op Wouter’s gemoed. Evenals dokter Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die leesbibliotheek op den Zeedyk. En ik zou ’n slordige geschiedschryver zyn als ik daarvan geen melding maakte.

Van Wouter’s menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.

Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak is. Nog minder van menschkunde.

By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam ’t denkbeeld dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid, niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want z’n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat het slenteren en draaien en ’t schipperen met halve waarheden, tot de attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap had kunnen geven van z’n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik “groot” zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!

Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma’s op, schoon ook daar ’t genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat de behandelde onderwerpen z’n kennis teboven gingen, en tevens dat de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z’n bereik was.

In dit laatste opzicht was-i door z’n schuwheid bewaard gebleven voor ... erger dan niet te kunnen “meedoen.” Hy onthield zich van ’t belachelyk pogen.

Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy was dus niet op z’n neus gevallen.

Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof: “de kunst van lezen.” In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al ’t gewicht van iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst over ’t voordragen der bekende leerstelling: “myn vader gaf my dezen nieuwen hoed.” In de “Oefening in ’t kunstmatig lezen” uitgegeven door de Maatschappy tot Nut van ’t Algemeen, kwam deze zinsnede voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien nieuwen hoed, en meende nu...

Doch Holsma behandelde iets anders. Maar ’t was weer het oude: de kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.

De grond van z’n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in de behandelde zaak—deze was geenszins boven z’n begrip—maar in de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale geleerdheid toeschenen alleen omdat z’m ten-eenen-male onbekend waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook ’t weinigje dat-i wèl wist niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op den weg te helpen, ontsnapte niet aan z’n fyn gevoel, en maakte z’n toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader stond, even misplaatst als te-huis.

De wyze waarop Holsma’s klacht over gebrekkig lezen behandeld werd, mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor ’n arts zoo verdrietig was z’n patienten te zien vermoorden met rottekruid, als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.

—Maar, m’nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daarover beklaagt? En als men dan nogeens uitdrukkelyk zegt dat men geen vergif bedoeld heeft?

—Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.

—Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.

—Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de menschen zoo?

—Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang, maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traag zyn om met eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan ’t napraten van wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid, en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote massa laten schreeuwen wat men wil.

Wouter begreep alweer ’t woord “massa” niet, daar het in die dagen nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had geholpen.

—Dat is zooveel als... ’n heele troep, zei ze.

—De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...

—Maar, m’nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers spreken veel menschen tegelyk?

Holsma begreep de oorzaak van Wouter’s misverstand, en misschien oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na “dom” nog iets anders willen zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden, en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking begrepen waarvan ’t gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, juist dóór z’n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.

Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds by Genesis I, vers 1, te vragen: “maar m’nheer, hoe weet ge dit?” Wel te verstaan, indien hy Mozes en Genesis had ontmoet in onheilig gezelschap, waar ’t denken aangemoedigd werd en ’t meespreken geoorloofd was.

De nuchterheid van z’n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in oneigenlyken zin, en dat Sietske’s vertaling niet zeer korrekt was, doet hier niets ter-zake. Het woord: “dom” beteekende naar Wouter’s schoolsche opvatting, dat men z’n les niet kende, dat men den naam van zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn, Pennewip’s leerlingen en bloc ’n domme schoolmassa te noemen? De een kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon ’t oom Sybrand bekend wezen dat ’n “heele troep” menschen—zóó had Sietske vertaald—te-zaamgenomen “dom” was?

Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door sommigen kan begrepen worden.

Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.

Och, ’t deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy ’n domheid gezegd te hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z’n onwetendheid, bewys gegeven van intelligentie.

Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist was er in die dagen—d.i. niet in die dagen, want m’n kronologie is allerverwardst—te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot de toelichting: waarom men de “massa” niet zoozeer dom noemen mocht, als... als... ja wat?

Er was ’n verandering gebracht in ’t belastingstelsel. Zeker bedrag dat vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en Philantropie. ’t Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen op bezitters, niet op de minderbedeelden.

Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen belasting, plus ’n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om oud yzer.

Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in ’t belang der armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. De eigenaars van kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt. Wie gebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-bevoorrechten! Het “gemeene volk” doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de “dienders” te water, mishandelde de “veteranen” die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort.

Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere intelligentie, wanneer men z’n wrok lucht geeft—en op die wys!—tegen een maatregel die naar ’t gevoelen van de oproermakers-zelf in hun eigen belang genomen was.

Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van toepassing geweest zyn. Ieder op-zichzelf was verstandig genoeg om de zaak juist te beoordeelen. Met hun allen echter sloegen ze zonder de minste geldige reden den boêl stuk.

De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen, kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets anders dan de Rede. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit: een Ziel.

Wie de “massa” van ’t Volk dom noemt, begaat de onnauwkeurigheid die er liggen zou in de meening dat vyf beminnelyk is, of lucht driehoekig. De “massa” als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door ’n samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haar hoofdeigenschap, in stilstand en beweging beide, is: traagheid.

Wouter had schik van z’n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest van ’t bovenstaande antwoordde.

Toch bleef hy verdrietig over z’n onkunde, en hy nam zich voor, meer te leeren.

Strabbe’s regula van “menging” onder de oogen gezien, in-verband met de manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel ’t pond verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter getuigt. Alweer Juffrouw Laps!

Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by ’t overgaan van een der pleintjes die men te Amsterdam “markten” noemt, op ’n bende van ’t gemeen, die bezig was de geschonden rechten der “huisjesmelkers” heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.

—Die... massa is niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te doordringen van de pas opgedane wysheid. Dom is ze niet! Misschien zelfs niet onwetend ... neen, ook dit is onjuist. ’t Is maar dat ze... niets weten met hun allen. Zeker zyn er wel verstandige menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze ’t kunnen.

’t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet door de “massa” die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt, voor-zoo-ver deze zich openbaren op dynamische wys. Vanhier dan ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van ’t geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich daartegenover stelt. Ieder zegt: “ze” deden dit of dat. “De menschen” liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. “Ze” wisten niet wat ze wilden. “Ze” waren gek, wreed, lafhartig, enz.

Niemand spreekt by zulke gelegenheden van “ik” noch zelfs van: “wy.” ’t Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts de beweging te volgen, en geen besef heeft hoe dat vermeende “volgen” wel degelyk de uitwerking heeft van meestuwen. Ook deze begoocheling komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op ’n vergissing.

Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon te denken, en dat het de moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z’n gemoed. Hy zag in dat de “massa” waarop hy stuitte, te laag stond om... dom te zyn.

Ook kon men ze—in hoedanigheid van “menigte” alweer—niet beschonken noemen, al zy ’t dan dat het getal nuchtere lieden die aan de samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo, was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets dan ’n fiktie. Een Menigte kan zoomin drinken als denken, en heeft dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig. Een Menigte is, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy is niemendal.

Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode: om te geraken tot waarheid in het algemeen, kon Wouter zich nog niet inlaten. ’t Was al wèl dat-i over de ydelheid van ’t kwalificeeren-zelf nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer op zedelyk terrein toekomt aan den individu.

Hy voelde—en zeer ten-rechte, waarlyk!—dat hy hooger stond dan al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was ’t die goede dokter Holsma.

Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou tot ’n deel van zóó’n geheel!

Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...

Wel zeker: “ieder moet handelen naar z’n eigen overtuiging!” Zóó had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe’s “regula van menging?”

“Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers, en van zeven stuivers het pond, en wenscht...”

De goeie Strabbe geeft z’n kruieniers nooit Souchong van geen-één stuiver te mengen onder de “massa” die hy verkoopen wil tegen zóóveel winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.

En Wouter ging met denken voort.

...hy wenscht van al die theesoorten een... “massa” te maken...

Daar is ’t woord weer, het nieuwe woord van de Holsma’s! Welnu, gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees, liefde, haat, deugd, en vooral: zedelyke verantwoordelykheid... dit alles is geen thee, die men mengen kan om ze aan den man te brengen tegen zekeren prys!

Wie ’t beproeven zou, verrekent zich, omdat de menging zelf ’n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe’s rekentalent ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars der regula: “van den mensche en deszelfs eigenaardigheden.”

Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort, en wat volgens de “Gezelschaps-rekening” den auteur toekomt. Daar echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my, nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. ’t Is wel mogelyk dat ik Wouter ’n beetje wyzer voorstelde dan-i nog wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou ze niet!

We zyn weer op die “markt.”

Nog altyd stonden daar ’n paar oud-gedienden op post, en bewaakten... ik weet niet wat!

Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de bestbespraakten onder ’t volk uitgescholden. “Bloeddieven” waren ze, en—de lezer raadt het zeker al—“opvreters van Stad en Land.”

Wouter vond—o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!—dat ze ’r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de bekende kreet, als ’n beroep op zyn hulp!

De toon was minder liefelyk, dat’s waar, dan Amalia’s:

Waar is... warre, warre, wou... Wouter die me redden zou?

Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker kraken: “je bent iets... toon het!”

O, ’t prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven verkondigen!

Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op zekere beleediging geantwoord:

—Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar ’n pruim tabak had!

—Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z’n nieuwbakken, speciale zaakkennis, als opgewonden door ’t denkbeeld dat hy ’n blyk geven kon niet tot de “massa” te behooren.

De man begreep noch ’t uitgesproken woord—negrohead—noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z’n aanvallers geschaard had.

Wie kon ook raden dat zoo’n kleine jongen ’n geheel àndere beweegkracht in z’n ziel had, dan die waardoor zich de “massa” liet voortdryven?

—Komaan, jy snotjongen, hou jy ’r je nu maar liever buiten! Wacht tot je droog achter je ooren bent!

—Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door ’t gejoel heen.

—Hè?

—Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.

—Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!

“S...s-gauw late” beduidt: iets volstrekt niet doen, iets zóó byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan ’t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... ’n slag in ’t gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.

Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend had van ’t prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:

—Ik zal dien man tabak geven!

Ach, hoe heerlyk hy dat “ik” intoneerde! De “nieuwe hoed” uit z’n leeslesje was er niets by.

—Ik zal dien man tabak geven, ik!

“Of sterven!” zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon ’t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als ’t gevorderd werd.

Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!

Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen van z’n zaakkennis. Al ware hyzelf in ’t bezit geweest van twee “gevestigde” zaken, hy had niet met meer aplomb z’n bestelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te doen doorgaan voor ’n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die ’t wist, met ’n specialiteit!

Nu, ’t liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk het te veel betaalde terug.

Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma’s verliet! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in ’t heerlyk bezit gebleven van ’t geldstuk, dat z’n moeder hem had meegegeven “voor de meid” omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op ’t fatsoen gesteld was.

Maar ’t aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...

De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter ’t meest.

—Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met ’n stemmetje zoo zacht, op ’n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk en bescheiden...

Wat er ’n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!

Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z’n heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven ’t hoofd—waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels opgestoken, dan dat peperhuis met ’n stuiver tabak!—en bereikte den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...

Wèg was z’n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer uittarting dan ’t aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, zette hy den kerel z’n schouder in de lenden, en boorde zich dóór tot de voorste ry:

—Dáár, man! Ziedaar tabak—negerhit, weetje?—’n snotjongen ben ik niet!

De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z’n overtuiging: dat-i ’t wel s...s-gauw “late sou.” Hy scheen te vragen welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z’n voorspelling?

De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet de verheugde tabakspruimer door ’n nogal bekende soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan ’t lachen had gemaakt:

“beter ’n halve pruim in je mond, as ’n heel stuk in je... kraag!”

Al wat de voorvechter van ’t non-interventiestelsel tegen Wouter inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...

O, Thermopylae! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z’n harnas ontgespen? Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, linkerheup, rozet...

De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat “die kleine jongen ’n s...s-brutale bliksem” was.

Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren dat de man zich bedroog. De door hem—tot z’n eigen verrassing waarlyk!—aan den dag gelegde moed was ’n uitvloeisel van geheel àndere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem ’n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z’n ziel groeien.

In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond van dezen dag.

Och, als Femke ’t gezien had!

Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z’n leertyd op den Zeedyk. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even naby als op die markt, zonder daaraan ’t verheffend denkbeeld van stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had hem ’n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd dat deze eigenschap “in den handel ’t voornaamste was.”

Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z’n eigen onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en—als met de leugens—kwam soms de wensch in hem op: “wanneer toch zal ik groot genoeg zyn, om me zoo mannelyk uittedrukken?”

Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische bywoorden, wanneer z’n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?

Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor deze soort van gemeenheid, door z’n onbederfbare lust in ’t exakte, een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.

Eens was-i genoodzaakt geweest, ’n kwajongen die steenen in den winkel wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was ’n scheldwoord gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt: dief! En wel met ’n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient, en dat ik dus mag overslaan.

—Hoe kan die jongen beweren dat ik ’n dief ben, en ... zoo onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat ik hem ’n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt hy my nu dief? Dat ’s iemand die steelt, niet waar?

De heer Motto was er de man niet naar, om ’t verschil tusschen schelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had zich meer geërgerd over ’t gebrek aan logischen samenhang dan over de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. ’t Was ’n schending der wereld-orde, iemand a te noemen omdat-i b was. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van ’t 2 × 2 = 4! ’n Hinkend rym. ’n Onmogelykheid!

En... ’t straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig gemaakt, was nog ’n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van begeerlyke volwassenheid!

Maar ... maar ... al de wèl “groote” menschen? Vanwaar by hèn dan dat gedurig afwyken van ’t ware, juiste, stipte? Waren zy zoo achterlyk, of was die straatjongen z’n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i vooruit, om aantelanden op ’t punt waar zich ’t grootste gedeelte van z’n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als de Weledele Heer Motto aan ’t hoofd te staan van twee “zaken” ... nu ja “gevestigd” waren ze na ’t overhaast vertrek van den patroon niet meer. Maar ’t waren “zaken” toch, en ... gevestigd geweest!

—Als ik den man hier had zou ik ’m verscheuren, zei de moeder. Ik dacht het wel dat-i met m’n geldje-n-op den loop zou gaan! ’k Heb ’t altyd gezegd, niet waar, Stoffel?

—Ja, moeder. Zoo’n cautie is ’n gevaarlyk ding...

—Dat heb je-n altyd van die menschen met ’r geloof! Ik vraag je, wat doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo’n man ’n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met ’n mensch z’n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik wou ... ik wou ... dat-i ’n roomsch jongetje genomen had, met ’n ... koussie van duizend!

—Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.

—’n Roomsche is net zoo goed als ’n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou ’n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en op den winkel passen, en ... koussies geven, als ’n griffermeerde? De menschen lyken wel mal met ’r verschil van geloof. De een is net zoo goed als de ander, vindje niet, Stoffel?

—Ja moeder.

—’t Is om ’r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo’n kerel nu in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Kon ik ’t weten, ik arme weduw die hier in m’n huiswerk zit?

—Moeder, ik wist het ook niet.

—Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of je moeder aan ’t bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met ’m beginnen? Naar zee gaat-i niet, dat zeg ik! Ik kan ’t voor God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo’n schip onder allerlei soort van volk komt, niet waar, Stoffel?

—Ja, moeder.

—En dat-i daar vloeken leert...

—Zeker, moeder.

—En z’n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z’n geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?

—Ja, moeder, ’n mensch moet altyd by z’n geloof blyven.

—Honderd gulden! ’t Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo’n gemeene kerel ’n protestantsch jongetje te vragen?

“Wel,” veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z’n “geloof.”

Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens’huis. De blunders in redeneering waaraan z’n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar de bitjara kossoeng van z’n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan ’t gegons van ’n byenzwerm.

Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z’n huisgenooten. Juffrouw Laps, byv. was hem ’n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z’n belangstelling in ’t oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer acht-sloeg op ’t gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar manieren.

Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en telkens onderging Wouter by die gelegenheden ’n reeks van tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och, er was niet uit het schepsel wys te worden.

Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel gespaarden schelling waren overgebleven...

Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich ’t besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen ’n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar ’t weg-grissen van ’n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z’n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.

Hoe dit zy, ’t uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest getroost worden over ’t gemis van de verteerbare Landen en Steden die anders z’n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren van ’t gebeurde. Hy sloeg in z’n relaas van de zaak, ’t gevaar dat-i geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne wat gestoft op z’n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z’n verkwisting, grooter was dan die op lof over z’n ... ja, hoe moet ik ’t noemen?

De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook zeer kwalyk genomen, en ’t was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z’n onpartydige mildheid was bestempeld geworden tot uittarting.

—Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z’n moeder. Jy verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?

By zulke toespraakjes viel ’t Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van z’n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf geen steun, want ... z’n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!

Edelmoedigheid is ’n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in, toch voelde hy z’n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de beschuldigingen die z’n moeder tegen hem inbracht.

Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de bewering dat-i gehandeld had als ’n gek. Dit werd te erger toen men de aanklacht overbracht op ’t laagste terrein dat men kiezen kon, op kinderachtigheid.

De moeder had het woord: “verkwisting” uitgesproken, maar Stoffel zette haar te-recht:

—Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!

—Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen van zyn jaren ... als ze-n-’n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?

Misschien was Stoffel’s opmerking niet kwaad gemeend, maar ze wondde Wouter diep. Een “verkwister” is dan toch altyd ’n persoon, ’n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!

“Prodigue, prodigue... asjeblieft prodigue!” mompelde hy treurig. Want—tot verbazing van den lezer misschien—hy kende dit woord.

In een der omnibus-slaapkamers hing ’n stelletje grof gekleurde platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden. ’t Was ’n fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking: prodigue niet anders kon beteekenen dan “verloren.” Dit had dan ook Stoffel tegen een van z’n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout ...

—Want: “verloren” stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.

...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de beteekenis van ’t woord prodigue: “verkwister” wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin.

Eerste tafereel. De zoon die bezig was met... verkwisten en verloren-gaan, neemt afscheid van z’n vader. De oudeheer had ’n purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er fladderde hem ’n mantel om de schouders—’t scheen erg te waaien in dien zuilengang!—’n mantel ... prinselyk! En z’n turksche broek was van puur goud! De jongen had ’n krommen sabel op-zy, en op z’n hoofd ’n tulband met aigrette ... zeker ’n onix, of sardonix, of paarl, of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke zaken kosten niets op ’n prent.

De oudeheer keek verdrietig—en daarin had de man geen ongelyk—maar ... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor ’n verre, verre reis! ’n Pikzwarte knecht hield ’n paard by den toom. ’n Ander den stygbeugel, en scheen te manen: “komaan, verloren-gaande zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!”

Welk jongetje zou niet graag zoo’n verloren zoon willen zyn? Die kromme sabel alleen was de zonde waard.

Tweede tafereel. Hm ... scabreus! Nu ja, maar niet voor Wouter, die in z’n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten en gedronken werd, en ’t gezelschap scheen eensgezind, want dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder van den verlorene. “Liever zóó verloren, dan anders gevonden” moest de indruk zyn dien ’t feest maakte op de verbeelding van ’n kind. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter’s opmerking. Of liever, hy wist wel wat het beduidde, maar ... voelde anders. En alweer was z’n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem ’t meest aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van ’t gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van ’t begrip: verkwisting, had de teekenaar ’n wynvaas doen omwerpen door ’n paar jachthonden...

Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, ’t is te veel!

...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf ’n wegloopende zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich met zoo’n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. ’t Had eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was ’t maar met ’n dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!

De teekenaar spreekt: “meent ge dat ik den verleidelyken indruk van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat er volgt?”

Volstrekt niet! Zie maar:

Derde tafereel. Heerlyk! Hoe romantisch is die wildernis! O, wie daar zoo mocht zitten op ’n rots, starende in de onpeilbare diepte van ’t verschiet, en ... alléén!

Denken, denken, denken!

Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor wat men te doen hebbe met z’n hart, z’n tyd, z’n elbogen, en z’n broek! De jonge man op ’t plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen en beenen zich op z’n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten voortdryven voorby z’n wydgeopende oogen! Men kon wis ’n dubbel stel longen gebruiken in zoo’n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i ’t eens mocht gebracht hebben tot zoo’n verheven keizerschap over ’t onmetelyk Ryk: eenzaamheid!

Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z’n Femke zitten! O, goddelyk verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem ’n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.

En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men dan handig ’n hut ... voor Femke, natuurlyk.

De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te hebben. ’t Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met ’r verkwisting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook ’t eenige verdriet dat ’n rechtgeaarde verkwister uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.

Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog had ’n onsmakelyk voorkomen.

—Als ’t my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal ze kammen!

De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten en verloren-gaan.

Maar ... ’t vierde? Evenmin! Minder nog!

Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang, waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel ... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.

Maar... hy? De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen in z’n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets van dit alles!

Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare zwynen zelfs!

En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit iets, en nam by Keesje’s vader osselappen op ’t weekboekje. Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering ’n ribstuk.

Op ’n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan met geld!

En zie, ditmaal had-i aan z’n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, dat hem weer ’n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar—op z’n pietersens!—werd medegedeeld. Zy sprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had graag geantwoord:

—Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen ’t deze keer geen schapen zyn?

Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor ’t beoogde kammen, en dus ook niet voor ’t blauwzyden halsdasje dat Femke’s lievelingslam zoo snoepig staan zou.

Maar ... ’n verkwister wàs-i, verzekerde ’t mensch.

Goddank!

Toulon est là! Woedende uitval van den auteur tegen monologen, met ’n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (De uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen ’t voorbeeld.) Gesprekken op den Olymp, waarby Jupiter ’t wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan ’n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en ’n pastoor, alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.

—Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want, wat doet-i? Hy verkwist z’n moeders goed. Als die man pruimen wil, laat ’m zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik heb altyd zuur moeten werken voor m’n boeltje, niet waar, Stoffel?

—Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het ’n kinderachtigheid van Wouter is.

—Net wat ik zeg, ’n kinderachtigheid!

—Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat de Heer z’n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur ’m ’ns by me. De fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend ’m ’ns by me.

—Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!

—Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...

Ze sprak de waarheid!

... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib, of ... Nebukadnezar, of ...

Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat oogenblik ’n briefje te schryven had gehad—aan Femke liefst!—zoud-i zeker geroemd hebben: “begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo slecht als drie oude koningen met hun allen!”

En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!

—Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het midden, en z’n voeten zyn van klei. De Heer zal ’m wis en zeker omgooien! Stuur ’m ’ns by me.

De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch Stoffel hadden den moed, Wouter’s wegblyven voor hun eigen rekening te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.

—Maar, m’n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i ... o! Wat moet ik doen met zoo’n kind?

Wouter was te zacht om z’n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich alsof ze...

Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy ’t gewaagd had zich in dit geval te beroepen op ’t oordeel van z’n moeder. In tegenwoordigheid van Laps zou men z’n opmerking bedolven hebben onder ’n stortvloed van verwytingen over z’n “brutaligheid.” En na ’t vertrek van ’t schepsel, had men hem gezegd:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings