Note 1 — INLEIDING. (continued 2)
Reading edition
Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen ’t eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval—d. i. deze of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die we toeval noemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis—wanneer niet zoo’n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden in ’n kring waar ze niet worden begrepen... en dus mishandeld.1