← Table of contents
Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

TUSSCHEN BOLOGNA EN FERRARA.

Reading edition

Het scheen zijn plicht te wezen, de gedenkteekenen aan het volk uit te leggen—ten minste deed hij het; en toen ik hem, evenals Gulliver in Brobdignag deed, vergeleek „met de inrichtingen van mijn eigen geliefd land, kon ik mij niet weerhouden, tranen van trotschheid en blijdschap te storten.” Hij had geen vasten stap; evenmin als eene schildpad. Hij slenterde als het volk slenterde, opdat het zijne nieuwsgierigheid zou voldoen; en stond hen zelfs toe, nu en dan, de opschriften der graven te lezen. Hij was haveloos noch brutaal, onbeschoft noch onwetend. Hij sprak zijne eigene taal volkomen naar behooren, en scheen zich, op zijne wijze, als een soort van onderwijzer voor het volk te aanschouwen, en een gepasten eerbied zoowel voor zich zelven als voor het volk te koesteren. Men zou evenmin een dergelijk man als bode in de Westminster-Abdy willen hebben, als het volk binnenlaten (gelijk zij in Bologna doen) om de gedenkteekenen kosteloos te beschouwen.

Weder eene oude, sombere stad, onder den schitterenden hemel, met zware gewelfde gangen over de voetpaden in oude straten, en lichtere en vroolijke bogen in de nieuwere gedeelten der stad. Weder zijn er sombere, gewijde gebouwen, met nogal vogels, die in en uit de reten der steenen vliegen; en nogal grijnzende monsters aan de voetstukken der pilaren. Weder rijke kerken, eene dommelige menigte, ten hemel stijgende wierook, klinkende schellen, priesters in schitterende kleeding, schilderijen, waskaarsen, geborduurde altaarkleeden, kruisen, beelden en kunstbloemen.

Er waait u eene ernstige en geleerde lucht in de stad tegen, en er ligt eene aangename duisternis over gespreid, zoodat zij zelfs boven vele steden een duidelijken en onderscheiden indruk op den geest zou achterlaten, indien zij zich niet nog meer in het geheugen van den reiziger vestigde, door de beide steenen hellende torens (op zich zelven, ’t moet erkend worden afzichtelijk genoeg), kruiswijs overhellende alsof zij stijf tegen elkander bogen—waardoor het perspectief, van eenige der nauwe straten, op zonderlinge wijze wordt gesloten. Ook de colleges, kerken en paleizen, en vooral de academie der schoone kunsten, waar een menigte belangwekkende schilderijen zijn, voornamelijk van Guido, Domenichino en Ludovico Caracci, doen haar bijzonder heugen. Zelfs indien men er niet deze, en ook niets anders vond, dat haar in het geheugen kon terugroepen, dan zou de groote Meridiaan (middaglijn) op het plaveisel der kerk van San Petronio, waar de zonnestralen den tijd, te midden van het knielende volk, aantoonen, haar een fantastisch en behaaglijk belang doen inboezemen.

Toen ik het logement verliet, voegde hij bij zijne laatste buiging op het plein eene laatste verzekering, dat Mylor Bryon het liefst den weg had bereden, langs welken ik vertrok, en vóór de hoeven der paarden zich op de steenen deden hooren, snelde hij vlug de trappen op, waarschijnlijk om een anderen Engelschman, in eene andere afgelegene kamer, te verhalen, dat de gast zoo even vertrokken, het levend evenbeeld van Lord Byron was.

Ik was Bologna op den laten avond binnengetrokken—bijna te middernacht—en langs den geheelen weg er naar toe, zoodra wij op Pauselijk grondgebied waren—dat nergens bijzonder wel bestuurd wordt, daar de sleutels van Sint Petrus thans wel wat geroest zijn—was de voerman zóó gejaagd, door het gevaar van door roovers aangevallen te worden als men in het donker reisde, en had die vrees zóózeer aan den braven koerier medegedeeld, en beiden hadden zóó gedurig stilgehouden, en waren uit- en afgeklommen, om naar een valies te zien, hetwelk achterop gebonden was, dat ik hem, die het had weggenomen, bijna bedankt zou hebben. Van toen af werd het bepaald, dat, wanneer wij Bologna verlieten, wij op zulk een uur zouden vertrekken, dat wij te Ferrara niet later dan omstreeks acht of negen uur zouden aankomen; en het was eene aangename achtermiddag- en avondreis, niettegenstaande zij door laag liggende landen ging, die trapsgewijs moerassiger werden door het overstroomen der beekjes en rivieren, sedert de onlangs plaats gehad hebbende hevige regenbuien.

Toen ik tegen zonsondergang alleen voortwandelde, terwijl de paarden rustten, bereikte ik eene kleine plaats, welke, door eene dier zonderlinge werkingen van den geest, welke wij allen ondervinden, mij volmaakt bekend toescheen, en die ik thans nog duidelijk voor mij zie. Er stak niet veel bijzonders in; in het donkerroode licht werd een somber meertje door den avondwind in beweging gebracht; aan den kant eenige boomen. Op den voorgrond was eene groep zwijgende boerenmeisjes, liggende over de leuning van eene kleine brug en ziende, nu eens naar den hemel, dan weder naar het water; in de verte eene doffe klok; de schaduw van den naderenden nacht rustte op alles. Ware ik daar in eenig vroeger leven vermoord geworden, dan had ik mij de plaats niet beter of met eene dieper gevoelde huivering kunnen herinneren; en de wezenlijke heugenis daarvan, in dat oogenblik verkregen, is zóó versterkt door de hersenschimmige, dat ik bijna betwijfel of ik het zou kunnen vergeten.

Oud Ferrara is eenzamer, meer ontvolkt en verwoest, dan eenige deftige zusterstad. Het gras groeit zoo hoog in de stille straten, dat iedereen er, in den letterlijken zin van het woord, zoolang de zon schijnt, hooi zou kunnen maaien. Maar de zon schijnt met verminderde vroolijkheid in het barsche Ferrara; en er gaat zoo weinig volk langs de markten, dat het vleesch van hare bewoners inderdaad gras zou kunnen zijn en op de pleinen groeien.

EEN ITALIAANSCHE DROOM.
EEN ITALIAANSCHE DROOM.

EEN ITALIAANSCHE DROOM.

Het verwondert mij, dat de voornaamste smid in eene Italiaansche stad altoos naast een logement woont, of er tegenover, en bij den bezoeker een gevoel verwekt, alsof de slaande hamers zijn eigen hart waren, dat met eene doodelijke drift klopte! Ik verwonder mij er over, waarom de slaapkamer van alle zijden omgeven is door gangen, uit argwaan vervaardigd, die haar met onnoodige deuren vullen, en niet gesloten of geopend kunnen worden, en eene akelige duisternis veroorzaken.

Ik verwonder mij, waarom het niet voldoende is, dat deze wantrouwende geniën den geheelen nacht iemands droomen staan aan te gapen, maar dat er nog ronde gaten moeten zijn, hoog in den muur, die er u van verwittigen wanneer er eene muis of rat achter het beschot wordt gehoord, of iemand den muur met zijne teenen schraapt, terwijl hij poogt een dezer gaatjes te bereiken en er door te zien.

Ik verwonder mij, waarom de takkenbossen zoodanig zijn gemaakt, dat zij geen ander uitwerksel kennen dan eene overmatige hitte, wanneer ze in vlam geraken, en op alle andere tijden doen rillen van kou en stikken van de rook. Vooral verwonder ik mij, waarom het ’t eigendommelijk kenmerk van burgerlijke bouwkunde in de Italiaansche logementen is, dat al het vuur in den schoorsteen trekt, behalve de rook.

Het antwoord doet niets af. Smeden, deuren, kijkgaten, rook- en takkenbossen zijn mij welkom. Toon mij het glimlachend gelaat van den bediende, hetzij man of vrouw; de hoffelijke manieren, het beminnelijke verlangen om te behagen, het luchthartig, aangenaam, eenvoudig voorkomen—als zoovele juweelen in het slijk—en morgen ben ik er weer.

Het huis van Ariosto, de gevangenis van Tasso, eene zeldzame, oude, gothische hoofdkerk en, natuurlijk, nog meer kerken, zijn het bezienswaardigste van Ferrara. Maar de lange stille straten, en de vervallen paleizen, waar het klimop waait in plaats der banieren, en waar weelderig onkruid traag over de trappen kruipt, die sinds lang door geen menschelijken voet betreden waren, zijn het schoonst.

Het gezicht van deze treurige stad, een half uur voor het opgaan der zon, op zekeren schoonen morgen, toen ik haar verliet, was even schilderachtig als het fantastisch en spookachtig scheen. Het kwam er niet op aan, dat de menschen nog niet waren opgestaan; want al waren zij allen op, en bezig geweest, dan zou het in deze woestenij nog weinig onderscheid hebben gemaakt. Het was ’t best het te aanschouwen, zonder een enkel beeld in het tafereel: eene stad der dooden zonder een enkelen overgeblevene.

De pest zou de straten, pleinen en markten gevaagd kunnen hebben, en de plundering en inneming der stad de oude huizen doen instorten, hunne deuren en vensters nedergeworpen en hunne zoldering vaneen gereten hebben.—In een gedeelte verhief zich een oude toren hemelwaarts; het eenige in dit droefgeestig uitzicht, waarop het oog rustte.

In een ander gedeelte stond in de verte een wonderbaarlijk kasteel, omgeven door eene gracht, eene onvriendelijk uitziende stad op zich zelve. In de donkere kerkers van dit kasteel werden Parisina en haar minnaar, in het holste van den nacht, onthoofd. Toen ik er opnieuw naar zag, kleurde het morgenlicht, dat aanbrak, zijne buitenmuren rood, evenals zij, in vroegere dagen, meer dan eens van binnen waren bepurperd; maar bij het minste geritsel zou het kasteel en de stad door alle menschelijke schepsels geschuwd worden, sedert het oogenblik dat de bijl op de laatste der beide minnenden nederviel en er nooit een anderen klank weer is teruggekaatst,

Dan van de bijl, die forsch en met een doffen schok,

En spier en wervel klieft en neerploft op het blok.

Aan de Po gekomen, die zeer gezwollen was en trotsch voortrolde, trokken wij eene schipbrug over, bereikten zoo het Oostenrijksch grondgebied, en vervolgden onze reis door eene landstreek, die eenige mijlen in het rond grootendeels onder water stond. De brave koerier en de soldaten hadden in het eerst, gedurende een half uur of meer, gekeven over ons eeuwig paspoort.

Maar dit was eene dagelijksche uitspanning voor den braven koerier, die altijd stokdoof was, als armoedig gekleede ambtenaren in uniform naar ons toekwamen, zooals zij voortdurend deden, en houten doosjes uitstaken opdat we er naar zouden zien—of, met andere woorden, om te bedelen—en die, onwillig tot het voldoen aan mijne verzoeken, dat men den man eene kleinigheid zou geven, opdat wij onze reis in vrede konden vervolgen, gewoon was de beambten in gebroken Engelsch te vermanen; terwijl het gezicht van den ongelukkigen man, die volstrekt niet begreep, wat er te zijnen nadeele gezegd werd, een afbeeldsel was van de diepste zielesmart, waarvan het portierraam de lijst vormde.

In den loop van de dagreis hadden wij tot postiljon een zoo wilden en woesten, knappen landlooper, als ge verlangen zoudt te zien. Hij was eene lange, forsch-gebouwde, donkerkleurige kerel, met een overvloed van zwart haar, dat over zijn gezicht hing, en groote zwarte bakkebaarden, die tot onder zijne keel doorliepen. Zijne kleeding bestond uit een gescheurd pak van jagers-groen laken, hier en daar met rood versierd; een spits toeloopenden, kalen hoed, met eene bemorste en gebroken veer tusschen het lint gestoken; en een vuurrooden halsdoek die over zijne schouders hing. Hij zat niet op den zadel, maar rustte geheel op zijn gemak op een soort van laag voetbankje, aan de postsjees, beneden tusschen de paardenstaarten—bijzonder geschikt om ieder oogenblik zijne hersens uit het hoofd te laten schoppen. Tot dezen roover zeide de brave koerier, bij toeval, toen wij op een redelijk drafje gingen, of er geene mogelijkheid was om sneller te rijden.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings