← Table of contents
De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1

INLEIDING. (continued 2)

Reading edition

Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich ’n gelegenheid opdeed om ’t voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had gezegd: het stond in ’n boek... wat in ’n boek stond, moest meester weten; en dus:

—Meester, riep ze, is ’t waar of niet, dat juffrouw Laps ’n zoogdier is?

Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z’n onvoltooide beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z’n bril heen en beschreef langzaam ’n kring met z’n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik ’n zoogdier?

—Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl ’t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.

—Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.

—Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.

Er slaakte zich in ’t gezelschap ’n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is ’n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.

De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:

—Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...

—Juffrouw Laps, antwoord my...

—Gut ja, meester, maar...

—Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gy?

—Waarin ik woon? Wel... in m’n kamer, hieronder... twee ramen... vrye opgang... kwart in den regenbak beneden...

—Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?

—Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!

En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.

Juffrouw Laps zag in dat ze dan ’n verloren mensch was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in ’n oesterschelp.

Dit was ’n illuzie van ’t schepsel.

Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon en pruik, voortging:

—Kunt gy leven in ’t water? Hebt gy kieuwen?

—In ’t water? Maar, meester...

Pruik links. Dat beduidde: geen maren.

—Of half in ’t water, half op het land?

—Meester hoe zou ik...

Pruik rechts: geen uitvluchten!

—Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende jongen ter wereld?

—’t Is zonde, meester.

De pruik had iets van ’n stormram, en te-recht. Want daar volgde de stormrammige vraag:

—Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gy eieren leggen... hè?

Dàt kon ze niet!

—Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.

En de pruik kwam weer in ’t midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps uit het veld geslagen.

Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich ’t gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip’s gelaat had het voorkomen van ’n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z’n saamgeknepen wenkbrauwen.

De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden worden te-voorschyn gebracht over wat er na ’t zoo-even verhaalde voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m’n boek sloot, en hoevele duizende gissingen ’t menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.

Het lust my ’n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en ’k lees duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:

EERSTE BERICHT.

“Er heeft weder ’n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de Stoffelianen. De laatsten hebben ’t veld geruimd, doch niet zonder hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is ’n gat in. Men ziet dagelyks ’n nieuw treffen te-gemoet, waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om ’n eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der Pennewippers, ’n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.

“Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en ’t melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in ’t verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa.”

TWEEDE BERICHT.

“Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude Stotters hebben ’t genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw Stotter’s oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist.”

DERDE BERICHT.

“Er is ’n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z’n malle houding in de Nederlanden. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.)

“De oude Stoffelianen hebben ’n concilie gehouden, waarin besloten is, de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet is doorgedrongen. Er zal ’n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er ’n korps europeesche wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) ’n instinktmatigen aanleg schynen te bezitten.”

VIERDE BERICHT.

“Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.

“Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood en brandstof.”

VYFDE BERICHT.

“By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen: Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden op III, 7, b1 (Pp), na de kategorische verklaring des meesters over de ware natuur van juffrouw Laps.

Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit het Europeesch.

De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven ’n geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.

Ook beweert men dat er ’n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste verzuchting des bakers, die ’n eind maakt aan den langen stryd over zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse’s grammatikaal-theologische roeping in ’t helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof.”

ZESDE BERICHT.

“De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan juffrouw Zipperman’s verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in ’t kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7, b1 (Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde verbroedering geleid te hebben.”

ZEVENDE BERICHT.

“Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel degelyk aan meester Pennewip ’n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in ’t hooge Noorden, waar ons gezegend Azië grenst aan ’t oude Europa, ’n ysbeer ontmoet die zich vermaakte met ’n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, op de autentieke schildery te Foppipolis.”

ACHTSTE BERICHT.

“Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen ’n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel ’n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.

Er is namelyk ’n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.

De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.

De schuldigen zyn onder ’t meten en branden, tot afleiding en opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft op Stoffel’s verdienste en dood, in verband met de lengte van z’n buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z’n edel pogen tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.

Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak veel bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van ’n feest, dat in aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had.”

NEGENDE BERICHT.

We kunnen ons niet weerhouden ’n kort verslag te geven van de ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen baker’s onwaardeerbaar gezegde: “dankie wel/ Juffre Pieterse/ m’n Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!”

Hierop volgt ’n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z’n geheel te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst tot z’n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf, wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog aan ons denkt. Zie hier:

Voorzang. O/ Baker vol van Zaligheid/ Wie zou Uw Lof niet zingen! O/ Baker Die de Baker zijt Van alle Stervelingen! O Baker/ hoor ons juichen aan/ Als wij met U uit baak’ren gaan.

O Baker/ groot in Lief en Leed/ In Kraamzaal of Saletje! Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt’ Gespeld in een Servetje! Wij knielen bidden voor U neer En zingen/ Baker/ U ter Eer.

Zie op uw Kroost genadig neer Van uwen Troon op Wolken Er leeft als Gij geen Baker meer/ Gij bakert alle Volken Gloei eeuwig door van Kindermin/ En speld ons in Uw Luiers in.

“Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!

“Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?

“Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: “dat is verre van ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid.”

“Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: “daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen” en weldra zal ’t koppie worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: “dat zieje wel!”

“Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel kortelyk tot klaarheid te brengen.

“Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfde Stoffelium, en daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.

“Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfden Stoffeliums, waar we—met gepasten eerbied—het volgende lezen:

Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit ’t negende bericht, en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.

“Hoe langer wy de onschatbare heilige Stoffeliën beoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.

“Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in ’t byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker’s bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.

“Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:

“ten eerste, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,

“ten tweede, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel:

a) Eerste straal. De straal van Baker’s goedheid.

b) Tweede straal. De straal van Baker’s wysheid.

c) Derde straal. De straal van Baker’s menschenkennis.

d) Vierde straal. De straal van Baker’s matigheid.

e) Vyfde straal. De straal van Baker’s Standvastigheid.

f) Zesde straal. De straal van Baker’s algemeenheid.

g) Zevende straal. De straal van Baker’s zelfkennis.

h) Achtste straal. De straal van Baker’s edelmoedigheid.

i) Negende straal. De straal van Baker’s nederigheid.

j) Tiende straal. De straal van Baker’s kuisheid.

k) Elfde straal. De straal van Baker’s levenswysheid.

l) Twaalfde straal. De straal van Baker’s onschuld.

m) Dertiende straal. De straal van Baker’s dubbelslachtigheid.

n) Veertiende straal. De straal van Baker’s eeuwigheid.

o) Vyftiende straal. De straal van Baker’s waarheidlievendheid.

p) Zestiende straal. De straal van Baker’s voorzichtigheid.

q) Zeventiende straal. De straal van Baker’s geduld.

r) Achttiende straal. De straal van Baker’s zedigheid.

s) Negentiende straal. De straal van Baker’s geheimzinnigheid.

t) Twintigste straal. De straal van Baker’s eenvoud.

u) Een-en-twintigste straal. De straal van Baker’s liefde.

v) Twee-en-twintigste straal. De straal van Baker’s trouw.

w) Drie-en-twintigste straal. De straal van Baker’s yver.

x) Vier-en-twintigste straal. De straal van Baker’s schranderheid.

y) Vyf-en-twintigste straal. De straal van Baker’s fatsoen.

z) Zes-en-twintigste straal. De straal van Baker’s goedertierenheid.

z bis.) Zeven-en-twintigste straal. De straal van Baker’s volmaaktheid.

“om daarna: ten derde, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.

“Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.

“Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als ’n berg van genot.

“De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven ’t brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.

“Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden: dat zeiti! Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...

“Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.

“Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!

“Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?

“Of—helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag—of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uw wind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om ’t lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?

“En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot ’n dorpeltje, hoog genoeg—ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg—om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?

“Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?

“Gy zwygt?

“Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!

“Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: “Je bent ’n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en ’n knappe Baker!”

Een goeie vrouw en ’n knappe baker! Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet: Je bent ’n goeie vrouw, en daarmee uit! En niet: Je bent ’n knappe baker, en daarby blyft het! Neen, duidelyk staat er: Je bent ’n goeie vrouw èn ’n knappe baker, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!

“Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: “maar” en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen niet naast maar tegenover die der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten—wat zeg ik, Hy heeft bewerkt—dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het Stoffelium naar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.

“Ja Geliefden, dáár staat het: “en een knappe Baker!” Dat zegevierende “en” springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: “en.”

“En, geliefden, en! Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelyke en!

“Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....

“Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke Stoffelien uitloopt op uwe beschaming? Was Hy niet heilig, Hy de eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt—wat dan toch wel niet kàn ontkend worden—moet dan niet ook hy heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?

“Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenen Stoffeliums! Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: “Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!”

“Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst.... Hy zal altyd ’n goeie vrouw en ’n knappe baker blyven! Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig... ’n goeie vrouw en ’n knappe baker!

“De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: Hy zal blyven! De zon zal maan worden, of in ’t geheel niets! Hy zal blyven! Het heelal zal verzinken: Hy zal blyven voortbakeren ten einde toe!

“O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.

“Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: “dat zeiti!”

“En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: “mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!”

“Ziet gy, Geliefden: zyne heele familie! Wat is de familie van iemand die eene zoo hooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.

“Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!

“Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! “Ma, staat er verder, als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je ’t niet hoort!” De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling—het ingebakerd menschdom, namelyk—wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je ’t niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!

“Doe net of je ’t niet hoort, Baker! Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. “Gloei eeuwig door zooals de psalmist zegt,

“Gloei eeuwig door van Kindermin/ En speld ons in Uw Luiers in!

“Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt—of volgens sommigen, minder—Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: “Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel.”

“Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel! Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby: dat zieje wel!

“Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord “koppie” in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruikt werd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli den Stoffelist. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter’s aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy ’t beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...

Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.

De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik ’n fragment meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7, b1 (Pp) de elementen byeentezoeken tot ’n bruikbaar windselsysteem.

Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m’n boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd gezelschap, na Pennewip’s beslissing, zich bepaalde tot den uitroep: “Z...ó...ó...ó!” zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander molest aan te doen.

Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer ’t nut blyken kan van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!

De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen, en waarom ’t saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in ’n geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?

Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip’s vonnis, splitsen in drie deelen:

Vooreerst. Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.

Ten tweede. Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan ’t wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met aangeboren talent de taktiek van ’t “verdeel en heersch!” Mèt de mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen ’t “huis” der Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip’s meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of misschien juffrouw Zipperman zelve, zou overgaan tot den vyand, al ware het uit bekrompen eerbied alleen voor meester’s bewegelyke pruik? Neen, neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: “’k zal je later wel krygen!” en als we ons haar, en al de verhoudingen van ’t gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene “onder invloed staande” Juffrelapsche krant te lezen: “De verhouding met het ryk der Pietersens is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van ’n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder ’t minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld.”

Ten derde. De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf, of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam ware geweest in meester’s oogen, hadden die oogen waarschynlyk ’t lot ondergaan dat hun in zoo’n geval door den archaeoloog Klesmeyer eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.

—Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse—na op ’t overwonnen zoogdier ’n blik te hebben geworpen die gelden kon voor ’n: “waar blyf je nou?” met rang van overwinningsbulletin—maar meester, wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?

—Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw Laps, die zich verheugde omdat het gesprek ’n andere wending nam, en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar ’n ding waarop men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we gezien hebben.

Juist zou Pennewip ’n begin maken met de akte van beschuldiging, toen de bel ging... nogeens...—”’t was f’r ons”—en de arme delinkwent trad de kamer in.

Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...

—Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?

—Och ja, meester.

—Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en deugd staan by my op den voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen toonen over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg ik... zelfs heb ik ’n zoontje gehad van iemand op Wittenburg—van den blokkenmaker—en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over de verbetering van ’n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.

—Gut, meester!

—Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos—de man was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste figuren op de zerken—maar juist dáárom—ik bedoele om de godsdienst en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben—voel ik my verplicht u by dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school te zien verloren gaan door uw deugniet van ’n zoon die dáár staat!

De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan ’n pauselyke aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had zoo-even ’n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.

Z’n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en hem ’n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den patiënt inniger te maken.

—Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers, moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...

Meer niet.

“Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is ’t mogelyk! Wat ’n mensch moet beleven!” Zoo omtrent—maar ik sta niet in voor de juistheid—was de stortvloed van uitroepingen waaronder de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter bedolven werd. Arme Wouter!

—Ik zal u ’n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...

’t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van ’n aard dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was als-i er uitzag in z’n vreeselyk

“ROOVERSLIED. Met myn zwaard. Op m’n paard. En myn helm op het hoofd. Er op in! En den vyand den schedel gekloofd, En vooruit!

—Christenzielen, riep ’t heele gezelschap, is-i dol?

“En vooruit! Op den weg, Langs de heg, Met een houw en een stoot De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...

—Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde de moeder.

Om den buit!

—Zieje, ’t is om den buit, zei juffrouw Laps, ik zeg maar altyd, men begint met ’n bybel, en...

“En die buit Is myn bruid...

—Hebje van z’n leven... z’n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!

“En die buit Is myn bruid... My gekocht met m’n staal...

—Met z’n st...a...a...a...l!

“En die buit Is myn bruid, My gekocht met m’n staal, En ik voer, als een veêr, met my mee haar in ’t zaal, Naar de grot...

—Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?

“Als de wind Zoo gezwind, Jaag ik voort met myn vracht, En ik sla op haar schreien en kermen...

—Och, gerechtige vrede, ’t mensch kermt ’r van!

“En ik sla op haar schreien en kermen geen acht, Wat genot!

—Dat noemt-i genot! Ik word ’r koud van!

“En dan weer Op-en-neer, Rechts en links door het land...

—Lieve Jesis, daar gaat-i weer!

“En dan weer Op-en-neer, Rechts en links door het land, Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand, Tot vermaak!

—De hel zit in dien jongen... tot vermaak!

“En dan voort Weer gespoord Naar een nieuw aventuur...

—Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? ’t Is om te bezwyken...

En dan voort Weer gespoord Naar een nieuw aventuur, En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur, Om de wraak...

—Goeie god, wat hebben ze ’m toch gedaan?

“Want de wraak Is de taak Van den koning van ’t woud...

—Is-i razend... ’k zal ’m koningen!

“Want de wraak Is de taak Van den koning van ’t woud... Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...

—Wat ’s dàt voor ’n ding?

“Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt, En banier! Op, hoezee... Wie gaat mee?

’t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.

“Op, hoezee... Wie gaat mee? Nu geen schepsel verschoond, Nu de mannen gehangen...

—Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...

“Nu de mannen gehangen, de vrouwen...

—Lodderyn... lodderyn!

“de vrouwen gehoond...

—Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!

“de vrouwen gehoond, Voor pleizier!”

—Voor pleizier... herhaalde meester op ’n graftoon, voor pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!

’t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel’s pyp was uitgegaan. Maar Wouter had iets kalms in z’n wezen, en toen z’n moeder hem genoeg geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet ontevreden neer in ’n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep om te droomen van Fancy.

Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe.

Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht, zullen we in ’t voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan ’t bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan ’t bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden toevertrouwd tot ’n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, zeker om den pasgeborenen ’n prettig denkbeeld inteboezemen van hun nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun geboorte.

Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z’n pruik, nog niet geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend naar zondag.

Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met ’n plechtig: “ga zoo voort, myn zoon!” Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen dien laster. ’t Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou ’t voor ’n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft voort in z’n volgelingen, en dit vind ik ’n schoone onsterfelykheid.

Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar ben ik zeker van.

Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk ’n zoogdier was, en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de helft. “In dit geval: de laatste” zeid-i er binnen-’smonds by.

Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar ze had het er voor over, want ze was ’n “schikkelyk mensch.” Alleen kon ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar vader “in de granen” en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy, was niet in de granen geweest, maar er onder. Hy had ze namelyk gedragen in ’n zak op z’n hoofd, dat heel anders is dan granen te verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller die zulke zware bakkebaarden had. “’t Was niet om ’t mensch te skandeliseren, heere neen! ’t Was maar dat men ’t wist, en dat men er van sprak... dàt was ’t maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen van ’r deugd.” Juffrouw Zipperman wou echter “de zegsman niet wezen, omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!”

Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor ’t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichten in ’n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden “terechtgebracht.”

De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou “want ’t was ’n schandaal by de Pietersens... ’n wààr schandaal.” En: “er had juist wat onder gestaan!”

Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als ’n “mensch”. Van-tyd tot-tyd “deed” ze haar godsdienst op de kinderen die, als ze ’t voor ’t wenschen hadden gehad, gewis liever waren ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.

Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me omdat ik nooit m’n onderwerp uitput.

Stoffel was naar z’n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van ’n gedicht dat gemaakt scheen op ’n vliering, door iemand die vermoedelyk niet veel last had van z’n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en schenen maar niet te vatten welk genoegen ’r in stak geen geld te hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter’s wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op ’t leven van dien markgraaf, en van dat zonderling logeeren in ’n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden ondermeester met ’n verlengd buis.

En Wouter?

Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots verdiend had, want z’n moeder had hem te kennen gegeven dat de “terechtstelling” van den vorigen avend maar ’n voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst, heeft de dominee—huis- of niet—’n stem. Hy wordt er voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de geestelyken uit z’n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.

Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. “God weet wat je weer uitvoert als ik je-n-uit m’n oogen verlies” zei de moeder, die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters, maar eigenlyk alleen daarom ’t verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.

Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd tot zedelyke verbetering, en dan had-i ’n bezoek kunnen brengen aan z’n molens.

En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen “hem niet konden zien.” Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van roovers en Wouter’s verdorvenheid uit.

Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp).

Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door ’n zot sprookje.

Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als ’n nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van ’n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan.

De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met twee woorden spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, “oogjes toe” voor en na ’n boteram, slapen met opgetrokken knieën, zonde doen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!

Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen opwekt tot de klacht: arme wouters!

En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor ’n ander, en Wouter’s ziel was van ongewone leest.

Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door ’t pas gelezen boek, toonde hoe z’n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien ’n goed kind. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z’n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal ’t hoogste te grypen, het verste te bereiken, de eerste te zyn, in ’t wedperk dat z’n kinderlyke fantazie hem had ingeleid.

Roover... goed! Maar dan ook ’n flinke roover, ’n roover boven alles, ’n roover zonder genade, ’n roover voor pleizier!

Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om ’t rym, en wyl-i uit ’n paar zinsneden van z’n boek had opgemaakt dat het zoo’n byzonder aangename uitspanning was.

Als-i voor z’n veertien stuivers toevallig ’n Karel Grandisson—vervelender gedachtenisse!—had te lezen gekregen, zou z’n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog ’n paar griften toegegeven, met volkomen vergiffenis voor ’t onjuist verhuizen van dezen of genen graaf.

Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd rusten. Hy scheen verdiept in ’t over’shandsche naadje dat Leentje bezighield, maar we zullen terstond zien dat z’n gedachten elders waren, en wel zeer ver van Burgerstand III, 7, b1(Pp).

Men had haar verboden te spreken met “dien kwajongen” en slechts van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon ’t haar in ’t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die zaak aftedoen.

—Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?

—Och... ik meende... sjt!

—En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?

—’t Was ’n markgraaf... sjt!

—Wat is dat voor ’n graaf? Zeker weer uit ’n ander huis?

—Ja... ’t was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!

—Amalia? Wie is Amalia?

—Dat was m’n bruid. Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!

—Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?

—Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef daarheen... toen kwam er ’n eend... maar, Leentje, dat is de zaak niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!

—Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?

—Amalia. Ze zat in ’t kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!

—Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom toch wou je die vrouwen...

Arme Leentje... zy was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor over gehad!

—Die vrouwen stonden in ’t boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!

—En dat klooster?

—Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal ’t je zeggen, Leentje ... sjt!

—M’n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!

Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik naar de balken, legde de rechterhand op ’t hart, stak de linker uit als om ’n spaanschen mantel te drapeeren...

Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en zeide:

—Leentjen, ik ben ’n prins!

Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met ’n paar oorvegen uit Leentje’s tegenwoordigheid.

Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.

Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.

Lang voor het begin dezer geschiedenis—ja, zéér lang geleden was er ’n koningin der geesten, juist als in Hans Heiling. Ze heette Α–Ω.

Ze bewoonde geen hol, zooals in Hans, maar hield haar hof ver boven de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor ’n koningin.

Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met ’n waaierslag verjaagde zy de firmamenten.

Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die zoo moeilyk waren weer te vinden na ’t wegrollen tusschen ’t huisraad.

Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover, en verlangde gedurig ander speelgoed.

De koningin liet hem ’n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds waren ook deze weer verloren. Doch ’t was Upsilon’s eigen schuld. Hy had maar beter moeten achtgeven op z’n speelgoed.

Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf, gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was ’n fout in ’t karakter van den kleinen prins.

De moeder, die als koningin der geesten ’n zeer verstandige vrouw was, begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich ’n beetje te gewennen aan ontbering.

Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed laten zou.

Dit geschiedde.

Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan ’t kaatsen was met prinses Omikron, z’n zusje.

Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z’n uitdrukkingen zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.

Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld—want niets is verderfelyker dan slechte voorbeelden—wierp met driftig gebaar haar palet tegen ’t heelal. En dat staat niet voor ’n meisje.

Nu bestond er in ’t ryk der geesten ’n wet dat wie ’t ontzag voor de koningin uit het oog verloor, of iets tegen ’t heelal aangooide, daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.

Prins Upsilon werd ’n zandkorl.

Na zich ’n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.

In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat ’n goed mosplantje behoort te doen.

Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.

Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen te bereiden met vuur.

Hy bouwde ’n paar werelddeelen, en werd ’n eeuw of duizend daarna tot belooning van z’n yver veranderd in ’n garnaal.

Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z’n gedrag, en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.

Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op ’t land.

Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand, en hield zich bezig met geologische opmerkingen.

Een paar millioen eeuwen later...

Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in ’t oog dat al die tyd te-zamen genomen in het ryk der geesten maar ’n klein kwartiertje was... of juister: dat die tyd volstrekt niets was. Want tyd is uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan kinderen. Voor geesten is toen, nu en dan volkomen hetzelfde. Zy grypen gisteren, heden en morgen te-zamen met één blik, even als men zonder spellen ’n woord leest. Wat was en wezen zal, is.

Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen hebben ’t vergeten.

Fancy begreep dat Wouter niet lezen kon, en daarom spelde ze hem Upsilon’s geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.

Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en ’n geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren—menschelyke jaren ditmaal—vóór den aanvang van m’n verhaal, werd-i overgeplaatst in de klasse der menschen.

Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.

Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen weinig tyds hersteld te worden in z’n rang als prins van den geeste, moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou ’t wel gaan.

Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw Pieterse. “Dit wàs nu eenmaal zoo!” zei Fancy.

Die Fancy scheen ’n soort hofdame van Wouter’s moeder te wezen, die hem ’n bezoek bracht in z’n ballingschap om hem wat optebeuren en moed in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel, niet zou opvatten alsof men boos op hem was.

Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...

—Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m’n zusje?

—Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is ’n lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal; en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén dat het ’n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te gebruiken. Weldra werd ze ’n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie niet geschikt voor ’n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in ’n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.

Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...

—Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár ... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar schoot houdt en liefkoost...

Wouter zag het duidelyk, en riep:

—Omikron ... Omikron!

—Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. ’t Is reeds ’n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden, zyn ze heel ver van elkaar gezet.

Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag ’n kus gegeven aan al die sterren met ’n pop op den schoot, die z’n zusje waren...

—Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!

Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen eener hoogstmoeilyke zaak.

Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z’n bede:

—Ach, laat me samenwezen met m’n zusjen ... al moest ik weer gras eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met yver als ik mag samenzyn met Omikron!

’t Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te kunnen geven:

—Ik zal ’t vragen, fluisterde zy, en nu...

Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was ’t brugje ... dáár de sloot...

Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...

Hy zag z’n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!

Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?

Die molens heetten d’Morgenstond en den Arend, en zy riepen zooals houtzaagmolens gewoon zyn:

Karre karre, kra kra...

Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem daar wachtte.

Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, ’t huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!

Daar de lezer veel ondervinding heeft—ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar—zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte.

Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven ’t hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.

De man was eigenlyk maar beunhaas in ’t vak. Hy behoorde namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot ’n wezenlyken dominee, als ’n likdoornsnyder tot ’n geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7, b1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.

Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw Pieterse had ’n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er was ’n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party te wezen: “om de stichting” zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.

—Jonchelinch ... sprak de man, en er scheen al terstond indruk noodig te wezen, jonchelinch...

Het is zeer opmerkelyk hoe ’t geloof en de genade invloed hebben op de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet gezegd hebben, lanche pyp of jonche doperwten, maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door ’t geloof. Ik ben niet ongenegen dit aantenemen als ’n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan ’n verhandeling: “over den invloed der genade op de hollandsche taal.” Ja, ’k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, zonder zalving of gebrouw, my ’n opmerking meedeelt over ’t weêr, of tyding vraagt van m’n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens op of niet ’n dominee z’n neus anders snuit dan ’n ander?

—Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...

Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan z’n pyp, met ’n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw Pieterse hield ’n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te wezen als ze huilen moest.

—Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...

’t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor ’n lapsus linguae. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op ’n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.

—Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als hoochepriester in den Heere... want ieder die ’t Evangelium verkondigt, is ’n hoochepriester in den Heere... in den Heere...

De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.

—In den Heere...

Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z’n buitengewoon lang toeven by dien “Heere.”

Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.

—Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde.

Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor ’t juist weergeven van huisdominee’s taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.

Dit was ’t dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf dat zy nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. Neen, de verbazing van ’t gezelschap had ’n heel anderen grond.

Men moet erkennen dat meester Pennewip by ’t oplezen van Wouter’s zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die ’t brandstichten overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van “hoerery met de koningen der aarde.” Dit was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus ’n bescheiden: friskuus! het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was ’t geval ernstig genoeg om ’t gebruik van wat vreemds te wettigen.

—Friskuus, dominee! Wouter heeft...

Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:

—Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho’s, gy die ’n huis van ontucht bewoont op de wallen der stad...

—Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...

—Ja, en m’n vader was...

—Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...

—Maar dominee, Wouter is ’n jongen!

—Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is weggezonken in ’n poel van ongerechtigheid...

—Laat ’m begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy zal op Wouter neerkomen met ’n omweg... dat doen ze wel meer.

Hierin had juffrouw Laps gelyk.

—Dit meisje, ging huisdominee voort, met ’n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee’s welsprekendheid, dit meisjen is ... ’n meisje!

—In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.

Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker te gelooven dan ’n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, maken ’n onderscheid.

—In-godsnaam dan...

—Ja ... dit meisjen is ’n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...

—Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!

—Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp ’t heel goed.

—Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan.

Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als ’n hulde aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen in ’t midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:

—Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder onderscheid, maar...

—Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...

—Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.

Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.

—Hé ... hoe meent u dat, dominee?

—Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit Josua twee ... er hangen roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen der aarde...

Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets deftigs, en schaadt niet. Maar:

... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke dikke bakkebaarden heeft.

Dit was èrger dan “zoogdier.”

Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door ’t verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:

—De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens loopen ’m na ... kyk hier!

En ze wees door ’t raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens met veel gejuich ’n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen ... houd je staart recht!

Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In ’t wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van ’s mans toestand de pyniging van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in ’t wynhuis had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en by z’n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i behandelen moest.

—En, voegde Leentjen er by, ’t is niet nu alleen ... ’t is niet altyd even erg, maar laatst met Habakuk...

—Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee bearbeidde.

My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen eind gemaakt had.

Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond ’n liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat uittegeven als echten codex, strydt tegen m’n principes.

Zoodra juffrouw Laps zich ’n beetje hersteld had, koos zy de verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.

—O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruzalem’s. Dàt heeft-i bedoeld met z’n briefbesteller. M’n vader was in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening, weetje?

—Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...

—Zoo zegt Leentje, maar...

—En al dat volk op de straat! Hoor eens...

—Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren...

“Hei, hei ... pas op je verzenen!” klonk het buiten.

—Waarom zendt de Heer z’n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, bestond in ’t verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had ze alweer gelyk. Wat ’n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is ’n kerk, een tempel is ’n lichaam, een vader is ’n zoon, een zoon is ’n geest, een geest is ’n vader, één is drie, drie is één, en ’n briefbesteller is niemendal.

—Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze hierin ’n reden vond om huisdominee’s taal niet zóó ver wegtewerpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.

—En al waar-i voor ’n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?

Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.

Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men ’n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar ’n pyler omhalen of ’n hoeksteen wegbreken. Sit ut est, aut non sit. Huisdominee was dus geheel in z’n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.

—Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep Juffrouw Pieterse in ’t eind.

Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn tot de preek van den dag. Hy behandelde Ezechiel en de afscheiding van de tien stammen, en deed er wat by uit Mattheus. Daarna ging-i over op de Makkabeen, en sloot met Daniel, Paulus, ’n Onze Vader en den H. Geest.

—Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?

Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.

—Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken van de Openbaring?

—Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters ... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...

—Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.

—Als we hem eens ’n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, van-achteren-af?

Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.

—Als ik hem eens by my nam, juffrouw Pieterse? Om ’t geld is ’t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...

Wouter rilde.

—Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, en ik zou hem oefenen ... want om ’t geld is ’t me volstrekt niet te doen. Oefenen, weetje?

Doorslaand bewys van Wouter’s beterschap, blykbaar uit ’n kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.

Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon wys worden uit haar beschermeling.

In ’t mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes—dat toch alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan—doch haar bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouter’s vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met ’n medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z’n verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten ... helaas, Wouter’s ziel was haar pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.

—Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe ’t schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.

—Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.

—Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch vroeger moeten weten, dunkt me.

—Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam ’t my weer duidelyk voor den geest.

—Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.

En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.

En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis “van den vloer” wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning van z’n brugje, en luisterde naar ’t geklepper van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.

—Ze zal te veel bezigheid hebben aan ’t hof myner moeder, zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.

Maar als-i door ’t venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen “naar huis”, en met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:

Na lang beraad, en op Wouter’s uitdrukkelyke belofte van beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplange o’s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.

Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was, en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou ’t dus ook wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderen van huisdominee, want de tegenwoordige “behoorde tot de klasse der wynzuipers.” Nu, dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie “gedaan” by ’n wezenlyken dominee die na kerktyd uit ’n boekje “vragen overhoorde.” Den titel van ’t boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:

1e. Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?

Wouter had graag willen zeggen: wel, van m’n moeder ... maar in ’t boekje stond:

Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht.

2e Vraag: Hoe weet gy dit?

Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring.

Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde hy trouwhartig wat er in z’n boekje stond. Wel speet het hem dat de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt tot wandelen, bedorven werd door ’t “opzeggen” der koningen Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden “weggevoerd”—’n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam—maar hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de zaligheids-leerlingen. Althans toen ’t jaar om was, ontving hy ’n boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden en de artikelen des geloofs. Er was ’n voorschrift by, hoe dat alles moest gebruikt worden: eens pr dag, ’n jaar lang ... driemaal daags, ’n week lang by herhaling ... en de rest quantum sufficit. Voorin stond op ’n ingeplakt blaadje:

ter belooning aan Wouter Pieterse omdat hy de lessen in de Noorderkerk wel heeft opgezegd, en ter aanmoediging om ter eere Gods op den ingeslagen weg voorttegaan.

En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.

Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen huurden een tuin “aan den Overtoom.” Dat was zoo “heelemaal buiten” zeiden zy, en “men kon toch niet altyd in de stad blyven.” Bovendien “de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor ’t heele pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd ’n aardigheid.” Ook zou er wel gras genoeg zyn om ’t kleingoed te bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch “want, zei de stamvrouw der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy’s Kanesoe ... dus was ’t heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over spraken—want dat deden “ze” altyd—was ’t uit pure jaloezie. Ook was er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls je wat doet, heb je-n-altyd zoo’n gemaal met de menschen ... want ’t was vooraan op d’Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje nooit iets doen ... en voor de kinderen was ’t ’n heele uitspanning ... die juffrouw Karels moest maar letten op ’r zelf ... en als Gus jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...

Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk, Wouter was onder de uitverkorenen.

Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld voelde door den omgang van haar zoon met “menschen die ’n buiten houwen” werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter beloofde “heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet te ravotten, z’n kleeren niet te scheuren” en zoo-al meer. Ook zeide juffrouw Pieterse “dat ’t zoo lief van ’r was, dat ze dit toestond, want ’t was toch ’n heel ding voor ’n kind om zoo eens uittegaan.”

Ja, Wouter zou uitgaan! Voor ’t eerst uitgaan, voor het eerst eten, drinken, zich vermaken onder ’n vreemd dak. ’t Was ’n hoofdgebeurtenis in z’n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.

De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid stapte Wouter de poort uit. “’t Was rechts, links, weer links, dan ’n brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen” had Gus gezegd. En de tuin heette Stad-rust, dus: “Wouter moest maar vragen, dan zou-i ’t zeker vinden.”

Dit was ook zoo. Wie voor ’t eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter was op Stad-rust vóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden dat Wouter ’n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was geweest.

De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en ’t stoeien, draven, gooien, nam ’n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade “die heel langzaam moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren.”

Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de volkomenheden van Stad-rust, ook dat prieel moeten opnoemen, waar Betsy zat met dien heer...

—Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met de jongens.

—Wel, dat is Betsy’s vryer.

Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter z’n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was ’n vrystertje, in zyn meening, ’n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving hem de lust om te weten hoe ’n volwassen heer vryt met ’n meisje dat niet meer school-gaat.

—Haar vryer?

—Wel zeker ... geëngageerd!

Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is, kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich slechts de vraag: wanneer is in de Klasse Burgerstand, III, 7, a1 (Pp) ’t flauwe “geëngageerd zyn” in zwang gekomen voor ’t hartelyke: vryen?

—Ge ... wàt? vroeg Wouter.

—Geëngageerd ... ze verkeeren.

—Wat is dat?

—Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?

Wouter voelde schaamte dat-i zoo’n eenvoudige zaak niet wist, en zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.

—Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje met my trouwen?

Emma kon op ’t oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze weghuppelde om te voldoen aan ’n konvokatie tot “stuivertje-wisselen” in ’n anderen hoek van den tuin.

Als den lezer de Spectator van Van Effen bekend is, zal-i zich herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener burger-vryaadje. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef dezen Justus makkelyker ’t afluisteren dan ’t verzinnen, ’t Eerste is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen bestudeert om Spectators of Ideen te schryven. Wie ’t afkeurt, moet ook den geneesheer veroordeelen die z’n patient bespiedt met het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.

Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van ’t huiselyk leven der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor ’n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder licht, wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van ’t geslachtsleven—in alle beteekenissen!—dat zich meer dan andere handelingen verbergt voor de blikken van den opmerker.

“Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?” vraag ik altyd myzelf als ik ’n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige vraag: “zouden ze elkaar wat te zeggen hebben?”

Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik ’n lid van myn geslacht, ’n wederdeel dus van myzelf, een mensch, moet verdacht houden van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der schoonste—neen, van de eenige—kracht der Natuur, van opstand tegen de aantrekkingswet. Liefde—ik heb ’t al meer gezegd, en men heeft myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet—liefde is neiging tot éénzyn.

Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig in regel, veelvoudig in toepassing. De liefde van ’n dief zal wel beduiden: kom, laat ons saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z’n geliefde in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: “elck ghedierte naer synen aerdt.”

Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen, by sommigen tevens de begeerte wezen tot het goede?

By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan ’t vogeltje dat zoo angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen, en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreep zy niet dat er verband was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en ’t kloppen van z’n hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer, maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven ’t buisje.

Hoe dit zy, hèm ware ’t onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan ’t schryven van ’n Spectator, voelde Wouter groote begeerte om te weten hoe de jongeheer die met Betsy in ’t prieel zat, zich kweet van ’t “verkeeren.” Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z’n kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte in z’n liefdestudie.

—Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...

—Wel zeker, om de bovenhuizen...

—’t Is ’n gemaal! En wat zegt je moeder?

—Zóó ... zy vindt we moesten ’t nog ’n jaartjen aanzien. ’t Is zoo onfatsoenlyk gauw te trouwen. ’t Is net, weetje, of...

—Vier jaar...

—Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...

Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen ’n bovenhuis huren, liefst in Mei.

—En kryg je nou die linnenkast?

—Neen ... die wil m’n moeder zelf houden. Maar als we nog ’n jaar wachten, zal ze ons ’n andere geven, zegt ze, ’n kleine.

—’k Had liever de groote.

—Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast noodig. Maar toen m’n zuster trouwde, heeft ze toch ’n groote kast “meegekregen.”

—Zeg dan dat je ’r ook een moet hebben.

—’t Zal niet helpen.

—Probeer ’t maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.

—’k Wil ’t wel vragen, maar ...

Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in ’t prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in ’n donker hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik riep hy:

—Zou zy ’t wezen ... m’n zusje?

’t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens’huis worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou verteld worden door een van de grooten.

Welke “groote” verdwaald was op Stad-rust, om dáár Moore’s Peri en Paradys te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet paste by Betsy’s “engagement” en die liefdesmorende linnenkast. Maar evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat “aan wie ’t vatten wil” de gelegenheid geeft zich te verheffen boven ’t alledaagsche. Eénmaal wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!

De “groote” volgde in z’n vertelling den engelschen dichter niet.

“De Peri die voor de poorten van ’t paradys vruchteloos smeekte te worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo na veel vergeefsche pogingen eindlyk als ’t schoonste wat de aarde opleverde, den laatsten zucht van ’n berouwhebbend zondaar, en vond genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der gave die zy offerde...

—Nu pandverbeuren! riep Gus.

—Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.

Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest “gezoend” worden, dat spreekt vanzelf. “Een raadseltjen opgeven.” ’t Werd niet geraden... natuurlyk. Wie ’t wist, mocht het niet zeggen! Dat is by raadsels zoo de gewone konditie.

—Wat zal de eigenaar van dit pand doen?

—Op één been staan!

—Over ’n strootje springen!

—Een vers opzeggen!

—Neen, ’n fabel... la cigale, of zoo-iets!

—Ja, ja, ja!

’t Pand was van Wouter.

—Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.

—Ik zal je helpen, riep Emma... le pere, du père.

—Och, dat ’s geen fabel... toe, Wouter!

’t Was ’n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen fabel kende en geen fransch verstond. Als ’n bekwaam mensch wist hoeveel genoegen hy velen doet met ’n blyk van wat onbekwaamheid, zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.

Maar Wouter dacht ditmaal niet aan ’t pleizier van de anderen, dat-i ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.

—Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.

—’t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar ’n fabel.

—Maar ik weet niet wat ’n fabel is.

—Wel, dat ’s ’n vertelling met beesten.

—Ja... of met boomen: le chêne, un jour, dit au roseau, zieje, er hoeft juist geen beest in te komen.

—Ja, ja... ’n fabel is ’n vertelling, anders niet... er mag inkomen wat ’r wil.

—Maar ’t moet rymen!

Wouter was op ’t punt z’n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht zich, en gelukkig! Want dat ware ’n groot schandaal geweest in den huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.

—Wel neen, ’t hoeft niet te rymen ook, riep ’n ander die al weer wyzer was dan de rest, “de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes hangen, prins Willem de eerste was ’n groot wysgeer.” Zieje Wouter, ’t gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.

Wouter begon:

“Er was eens ’n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht...”

—Ho, ho, dat ’s de geschiedenis van de Peri! Wat anders!

—Ik zal ’t anders maken, beloofde Wouter verlegen.

“Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook omdat-i meestal z’n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...

Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over ’t onzalige “moedersknipje.” Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te grieven door ’n schynbare toespeling op den pepermenthandel.

“... omdat-i eens gelachen had onder ’t bidden. Want, dit is zeker, jongetjes die lachen onder ’t bidden, komen niet in den hemel.

—Z... o... o... o? vroegen ’n paar schuldbewusten.

“Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen ’n zusje gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z’n zusje. “Wie is uw zusje?” vroeg men hem...

—Wie vroeg dat?

—Stil, val ’m niet in de rede, laat Wouter voortgaan.

“Ik weet niet wie dat vroeg. Maar ’t jongetje zei dat z’n zusjen... ’n blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...

—Net als Emma.

—Ja, net als Emma.

“Men zei hem dat er in den hemel ’n klein meisje was, dat er juist zoo uitzag. Ze was daar ’n jaar geleden gekomen, en had verzocht haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar ’t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom.”

—Had zy altyd ’r “vragen” gekend?

—Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.

“Hy was heel verdrietig omdat-i z’n zusje niet zou weerzien, en vond nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. “Och, laat me toch binnen!” vroeg-i heel vriendelyk aan ’n heer die aan de deur stond...

—Aan de poort, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden door de dagelyksheid eener deur, maar niet getroffen waren door de verhevenheid van Wouter’s begrippen over ’t sterven.

Zoo gaat het meer.

“Goed, aan de poort, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei: neen. Daarop keerde ’t jongetje terug naar de aarde.”

—Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.

—Laat ’m toch voortgaan... ’t is immers maar ’n vertelling.

“Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer voor de... poort stond, zeid-i owi, m’sieu! Maar ’t hielp niets, hy mocht toch niet binnengaan.

—Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen: j’aime, tu aimes.

—Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.

“Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z’n “vragen” zóó dat-i ze kon opzeggen van-achter-af, van: Heer, kom haastelyk tot: met privilegie. En dat deed-i aan de poort. Maar ’t hielp weer niet... hy mocht nog niet binnen.”

—Dat wil ik wel gelooven, riep ’n wyze. Om in den hemel te komen, moet men “aangenomen” zyn. Was-i aangenomen?

“Ach neen, zei Wouter, daarom juist was ’t zoo moeilyk! Hy beproefde telkens wat anders, maar ’t lukte niet. Hy zei dat-i met z’n zusje geëngageerd was...

—Net als Betsy, riep Emma.

“Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met ’r trouwen wilde... maar ’t hielp alles niet, hy mocht niet in den hemel. Op ’t laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer aan de poort knorrig worden zou...

—Nu, en hoe is ’t verder?

—Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat het jongetje doen moest om in den hemel te komen.

Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i wist. Dit bleek ’n uur later.

By ’t naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog om ’t rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men loosde een gil... nòg een...

Wouter was ’t kind nagesprongen.

Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de “heer aan de poort” hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet “aangenomen” was.

Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was ’t toch, als men te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.

Ik vind dat die “Heer” ’t best te-pas komen zou by iemand die niet zwemmen kan. Wie ’t wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.

En juffrouw Pieterse klaagde “dat er met dien jongen altyd wàt was.”

Nu, dàt vind ik ook.

Groote verandering in de familie. Wouter’s benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.

Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de Pietersens verhuisden op eenmaal naar ’n “fatsoenlyker” buurt, en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze waren “op naaien geweest.” Zulke dingen hooren by erfenissen, of by verhuizen “met verbetering.” En er waren nog andere blyken. Leentje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord “gezeid” te veranderen in: “gezegd” want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de “de mevrouw van hier-naast” zoo conjugeerde. Dus zou ’t wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy ’t al lang geweten had:

—Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. ’t Is pla, moeder. Denkt uwe maar om plaats...

—Remplaats...

—Né moeder, pla ... plas...

Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar ’t zou moeielyk wezen, want er was juist “zoo’n gedoe over de militie” en ze vertelde gaarne: “hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl...

—Né, moeder, uwe remplaceert Laurens niet...

—Och wat ’n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast gezeid heeft...

—Gezegd, moeder.

—Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: gezegd. Onthou ’t nou, en laat ik ’t nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.

Wouter had ’n jasje gekregen, met ’n kraagje zoo-als nu palfreniers dragen. De garricks hadden afgedaan, en cloaks waren er nog niet. ’t Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote sprongen doen. En ’t spreekt vanzelf, dat nu ’t buisje boven den broek was geraakt. “’t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen gezegd, voor ’n jongen die al rymen kon.”

Want, dat Wouter rymen kon, vertelde men aan ieder die ’t hooren wou. Eigenlyk was ’t nog-al valsch, roem te oogsten van ’n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die ’t verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.

Het huis Pieterse handelde hierin als veel natiën gewoon zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen op deugd of genie—och, ook dàt is één—van mannen die men wreed en dom pennewipte toen ze “er by waren” dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van ’t denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z’n “kinderachtigheid.” Stoffel namelyk trok den neus op voor ’t jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor z’n griften, met ’n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder fluisteren gevraagd: “wat het was?” Nu... “zoo’n groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings