Note 2 — INLEIDING. (continued 5)
Reading edition
Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by ’t ankerwinden! Hy hoort het neerklikken van den pal in ’t braadspil.2 Elke tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden cylinder belet, verkort den kabel die ’t schip verbindt met anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de richting van de plek waar ’t anker den grond vat. En hy, de ervaren zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig, verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen ruk. Gedurende het ophalen van de “bocht” liep het geklikklak van ’t yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die ’t op den bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van ’t kleine voorwerp, als ’n uitroepingsteeken op de verzekering dat er ’n stap méér was gedaan ter-voorbereiding van ’t wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt den boeg als ’n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden hoorns. Als ’n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de gestrekte voorbeenen. De Frederik Hendrik, zyn schip, zyn trouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z’n waterlyn, en heft den achtersteven omhoog, en jumpt, en schynt zich te willen laten neerhieuwen in de diepte, liever dan z’n bevelhebber te verlaten, die daar handenwringend om genade staat te smeeken op ’t vreemde strand...