ROME. (continued 2)
Reading edition
Er was witte en roode wijn, en het maal zag er vrij wel uit. De gerechten werden in porties opgedragen, voor iederen Apostel eene; en deze werden door de kardinalen op hunne knieën aan den paus aangeboden, die ze dan aan de dertien overreikte. De kwaadaardige wijze, waarop Judas naar zijne spijzen keek en pruilde terwijl hij zijn hoofd naar eene zijde hield, alsof hij geen eetlust had, tart iedere beschrijving. Petrus was een goed, oud man, en ging, zooals men gewoonlijk zegt, zitten om van alles te eten wat men hem gaf (hij kreeg het beste, daar hij de eerste in de rij zat) en geen woord met iemand te spreken. De gerechten schenen voornamelijk uit visch en groenten te bestaan. De paus schonk de dertien ook wijn; en gedurende den geheelen maaltijd las iemand iets overluid voor, uit een groot boek—ik gis de Bijbel,—dat niemand kon hooren en waaraan niemand eenige aandacht verleende. De kardinalen, en anderen uit het gevolg, glimlachten van tijd tot tijd tegen elkander, als ware de zaak een groote grap; en wanneer zij zóó dachten, bestaat er weinig twijfel of zij hebben den spijker op den kop geslagen. Wat Zijne Heiligheid had te verrichten, deed hij, zooals een gevoelvol man eene lastige plechtigheid vervult, en scheen zeer blijde toen alles gedaan was.
Het Pelgrims avondmaal, waar heeren en dames, als een bewijs van nederigheid, de pelgrims bedienden en hunne voeten afdroogden, nadat ze eerst door anderen waren gewasschen, was zeer aanlokkelijk. Maar onder de vele tooneelen eener gevaarlijke vervulling van uiterlijke godsdienstoefeningen, die op zich zelve slechts ledige vormen zijn, trof mij geene half zoo sterk als de Scala Santa of Heilige trap, die ik verscheidene malen zag, maar tot haar grootst voor-, of nadeel, op Goeden Vrijdag.
Deze heilige trap bestaat uit acht en twintig treden, van welke men zegt, dat zij behoord zou hebben tot het huis van Pontius Pilatus, en dezelfde te zijn waarop onze Zaligmaker trad, toen hij uit de gerechtszaal kwam. Pelgrims bestegen die echter op hunne knieën. Zij is steil en op haar top bevindt zich eene kapel, naar men zegt vol relieken, waarin de pelgrims door ijzeren tralies gluren, en dan weder naar beneden komen langs eene der beide zijtrappen die niet heilig zijn en waarop men loopen mag.
Op Goeden Vrijdag waren er, matig berekend, honderd menschen, die tegelijk deze trappen op hunne knieën opschoffelden; terwijl anderen, die naar beneden waren gekomen—en eenige weinigen die beide hadden gedaan en nu weder voor den tweeden keer naar boven gingen—beneden aan den ingang vertoefden, waar een oud heer in een soort van wachthuisje aanhoudend een blikken bos, met eene spleet aan de bovenzijde, schudde, om hun te binnen te brengen, dat hij het geld ontving. De meerderheid bestond uit landvolk mannen en vrouwen. Er waren echter ook vier of vijf priesters-Jezuïeten en om en bij een half dozijn welgekleede vrouwen. Eene geheele jongensschool, ten minste twintig, was omtrent ter halverwege naar boven (zij hadden er blijkbaar veel pret in); zij waren allen zeer dicht naast elkander gestopt; maar de overigen van het gezelschap maakten voor de jongens, zooveel mogelijk, ruim baan, daar zij eenige achteloosheid aan den dag legden in de behandeling hunner laarzen.
In mijn geheele leven heb ik niets gezien, dat zoo belachelijk en zoo onbehaaglijk tevens was als dit gezicht—bespottelijk door de ongerijmde tusschentooneelen, die er onafscheidelijk mee verbonden zijn, en onbehaaglijk door het onzinnige en de beteekenislooze ontwaardiging. Om te beginnen, zijn er twee treden, en dan een eenigszins breed vlak. De meer strenge klimmers legden deze vlakte, evenals de trappen, op hun knieën af, en geene beschrijving is in staat de gezichten af te schilderen, die zij trokken onder het voortschoffelen over de vlakke ruimte. En dan had men moeten zien, hoe zij aan den ingang hunne beurt afwachtten en invielen, waar een plaatsje naast den muur open was! Of hoe één man met eene paraplu (opzettelijk meegenomen, daar het fraai weder was) zich op onwettelijke wijze van trede tot trede opheesch! En eene stemmige dame van omstreeks vijf en vijftig jaren, elk oogenblik omziende, om zich te vergewissen of hare beenen zich wel in behoorlijke ligging bevonden!
Ook was er een bijster gek verschil in den spoed der verschillende menschen. Sommigen gingen voort als hadden zij eene weddenschap aangegaan om het in den kortst mogelijken tijd te doen, anderen hielden op, om op elke trede een gebed te verrichten. Die man raakte elke trede met zijn voorhoofd aan en kuste ze; deze krabde zijn hoofd den geheelen weg over. De jongens gingen kostelijk vooruit, en waren er op en af, alvorens de oude dame een half dozijn treden achter den rug had. Maar de meeste boetelingen kwamen er vlug en frisch af, als hebbende een wezenlijk goede daad verricht, die tegen eene goede portie zonde zou kunnen opwegen, en de oude heer in het wachthuisje was, dit verzeker ik u, met zijne bos er bij, nu zij in zulk eene luim waren.
Alsof zoo iets van nature niet onvermijdelijk kluchtig genoeg ware, lag er boven aan de treden een houten beeld op een kruis, rustende op een grooten ijzeren schotel, die zoo zwak op de beenen was en onvast stond, dat, als eenig met geestdrift bezield persoon het beeld met meer dan gewone geestdrift kuste, of een muntstuk met meer dan gewone vlugheid in den schotel wierp (want in dit opzicht diende zij tot tweede of hulpbos), dan deed het al ratelend een grooten sprong en stootte de daarbij geplaatste lamp bijna uit, hetwelk het volk lageraf een grooten schrik op het lijf joeg, en hem, die er oorzaak van was geweest, in onuitsprekelijke verlegenheid bracht.
Op Paaschzondag zoowel als op den voorafgaanden Donderdag geeft de paus het volk den zegen van het balkon aan den voorgevel der St.-Pieterskerk. De Paaschzondag was een zoo schitterende dag met zulk een blauwen, wolkeloozen, balsemachtigen, wonderlijk helderen hemel, dat al het voorafgegane slechte weder in een oogenblik uit het geheugen werd gewischt. Ik had den Donderdags-zegen vochtig zien neervallen op eenige honderden regenschermen; maar was er in de menigte van Rome’s fonteinen —hoe groot ze ook mogen zijn—toen niet een enkele glinstering, op dien Zondagochtend stroomden er diamanten uit. De mijlen lange weg van ellendige straten, door welke wij reden (gedwongen als wij waren tot een bepaalden weg door de pauselijke dragonders, die bij zulke gelegenheden de politie te Rome waarnemen), waren zoo vol kleuren, dat niets er in een flauw aanzien kon hebben. Het gemeene volk kwam in zijne sierlijkste kleeren voor den dag, de rijken in hunne kostbaarste rijtuigen; kardinalen reden in hunne staatsie-rijtuigen ratelend naar de kerk der Arme Visschers. Kale pracht maakte in de zon eene weidsche vertooning met hare afgesleten livreien en dof geworden driekanten hoeden; en elke koets te Rome was geprest voor de piazza van de St.-Pieterskerk.
Er waren, minst genomen, honderdvijftig duizend personen. En toch was er ruimte genoeg. Het is mij niet bekend hoeveel rijtuigen er waren; maar er was voor deze ook ruimte en nog plaats over. De groote trappen der kerk waren propvol. Op dat gedeelte van het plein waren veel contadina (landlieden) van Albano (die veel behagen scheppen in het rood), en de mengeling van schitterende kleuren in de menigte was schoon. Onder aan de trappen waren de troepen geschaard. In de prachtige evenredigheden van het plein zagen zij er uit als een bed vol bloemen. Norsch uitziende Romeinen, levendige boeren uit de nabij gelegen landstreek, groepen bedevaartgangers uit verwijderde streken van Italië, vreemdelingen van alle natiën, die ongewone tafereelen najagen, brachten in de heldere lucht een gegons voort, als even zoovele insecten; en hoog boven hen allen uit, klaterend en bobbelend en in het licht de kleuren van den regenboog vertoonende, spoot het water der twee verrukkelijke fonteinen op, en viel weer overvloedig neder.
Een soort van schitterend vloerkleed was over de voorzijde van het balkon gehangen, en de zijden van het groote venster waren behangen met karmozijnkleurige draperieën. Ook was er aan het boveneinde een zeil gespannen, om den grijsaard te beschermen tegen de brandende zonnestralen. Toen het tegen den middag liep waren aller oogen naar het venster gekeerd. Ten behoorlijken tijde zag men den zetel naar voren komen, en vlak er achter den reusachtigen waaier van pauwenveeren. De man, die er op zat (het balkon was zeer hoog), stond toen overeind en strekte zijne magere armen uit, terwijl al de mannelijke aanschouwers op het plein zich ontdekten, en eenigen, geenszins het meerendeel, neerknielden. De kanonnen op de wallen van het kasteel St. Angelo verkondigden in het volgende oogenblik, dat de zegen was gegeven; de trom werd geroerd; men stak de trompet; wapens kletterden; en de groote menigte die beneden stond, welke zich plotseling in kleine hoopjes verdeelde en zich hier en daar in gedeelten verstrooide, werd bewogen als gedeeltelijk gekleurd zand.
Welk een schoone middag was het, toen wij wegreden. De Tiber was niet meer geel, maar blauw. Er lag een gloed op de oude bruggen die ze weer frisch en krachtvol maakte. Het Pantheon, met den statigen voorgevel, vol rimpels en plooien als het gelaat eens grijsaards, vertoonde zomerlicht op zijne verwoeste muren. Elke vuile en vervallen hut in de Eeuwige Stad (getuige elk der barsche, oude paleizen tegen de morsigheid en ellende van den plebeëschen nabuur, dien het met den elleboog raakt, zoo zeker als de tijd de hand heeft gelegd op zijn Pratricisch hoofd!) was verfrischt en vernieuwd door een zonnestraal. Zelfs de gevangenis in de volgepropte straat, waar gewoel was van rijtuigen en menschen, had iets van de dolle pret van den dag, die door hare spleten en scheuren drong; en treurige gevangenen, die hunne aangezichten niet konden brengen buiten de staven der getraliede vensters, strekten hunne handen uit, en terwijl ze die tegen de roestige spijlen klopten, draaiden zij ze naar de volle straat, als ware het een vreugdevuur, waarvan zij op die wijze genot konden hebben.
Maar toen de nacht inviel, zonder een wolkje, dat de volle maan had kunnen verduisteren, welk een gezicht leverde ’t toen niet op, het Groote Plein nog eens gevuld en de geheele kerk van het kruis tot den grond verlicht te zien door ontelbare lantarens, die den omtrek der architectuur voor oogen stelden en rondom den geheelen zuilengang van het plein knipoogden en blonken! En wat was het niet een gevoel van genoegen, vreugd en verrukking, toen de klok half acht sloeg—op hetzelfde oogenblik,—één schitterend geheel van rood vuur prachtig te zien zweven van den top des koepels naar het uiterste einde van het kruis, en hoe het, op het oogenblik dat het naar zijne plaats sprong, het sein werd der uitbarsting uit elk gedeelte der reusachtige kerk van tallooze lichten, even groot en rood en flonkerend als het zelf was, zoodat elke kornis, kapiteel en het kleinste steenen ornament in vuur werd voorgesteld, en het zwarte, stevige grondwerk van den verbazenden koepel doorschijnend scheen te worden als een eierdop!
Een spoor van buskruit, eene electrische keten, niets kan meer plotseling en snel ontstoken worden dan die tweede verlichting; en toen wij waren heengegaan en eene afgelegen hoogte hadden beklommen en er twee uren later naar keken, toen stond ze er in den kalmen avond nog te schitteren en te glinsteren als een juweel! Er ontbrak geene lijn van hare evenredigheden, en er was geen hoek, die dof was, niet het kleinste gedeelte van den glans, dat verloren ging.
Den volgenden avond—Paaschmaandag—werd er een groot vuurwerk afgestoken op het kasteel St. Angelo. Wij huurden eene kamer in een tegenoverliggend huis en begaven ons bijtijds naar onze plaatsen, door eene dichte menigte volks, die het daarvoor gelegen plein en al de toegangen, die er op uitkwamen, verstopt had, en de brug, welke naar het kasteel leidt, zóó overlaadde, dat zij op dit punt scheen in den snelvlietenden Tiber te zullen neerstorten. Op deze brug zijn standbeelden (afschuwelijk gewerkt), en tusschen deze werden vaten geplaatst, welke met brandend werk gevuld waren; deze beschenen op zonderlinge wijze het gelaat der menigte en op niet minder vreemde wijze de steenen beelden er boven.
Het vuurwerk begon met een verschrikkelijk kanonsalvo; en toen was het geheele kasteel, gedurende twintig minuten of een half uur, eene onafgebroken vuurkolom en een doolhof van vonkenspuwende raderen van alle kleur, grootte en snelheid, terwijl raketten naar den hemel opvlogen, niet bij een, of twee, of twintig, maar bij honderden tegelijk. De laatste uitbarsting—de Girandola—was juist als sprong het geheele stevige kasteel, zonder smook of stof, in de lucht.
Een half uur naderhand had de ontelbare menigte zich weer verstrooid. De maan zag kalm neder op haar gerimpeld beeld in de rivier, en een half dozijn mannen en jongens met brandende eindjes kaars in de handen, die zich hier en daar bewogen en aan het zoeken waren, of er ook in het gedrang iets van waarde mocht zijn op straat gevallen, waren de eenigen die het tooneel leven bijzetten.
Na al dat vuurwerk en schitteren reden wij, om een contrast te hebben, het oude vervallen Rome rond om afscheid van het Coliseum te nemen. Ik had het te voren bij maanlicht gezien (ik kon geen dag laten voorbijgaan zonder weer eens daarheen te gaan), maar de ontzaglijke eenzaamheid in dien nacht gaat alle beschrijving te boven. De spookachtige pilaren in het Forum; de triomfbogen der oude keizers; die verbazende massa’s puinhoopen, welke eens hunne paleizen waren; de met gras begroeide hoopen, die het graf aanduiden van verwoeste tempels; de steenen van de Via Sacra in oud Rome, door de voetstappen geëffend; zelfs deze waren, in hunne uitstekende droefgeestigheid, verduisterd door den somberen geest van zijne bloedige feesten, die daar overeind en grimmig stond, en zich op het oude tooneel ophield; beroofd door plunderende pausen en vechtende vorsten, maar niet geheel verdelgd; woeste handen van onkruid en gras en struiken wringende; en tegen den nacht weeklagende in elke bres en gebroken boog—de schaduw van zijn eigen ontzagwekkend beeld, dat geheel onbeweeglijk was.
Toen wij ons den volgenden dag, op onzen tocht naar Florence, op het gras der Campagna hadden neergelegd en de leeuweriken hoorden zingen, zagen wij, dat er een klein houten kruis was opgericht ter plaatse waar de arme, ter bedevaart gaande gravin vermoord werd. Wij stapelden eenige losse steenen op elkander, als een begin van een steenhoop ter harer nagedachtenis, en twijfelden er aan of wij er wel ooit weer zouden rusten en naar Rome terugblikken.