INLEIDING. (continued 4)
Reading edition
—Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde de moeder.
—Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i gedaan heeft?
—Wel zei Stoffel, ’t staat er onder. Je kunt toch lezen?
—Macbeth?
—Wel zeker! Dat is Macbeth, ’n beroemde koning uit den ouden tyd.
—En die daar, met ’n zwaard in de hand?
—Ook ’n koning... of ’n generaal... of ’n held... of zoo-iets. ’t Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies weten kan.
—En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.
—Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?
—Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?
—Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?
Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.
—Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan ’n mensch antwoorden kan.
Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, ’n gelegenheid te zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen waren voorgesteld.
De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op ’n woord dat-i niet vertalen kon—’t spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?—toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.
Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, niet zonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.
Maar we willen nu liever dat gebrek aan kritiek, in Woutertje beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op ’t laatste plaatje volkomen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van ’n woesteling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel jaloers op...
Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. En Salomo’s Recht ook. Al had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier ’n bybelsche zaak gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere beschouwingen te plaatsen over ’t Beleid der Justitie in Israël, zou in ’t huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men nog heden in de meeste kringen z’n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te vinden, en om niet te denken aan al ’t ònrecht dat gewis niet uitblyven kòn, in ’n land waar ’t Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.
Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De geest van Femke komt manen, en wordt in die funktie welwillend bygestaan door Wouters neus. We staan voor ’t kleine te laag. Rehabilitatie van Petrus. Ophelia zonder vlekken... niet warranted voor de toekomst. Beschouwingen van Stoffel en Leentjen over dramatische kunst.
Niets alzoo boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen zy zich aan z’n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist te geven van z’n indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken voor, die om zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te zeggen hadden, die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn.
Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de voorwerpen van z’n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet, toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met het kind dat zich zoo nederig voelde in z’n katoenen nachtjapon, met ’n “bakkertjen” op ’t hoofd.
Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt besloten binnen de grens van de gegevens waarover hy in z’n herinnering te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter overluid had durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de jongen ’t vandaan? Och, hy rangschikte. En zelfs de onwillekeurigheid waarmee dit geschiedde, had hare niet moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe nauwer z’n omgeving, hoe wilder de sprongen die hy wel maken moest om de leedjes van z’n ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op ’t onbegrensd terrein dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in ’t breed domein dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke Alexander Philipse in z’n nachtjurk!
Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich vergenoegen met de gegevens die z’n eigendom waren, met de weinige personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i beleefd had.
De helden van z’n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z’n nog altyd niet vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde eenige onderdanen aan z’n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van Juliet, en de priesters van de Zon kregen ’n schitterende revanche op Elias en I Kon. 18. Meester Pennewip ontving ’n splinternieuwe pruik, en wel van gouddraad, waartoe ’t model werd ontleend aan den strooien krans van zekeren King Lear, die ’r heel verdrietig uitzag, en z’n leed scheen te willen verzetten door met ’n soort van arlekyn gehurkt in ’n hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen was zeker ’n nar, want: “narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter van den winter hooren, zoodra er sneeuw lag.”
Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte hy gebruik van de personen die hy onder z’n venster zag voorbygaan. Met zoo’n sober materiaal moest-i zich behelpen. Toch deed-i dit liever dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van z’n onmiddellyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen, een van z’n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs Lady Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk haar handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z’n moeder of jufvrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op zoo’n prent te staan.
En de kleeding! Kronen, diademen, toques en beretten! Helmen met fladderende vlerken, met ’n bos pluimen, met yzeren tralies als ’t venster van ’n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met afhangende châtelaine-keten... alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf wat gittegom aan te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die pages met ’n vogel op den kruk! Zelfs zoo’n vogel was byzonder, en gaf raadsels op. Want hy had ’n kapjen over z’n gezicht, als iemand die niet bekend wil zyn. Neen, neen, al die schoone zaken behoorden by Wouters omgeving niet! “Hoe is ’t mogelyk, dacht-i, dat iemand die zulke prenten bezit, ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd.”
Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling was van misdaad, dan nog zoud-i ’t heiligschennis geacht hebben, haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke ordinairheid. De eerste, inbreuk op deze richting was door dien strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou ’t daarby gebleven zyn, wanneer hy niet op een-maal in Ophelia’s gestalte iets ontdekt had, dat hem herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen staan, meende hy, bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen strooiende...
Hy schrikte!
Wel had-i ’n flauwe herinnering dat er gedurende z’n ziekte iets met het meisje was voorgevallen, maar ’t rechte wist-i niet. Aztalpa’s moeielyke keus... staande en liggende regels van ’t vers dat-i niet had kunnen maken... de bons van z’n val, toen-i in z’n ziekte Femke’s stem gehoord had... de wilde bruiloft van ’t bleekgoed... pater Jansen met de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En hy nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by ’n onbestemd gevoel, en spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z’n gemoed. Toen-i met ’n paar gemaakt-onverschillige woorden naar “dat meisje” gevraagd had...
O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy ’t lieve kind niet by haar naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i ’t goed meende. Men zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke’s naam te liefelyk klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petró...
Neen, neen, neen! Zóó is ’t niet geweest. De besten onder ons hebben iets van Petrus, met z’n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende.
Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met ’n: dat spreekt vanzelf, ik heb ’t nooit anders ingezien.
Om Petrus te leeren begrypen, den moedigsten van Jezus’ volgelingen, behoeft men zich slechts voortestellen dat er, vóór ’t verraad, aan Judas gevraagd was: zyt gy ook niet uit zyne discipelen? Judas zou waarachtig niet neen gezegd hebben! Een betuiging kost den laaghartige niets, maar den oprechte is zy ’n daad. Petrus was niet gereed voor ’n offer, vooral omdat het gevorderd scheen zonder dat het op ’n offer geleek. Voorzeker zou hy z’n heer niet verloochend hebben, indien hem de vraag ware gedaan door gewapende en dreigende krygslieden. Hy had z’n karakter niet by-de-hand, omdat de ondervraging geschiedde door ’n dienstmaagd, en... eens verloochend hebbende, struikelde hy over de geringe moeielykheid van ’t terugkomen op z’n woord, hy die zich met moed en lust zou hebben teweer-gesteld tegen ’t schrikkelykst gevaar. Waar ’n held zich klein toont, is ’t by vergissing... het toonen niet, maar ’t klein-voelen zelf. We kunnen dien toestand vergelyken by de penurie van den ryke die, ongewoon aan geringe geldelyke bezwaren, verzuimd heeft zich by zekere gelegenheid te voorzien van pasmunt.
Wel jammer, dat die pasmunt zoo’n groote rol speelt in de wereld! En heel onbillyk, dat lieden die gewoon zyn aan kopergeld, zich zoo vermeien in den nood van den millionair wanneer hy tengevolge van hun armoed, z’n bankpapier niet gewisseld kan krygen!
Waarachtig, onze Wouter zou Femke niet verloochend hebben als men den dood gezet had op z’n... liefde! Nu, liefde was ’t eigenlyk niet. Misschien ook was het dit wel, of iets er van. Maar dan moeten we ’n gansch ander woord zoeken voor de duizend-en-een aandoeningen die daarvoor in de wereld en litteratuur gewoonlyk worden aan de markt gebracht.
Naar “dat meisjen” alzoo had-i gevraagd, ’t Was al veel dat-i z’n lippen niet kon dwingen tot de uitdrukking: “die meid” gelyk volgens anderen de ware lezing was in de huisannalen der Pietersens.
En men had hem afgescheept met ’n paar onverschillige woorden, die hem deden voelen dat er in die omgeving geen plaats was voor z’n roman, al stelde hyzelf die zoo byzonder hoog niet. Hy nam zich voor, Femke te bezoeken, zoodra hy ’t huis zou kunnen verlaten, en klaagde aan z’n moeder, dat het “bakkertje” hem zoo kneep... omdat-i niet graag door Femke, als ze soms mocht voorbygaan, wou gezien worden met ’n kinderachtige pluimmuts. Zoo’n ding paste niets by peruaansche brandstapels. En zelfs by “ivoren poorten” maakte het ’n ontwydend effekt.
Al was er veel uitgesleten van de indrukken die hem overweldigden, en neerwierpen op ’t ziekbed, toch was-i braaf genoeg om iets als zelfverwyt te voelen dat-i zich zoo lang had bezig gehouden òf met niets, òf met iets anders dan ’t meisje dat hem zoo’n hartelyken zoen gaf, toen-i dapper geweest was. Dat wegwerpen van vernielde bloemen door Ophelia, had wel iets van: zie Wouter, zóó hebje met my gedaan! Waren we niet afgesproken dat...
Wel neen, afgesproken was er niets. Toch kwam ’t Wouter voor, dat-i ’n woordbreker was en ’n gloed van schaamte overtoog z’n gelaat.
Die Ophelia... ja, ja, ze wàs het! Want zie, daar kwam Petrò met ’n bak hemden en sokken en allerlei ondergoed, dat zich in een der talryke stadiën bevond, die men ’t vuillinnen laat doorloopen, voor ’t geschikt is om weer op-nieuw vuil gemaakt te worden. Wasschen, spoelen, styven, rekken, mangelen, stryken... weet ik het! Het zoodje rook naar loog... zóó’n lucht was er ook by Femke’s bleekgoed, en alzoo riep Wouter’s neus hem toe: ja, ja, zy is ’t wel, zy, de dame met de uit elkaar gereten bloempjes... de heele kamer ruikt er na!
—Als je beter bent moet je-n-eens naar den dokter gaan, zei de moeder, en hem bedanken voor je beterschap... naast God. En me dunkt dat je ’m dan met-een wel ’ns kon laten zien wat je al zoo gekleurd hebt.
—Ja zeker, moeder, dàt zal ik doen! Ik zal haar den heelen prins van Denemarken geven... ik meen... hem, den dokter!
—Ga je gang, jongen. Maar zorg dan, dat je ’r geen vlekken op maakt. En denk er aan, dat die geest van den ouden ridder heel bleek moet zien. Stoffel heeft het gezegd... omdat het ’n geest is, weetje.
—Ja, moeder. Ik zal ’m heelemaal wit maken.
—Goed. En als je nu eens die dame daar in ’t geel zette?
De moeder wees met ’n breipen op Ophelia.
—Neen, o neen, riep Wouter snel. Ze was in ’t blauw!
—Ze was? Wie was?
—Ik meen maar, moeder, dat ik al zoo veel gelen heb. En daarom wou ik haar... deze... die—Ophelia heet ze, ’t staat er onder—nu eens blauw maken. De dame die ’r handen wascht, kan dan weer geel zyn?
—My wel, zei de moeder. Als je maar zorgt dat er geen vlekken op komen.
De ontwikkelde lezer weet dat Lady Macbeth tamelyk bevlekt was, lang voor ze in prent werd gezet. Maar Ophelia’s beeld is rein uit Wouters handen gekomen. Wat daarmee later geschiedde...
Helaas!
Ik zal nog veel moeten toenemen in menschkunde en schryftalent, voor ik dàt behoorlyk schetsen kan. Maar ik zal m’n best doen. Gelukkig dat we nog in lang zoo ver niet zyn. Er is ruim tyd tot oefening.
De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigenlyk voor prenten waren. Hy hing ’n tafereel op van zaken die, hoe bekend ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor nieuw werden aangezien. Een van Stoffels kollegaas was verwant aan de tooneelwereld, en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen van kostumes ’n groote rol spelen onder de behoeften van akteurs. By deze zelfde gelegenheid vernam men nu een-en-ander over de stukken waaraan Wouters prenten ontleend waren, en over tooneelspelen in ’t algemeen.
’t Was voor Wouter ’n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze kennis in ’t huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen als iets verdachts. De woorden “tooneel” en “schouwburg” hebben nog thans in de ooren van velen ’n zeer onzedelyken klank, en dat was ’n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig. Maar ’t genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met de bekrompenheid die by hem de funktien van ’t geweten vervulde.
—Zie je, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid maken tusschen ’n treurspel en... de vertooning van allerlei gekheid, waaruit ’n mensch niets leeren kan. Er zyn van die komedies, die... heel treurig zyn, en de menschen huilen er van... heele deftige menschen.
—Gut, zei jufvrouw Pieterse.
—Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by zingen en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk wezen, en dat noemen ze dan by voorbeeld... ’n opera. En heel veel fatsoenlyke menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat daarin niets onzedelyks is, en dat men niet zoo bekrompen moet zyn, en alles zoo terstond afkeuren. By de oude Grieken speelden ze ook komedie, en daarin studeeren nog tegenwoordig onze eerste professers.
—Is ’t mogelyk!
—Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit wezenlyke stukken, en ’t zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo op-eenmaal niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook goede komedies zyn.
—Dàt moet ie dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen! Zy, zegt altyd...
—Wat zy zegt! ’t Mensch heeft nooit ’n komedie gezien.
Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit stuk geen haar breed verder. Slechts Leentje misschien...
Een geheimzinnige zaak nu was ’t geweest, dat Leentjen eens ’n achtermiddag verlof had gevraagd wegens “schrikkelyke hoofdpyn”—by burgerluî is elke pyn terstond schrikkelyk—en... er was later gebleken dat ze den avend van dien dag niet by haar moeder thuis was gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik overslaan, omdat de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft: quos ego... en ite, deae pelagi! Gut, wat de tritons zich weerden... Trui, Mine, Petró! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles blaasde braafheid, en ’t Ryk der ondeugd sidderde.
—Als ’t schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar ze geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen sichetten over den vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht... god weet waar!
Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die vervloekte liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht?
Ze wist beter dan gy en ik, lezer—want ze had het van Leentje’s moeder, die er niet om jokken zou—dat de stumpert “heel bedaard zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de kleermakers-juffrouw van hier-naast.”
Den nacht? Den nacht?
Wàt toch, om ’s hemels wil had de onbehagelyke Leentje met haar nachten kunnen uitvoeren? ’t Viel het onnoozel meiske reeds moeielyk genoeg, niet groots te worden op de hoogdravende verdenking. Ach, wat had er veel anders moeten zyn, voor ze ’r aan denken kon iets te gebruiken van de massa deugd die by haar braak lag! En dat wist juffrouw Pieterse ook wel. Ze schoof dien problematischen nacht maar tusschen de dithyramben van haar verontwaardiging, om de delinkwente te dwingen tot bekentenis.
Maar Leentje was taai en verklapte niets. Ze had geheimhouding beloofd aan de kleermakers-juffrouw, die zich “zoo in-acht moest nemen voor de menschen, omdat haar man ’n nieuwlichter was.”
Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belangstelling nam toe, toen men in Leentje’s naaidoosjen ’n afgescheurd stuk vond van ’n “personen-” lystje. Ook had men Leentje betrapt op ’t neurien van ’n lied dat voor ’t eerst uit haar mond gehoord werd, en duidelyk heenwees op onbekende relatien. Het was de roerende aria: “’k bèn vol eer, ’k bèn vol eer, ziet ik ben d’r ’n man vol eer!”
En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, ’t plechtig oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden worden opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand.
Ach ja, ze had “de komedie” bezocht, en wel die van den befaamden Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de Elandstraat.
Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken eerbied ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel der Muzen wisten meetespreken.
’t Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets zeer verschrikkelyks geopenbaard te hebben en wilde juist beloven dat ze ’t nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering vernam “dat er volstrekt geen kwaad stak in zoo’n uitspanning, en dat de grootste professers wel eens daarheen gingen...
—Né, moeder, dàt heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze Grieksche professers...
—Nu, dat’s hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat ’n mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens fransiman wat je daar zoo al gezien hebt.
Leentjen aan ’t vertellen. Wouter legde z’n penseel neer. Petrò’s strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de eigenaardige uitdrukking van iemand die heel nieuwsgierig is, doch niet wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit Leentjes mond, zette hy ’n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou hebben kunnen vertellen, als-i ’t maar niet zoo druk gehad had met z’n pyp, en hy keek z’n moeder aan met blikken die haar sommeerden te erkennen dat-i dit alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels.
Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers-juffrouw waren onthaald geworden op “De Onechte Zoon” van Kotzebue. Hoogstens was er kans geweest dat ze “Menschenhaat en Berouw” of “De dood van Rolla” als eersteling plukte op den akker van haar tooneel-ondervinding. Maar die “Onechte Zoon” gaat voor. Er is meestal ’n hysterisch element in de uitspattingen van burgerlyke styfheid, en de kleermakers-juffrouw die aan nieuwlichtery getrouwd was, en sedert jaren op den sprong stond eens van de wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan de aanlokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was ’n faiseur die z’n zaak verstond. Geen van z’n stukken maakte dan ook zooveel opgang als dat fameuse “Kind der Liebe.” Of deze benaming aanduidt dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als voortbrengsels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen.
Ziehier iets van Leentje’s verhaal.
—Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en toen ’t scherm opging was er ’n groot bosch, en ’n vrouw zat te huilen onder ’n boom, en er was ’n baron die haar zoon gevangen nam omdat-i ’n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy heeft toen heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron zei dat-i heer en meester op z’n land was, en de gauwdieven straffen zou, en hy was woedend van kwaadheid, en toen zei de moeder... neen, er kwam ’n ander die zei... neen, zoo was ’t ook niet, maar toen viel de gordyn weer, en de kleermakers-juffrouw kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden in de zaal door arme jongetjes, en we hebben chocolaad gedronken, omdat de kleermakers-juffrouw zei dat ’t alle dagen geen kermis was. En er zat ’n heer achter ons, die alles uitlei, en die de kopjes van ons aannam toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier zoo mooi speelden, en dat er maar één komedie van Jan Gras was, en de kleermakers-juffrouw heeft ’m ’n pepermuntje geprezenteerd, maar hy zei dat we-n-’ns moesten kyken naar ’t scherm, omdat daarop allerlei geschilderd was, groote beelden in ’n wolk, en bloemen, en ’n man die op ’n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om-heen ... snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens wàt, juffrouw? Ze speelden: mooie meissies, mooie bloemen...
Vervolg: Onechte Zoon, gekompliceerd met ’n echt zilveren doosje, onechte eerlykheid, echte naïveteit van Leentje, onechte bravigheid der juffrouwen Pieterse.
—En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal vanzelf, maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd door menschen die men niet zien kon, misschien wel door den onechten zoon, want zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet in de gevangenis, en mocht heen-en-weer loopen net als ’n ander. En toen prezenteerde de kleermakers-juffrouw hem weer ’n pepermentje, maar hy zei: “kyk nu liever naar ’t stuk, juffrouw, want je bent hier nu eenmaal voor je geld.” We hadden twaalf stuivers betaald ... twaalf stuivers de man, weet u, buiten de wafels en de chocola. En toen zei de baron ... och, uwe begrypt, ik kan alles nu zoo precies niet vertellen. Ik wil maar zeggen dat die oude vrouw gedurig huilde, en niet tot bedaren komen kon, omdat ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw, begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook ’n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee inzaten ... omdat-i ’n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht kon. En papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom zoud-i nu sterven ... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut, het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we namen nog ’n wafel. En toen zei die heer achter ons, dat er altyd zooveel slecht volk in de zaal was ... zakkenrollers, weet u? En ’t was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met ’n gevangenis er in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want, zeid-i, eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-juffrouw hem weer ’n pepermentje prezenteeren, maar ... och, ze schrok zoo, want haar doosje was weg. En we zochten in onze zakken, en op den grond, en in onze stoven, en we zochten overal, want ze had het van haar peetemoei ... en dus, uwe kunt begrypen hoe ’t mensch ontdaan was. En we vroegen aan den heer achter ons, of hy ons ook zeggen kon wie ’t gedaan had? En hy vroeg of ’t doosje van zilver was? Ja, zei de kleermakers-juffrouw, ’t was van echt zilver, en ... dat ze ’t van ’r peetemoei had. En toen vroeg-i of ’t glad of geribd was? En de juffrouw zei dat het geribd was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan zeker gestolen was door ’n zakkenroller, maar hy kon niet zeggen door wien, omdat er zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... ’t was zeker door ’n zakkenroller gedaan.
—Hyzelf kan ’t wel gedaan hebben! riepen ’n paar toehoorsters.
Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift terug.
—Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat’s zonde! ’t Was ’n allerfatsoenlykste man, dat kan ik u zeggen! Den heelen avend is er geen onvertogen woord over z’n lippen gekomen en hy noemde my “juffrouw” zoo goed als de kleermakers-juffrouw zelf! En hy is zelf opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg waar de juffrouw woonde, en als-i ’t doosje vond, zeid-i, zoud-i ’t haar terugbrengen. Hy had ’n wit piqué vest aan, met paarse bloempjes... och, hoe kan uwe zoo iets zeggen!
—Nou, ga maar voort met je Onechte Zoon, eischte het Publiek.
—Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden, was er ’n heer, die met ’n stok wees hoe de wys was. Maar er werden veel wyzen gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en dus niet navertellen kan.
—Maar vertel dan toch van ’t stuk!
—Ja, ziet u, dat ’s zoo makkelyk niet! ’t Was heel mooi, maar er zyn zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om ze te begrypen, want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron merkte dat die jager in de gevangenis z’n eigen zoon was, omdat-i eens... in vroeger tyd... kennis had gehad... weet u...
Er heerschte ’n sterke spanning onder Leentjes auditorium. Al de hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en Leentje wist geen raad met ’r vertelling. Ze werd vuurrood.
—Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met haar in... konversatie geweest, zal ik nou maar zoo ’reis zeggen, en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide gekomen... en... daarom heet het stuk de Onechte Zoon...
Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar z’n verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes om de teugels lostelaten van háár fantazie. Ze keken voor zich. De nuchtere Stoffel kende ’n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier te-pas bracht.
—Juist! Hy had hare onschuld misbruikt—zoo wordt zulks genoemd—en daarna haar ten-prooi gelaten aan de schande. Ik kan u niet genoeg zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor moet in-acht nemen. Ik zeg ’t de jongens alle dagen op m’n school...
—Hoorje ’t, Wouter? Let daar ’ns goed op, en onthoud wat Stoffel zegt.
Toen Stoffel merkte dat z’n kommentaar in den smaak viel, ging hy voort:
—Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods wil, en wat God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de wellust... ’n zeer groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier of hier-namaals gestraft wordt...
—Hoorje ’t, Wouter?
—Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd màg wel, maar ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden van de menschelyke Maatschappy... uwe ziet wel, dat zoo’n komedie heel mooi wezen kan, als men ’t maar goed opvat, en alles behoorlyk weet uitteleggen. Dàt is het maar!
—En hoe liep het toen af met dien baron?
—Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gesproken, en was erg bedroefd omdat hy eens... die oude vrouw...
—Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje ’t ware woord niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks verleiden.
—Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i ’r nooit weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten zoon, dat men altyd op ’t pad van de deugd moet blyven, en dat-i met die oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee tevreden.
—Dat geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en met ’n snelheid die verklapte waar eigenlyk ’t zwaartepunt ligt van sommige zedelykhedens. Dàt geloof ik graag, riepen ze, toen werd ze ’n ryke barones!
—Ja, zei Leentje, ze werd ’n groote dame. En de onechte zoon viel den baron om den hals, en toen speelden ze ’t “Kamertje van ’n Waschmeisje” en de zoon was huzaar, en zong: “’k bèn vol eer, ’k ben vol eer, zie ik ben d’r ’n man vol eer! Maar waar de oude baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis gegaan, maar de kleermakers-juffrouw had geen pleizier meer, omdat ze haar doosje kwyt was. Of die heer ’t haar nog thuis gebracht heeft, zou ik de juffrouw niet kunnen zeggen.
Hier was de vertelling uit.
De meisjes dachten: barones!
Stoffel: de deugd!
De moeder: twaalf stuivers “de man” buiten wafels en chocolade!
Wouter: die jager! ik zou wel zoo’n jager willen zyn in een bosch... in ’n heel groot bosch... heelemaal alleen...
Hy nam z’n penseel op, en zag Ophelia aan:
...heelemaal alleen in ’n groot bosch, met... Femke!
Zoo had ieder z’n byzondere indrukken, die niet alleen onderling verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden van kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje’s verhaal gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwondering zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die ’n blik sloeg in de gemoederen van z’n publiek. Gelukkig ditmaal dat er aan Kotzebue’s fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwerking van z’n effektstuk op de gemoederen van Leentje’s auditorium ook zoo onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes berekenden dat het “verleiden” op zichzelf nu juist zoo heel erg niet wezen zou, als men maar zeker was dat zoo’n baron... tenlaatste... en niet àl te laat...
Er zou, meenden zy, ’n niet onaardige carrière te vervaardigen zyn uit ’n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen. ’t Mutsenmaken was er niets by.
Petrò vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende vrouw zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in haar deugd, toen Leentje heel onnoozel antwoordde:
—Zoo tegen de zestig, juffrouw...
Deze Odyssee der bedelende gewezen onschuld kwam Petrò wat lang voor. Maar ’t “mutsenmaken” stond haar weer erg tegen, toen Leentje voortging:
—Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later, toen de baron terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze erg op. Ze kan toen zoo-wat ’n goeie veertigster geweest zyn...
“Dat vervloekte mutsenmaken!” riep... geen van de diep nadenkende meisjes, maar ze dachten ’t.
In één opzicht was de heele familie ’t eens. Ieder wilde gaarne ook eens zoo’n “komedie” zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de kosten haar “begrootten.” En dit werd nog erger, toen Stoffel ’n booze tyding thuis bracht over den “troep van Jan Gras in de Elandstraat, waar geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon.” Dit was hem verzekerd door iemand die ’t wel weten kon, want hy was ’n bloedneef van den rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op ’t Leidsche Plein. Dàt was de ware komedie!
Laps versus Pennewip. Wouters embryologische studiën.
De groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter, noch de filosoof, noch de staatsman. Ze staat voor politie en justitie te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is onpoëtisch.
Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den stipten zin dien ik aan al die benamingen hecht. Doch als men met de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor ’n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf. En juist dááronder leed hy. En hoe hy in z’n gedachten dat ondichterlyke van z’n toestand noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin ’n benaming voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam ’t hem niet in den zin, zich aftescheiden van z’n omgeving, veel minder nog zich daartegenover te stellen.
Behalve door z’n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem kwelde, ’t smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z’n venster reden. Dat vice-versa en sauvegarde—zóó stond er op de postwagens in zyn tyd—kwamen hem voor als tooverspreuken die hy wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks schuilen moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te komen, van héél ver, misschien wel van Rotterdam! En zou ieder nu precies weten waar-i wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo’n koetsier, en de man die naast hem zat met ’n trompet... och, die menschen waren toch ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze ’t toch aangelegd om ’t zoo ver te brengen? En hoe of ze ’t wel maakten met de roovers? Of zouden die alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen!
Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op de nieuwe broek en de verdere nieuwigheden die z’n moeder voor hem liet vervaardigen uit de afgelegde kleedingstukken van z’n broer, om ’t voorgenomen bezoek by den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze was zeer verontwaardigd, dat men op ’t punt stond: “den medicynmeester meer eer te geven dan den Heere.” Wouter moest eerst z’n kerkgang doen, zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i ’t niet deed, zou de Heer z’n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen.
—Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche broek van Laurens zoo netjes “ingenomen” is...
—Dat zyn juist de wereldsche dingen die ’n mensch van ’t ware pad leiden, betuigde juffrouw Laps.
—Maar zou dan nu ’t kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen omdat-i nog niet in de kerk geweest is?
—Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk eens! En al dien tyd zonder eten... dat’s wat anders! Geloof me, juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door Laurens z’n broek. Maar ’t is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat vraagt de man er voor?
Gedurende ’t nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker, zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy aan juffrouw Laps, hoelang zy in de woestyn geweest was?
—Heb je van je leven... zoo’n kwajongen! Waar haalt-i de ondeugendigheid vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m’n godsdienst thuis doe, weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer leefde in ’t Heilige Land, en... ’t is lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt ’n mensch verlegen maken. Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van den jongen hebben zult. ’t Is je eigen schuld. Je had ’m al lang z’n wyzigheid moeten verleeren.
—Maar ’t kind heeft niets miszeid, jufvrouw!
—Zoo? Vindt uwe dat? Nu, ik vind dan op myn beurt...
We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van ’r verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat grof bedrog zich niet op z’n gemak voelt tegenover naïveteit. Juffrouw Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters eenvoud.
En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou de komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van ’n bondgenoot voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip!
Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op ’t onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit, door flinkweg al wat naar ’n schouwburg geleek, tot zaken van de hel te verklaren.
—Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste klasse. Myn jonge vriend hier—hy wees op Stoffel—heeft my uw vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En het is juist hierom dat ik...
—Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester expres daarom hier gekomen was. ’t Is maar, zieje dat Stoffel by-toeval...
—Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over de zaak te spreken.
Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z’n neusknyper voor-den-dag, en begon ’n verhandeling over allerlei soorten van vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene. De “zinnelykheid” kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou ’t onderzoek naar die afschuwelyke zonde dan in ’s hemelsnaam maar uitstellen tot-i groot was.
—Maar, meester uwe zal toch niet ontkennen dat zoo’n komedie ’n wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.
Dit woord “wereldsch” heeft ’n booze klank, en Pennewip moest al z’n onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z’n thema prys te geven aan zoo’n aanval.
—Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die...
—Dàt’s niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg ik maar! ’t Staat in de Schrift!
Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan.
Het ontzag voor ’n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van ’n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met ’n eigenaardige benaming, zal die naam langer leven dan ’t oorspronkelyk geloof aan de redeneering waaruit ze voortsproot. De afgezaagde tegenstelling van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: wereld, zinnelykheid, vleeschelyke begeerten, enz. heeft die uitdrukkingen tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat verschrikken, al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot nagenoeg zuivere redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die klanken zich ’t denken heeft afgewend. Dit is ook van toepassing op heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit oogenblik met open mond zat te luisteren.
Pennewip stamelde, en nam ’t eene snuifje voor, ’t andere na. De goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op ’t altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z’n vyand dacht er niet aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen, en haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door ’t slorpen van haar sterk gesuikerde thee.
Wat overigens dat “wereldsche” van den Schouwburg aanging, de man scheen er niet aan te denken dat ook z’n school toch wèl beschouwd ’n wereldsche zaak was. En z’n pruik! En z’n dyvest! En z’n neusknypertje. En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat ànders?
Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der geloovery hadden z’n kracht gebroken. Z’n tegenvoetster begreep dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z’n uiterste schuilhoeken:
—Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al zulke dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft ook op ’n komedie gespeeld—althans zoo zeggen de menschen—en ze is getrouwd, laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar na meester—uwe ziet dat ik de waarheid zeg!—zes maanden, zeg ik, en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen!
O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit alles, maar... prikkelend wàs het! Er was ’n kindje geboren omdat de moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten beantwoord, die hy zich sedert ’n jaar zoo gedurig voorlegde. Helder was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den “Onechte Zoon.” Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken tusschen de geboorte van ’n kind en komediespel, en omdat nu deze beide onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z’n moeder er toe gekomen was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook dat probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd naar ’t stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of ’n komedie met zang en muziek... ’n opera, zooals Stoffel dat genoemd had. Die muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet voor. Hy voelde inderdaad iets in zich dat naar ’n synfonie geleek. Maar ’t benauwde hem, omdat-i te ongeoefend was om ’t stuk te spelen.
Juffrouw Laps ging voort:
—Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrrristis-wil terecht komen van zoo’n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè?
Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z’n pruik, en mompelde iets van “christelyke liefde en Gods byzondere goedheid.” Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men mocht niet nederzitten met de goddeloozen. En dat had de juffrouw boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo’n komedie...
—Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of eergister, viel juffrouw Pieterse in.
Wat Pennewip aangaat, hy durfde haar begrippen omtrent gewone komedies niet aan, toen zy de zaak op ’n zoo verheven terrein bracht. Toch was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo’n cerberus van biologie?
Lapsen-triumf. Galgebrokken. Weldadighedens in extremis. De roem van Floris V gestaafd door de verhevenheid van’n komma. Letterkundige oefeningen onder de leiding van meester Pennewip.
—Maar hebje dan wel ooit ’n komedie gezien? vroeg Pennewip, schoon hy ’t antwoord wel raden kon.
Het mensch betuigde haar zondagsche verontwaardiging over ’t veronderstellen van zoo’n mogelykheid, en riep daarby duchtig haren Heer aan.
—Of gelezen?
—Né, meester! Wat ik lees, lees ik in de Schrift ... dat lees ik!
—Voorzeker behoort de H. Schrift tot de klasse der alleruitstekendste boeken ... jazelfs, men kan zeggen, Gods Woord is het alleruitstekendste boek. Dit zal niemand betwisten, juffrouw. Doch het is den mensch geoorloofd, of ... vergund ...
De meester haalde hier ’n boekjen uit den zak, dat-i voor de gelegenheid had meegebracht, en betoogde dat men niet juist terstond ieder als verdoemd behoefde te beschouwen, die ... nu-en-dan ... met mate ... onder opzien tot hooger ...
—Wel zeker, riep Stoffel, by my op school ook! De jongens lezen in ’n Chrestomathie van ’t Nut ...
—In wát voor ’n ding? snauwde juffrouw Laps.
—In ’n chres ... to ... ma... thie, juffrouw. C,h,r,e,s ... kres!
—Of, volgens sommigen: gggres, kommenteerde de meester. Krisius of... Gggristus ...
—Dat zyn allemaal heidensche nieuwigheden! Ik zeg maar: Kristisss ... want zóó heet de Heer, en niet anders! Jelui zult me toch m’n geloof niet willen afnemen?
—Maar juffrouw ...
—Ik wil er niets van weten! Dat komt van al die wereldsche geleerdhedens! Wat zegt Paulis ... of neen, wat zeiën ze tegen Paulis? Ze zeiën dat-i gek was van geleerdheid. En zóó is het! Want ik zeg: Kristisss is Kristisss, en daar ga ik niet af, al ging jelui op je hoofd staan met je beîen. En voor Wouter is ’t ook niet goed, juffrouw Pieterse, dat-i zulke praatjes aanhoort, ’t Kind is pas ziek geweest, en als de Heer hem niet gespaard had, zoud-i nu al voor ’t Gericht staan ... zoodat ik maar zeggen wil, dat ik vasthoud aan m’n geloof. Maar als-i uitgaat, moet-i ’ns by me komen, dan zal ik hem eens onder-handen nemen, want met z’n kathechizatie zit het er dun op. Dat heb ik al lang gemerkt. En nu, dankje voor je koppie thee, juffrouw Pieterse ... né, meester, geen woord meer ... ’t is zonde! Verlokken laat ik me niet ... ik blyf by den Heer ... nou, stuur ’m eens by me—Wouter meen ik—als-i uitgaat.
Onder dit gerammel was ’t schepsel opgestaan, en ze vertrok, met overwinnaarsblikken ’t slagveld overziende, waarop ze zooveel roem meende behaald te hebben.
En wat heeft uwe daar dan voor’n boekje? vroeg juffrouw Pieterse.
—Het is een voortbrengsel, of anders gezegd: een werk van een onzer eerste vaderlandsche dichters, sprak Pennewip met plechtigheid, jazelfs... ik zou durven zeggen van den eersten of... den voornaamsten, ook wel de Vorst der nederlandsche dichteren genoemd. Hy is ’n man, juffrouw, die in godzaligheid voor niemand behoeft uit den weg te gaan. In den vollen zin des woords zou ik hem durven rangschikken onder de Belyders. Dit boek, juffrouw, bevat eene komedie, en wel van de soort die wy gewoon zyn treurspelen te noemen... omdat er iemand in sterft.
—Zieje, moeder, precies wat ik uwe altyd gezegd heb, reklaamde onze Stoffel.
—Ja, juffrouw, daar wordt in gestorven. Ziehier op ’t laatste blaadje zekere Machteld... “dank, Hemel, ik bezwyk” zegt ze, en ze stort neder op ’t lyk van Floris... ah ja, die Floris zelf is ook dood. ’t Is inderdaad een treurspel.
Zie slechts hier. Hy overleed vier regels vroeger aan de gevolgen van een groot verraad... en... en...
Meester bladerde.
... op deze bladzyde, of pagina, sterft er ook een. “Graaf, vaarwel! Gedenk my met gebeden! (hy sterft.)” staat er. Uwe ziet dus wel dat het een treurspel is.
—Net wat ik zei, moeder!
—Ja, ’n treurspel! En wel van ’n dichter, juffrouw, ’n dichter... hoor eens:
Woerden (de hand aan den degen slaande). Zoo straff’ de Hemel my...! Velzen (hem weerhoudende en op Floris toeschietende). Laat my hem ’t hart doorstoten! De Edelknaap (tusschen beiden schietende met uitgetogen’ degen, en Velzen een’ stoot op het harnas toebrengende). Sta, Moorder, neem de proef...! Velzen (dezen den opgeheven’ dolk in de borst dryvende, die er in zitten blyft). Lig daar, vermeetle wulp!
—Wat zegt uwe dáár van? vroeg de meester.
Alles was ’n oogenblik stom van verbazing.
—Ja, zei eindelyk Stoffel, en alles zoo krek met staande en liggende regels. “Wulp” stáát weer, zieje Wouter?
’t Kind had den moed niet, te vragen wat ’n wulp was? Gelukkig.
In ’t voorbygaan hoop ik dat de lezer aandachtig genoeg is om me ’t kwalyk te nemen dat ik aan Stoffel ’t woord: krek in den mond leg, omdat het alleen by boeren, en dan nog slechts in sommige streken van ons landje gebruikelyk is. Welnu, dit is niet altyd zoo geweest. In den tyd van m’n verhaal was de uitdrukking: “Correct” wel reeds gedaald tot de sfeer der Pietersens, maar nog niet voorgoed naar ’t land verhuisd.
Pennewip keurde Stoffels opmerking volkomen goed, en zei dat men zóó de voortbrengselen der letterkunde moest genieten...
—Let daar dan goed op, Wouter, vermaande de moeder.
—En méér nog, juffrouw, ging de meester voort. Om de ware grootheid van zoo’n dichter goed te beseffen, moet men vooral bedreven zyn in... de taal. De kunde van zoo’n man is verbazend. Al wat ik aan myne voedsterlingen, leeraar, of... onderwys, of... inprent—want leerären is zooveel als onderwyzen, juffrouw. Ik zoude ook vryheid gehad hebben te zeggen, alle zaken waaromtrent ik mynen leerlingen onderricht mededeel—nu, juffrouw, dat alles is hem tot in de fynste byzonderheden bekend. De man kon gerust eene school opzetten... niet dat ik hem dit aanraad—de verdiensten zyn gering, juffrouw!—doch ik bedoel slechts dat dezelve de daartoe noodige bekwaamheid wel bezitten zoude. Zoolang ons Vaderland zulke personen in deszelfs boezem draagt...
Het heele gezelschap was één poging tot verbaasdheid. Stoffel knikte tevreden, alsof er nu eens eindelyk wat verkondigd werd, dat de moeite van ’t aanhooren waard was. Al de anderen, op Wouter na, steunden op elkaar. Zoo gaat het meer. We hebben hier ’n vry juist model van ’t profanum vulgus voor ons.
Toch verstoutten zich de gelaatstrekken van Pennewips publiekjen, iets vragends uittedrukken. Een beetje opheldering scheen niet ongewenscht. Het was alsof men stilzwygend beloofde dat de bewondering er niet onder lyden kon. Men scheen niet te vragen: waarom moeten we dat zoo mooi vinden? De bedoeling was: mooi-vinden zùllen we... help ons maar aan ’n reden!
Nu, die reden zou Pennewip leveren:
—Zie eens hier, juffrouw! Ik weet wel, of liever, ik kan gissen of... veronderstellen—volgens sommigen: vóóronderstellen, omdat het ’n onderstelling is die de zekerheid als ’t ware voorafgaat—ik kan dan als nagenoeg uitgemaakt aannemen, dat uwe zich in den regel, of... gewoonlyk, of... wat men zou kunnen noemen: dagelyks en... uitsluitend, niet bemoeit met deklinatien...
—Gut né, meester!
...ook wel genoemd: verbuigingen. Maar uwe zult toch wel begrypen, of inzien, dat alles om ’t zoo eens uittedrukken deszelfs eischen heeft, niet waar?
Juffrouw Pieterse betuigde met ’n hoofdknikje dat zy de gegrondheid van deze meening volkomen inzag of... begreep. Pennewip scheen dit zeer verstandig te vinden, en ging voort:
—Ziet uwe daar die komma wel, of... juister gezegd die... apostrofe?
—Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker, ik zie ’m heel goed. Kyk jy ook eens, Trui!
—En dáár staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de andere juffrouw ook eens zien.
’t Boek ging rond. Juffrouw Pieterse was bly dat de inspanning tot begrip, die weldra van haar zou geëischt worden, ’n beetje verdeeld werd over ’t heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid nog wat verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak.
—Laat het kind toch ook ’ns zien! Hy is er net in de jaren voor. Kyk nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd probeeren wat te leeren. Zieje ’m nu wel, die... die... hoe heet het ook, meester?
—Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene komma kunnen noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven plaats waarop de zeer kundige schryver dat teeken zette, ontvangt hetzelve de kracht...
Wouter tuurde in ’t boek, en was verdrietig over z’n domheid. ’t Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien.
... de kracht of de beteekenis of de strekking...
Wouter wreef z’n oogen uit, en kon maar niet aan ’t genieten raken. Hy was te eenvoudig-oprecht om verbazing te toonen die hy niet voelde.
—Het onleent aan z’n verheven plaats de strekking, ging meester voort, om de hoofdeigenschap diens uitgetogenen degens te verklaren. Die degen is vierde naamval, juffrouw! En dit is almede de eigenschap des opgehevenen dolks.
—Precies! riep Stoffel.
—Vierde naamval! De kundige dichter...
—Kyk dan toch in ’t boek, Wouter, en luister goed, riep de moeder. Zieje ’t nu?
—’t Is ’n afsnydingsteeken, riep Pennewip. En waarom? Wat doet de Edelknaap? Hy schiet tusschen-beiden.
—Zie je ’t nu eindelyk, Wouter?
’t Kind staarde op het boek, en werd bleek van verdriet, en begon te beven. Och, het was dan wáár, wat men altyd zeide, dat er van hem nooit iets zou te-recht komen! Hy voelde zich wanhopig.
—De Edelknaap schiet tusschen-beiden... waarmee? Waarmee, juffrouw?
Juist! Waarmee... waarmee... komaan, Wouter, zeg jy nu eens, waarmee die... hoe heet-i ook?
—De Edelknaap. De vraag is, gelyk ik u reeds zeide, waarmee schiet hy tusschen-beiden? Waarmee? waarmee?
Alles zweeg.
—Ik zoude myne vraag dan aldus kunnen inkleeden: waardoor wordt “uitgetogen degen” taalkundiglyk gesproken... geregeerd? Welnu? Door... mê... mê... mê...
—Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe ’t nog niet?
—Is ’t iets van... ’n schaap, meester?
—Geenszins, juffrouw. Het woordje met behoort tot de klasse der voorzetsels...
—Precies, betuigde Stoffel.
...en regeert alzoo—let wel op!—den vierden naamval. Die komma of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken, een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met het vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel?
—Ja, ja, meester, o ja! Zie je ’t nu eindelyk, Wouter?
Met tranen in de oogen bleef ’t kind verklaren dat-i niets van de zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip, had hem in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die uitgetogen of opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs, of iets van dien edelknaap althans. En nu de meester bovendien van afsnyden begon te spreken:
—Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy.
—Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk geweest. Senie in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan ’t er maar niet in krygen.
Dit kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan met onderwyzen. Z’n bewondering over die fameuze afsnydings-teekens was nog niet uitgeput.
—Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?
—Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.
—Juist! “Degen” is mannelyk, en “dolk” ook, dit begrypt u?
—Wel zeker, dat ’s heel duidelyk.
En al de meisjes riepen: zeker, zeker!
De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord, en z’n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z’n beurt gelukkig te maken met ’n blik van goedkeuring. Z’n tevredenheid scheen eindelyk domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder, oog, duim en wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen:
—Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens “uitgetogen degen” juffrouw, of—indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen—beproef eens het te verbuigen.
—Ja, ja, juist! Dat moet jeluî nu maar ’ns doen met je allen, riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar, meester? En ik moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de gort aanbranden... want we eten gort, meester, en we hebben ’n nieuwe meid. ’t Schepsel weet van toeten noch blazen... ’t is ’n gedoe!
Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van ’t slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van z’n auditorium aan ’t verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten, zonder ’t minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat ’m ’t fyne van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren ’t weer volkomen met hem eens. Maar Wouter had ’n gevoel als iemand die op distelen kauwt, en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken. ’t Ergste was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid.
—Ook in konjugatien is de man een eerste meester, in konjugatien of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?
De juffrouwen knikten.
—Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?
“Zeker, zeker, heel partikulier!” schenen alle blikken te antwoorden.
—Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? “Zoo straff’ de Hemel my!” Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken geplaatst, en gy ziet wel...
—Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om open te doen.
Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude.
—Uwe dan, juffrouw. Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy, of dat de Hemel...
—Precies, zei Stoffel. Zeg jy ’t nu eens, Petrò! Dat de Hemel... welnu, hoe is ’t verder?
—De Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze heeft me gister ’n zesthalf voor ’n schelling in de hand gestopt...
Weg was Petrò. Ze verzaakte den “hemel” voor vier aardsche duiten, want zooveel bedroeg ’t verschil tusschen de twee muntstukken die ze noemde.
En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig schoonheidsgevoel te bemantelen onder ’n overhaaste vlucht.
Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk wel wat hun taalkundery aangaat, maar z’n begrip bleef steken in ’t verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit voortvloeide, naar ’t zeggen van z’n meesters.
Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z’n domheid, en beloofde z’n best te doen om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als Stoffel of Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als ’t soms te veel gevergd was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam genoeg te maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige inspanning wel gaan, meende hy. En als God z’n wensch niet al te onbescheiden vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om ’t zoo ver te brengen... dat ik straffe ... dat gy straffet... dat hy... en dan ’t afsnydingsteeken, precies ’n komma, maar wat hooger. God kon nu zelf zien hoe hy z’n best deed... straffe... straff’... komma in de lucht... ’n bleekersjongetje...
Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer ’t een-of-ander teeken z’n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z’n taalkunde!
De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle toespeling op Femke in z’n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen dat-i liever koning was geworden—om Femke prinses te maken!—of kondukteur van zoo’n diligence—om haar ver, vèr weg te brengen naar ’n vreemd land!—of roover... om z’n dame te omhangen met ’n snoer van diamanten, en... op haar schoot te zitten in ’n grot.
Nu ja, dat zou ’t allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet kon, door z’n verregaande domheid...
Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z’n gebedjes. De Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van den kleinen huichelaar, om hem ’n beetje te foppen in de waarde van ’t gevraagde. Zoo’n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen zware post geweest zyn op ’t budget van ’t heelal, maar als de zaak dreigde uitteloopen op den schoot van Femke...
Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is, en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor ’n vyand, niet... krek is, omdat juist de zachtmoedigheid van ’t slachtoffer de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten...
’t Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in waarheid, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn, dan de ruwaardy van ’n bleekveld.
Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in z’n gebedjes. God zal ’t wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde is godenplicht.
Pennewip had de fameuze “komedie waarin driemaal gestorven wordt” in den huize Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden zich aan of ze ’t lazen, maar Wouter deed meer nog dan lezen. Met den ernstigen wil om te begrypen, bestudeerde hy ’t stuk. En dit gelukte hem tendeele, maar hy slaagde volstrekt niet in de voorgeschreven opgetogenheid. Hy bleef Glorioso mooier vinden. En ’t peruaansch geschiedenisjen ook. En zelfs dat arme Roodkapje.
Om rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk, moeten wy erkennen dat de manier waarop men hem by ’t kind had ingeleid, niet zeer geschikt was om de schoonheden te doen uitkomen, die sommigen gewoon zyn de dichterlyke te noemen. De meester had door z’n taalkundige opmerkingen ’t genieten vry moeielyk gemaakt, en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld die onze scholen spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de antieken meer geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren vergald geworden door skolastiek.
Toch beweer ik niet dat het boekske waarmee men voorgaf Wouters hongerige ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat vooropstellen van komma’s in de lucht en dergelyke merkwaardigheden. De auteur verdiende niet beter. Pennewip zou ’n lofwaardig werk hebben gedaan, indien hy met verontwaardigd sarkasme dezelfde zotternyen had voor den dag gebracht, die nu slechts uitvloeisels waren van z’n nuchtere schoolmeestery.
Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in ’n paar bezoeken die Wouter byna niet aflegt.
Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: “alles was zoo toepasselyk!”
—’t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.
—Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z’n nieuwe broek scheurt. Er moet zoo zuur voor gewerkt worden.
Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want “zuur gewerkt” werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde uit pure liefhebbery. ’t Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook ’t klagen daarover, of liever ’t roemen op die bereddering, lag in haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van ’t Heelal.
Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na z’n kerkgang, was ’n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12, en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist niet alles wat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...
—Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als ’t ware geloof er maar is, en ... de Genade! Waarom anders, m’n lieve mensch, zou de Heer die verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen door den H. Geest? Alles heeft z’n beteekenis, weetje!
—Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...
—Dat ’s ’t ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur ’m eens by me, na zondag. Of ... al wàs ’t zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och wat weet zoo’n kind daarvan!
Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren voor “geleerd” aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas kwamen. “Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder ’t begrypen kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam alles neer.” Op den broodnyd na, die haar deze meening in ’t gemoed lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die “Genade” zoo’n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen zich weinig bekommeren over “goede werken” en zelfs niet erg opzien tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.
—Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...
En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.
Wanneer wy aannemen—en dit mogen we—dat juffrouw Laps op ’n bezoek van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat m’n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En ... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch ’t spreekt vanzelf dat-i dit niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i ’t wist, want de tyd was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z’n aandoeningen te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!
Instinktmatig voelde hy angst voor ’t alleen-zyn met dat schepsel. Ze was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël ... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien hy den moed had gehad rond-uit te spreken, zoud-i haar verzocht hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z’n moeder over hem beschikte, en ’t bezoek toezei.
—En waarom ben je ’r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.
Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door ’t aankweeken van eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de sympathie met z’n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?
Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd ’n uitvloeisel wezen zou van ’t belang. Aanvankelyk is ze, even als sommige lichamelyke wanstaltigheden, slechts ’n gevolg van knelling. Een kind dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen, onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar ’t onbekende voort, naar ’t verre—dikwyls naar ’t onbereikbare—dat mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op gelyke wyze als het gezin en ’t ouderlyk toezicht. “Dat mag niet!” en: “dat is onbehoorlyk!” wordt er van alle kanten geroepen, zoodra iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. “Hoe dwaas!” is terstond het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan men gewend is. De meesten gaan ’n wyden stap verder, en noemen ’t “misdadig” wanneer de eenling zich aanmatigt z’n individualiteit te bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.
’t Gevolg is: leugen. Want de lust om zich te verzetten tegen overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!
Opmerkelyk is ’t dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden, doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of verlieten. Wie ’n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur inloopt, vindt z’n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat ’n ander den moed had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z’n tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:
—Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. ’t Is maar weer omdat je ’n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.
Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem te wachten stond ... och, ’t leek niets naar ’n katechizatie! Hy werd ontvangen met ’n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in de war bracht.
—Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres voor jou!
Ze drukte hem op ’n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde.
—En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?
—De tekst was...
—Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst ’n paar taartjes. ’n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, en ’n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je ’n lieve jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, m’n jongen, en doe gerust of je thuis was...
Nu, dit was eigenlyk ’t ware woord niet om Wouter op z’n gemak te zetten. Thuis!
Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z’n moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.
Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.
Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer “eens zou terugkomen” raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem ’n onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z’n tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z’n vertrek ’n kus had willen geven, en dat-i zich door ’n snelle wending daaraan onttrokken had. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte hem ’n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen worden gestoord.
En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden van z’n spoedige terugkomst.
Onwillekeurig richtte hy z’n schreden naar de aschpoort. Het was z’n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had z’n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet ’n duidelyk bewys dat-i by ’t verlaten van z’n woning niet aan Femke gedacht had?
En zelfs toen-i op den buitensingel z’n molens in ’t gezicht kreeg...
Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?
De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar “kuierde.” Gewandeld wordt er door de zondagsmenschen eigenlyk niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze “buiten” zyn, omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.
Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke’s huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, die ’t erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld van z’n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.
—O, als ik m’n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...
Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke’s moeder hem vroeg: “maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?
Wy, schryver en lezer, wy zouden misschien kunnen antwoorden. En ’t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van ’t kind dat daar weifelend stond te leunen op ’t lage hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z’n knieën knikten, ’t hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?
Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke’s huisje! Dàn immers moest-i wel binnen gaan! Dàn zou ’t hem vrystaan haar te redden haar in z’n armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan ’t einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo’n sleep Femke goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen ... neen, naast haar ryden met ’n valk op z’n vuist!
—Als er maar brand kwam!
Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och, ’t was zoo’n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van ’n bezigheid, die niet van Femke’s bezigheid scheen te verschillen. Hoe was ’t mogelyk!
Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke! Zoo-even nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! ’t Zou juist hebben gepast by z’n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: “zie daar geschiedt ’n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!” ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z’n hart.
Hèm kwam ’t eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd half-voldaan door ’t aanschouwen van iets dat misschien door haar gezien was, en toch, toch te schuw om ’t erf optegaan, den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen: “Femke, hier ben ik ... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!”
Want hy had ’n gevoel alsof hy zich over z’n lang wegblyven verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy zich als ’t ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.
Daar naderde ’n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men “ververschingen” bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in ’t voorbygaan Wouter van z’n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.
Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan kyken naar dat huisjen en dien rook? ’t Zou wel zonderling wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En ... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...
Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z’n prent meenemen. En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan voor dat hekje!
Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, zwaarden en harnassen, op z’n prenten. Zeker hadden zy moed, al die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als ’t niet beterde, zou men nooit hèm op ’n prent zetten, zoo’n laffen durfniet!
Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke’s moeder te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!
Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op ’n regel uit Bilderdyks “Floris” en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter.
Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?
En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat ’n “wulp” was, en ’n “echtkoets” en “kuisheid” en zoo voort. Al wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den weg helpen kon, het was hem reeds ’n heerlyk vooruitzicht al die mysteriën met haar te zullen bespreken.
Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en—waarom zouden we ’t ontkennen?—ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in ’n boek. Maar er waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: “groot.” Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van ’n kind ’n hooge waardigheid mee.
Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z’n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen van zyn kennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z’n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk ’n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.
Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen hebben, daar-i ’t waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in z’n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist toevallig voorby z’n huis gekomen, en dan was ’t zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?
O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo’n bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken die hem beletten eenvoudig te zyn, en ’t ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.
’t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke’s vrindje was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo’n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...
Dien pater Jansen had-i graag ’n hartelyken stomp gegeven. Wat moet men doen om pater te worden, Femke’s pater? Als er mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou haar graag ’n zoen geven, elken keer als ze haar “vragen” goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar ’n zoen geven als daaraan wat haperde of ook al wist ze ’t eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke zoo’n vriendelyke pater zyn!
Hoe legt men het toch aan, om ’t zoover te brengen in de wereld? En kon men er zeker van zyn, dat ’n pater altyd durfde binnengaan als-i ergens wezen wilde?
Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als ’t maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in ’t binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in z’n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke’s moeder? En ... Femke zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! “Toch niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven binnengaan!”
Nu kwam ’t hem voor, dat-i liever Femke’s moeder had gevonden. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke’s moeder niet.
Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika eigenlyk doen?
En ... àls men ’t gevraagd had ... welnu, hy kon makkelyk antwoorden. Zoo’n reiziger in ’n boek met prentjes is nooit verlegen.
Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op ’n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z’n ziekte: “omdat de vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had.” Hy zou ze koninklyk beloonen...
Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En die gouden diadeem!
Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, om al die heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten, zy kwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z’n vlammende verbeelding, haar ’t eerst, haar ’t meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder ’n koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje?
Och dat veroveren van werelddeelen was zoo’n gemakkelyke zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen en die vervloekte regula de tri! En hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning worden van ’n kleiner land. Ook z’n zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z’n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar ’n ander kind, iets nader aan ’t grootzyn dan hy, hem den pas zou afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z’n vlucht neer. Hoe moest hy ’t aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z’n moeder, wanneer hy op z’n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?
Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z’n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.
Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op ’n salomonischen troon waarvan ’t model aan z’n prentenbybel ontleend was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde ’t heel wel weten “voor ’t aangezicht van ’t geheele volk” dat ze vroeger maar ’n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder, wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En ’t volk hoefde nu voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...
Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z’n moeder en van Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten ’t wel eens zien, vond-i, hoe al die menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was bejegend toen ze in z’n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel ’t éénmaal gezien hadden, was ’t genoeg. Dan zoud-i alles vergeven, en voor z’n moeder ’n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i ’n ruime school te laten oprichten voor Pennewip, met groote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van ’t vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z’n ouden meester vergunnen daarin den ganschen dag onderwys te geven, van ’s morgens vroeg tot ’s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de jongetjes vervelen..
Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van ’t vraagstuk hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk had-i z’n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry onverwachts zag overgeplaatst in ’n geheel anderen kring dan waarin hy sedert ’n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning noodig om te begrypen wat z’n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe z’n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest over ’t verslag van de preek?
Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z’n moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z’n bezoek uit ’n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te doen in ’t oog vallen, die z’n relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boeken Mosis aftehandelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met twee taartjes en ’n kop chocola. Voorbereid op ’t na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van ’t oogenblik af dat-i de aschpoort en z’n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat ’t mensch zonder genade zou gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.
’t Was ’n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z’n hakkelen, want wie goed luisterde naar z’n mededeelingen, kon in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.
Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog ’n reden die Wouter belette ’n duidelyk verslag te geven van z’n bezoek. Hy was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam ’t hem voor dat er iets laakbaars lag in ’n aandoening die hy zeker nog minder by z’n moeder en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. “De jongen lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aantevangen met zoo’n kind?”
Z’n stamelen bracht evenwel ’n heel andere werking voort dan-i verwachten kon. Er scheen ’n reaktie te hebben plaats gehad sedert men hem de deur uitzond. Misschien hadden z’n beide inkwiziteurs zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z’n gewoon:
—Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om ’t háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan ’n ander...
—Zóó is het, riep de moeder. ’t Mensch is gek en verwaand, dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo’n kind vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo’n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze ’t!
Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door z’n byval.
—Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat zyzelf ’n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op ’n kind dat pas ziek geweest is! ’t Is ’n ware schande! Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...
Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z’n bezoek gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met ’n vermaning om z’n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich in ’n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: “waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo sleetsch was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!”
—En dan zoo’n kind ’n heel uur lang op ’n droogje te laten zitten! En ze had nogal gezegd...
Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy viel z’n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z’n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...
Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen naam geven kon. Waarom toch?
Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...
—Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, dat’s hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op ’n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel van zoo nu-en-dan eens, als m’n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift, of van ’t Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In ’t praten zit ’t ’m niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat ’n mensch z’n werk moet doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit, dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef ’m z’n ouwe!”
Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z’n zondags zou gekleed gaan.
Onze held legt weer ’n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus in Europa. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen.
Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z’n hartje beefde, want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: “maar boven te komen.” Dit “maar” is ’n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in ’t gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan ’t verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.
Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch naar de “studeerkamer” waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z’n kinderen.
Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in ’n hoek aan ’n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide anderen, ’n knaapje van Wouters leeftyd, en ’n meisje dat een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was, en waarop ’n groote aardglobe stond, die blykbaar ’t onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo’n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er nog ’n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z’n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z’n binnentreden opving.
Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z’n figuurtje vertoonde, werd alles als door ’n tooverslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om ’t komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in ’n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem ’n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte hy op ’n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!
De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys ’n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het onuitgesproken: “wie ben jy?” heeft by zulke gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.
By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat het aan weinigen onbekend is. Om ’t optemerken by de mensch-exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk “wilden” genaamd worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken waarmee “dames” die elkander op ’n wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van ’t kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de rudera uit ’n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen: “vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. ’n zyden japon aan ’t lyf en ’n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!”