INLEIDING. (continued 5)
Reading edition
’t Is mogelyk dat die “dames” ’t zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde mene-mene-tekel-woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn ’n levend konyn te verslinden. Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo’n beestje zich nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?
Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van ’n dame die op de wandeling mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men kent haar niet!
Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan Juffrouw B. ’t Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. ’n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit alles ’n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna niet te byten?
In dat: “ik ken je niet, dus: vyandig!” openbaart zich ’n zonderlinge opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte: primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen of op boomen woonden, maar ’t is te veronderstellen dat ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die ’n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als ’n indringer, als ’n veroveraar, als ’n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.
Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z’n vader scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met ’n pensum.
—Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat’s heel braaf van je. Wat heb je daar?
En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:
—Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.
Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde Lady Macbeth, en wist niet recht hoe hy z’n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol boeken ... och, z’n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel willen inslikken.
Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam bedanken “voor z’n beterschap... naast God.”
Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning ’n ernstig gelaat vertoonde.
—Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je dan nu God wel bedankt?
—Zeker, m’nheer! Alle avenden in m’n bed, en gister in de kerk ...
De kleine Sietske werd hier bezocht door ’n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z’n neus veel harder te snuiten dan voor ’t gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met ’n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.
—Orrrde! riep hy met ’n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden onder de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!
Daar begon ’n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken slag ’n vinger op.
—Ik zal jelui allemaal ...
—Vyf! juichte Sietske. M’n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!
De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. ’t Was ’n quodlibet van gaudeamus en vive la joie, en God save the King... help mee, jongens! Vive la vacance, le maître en pénitence... Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z’n... hoed. Help! Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak! A bas les tyrans! Amour sacré—pak ’m beet, Willem, jy bent de sterkste—de la patrie ... de heer van Son is ’n brave kapitein ... hy regeert z’n volkje, neen... daar gang ’n patertje langs den kant... wraak! So, so wie ich dich liebe—wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens!—Hier ligt myn Damon, neen ... io vivat, io vivat ... boum, boum, boum... hoera! Dans son bivouac, le troubadour fidèle ... wraak! Fleuve du Tage ... wraak! Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall he ... wraak! Pro salute horum—geen latyn, riep Sietske—hop maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho ... wraak!
Wouter wreef z’n oogen uit, en vertrouwde z’n ooren niet. Wat-i hier zag gebeuren, ging z’n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier ’n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het ten-hemel varen van Elias in ’n gloeienden wagen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo’n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van ’t lyf plukten ... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met ’n ouden pantoffel van z’n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. ’t Verbaasde hem dat de wereld niet verging.
—Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan ik ’t helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?
—Breng ’t dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z’n schouders zat.
De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z’n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te gestikuleeren:
—O, dierbaar Afrika...
Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde ’t nest waarlyk z’n werelddeel aan, zyn Afrika! Was ’t niet of ze ’t er om deed!
—O, Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi ... prachtig! Nog ’n oogenblik, papa, dierbare schooltiran—houd vast, Willem, toe!—ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m’n gezicht vertrek. Mesopotamië, mesopomamo ... mondvol, mooi! Nigritië—blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M’n paardje trappelt zoo ... hu, hu!—Aethiopië—Herman, houd z’n beenen vast ... niet kittelen, dan val ik.—Marokko ... Schiermonnikoog ... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte ... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal—de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil—Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote... wie vangt me?
—Ik, riep Willem.
Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.
—Oef! riep de dokter.
—Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan oef! Twee volle uren les, en dan terstond: oef! Waar zou dat heen? O, neen, dierbare tiran van Monomotapapa, van Monoë ... muggen, muggi bedenk dat ’n welgeschapen kind z’n rechten heeft. ’t Is ’n ware schande ... ga jy ’ns voort Herman, ik ben ’r heesch van!
—’n Ware schande ... nu jy, Willem!
—’t Is ’n ware schande, m’nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.
—Weg met de ouders! Roep mee, papa!
—Weg, weg, weg met ...
... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.
—Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader! Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor ’n samojeedsch huishouden ... nà de les!
—Juist, schreeuwden de jongens, orrrde na de les! Dat is de ware, rechte orde!
—En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? ’n Zaag, ’n zaag, papa’s onschuldige liniaal is ’n zaag! O, die vaders, die vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!
—Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!
—Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien oproerkreet weer duchtig gestraft.
—Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.
—Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan ’n halve sekonde les in ... de eeuw. Nooit Sofala, Monomotapapa ... kom-aan, dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...
—Leven de...
Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader ’n vinger op.
—Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee—jy ook, mannetje—mama wacht ons zeker met het eten.
Willem nam Sietsken op z’n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie de trap af. Wouter volgde, maar Lady Macbeth verdween platgedrukt in z’n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...
Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep er niets van.
In de eetkamer heerschte weder ’n geheel andere toon dan vóór en na vyven in de school.
—Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.
Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:
—Papa, mag ik het doen?
Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde hem naar ’n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.
—Mama, dit is ’n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?
—Wouter Pieterse.
—Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i ... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?
... die hier blyft eten, Mama.
—Als mama ’t goedvindt, zei de vader.
—Juist, als mama ’t goedvindt.
Mevrouw Holsma zette Wouter met ’n paar vriendelyke woorden op z’n gemak. ’t Was noodig!
De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem ’n plaats aan, en ’t deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z’n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen voor z’n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z’n handen vouwde...
—Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.
—J...a, m’nheer, stamelde Wouter.
—Dat’s ’n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd aan-tafel?
—Ja, altyd... by warm eten, m’nheer!
Er was tucht in dat huis: niemand lachte.
—Bid jy er maar gerust op toe, jongen!
De dokter maakte gebruik van ’t oogenblik dat Wouter de oogen gesloten had, om zonder ’n woord te spreken z’n kinderen tot beleefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. ’t Was hun schuld niet, dat-i later inzag ’n zonderling figuur te hebben gemaakt in dien kring.
—Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen ’t niet, en ... daaraan doen we misschien ook goed.
—Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z’n overtuiging.
Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen. Hy ... ’n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem ’n waardigheid toe, ’n gewicht, en ’n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder ’t gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag ’n overtuiging hebben!
Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als ’t vernomen nieuws dat hy ’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...
De dokter, die ’n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:
—Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben. Ik ben overtuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help ’m eens, Sietske!
Sietske deed het met veel gratie.
Wouter had den zin van Holsma’s woorden zeer goed begrepen, en ... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy voelde ten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslag vyf zonder genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel heerschte.
In-weerwil namelyk van z’n beschroomdheid, of liever juist inverband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in ’t gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy—fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z’n doorzicht—niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z’n ziekte had Holsma deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, die hy ’t kind betoonde.
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk ’n gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat er twyfel bestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aarts-vader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje ... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomen fair play was. “Men moest niet verstokt zyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.
Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.
Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’n keuze tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—by Wouter in zeer letterlyken zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo...
Toch kunnen we ’t hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe ’t heele menschelyk geslacht aan ’tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z’n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. Men behoeft slechts ’t huis Pieterse en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om ’n gelyk-soortig verschynsel overal te kunnen opmerken. De een zweert by z’n dorp, de ander by z’n gemeente, ’n derde by z’n vak, enz. Zelden ontmoet men ’n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. ’t Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.
De lotgevallen van ’n vlalepel met een handleiding tot het begraven van ongelukken, ’n Oude historie uit Straat Magellaan, niet ontoepasselyk op andere straten.
De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders gewoonlyk verkeerd beoordeeld, ’t geen blykt uit de overdrevenheid waarmee ze het tegendeel pryzen. “Dàt zal ’n man worden!” hoort men dikwyls zeggen van den knaap: qui ne doute de rien.
Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van buiten-af, en dus aan z’n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid met de suffisance van anderen. Het mag niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte ’t gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl ’t verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.
Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman, en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, kon ’t niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, toen z’n buurmeisje hem aan ’t dessert ’n schotel roomvlâ overreikte...
Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar, als ’n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:
“de dat riet en dede niet wale.”
Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, en dat ding—met wat vlâ er by, waarachtig!—te doen neerkomen in Sietske’s schoot? Hy deed het, hy! Hoogst-eigenhandig. en proprio motu! Geen Stoke kan ’t goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.
Och, hoe droevig! Juist begon-i ’n beetje verder op z’n stoel te schuiven dan by de soep! Nog ’n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem niet ’n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie ... och! Hy had liever ’n pink gemist, z’n hand, z’n arm ... alles! Ja ... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!
Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd was tot de vraag hoe z’n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond na de katastroof, en alsof ’t er by behoorde, begon Sietske:
—Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.
Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter ’n anderen lepel aan, dien ze van ’t wandbuvet had genomen.
—Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.
En allen drongen om ’t hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z’n ongelukje te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, zag ze dat er ’n traan over z’n wangen rolde.
—Mama, ik heb ’n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers goed? Zoo’n porseleinen ding is topzwaar... ik heb ’t wel al driemaal laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.
De moeder knikte haar vriendelyk toe.
—Krygen we nu Van Noort, papa?
—Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie begin.
—Foei, papa, aan tafel!
—Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie van maandag, woensdag en vrydag ’t hevigst is. ’t Huis dreunt altyd na de geografie.
—’n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.
—Oude privilegien, papa! zei Willem.
—Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die barbaarsheid. Toen Herman ’t eerst in de les kwam...
—Zóó’n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél laag. Je kon geen a voor ’n b.
—Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel ... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.
—Omdat ik je lezen geleerd heb?
—Olivier Van Noort, papa!
—Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo’n verwaand kereltjen eens!
—Ik niet lezen! O papa, luister eens:
Herman nam ’n ulevel, ploos er ’t devies uit, en las:
Een vader die z’n zoontje plaagt ...
—Dat staat er niet, riep Sietske. l’Amour est un enfant tromp ...
—Trompette, zei Willem.
—Olivier Van Noort, papa!
Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad ’n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid als oom Sybrand begroet werd.
De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droeg Herman op, ’n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z’n studeerkamer te halen:
—Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding kan ’t niet helpen dat jelui zoo’n dommen hekel hebt aan geografie.
Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen reeds gezeten waren, bracht-i ’t 5e deeltje mee van de “Nederlandsche Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven door Bennet en Van Wyk.”
—Lees nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend heeft?
—O papa, al...
—Nu?
—Al komt er nu soms ’n domheid van my aan den dag...
—Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees maar op.
Herman las:
“Den volgenden morgen (5 November 1599) ging men weder onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straat Magellaan aan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.
Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats de los Virgene(?) weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe bewogen, konde doorgronden.”
“Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy—Van Noort—geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.
Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door hem bewaard.”
“Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts ½ myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug.”
“Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen ten anker.”
Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...
—De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei Holsma. Volgende bladzy!
Herman sloeg ’n blaadjen om, en ging voort:
“Den 8sten (Januari 1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren.”
“Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...
—Genoeg! riep Holsma.
En hy tikte met ’n waarloos tuinstokjen ’t boek toe.
—’t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.
—Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.
—Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten aangaande de bewoners van dat land.
—Als ze maar ’t ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er zyn vergiftigen onder.
—Er was ’n R in de maand.
—Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen ’n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wy Februari noemen, komt daar in ’t hartje van den zomer.
—Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt hy in ’t hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.
—Dat is niet nader aan ’n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.
—Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel kouder en natter, riep Sietske.
—Wat ’n barbaarsche uitdrukking!
Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: “ja, kind!” Ze zei, ’t kwam van Livius en kegelsneden.
—Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die ’n oudsten broeder versiert.
De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?
Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by ’t begin van de lezing, ’n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets opgeschreven. Hy beweerde dat de taal van ’t voorgelezene zeer onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden hem geschonken.
—Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van oude zeelui, geven ze ’n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spelling bepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron ’n paar horloges op zak te geven, en—om de deftigheid—onzen Lieven-heer ’n staart-pruikjen in den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten ook de taalkenners van deze week?
—Siegenbeek en Weiland, oom.
—Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i ’n onnoodige letter meer of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu “zoo” en “oogen” met twee o’s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking dat er twee o’s zyn in “vrolykheid” en maar één in “drogen” ...
—Hé, oom! riepen de kinderen, met ’n verbazing die het tegenwoordig geslacht verbazen zal.
—Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men op zoo’n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.
—’t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel bederft. Waar de “letterkundige” bekwaamheid van deze soort een maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in die boekjes gesproken van “roeiriemen” en “verdek”, woorden die nooit over de lippen van ’n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat men op zeeschepen ’n “jol” heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit van zoo’n ding hooren spreken. Ze hebben daar ’n barkas, ’n boot, sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, en geven ’n pover artikeltjen over zoo’n land of volk uit hun eigen “Aardrykskundig Woordenboek” in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu niet welken indruk ’n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de eerste bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...
De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!
... we moeten slikken wat zekere m’nheer Van Wyk thans over de door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua naar Kanaän zond, laten terugkeeren met ’n hedendaagsche beschryving van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat heb je meer in je boekje?
—Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en Januari ging men van z’n schip met ’n sloep aan-wal om mosselen te zoeken. Quaeritur waar die sloep vandaan kwam?
—Hy kon zich ’n sloep hebben doen afstaan van een der andere schepen. Maar ik herinner me iets van ’t maken van zoo’n vaartuig.
De dokter bladerde even:
—Ziedaar, zeide hy. En Herman las:
“Dienzelfden dag—2 December—verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam van den Oliviers-baai.”
—Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?
—De uitdrukking “in apprehensie houden” bevalt me niet.
—’n Stadhuiswoord!
—Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.
—Maar ’t was ’n rechtzaak!
—Apprehendere beteekent aanvatten, aangrypen...
—O hemel, daar komt Livius!
—Neen, kind... Suetonius. Apprehendo bucculam—voel maar!—beduidt: ik knyp m’n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.
—Domme jongen, met je latyn!
—En wat heb je nu tegen de apprehensie van dien Ilpendam?
—Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man zoo heette. ’t Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor ’n zeeman van zyn tyd gepaster voor.
—Dit kan gegrond zyn.
—En Van Noort dan? riepen ’n paar anderen. Die had ook ’n vàn!
—Dat was ’n Admiraal!
—De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.
—Hm! Dien rang hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber van de expeditie. ’t Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by ’t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor ’n admiraal in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen over apprehensie?
—Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis te nemen. De beteekenis van apprehendere is: aangrypen, aanvatten. Men kan iemand niet in “aangryping” houden.
—Korrekt! zei de vader. Korrekt als ’n zonnestelsel...
—Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar hy weet niet waarom.
—Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m’n breikatoen.
—Willems poot heeft mama’s draad in apprehensie ... gehouden, plaagde Herman.
Oom Sybrand fluisterde Sietske in ’t oor.
—Hoe weet je, dat apprehendere “aangrypen” beteekent?
—’t Staat in alle woordenboeken, kind.
—Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.
Oom fluisterde: “’t is knoeilatyn, neen ... ’t is latyn ... ook ’n knoeitaal!”
—’t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, oom. Niet te veel te-gelyk!
—Kind, bezondig je niet. Als ’t niet te veel eer voor je was, zou ik je ’t woord wyzen by Cicero.
—Oom?
Sybrand fluisterde.
—Je heele Cicero verstond z’n eigen latyn niet.
—O goden, wat moet ik vernemen, hier in m’n vaders eigen tuin! Kind, ga naar ’t land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster, gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, horresco! Papa, ik ben verontwaardigd.
—Dit schynt wel!
—Je zit weer op m’n kluw, jongen!
—Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me ’n flinken latynschen vloek, toe!
—Vraag ’m naar den wortel.
—Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel is van je ... Cicero?
Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord was. Z’n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes van ’t gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen wat Juffrouw Laps “wereldsch” noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den dokter over erfzonde en drieëenheid...
Doch z’n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te staan. Wat hem bovenal trof, was z’n eigen onwetendheid. Het verdriet hierover werd nog grooter, toen ’t gesprek ’n litterarische wending nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik ook wel kunnen begrypen ... als ik ’t maar wist!...
Daar kwam zoo-waar ’n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, waar Wouter bleef? ’t Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.
—Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?
—Ja, m’nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal gebeurd is.
—Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over ’t vonnis van dien Jakob Claesz had ik ’n opmerking te maken. Kaatje, zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.
Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.
—Dat’s waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg Sybrand.
Holsma schudde ontkennend het hoofd.
—Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó’n strengheid niet noodig was...
—Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder menschen die hem dooden zouden.
Herman las:
“Den 24sten (Januari 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen.”
—Er ligt ’n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.
—Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou misschien kunnen pleiten voor zekeren graad van beschaving. Misschien moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in ’t Journaal van kannibalismus gesproken. Van ’n kind dat men aan-wal geroofd, en geleerd had zich eenigszins in ’t hollandsch uittedrukken, vernamen onze reizigers dat z’n landgenooten—sommige stammen althans—zich daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad verkeerde in de meening dat de ongelukkige dien men verstiet, onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen ’t barbaarsche Vuurland tot beul.
—En dat gebed!
—Niet waar? ’t Is om te yzen! Zoo’n afschuwelyke klucht na ’t bloedige voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die Vuurlanders ’t ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of maakten ze af, zònder God. Maar zy die ’t ware Geloof hadden, doemden den ongelukkige tot zoo’n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid nog den schimp voegden van de bespotting.
—Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.
—Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had ik—voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling der zaak in ’t Journaal—voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun tyd waren. De straf van “aan-wal zetten” schynt in vroeger eeuwen by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die ’t model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo’n wys op z’n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het ’n wreed gebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van den veroordeelde die met ’n weinig brood en wyn op zoo’n ongastvrye kust aan-wal stapt! Hy wist wat er met de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de matrozen—kort geleden nog z’n ondergeschikten—hem dwongen de hulk te verlaten! Toen ze hem “vaarwel” zeiden! Denkt eens na, jongens, over de vreeselyke beteekenis van dàt vaarwel! Die wegvarende sloep was ’t laatste punt van z’n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden ’t schip weerzien: hun te-huis, waar ze kameraden hadden, en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn mee, om de marteling te rekken van ’t besef dàt dit alles voor hem verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan ’t ontwyken van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?
De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien ’t Vaderland weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van de reis verhalen! En daar klonken stemmen—de ongelukkige moet ze gehoord hebben in z’n verlatenheid!—stemmen die aan de teruggekeerden vraagden: “waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam?”
Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by ’t staren op den geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet hem ’t aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of hy by ’t strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of ’n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?
Zeker zal hy aan ’t strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van ’t besef vooral dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog altyd ’n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn “Fredrik Hendrik” waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y voor Amsterdam. Daar immers voer ’n sloep, bemand met hollandsche matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille kust overlaten aan z’n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!
En toch, toch...
Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy die hem met ’n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?
Als er ’n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om ’t arme dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men niet redden!
Indien een van de roeiers ’n muts had achtergelaten aan den wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om ’t verlorene te zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!
Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor ’t laatst gezien hebben, haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen, bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts byblyven in ’n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige wezenloosheid der vertwyfeling. Alle aanraking met de mensheid was hem afgesneden, op ’t vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te worden door ’t laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.
De Krygsraad vonniste “by meerderheid van stemmen” staat er. Niet by algemeene stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in ’n zaak van dezen aard is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van ’t admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering van ’t vonnis, zich geroerd voelde? Het kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet eenmaal z’n ambtgenoot, z’n kameraad, z’n makker, z’n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou ’t niet zelfs kunnen liggen in ’n welbegrepen taktiek, de opgelegde straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid te versterken door ’n beroep op de thans in-acht genomen matiging?
De arme balling moet gehoopt hebben.
Zoolang die schepen daar lagen...
Helaas!
En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in ’t zand, in de steenen, in ’t koraal, in de spleet van ’n onderzeesche rots misschien...
Zou die bodem medelyden met hem hebben, en ’t anker niet loslaten?
Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen ’t laatste “o... ho... ho... iiii!” dat ’n eind maakte aan allen twyfel.
De zeilen, reeds onder ’t ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd tot-tyd sloegen ze back, en vertoonden een schyn van onwil tot het verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.
Maar ook dit had opgehouden. Door ’n kleine beweging van ’t roer boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z’n strengheid!
De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters maagdelyk gemoed was zeker ’t meest aangedaan. Het kostte hem moeite zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, ’n schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen verlatene aftehalen! Even als by die droomery met de wegvlietende strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft Wouter?
Als ’n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?
De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z’n beschroomdheid te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in z’n toon, alsof hy ’n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de opmerking:
—Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!
Indien iemand die niet gelooft, ronduit z’n meening zegt in ’n kring van geloovers, neemt men ’t hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger. Niemand van ’t gezelschap riep: foei!
Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen ’t gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op ’n ander onderwerp.
—O zeker, m’n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere wys den moed hebbe opgedaan om z’n lot te dragen. En al ware dit zoo niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om daarvan melding te maken in ’t Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben, zéker op ’t schip dat rechtstreeks onder z’n bevel stond, misschien wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of hy op de aanhankelykheid en ’t plichtsbesef van alle bevelhebbers, officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-geval wist hy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen ’t eerste blyk van ongehoorzaamheid en ’t by-een roepen van den krygsraad, ligt ’n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in ’t Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer dagen in ’t licht kwam. Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dat er reeds vóór ’t beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by ’t eskader had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!
—’t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.
—Misschien!
—Het komt me voor, dat hy z’n plicht deed. Het behoud van allen was hem opgedragen en daarom moest hy, waar ’t noodig bleek, streng te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en ’n slecht voorbeeld gaf.
—Dit kàn gegrond zyn. ’t Is evenwel jammer dat er in datzelfde Journaal blyken voorkomen van ’n ruwheid, die ’t recht geven tot twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk gegaan. Van Noort heeft eenmaal ’n spaanschen loods over-boord doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op ’t Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van de oorzaken der weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen geweest om zich aan ’t gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van ’t eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk geschiedde, ’t Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om ’n oordeel te vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis—ik bedoel, de groote!—is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden, gissen. Alleen de vreeselykheid van ’t geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En wat me daarin ’t meest treft, is de lakonieke vermelding van de waarschynlykheid dat “de inlanders den veroordeelde wel zouden afmaken.” Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is, de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of ’t gebruik-maken van hun wreede eigenaardigheid? ’t Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan mensch-eters ’n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun misdadigers in ’t wilde-beestenperk. Hier zien wy de funktien van verscheurend dier opdragen aan menschen!
—’t Waren wilden...
—Ja, maar zy die ’t vonnis sloegen, gingen voor beschaafd door. En bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z’n onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door ’t zien van voetstappen ontdekte dat z’n eiland niet onbewoond was. Och, kinderen, ’t is zoo treurig dat de mensch ’n vyand van den mensch is.
—De beschaving...
—Beschaving legt ’n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op, met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we niet kennen!
De dokter zag Willem even aan.
—Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken, werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?
Holsma sprak hierop weder van beschaving, van de ware die iets anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er in geestelyke ontwikkeling ’n hefboom ligt om ’t zedelyk standpunt te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen of minachten van ’t onbekende veelal voortsproot uit gebrek van zelfkennis.
Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.
De dokter namelyk had ’n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel op welk onderwerp ’t gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m’n redenen voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.
Een splinternieuwe gradus ad Parnassum, niet precies dezelfde die Faust ten-geschenke kreeg van Mephisto. Twee ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken omtrent ’n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.
Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal ’t hem bevreemden te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed uitoefende op ’t ontwikkelingsproces van z’n geest. Het spreekt vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was ’n kiem van verandering in z’n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid ontbrak. Niet hy, Wouter, zou ’n meening hebben, maar hy begon toch intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z’n omgeving, en dit was ’n groote stap.
Boven alles echter—heel gelukkig inderdaad!—drukte hem z’n gebrek aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy, en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z’n koningen Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme jongen had nooit iets van De Foe’s kluizenaar gehoord. Hy vroeg aan Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.
—Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet zegt welke voetstappen? Voetstappen van wien, meen ik. Men moet altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.
—Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu, de knecht zal zeker uit geweest zyn.
By al de verhalen die Wouter omtrent z’n wedervaren werden afgeperst, had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die in z’n omgeving niet te rekenen hadden op ’n gunstig onthaal. Geen woord van de saturnalie! Niets van ’t verzuimd bidden by warm eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan ’t gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan beerevellen! Maar dit ging z’n berekening te-boven.
Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel “fatsoenlyk” geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk te weten wat ze bedoelde, daar hy in z’n gemoedje noch ondervinding noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z’n moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske, z’n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.
Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z’n gedwongen afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden, niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! “Van my zal nooit iets terecht komen!” zuchtte hy.
Hy verscheurde z’n Lady Macbeth die hem leelyker voorkwam dan ooit. En ... Ophelia?
O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem zeer slecht voor. Was ’t omdat ze maar ’n bleekmeisje was, en omdat de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?
Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal of moord. Hy kon niet leven met zoo’n zelfverwyt, en nam de eerste gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want ’n schuld wàs het, naar-i voelde.
En dit gevoel gaf hem moed. Met z’n gekleurde prent in de hand, stapte hy ditmaal moedig ’t welbekende hekje binnen, en klopte aan de deur van Femke’s huisje. Er werd “binnen” geroepen. Z’n hart bonsde benauwend, maar nu moest-i z’n heldenstuk wel dóórzetten. Hy stond op-eenmaal voor ’t meisje, dat met haar moeder bezig was aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m’n held stopte kousen, ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! ’t Is hard voor ’n schryver, zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid de eer te geven die haar nog altyd toekomt...
Want afkeer van praktischen eenvoud is bederf!
... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen hem in ’t minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.
Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy ’t aanlei om z’n bezoek te rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van ’n gesprek zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor ’t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele hoe de overgang geschiedde, tusschen z’n bedremmeld binnentreden en ’t plaatsnemen op ’n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:
—Ah!
En ze had hem de hand toegereikt.
—’t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. ’t Is de kleine jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.
—Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van de wurmen?
—Wel neen, moeder! ’t Kind heeft zenuwkoortsen gehad.
—Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de wurmen komen kan. Geef ’n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...
Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer hinderden dan haar kousen. ’t Mensch scheen zich voorgenomen te hebben hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.
—En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik ’n ander wil onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met ’r waschvrouw... ’t kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in ’t goed zyn, maakt Fem ze ’r uit, met “zuringzout” weetje? En nooit raakt er ’n stuk weg ... ja, eens is ’t gebeurd, ’n paar mansetten, maar die hebben we vergoed met ’n zesthalf ... vraag maar aan Femke.
Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel anders te vragen had! Vrouw Claus maakte ’t hoe langer hoe erger. Ze tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was, ze stoorde, belemmerde en bedierf de werkelyke vlucht van z’n gemoed, die beter pleging verdiende.
En zie, het meisje begreep ’t ongepaste van dien wanklank! Zou dit aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was ’t ’n gevolg van de betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke jeugd ’n rol?
Van alles wat, misschien. Doch zeker is ’t, dat de herinnering aan de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik waarmee hy by die gelegenheid z’n welsprekendheid getooid had, te bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke’s smaak was niet geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheid het schoone, het verhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan ’n eind te maken. Maar ook hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek toch wat ... peruaanscher!
’t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?
Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit ’n geschenk voor háár was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin doorstraalde, en verzekerde met ’n eenvoud die meer ernst bevatte dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.
—Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want ... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat het niet goed gestreken is. De ruimte zit in ’n plooi over ’t stiksel heen. Ook is ’t slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, is ’t niet streeperig?
Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.
Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om ’n gesprek aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy ’n uitgang. Er moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en: “de jongeheer kon wel ’n eindje meegaan.”
—My wel, zei de moeder.
Het jonge paar vertrok.
Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter een der paden in, die in den omtrek van Amsterdam de paden genoemd worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.
Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen, dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder, indien Wouter eens mocht terugkeeren...
—O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?
—Ja, zei ’t meisje aarzelend maar toch met ’n flinkheid die Wouter verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb ’n mis laten lezen voor je beterschap.
—Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb je dat heusch voor me gedaan?
—Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je gestorven waart. Ik geloof dat je-n-’n goed jongetje bent.
—Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken, ik durfde niet.
Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het meisje schreef z’n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.
—M’n moeder is ’n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet, met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje, want voor ’n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. ’t Was by ’n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever, of je nu heelemaal beter bent?
Wouter gaf verslag van z’n ziekte, en geraakte onwillekeurig op ’t onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z’n onkunde.
—Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet onderwezen op m’n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit ’n groot man worden.
—Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.
Wouter had eenige moeite haar aan ’t verstand te brengen dat hy iets anders bedoelde dan ’t bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem niet verwerpelyk voorkwam.
—Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja, hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...
De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had den moed niet, z’n eigen droomen in woorden overtezetten.
—Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in ’t zuiden, heel ver ... ik zal ’t voor je uitteekenen. We kunnen hier wel ’n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen wat ik bedoel.
Hy geleidde ’t meisje naar ’n stapel gezaagde planken, en nam daarop naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar ’n takje had weten machtig te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om ’n wereld in ’t zand te teekenen.
—Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit twee helften ... als pannekoeken ... kyk, ’t lykt wel ’n bril. Nu, met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet ’r gerust je voet op. Hier wonen wy ... daar ligt Engeland ... heel omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er ’n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. ’t Staat in ’n boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren, en kleeren geven, en zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde, en dan zouden wy...
—Ik ook? vroeg Femke verbaasd.
—Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat jy dan ...
—Ik? Koningin?
Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande, al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.
—Maar ... wil je dan niet m’n vrouw worden?
—Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan haalt. Weet je dan niet dat je nog maar ’n kind bent?
—Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen voor je vrindje?
—Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er gaan zooveel menschen op-reis! By ons op ’t “pad” woonde vroeger ’n timmerman, die met z’n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar ... trouwen!
Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen trof ’t ongelukkig met z’n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd het meisjen ernstig:
—Ik geloof dat je ’n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel van je...
—En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m’n ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar ’t zal wel aan jou geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke, mag ik je vrindje wezen?.
Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van ’n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was zich ’t zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters ... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf ditmaal naar ’n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan ’n lach.
Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid die onmiskenbaar in z’n toon lag.
—Zeker, zéker mag je m’n vrindje zyn! Maar ... maar ...
Ze zocht ’n voorwaarde, ’n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch terugvoerde naar ’t standpunt dat z’n leeftyd hem naar hare meening aanwees. Hy was gegroeid sedert z’n ziekte, dit is waar, maar toch ... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad doortedragen, hem die ’r zoo prettig van droomde háár te redden uit ’n brand.
—M’n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen wat ik verlang.
Alles slechts? Och, ’t kwam Wouter zoo weinig voor!
—Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!
’t Werd benauwend voor ’t meisje. Want ze wist niet wat ze eischen zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem eens dáártoe aanspoorde?
—Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m’n moeder verteld dat je-n-’t knapste jongetje van je school was ...
—Ik? riep Wouter met komieke verbazing.
Het schynt zonderling—doch we nemen dezelfde anomalie in de groote-menschenwereld waar—dat hy nooit had achtgeslagen op de onevenredigheid tusschen z’n hoogdravende aanspraken en verregaande onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen kon op eigenwaan. De allereerste in ’n heel werelddeel... dit kon wel. ’t Wenschje was billyk en matig, maar:
—Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje, anders mocht misschien m’n moeder te weten komen dat ik over je gejokt heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...
—O, Femke, ik zal het doen!
—Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.
Zoo zond ze hem weg. By ’t afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te groot geworden was om hem ’n zoen te geven. En toen pater Jansen, die ’n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent had ...
De man zei dat Ophelia in ’t Hollandsch zooveel beduidde als Flora die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes geweest was.
...toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal ’n heel klein kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen, maar toch:
—Och, heeroom, die prent is van ’n jongetje, van ’n klein jongetje. ’t Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder dan negen is-i zeker niet!
—Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!
—Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog ’n kind is.
Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in ’n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.
“O, Femken, ik zal het doen!” had Wouter gezegd.
Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst, geen andere bedoeling had dan z’n eigen belang. Maar die bedoeling zelf was liefelyk, en ’t zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i, na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles, maar ... juist dit ééne niet!
Dat-i liever z’n dame gediend had in ’n gevaarlyke expeditie, spreekt vanzelf. Maar men heeft z’n heldendaden niet voor ’t kiezen. Herkules en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam z’n taak ernstig op. Hy begon z’n “Ippel” z’n “Strabbe” z’n “Oefening in ’t kunstmatig lezen” z’n “Vaderlandsche- en andere Geschiedenis-boekjes” lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs over “Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden” begon z’n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid van hun werk.
Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde hem ’n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem ’n Meduza-kop tot schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje mocht oppassen!
Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:
—Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is ... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, of ... zonder voorbeeld!
De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker opstel heel kordaat van ’n wyf had gesproken: “dat zyn muts betastede en op deszelfs hoofd zettede.”
Wouter moet ’n beroep kiezen. De keerzy van den roem. Wouter’s begrippen over kommanditair wereldbestuur. Oorzaken van ’n ergernis die, viâ Missolunghi uitloopt op Femke.
Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, en bovendien ’n iongenn die tegenover meisjes altyd eenige jaren minder telt dan z’n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z’n broêr Stoffel.
—Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.
—Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar ik wou nu maar weten wat we met ’m zullen aanvangen. Letterzetten wil-i niet. En naar zee ... nu dat’s me-n-ook wat!
“Dat ’s me-n-ook wat!” beduidt: ’t is te gek om van te spreken. Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit geweest—er was iets Afrikaansch in—maar hy voelde zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.
Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, had-i z’n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart—als baden en zwemmen—’n uitspatting, ’n misbruik, ’n losbandigheid, ’n paradox, ’n hors d’oeuvre of ’n ondeugd.
—De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo’n affront, riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!
Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van onbekende koninkryken, van Straat Magellaan... helaas!
Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.
En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen schoenmaker, geen leerling op ’n notariskantoor, geen bediende in ’n winkel, geen aptekersjongen...
Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z’n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.
De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens ’t geval is. De meer of mindere kans op “geld-verdienen” werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om zeer spoedig “in de verdiensten te komen?” Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over ’t “worden van ’n nuttig lid in de Maatschappy” voor-den-dag te brengen. Toevallig—en zeer by-uitzondering—had-i hier met ’n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen, iets leveren:
de plaats betalen die het lot hem bood.
...en iets meer dan dat, als ’t mogelyk was! Kon hy ’t helpen dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z’n lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar ’n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou...
Na ’n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen, dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: “dat Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel.” En juffrouw Pieterse was dit volkomen met hem eens.
Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel omdat-i niet recht wist wat het was.
Hy vroeg ’t aan Stoffel.
—Wel, begryp je dát nu alweer niet? “In den handel” beduidt zooveel als... koopman worden.
—Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de menschen noodig hebben?
—Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de huizen liep met ’n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd even dom. “In den handel” zieje, beduidt zooveel als...
Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over ’n definitie struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebben by zulke gelegenheden terstond ’n bondgenoot by de hand, die hen zoo flink uit den nood helpt als hier geschiedde.
—Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd, en je houdt je weer net of je ’r niks van begrypt. Wie ter-wereld heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met ’n pak op je rug, als ’n oliekoop of ’n mersan de la perreplu? Heb ik je daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent ’n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!
Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen ’t vreemd vinden—en onbillyk misschien—dat Wouter hier begraven werd onder ’n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O, neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse ’n ware virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook ’t woord parapluie in haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar gebezigde uitdrukking ’t onvervalscht refrein was.
Maar... als nu Wouter eens “in alle bescheidenheid” de opmerking gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel, dan had men hem bedolven onder ’n tweede predikatie over de verregaande brutaligheid van ’t gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden inderdaad ’n fout is.
Niet zoozeer omdat-i dit inzag—daartoe is dieper wysheid noodig dan hem gegeven was!—als wel uit ongewoonte om z’n meening te zeggen, die toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid de vereischte inlichtingen te vragen aan z’n Egeria, aan... Femke.
Dat hy, in-weerwil van z’n onkunde niet ontevreden was met het vooruitzicht “in den handel” te gaan, is niet onnatuurlyk. In de eerste plaats zou ’t vervelende school-gaan ’n eind nemen. Dit was ’n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering van standpunt, mat-i af naar z’n hoop, en naar den wensch om iets te zyn, wàt dan ook! ’t Zou dan toch al heel slecht geschapen staan met “handel” wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan ’n geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate hy hooger stond aangeschreven in Pennewip’s achting. Het was namelyk ten-zynent ’n tic geworden—en z’n by uitstek domme zusters deden dapper mee—hem z’n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als ’n verpletterend servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht met z’n veronderstelde schoolwysheid. Z’n onoverwinnelyke tegenzin in zuurkool, byv. “paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten kende” en als-i na ’n wandeling wat later thuiskwam dan hem genadig was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu ’t goede gedrag was van iemand die zoo’n uitstekend onderwys te danken had aan z’n moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?
De bespottelyke ingenomenheid met Wouter’s vermeende gaven, maakte hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en ’t had er veel van of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.
Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den minsten grond om aan die laatste veronderstelling ’n plaatsje te gunnen in z’n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware, zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner omgeving ’n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige bezorgdheid voor z’n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting, de gezellin behoort te zyn van ’t goede.
De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en ’t christendom—vooral het dor protestantismus!—hebben er geen goed aan gedaan.
Is ’t wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy die ’n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt had? Het eeuwige vitten van Wouter’s moeder was alzoo goddelyker dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was, toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: “ik doe daar m’n godsdienst mee!” Wel zeker!
Het verspreiden van geluk, en ’t zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter’s omgeving. Met den besten wil mogen wy dus ’t verdriet dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van ’t hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende beroemdheid.
En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem—al was ’t dan doelloos—ingaf tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan ’n zelfgevoel dat waarlyk de perken van ’t ooit da gewesene ver te-buiten ging.
“Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?”
Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?
Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: “of ’n bleekersjongetje?”
Was ook dat onbescheiden?
Neen, niet zulke nietigheden waren ’t onderwerp van Wouter’s ongeëvenaarde eerzucht. Z’n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap, was ’t by-wyze van spreken, en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze vlucht zyner begeerten, ’n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen ’n bleekveld en ’n troon uit het oog verloor.
De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy onderging onbewust den indruk van ’t verhevene, en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op ’t gebied van het goede wilde hy ’t hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus!—om de zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelary!
“Later, later!” dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche en huiselyke banden. Dan zoud-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nòg een...
Helaas, er stonden er maar vyf in ’t boekje van z’n geografie!
Vyf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.
Wat dàn? Wat daarna?
Hier begon zich z’n fantazie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelyken hemel, naderden z’n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.
Geen “Weg ter Zaligheid” en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig het goede willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.
Hoe hy ’t aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld. Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak—om nu niet te spreken van ’t pynlyk stil-zitten in de kerk—en al van-buiten leerende “dat God zoo byzonder groot is” geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan ’n straatgoochelaar, ’n kunstpaardjen of ’n handjevol kersen. Jazelfs ’n “kip te water” is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die vervelende “Heer.”
Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het onderwys in de “godsdienst” uitstelden tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich ’n veel lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want “godsdienst” kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten ’n bescheiden plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in z’n opvoedings-systeem het “breien en merken”, waarin z’n ega zoo uitmuntte, tot parallel-studie verhief van ’t “psalm-zingen” en de “leer der Zaligheid.”
Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus—of liever, juist omdat z’n god van school en katechizatie maar ’n onderwerp was van leeslesjes—hy zag er geen bezwaar in, ’n geheel ander wezen in z’n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.
Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met zyn begrippen over ’t goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hy...
Wanneer? Hoe?
Dit: wanneer en dit: hoe speelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil. Later—mymerde hy dan—als-i zou aangekomen zyn op ’t punt waar hy wezen wilde! Later, als zyn God—dit was hyzelf, maar hy wist het niet—ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou ’t z’n gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van z’n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy droeg z’n hooggestemde levensopvatting in z’n binnenste, als ’n kool vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maakte hem onvatbaar voor menige andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...
Ja, waarheen?
Waarheen? Wanneer? Hoe?
Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!
Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’t verkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs ’n arme blindeman in ’t water gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.
En telkens als er regen noodig was, bleef ’t weken lang droog weer. Maar ’t plasregende als alles onder water stond. En dan las men in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet oost. Wouter’s God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, en dus nog dommer te zyn dan zoo’n krant.
Is dat ’n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat ’n wereld regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder God!
O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol van. Alleen God scheen alweer niet op z’n post te zyn. Marko Bozzaris en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar ’t hielp niet veel. En al de Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren van ’n glad verkeerd geloof, ’t Hielp nog niet. Zelfs hielp ’t niet dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards vermoord. Wouter’s historische en krygskundige kritiek ging niet ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy hield zich aan de verantwoordelykheid van z’n god, en was recht boos over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder ditmaal niet voorwenden. De zaak was notoir, want de kinderen op de straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, en ’t voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de onverschilligheid van Wouter’s god.
En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar ’t verre Engeland... hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel, scheepvaart en ’n yzergietery. Beeft by ’t hooren van ’t Nederlandsch geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ook bezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm: koninklyk. Getal inwoners ...
Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas—dichter en lord was-i ook—had er z’n zinnen opgezet om ’t land uitteloopen, en met de Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z’n vaderland ...
Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen—en met pleizier!—om aan z’n god en die Turken ’n lesje te geven als-i maar... permissie had kunnen krygen van z’n moeder, d. i. als-i maar niet ’n armzalig schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen engelschman gevraagd hoe men ’t toch aanlegt om lord, dichter en held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die “geloofd zal hebben en gedoopt zal zyn” kwam hem niet byzonder wenschenswaard voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en genade—altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou—maar de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In z’n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: “Wouter’s begrafenis by Thermopylae.” De lykstaatsie bewoog zich over ’n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo breed als de prent maar eenigszins toeliet.
Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...
Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten laaghartig misbruik van z’n verdrietige onvolwassenheid. En die m’nheer Byron ook.
Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van ’n mededinger, die—geheel buiten zyn schuld immers—nog niet gereed was? Ook deze onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo’n verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?
Dan zoud-i...
Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?
Alweer die martelende vragen!
Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor ’t kiezen had gehad, waar-i door ontlasting van z’n gemoed z’n wrevel had mogen verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien aan Femke’s borst.
Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die ’t verband zouden begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was, die hy zoo verwenschte.
Ik geloof namelyk dat Byron—in-weerwil van z’n verzen dan—inderdaad dichter was.
Wouter’s eerste studien in menschenkennis. Il y perd son latin. Leentje’s extra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.
Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter ’t oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van ’t verschil tusschen uiting en daden, of—want hiermee nam z’n studie ’n aanvang—tusschen woord en meening. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds om niet z’n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was ’n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z’n moeder iets in ’n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was ’t eens: “dat dit nu al heel dom was voor ’n jongen die....