← Table of contents
Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

ROME.

Reading edition

Wij reden op den dertienden Januari, omstreeks vier uur in den achtermiddag, door de Porta del Popolo, de Eeuwige Stad binnen, en kwamen onmiddellijk—het was een donkere, modderige dag, en het had hevig geregend—aan de uiterste grenzen van de vastenavondvreugd. Wij wisten toen nog niet, dat wij alleen het uitschot der gemaskerden zagen, die langzaam de Piazza rondreden, totdat zij eene goede gelegenheid konden vinden om tusschen de massa rijtuigen en ter goeder tijd in het midden van de vreugd te geraken. Maar wij voor ons, zoo plotseling er tusschen te komen, bestoven en vermoeid door de reis, waren niet goed voorbereid om het tooneel te genieten.

Wij waren twee of drie mijlen te voren over den Tiber getrokken, bij de Ponte Molle. Hij zag er zoo geel uit als hij behoorde te zien, en beloofde, terwijl hij tusschen zijne oude en modderige oevers stroomde, een gezicht van verval en verwoesting. De vermommingen aan het einde der vastenavondvreugd weerspraken deze belofte. Daar waren geene groote bouwvallen, geene statige teekens der oudheid, te zien;—zij liggen allen aan de andere zijde der stad. Daar schenen lange straten met gewone huizen en winkels te zijn, zooals in iedere andere Europeesche stad kunnen gevonden worden; er was bezig volk, rijtuigen, gewone wandelaars en eene menigte kakelende vreemdelingen. Het was evenmin mijn Rome (het Rome van iemands verbeelding, hetzij man of jongen: ontaard en vervallen en sluimerende in de zon te midden van eenige puinhoopen), als de Place de la Concorde te Parijs er op gelijkt. Een bewolkte hemel, een akelige, koude regen en morsige straten, alles had ik verwacht, maar niet dit; en ik beken, dat ik mij dien avond naar bed begaf in een vrij ontstemd humeur en met eene vrij aanmerkelijk verminderde geestdrift.

Zoodra wij den volgenden dag uitgingen, snelden wij naar de St.-Pieterskerk. Zij deed zich in de verte verschrikkelijk groot voor; maar toen wij er naderbij kwamen, zag zij er vergelijkenderwijze, vrij klein uit. Niets kan de schoonheid van het plein, waarop zij staat, met zijne rijen keurige kolommen en zijne spuitende fonteinen—zoo frisch, zoo ruim, en vrij, en schoon—te boven gaan. Het eerste gezicht op het inwendige, met al die uitvoerige majesteit en glorie, en het allermeest het opzien naar den koepel, verwekt een gevoel dat nimmer te vergeten is. Maar, er waren toebereidselen voor een Festa gemaakt. De pilaren van trotsch marmer werden met eenige uitstekend roode en gele lappen omwikkeld; het altaar en de ingang tot de onderaardsche kapel (die er voor is, in het midden der kerk) waren gelijk aan een goudsmidswinkel of een der eerste tooneelen van een zeer schitterende pantomime. En hoewel ik (naar ik hoop) de schoonheid van het gebouw zoo diep mogelijk gevoelde, werd ik niet sterk getroffen. Ik ben oneindig sterker aangedaan geworden in vele Engelsche hoofdkerken, wanneer het orgel speelde, of in menige Engelsche dorpskerk, als de gemeente aan het zingen was. In de hoofdkerk van St. Marcus te Venetië had ik eene veel sterker gewaarwording van geheimzinnigheid en verwondering.

Toen wij weder buiten de kerk kwamen (wij stonden omtrent een uur te staren naar den koepel, en zouden de hoofdkerk toen voor geen prijs ter wereld hebben voorbijgegaan), zeiden wij tot den voerman: „naar het Coliseum.” Binnen een kwartier hield hij stil voor de poort en wij gingen er binnen.

Het is geene verbeelding, maar klare, droge, eerlijke waarheid, als ik zeg, dat het op dit uur zoo duidelijk is en u zoo bezielt, dat, wie het ook begeert,—door er binnen te treden—gedurende een oogenblik, het geheele groote beeld zich voor den geest kan halen, zooals dit er vroeger uitzag, met duizenden van vinnige aangezichten, die in het strijdperk neerzagen, benevens een maalstroom van gevechten, en bloed en stof, welken geen taal vermag te beschrijven.

De eenzaamheid, sombere schoonheid en volslagen verwoesting er van vallen den vreemdeling in het volgende oogenblik op het hart als eene gelenigde smart; en wellicht zal hij nooit in zijn leven zich derwijze bewogen en getroffen gevoelen door een gezicht, hetwelk niet onmiddellijk in verband staat met zijne eigen genegenheid of verdriet.

Het daar te zien, hoe het elk jaar een ziertje afkruimelt; zijn muren en bogen met groenende kruiden begroeid; zijne portalen voor den dag geopend; het lange gras in zijne portieken groeiende; jonge boompjes, die opschieten uit zijne gehavende borstweringen en vruchten dragen, en een toevallig voortbrengsel zijn van de zaden, die er de vogels hebben laten vallen, welke hunne nesten hebben gebouwd in zijne scheuren en spleten; zijne kampruimte met aarde gevuld en het vreedzame kruis in het midden geplaatst te zien; naar de bovenverblijven te klimmen en van daar neder te zien op puinhoopen, niets dan puinhoopen en puinhoopen overal; de zegebogen van Constantijn, Septimus Severus en Titus; het Romeinsche Forum, het paleis der Cesars; de tempels van den ouden godsdienst, ingestort en verdwenen: dit alles is het zien van den geest van oud Rome, de snoode, wonderbaarlijke, oude stad, op denzelfden grond spokende waarop zijne bevolking trad. Het is het indrukwekkendste, statigste, luisterrijkste en treurigste gezicht, waarvan men zich een denkbeeld kan vormen. Nooit kan het gezicht van het reusachtig Coliseum in den bloedigsten bloei er van, en toen het vol en overvol was van het wakkerste leven, het hart zóó bewogen hebben als het allen moet treffen, die er thans op neerzien, nu het een puinhoop is. God zij geloofd, een puinhoop!

Evenals het uitsteekt boven de andere bouwvallen, en er staat als een berg tusschen graven, zoo heeft zijn vroegere invloed al de andere overblijfselen van de oude godenleer en oude slachtwoede van Rome, in Rome’s trotsche en wreede bevolking overleefd. De Italiaansche gelaatstrekken veranderen naarmate de vreemdeling de stad nadert; de schoonheid er van wordt duivelsch en onder het gemeene volk op straat is er onder de honderd aangezichten nauwelijks één, dat zich morgen in een hernieuwd Coliseum niet thuis zou gevoelen.

Hier was eindelijk Rome inderdaad; en zulk een Rome als niemand zich in de volle en ontzaglijkste grootschheid er van zou kunnen voor den geest brengen! Wij gingen langs den Appiaanschen Weg er uit, en trokken mijlen ver voort, tusschen graven die in puinhoopen lagen en vernielde muren, met hier en daar een vervallen en onbewoond huis. Wij kwamen voorbij den Circus van Romulus, waar de renplaats der wagens, de plaatsen der rechters, der mededingers en toeschouwers nog even duidelijk zijn te zien als in ouden tijd. Wij kwamen voorbij het graf van Cecilia Metella—en elke omheining, heg, of stuk muur, of schutting—naar de open Campagna, waar, aan deze zijde van Rome, niets is te zien dan puinhoopen. Uitgezonderd dáár, waar de afgelegen Apennijnen het uitzicht ter linkerzijde bepalen, is het geheele, ruime verschiet één onafgebroken veld van ruïnen. Gebroken waterleidingen, waarvan de schilderachtigste partijen van bogen zijn overgebleven; gebroken tempels; gebroken graven. Eene woestenij van ruïnen, wier somberheid en verwoesting geene uitdrukking vermag af te schilderen, en waarvan elke steen, die er op den grond verspreid ligt, eene geschiedenis verhaalt.

Op Zondag nam de paus deel aan het bedienen der hoogmis in de St.-Pieterskerk. De indruk, door de hoofdkerk bij dat tweede bezoek op mijn geest gemaakt, was volkomen gelijk aan den eersten, en aan wat die is gebleven nadat ik ze veel malen had bezocht. Zij maakt geen godsdienstig effect. Het is een verbazend groot gebouw, waarin geen enkel punt is waarop het oog kan rusten, dat vermoeid wordt van het aanhoudend omdwalen. De ware bestemming der plaats is niet uitgedrukt in iets van hetgeen gij er ziet, tenzij ge het in de bijzonderheden onderzoekt—en alle onderzoek van détails is niet overeenkomstig met de plaats zelve.

Zij kan een Pantheon, of een Senaathuis, of een groot architectonisch zegeteeken wezen, dat geen ander doel heeft, dan een triomf der bouwkunst. Wel is waar, er is onder een rood verhemelte, een zwart standbeeld van St. Pieter, dat meer dan levensgroot is, en welks groote teen aanhoudend wordt gekust door goede Katholieken. Dit nu moet u wel in de oogen vallen, daar het zoozeer vooruitspringt en populair is. Maar het verhoogt den indruk der kerk, als kunstgewrocht, niet, en drukt—voor mij althans—hare verheven bestemming niet uit.

Eene breede ruimte achter het altaar was voorzien van loges, in vorm gelijk aan die van de Italiaansche opera te Londen, maar wat de versiering aangaat, veel zwieriger. In het midden van die soort tooneelzaal, aldus afgeperkt, was eene zitplaats met verhemelte, waar ’s pausen zetel stond. Het plaveisel was bedekt met een helder groen vloerkleed, hetwelk met dat groen, en met het onverdraaglijke rood en karmozijn en de gouden randen der behangsels, een geheel vormde, dat er uitzag als een verbazend groot bonbon. Op elke zijde van het altaar was eene groote loge voor vreemde dames in zwarte kleederen en zwarte sluiers. De heeren van de pauselijke lijfwacht, met roode rokken, leeren broeken, en rij-stevels, bewaarden die afgesloten ruimte met getrokken zwaarden, die in elk opzicht tot sieraad dienden; en van het altaar langs het geheele schip was er een breede doorgang afgezet, door de Zwitsersche garde van den paus, die een wonderlijk gestreepten rok droegen en gestreepte spanbroeken, en hellebaarden, gelijk aan dezulke, welke gewoonlijk rusten op de schouders van zoodanige tooneelmatige bijvoegsels, die nooit snel genoeg van het tooneel kunnen gaan, en die men gewoonlijk kan zien slenteren in het vijandelijke legerkamp, zoo eenige stuip der natuur het open veld, door de andere partij bezet, in het midden doorspleet.

Ik ging tot aan den rand van het groene vloerkleed, in gezelschap van eene groote menigte andere heeren, die in het zwart waren (er wordt geen ander paspoort vereischt), en stond er, gedurende de mis, op mijn gemak. De zangers bevonden zich in een vertrekje van draadwerk (gelijkende naar eene groote vliegenkast of vogelkooi) in een der hoeken, en zongen op afgrijselijke wijze. Overal rondom het vloerkleed was eene menigte volk, dat zich langzaam bewoog, en met elkander praatte en door kijkglaasjes naar den paus gluurde, en, in oogenblikken van steelswijze nieuwsgierigheid, de een den ander afstootte van gevaarlijke plaatsjes op de voetstukken van pilaren, en de dames op afschuwelijke wijze aangrijnsde. Hier en daar waren troepjes monniken (Franciskanen of Kapucijnen, in hunne grove, bruine kleederen en spitse hoeden), welke vreemd afstaken bij de zwierige geestelijken van hooger rang, en wier nederigheid op het hoogst voldaan moest zijn over de stooten, die ze rechts en links en alle aan zijden van schouders en ellebogen ontvingen. Eenigen van hen droegen bemodderde sandalen en zonneschermen en gevlekte kleederen, daar zij van het land waren aangekomen.

De gelaatstrekken van het grootste aantal waren zoo grof en plomp als hunne kleeding; hun grommig, dom en eentonig staren op al den glans en pracht had iets aan zich, dat half ellendig en half belachelijk was.

Op het groene vloerkleed zelf, en om het altaar geschaard, was een geheel heir van kardinalen en priesters in het rood, goud, purper, paars, wit en fijn linnen. Eenige, die van dezen waren afgedwaald, gingen door het gedrang af en aan, praatten met elkander, stelden anderen voor, of lieten zich zelven voorstellen en wisselden groeten; andere ambtenaren in gala-kleeding waren op gelijke wijze bezig. In het midden van die allen en van gluipende Jezuïeten, welke in- en uitslopen, en de uiterste rusteloosheid van Engelands jeugd, die onophoudelijk rondwandelde, zag men eenige weinige deftige personen in zwarte tabberden, welke, met hun aangezicht tegen den muur neergeknield, over hunne misboeken gebogen waren en onwillekeurig eene soort van gevleeschte menschen knippen werden, en met hunne eigene vrome beenen die van anderen bij dozijnen deden struikelen.

Naast mij op den grond lag een groote hoop kaarsen, welke aan al de geestelijken met veel ijver werden uitgedeeld, door een zeer oud man in eene roestige, zwarte kleeding met opengewerkten kraag, evenals een geknipt papieren zomerversiersel voor een vuurhaard. Elk kreeg er een. Zij slenterden er eenigen tijd mede rond en hielden ze onder den arm als een wandelstok, of in hunne handen als een staf van commando. Op zeker tijdstip der plechtigheid echter bracht een ieder zijne kaars naar den paus, legde ze dwars op diens knieën om ze te laten zegenen, nam ze weer weg en trok daarna af. Dit werd, naar gij kunt vooronderstellen, in een zeer gedunden optocht gedaan en duurde langen tijd. Niet als werd er veel tijd vereischt om eene kaars door en door te zegenen, maar omdat er zooveel kaarsen gezegend moesten worden. Eindelijk waren ze alle gezegend, en werden alle opgestoken; en toen werd de paus met stoel en al opgenomen en de kerk rondgedragen.

DE VASTENAVONDVREUGD. (Blz. 201).
DE VASTENAVONDVREUGD. (Blz. 201).

DE VASTENAVONDVREUGD. (Blz. 201).

Den volgenden keer toen ik de hoofdkerk zag, was het twee of drie weken naderhand. Ik klom toen naar den koepel; en daar men de gordijnen af- en het vloerkleed opgenomen, maar al het latwerk er gelaten had, zagen de overblijfselen van die versiersels er uit als een afgestoken vuurpijl.

Daar Vrijdag en Zaterdag plechtige feestdagen waren geweest, en de Zondag altijd een dag is welke niet meetelt in de carnavalsvermakelijkheden, hadden wij met eenig ongeduld en nieuwsgierigheid naar het begin der volgende week verlangd: dewijl Maandag en Dinsdag de laatste en beste carnavalsdagen zijn.

De Corso is eene straat van een mijl lang; eene straat van winkels, paleizen en burgerhuizen, die somtijds uitkomen op een ruim plein. Er zijn bijna aan elk huis veranda’s en balkons, van alle gedaanten en vormen—alleen op ééne verdieping, maar dikwijls voor een of andere kamer op iedere verdieping—en, in het algemeen, daar met zoo weinig orde en regelmaat aangebracht, dat, indien het, jaar op jaar en jaargetij op jaargetij, balkons geregend, of gehageld, of gesneeuwd, of gewaaid had, zij ternauwernood op eene meer ongeregelde wijze konden neergevallen zijn.

Dit is de voornaamste bron en het hoofdbrandpunt van de carnavalsvreugd. Maar al de straten, waarin men vastenavond houdt, worden nauwkeurig door dragonders bewaakt en daarom is het voor rijtuigen noodzakelijk, dadelijk en naar volgorde door een anderen doortocht te rijden, en zoo op het Corso te komen, nabij het uiteinde dat het verst is verwijderd van de Piazza del Popolo, die het aan eene zijde begrenst. Alzoo kwamen wij tusschen de reeks van rijtuigen, en hotsten gedurende eenigen tijd vrij gerust mede, nu eens zeer langzaam voortsukkelende, dan weder eenige ellen dravende, en dan weer eens heel en al ophoudende, naarmate de voorsten meer of minder in het gedrang waren. Als eenig onstuimig rijtuig uit de reeks snelde en voorwaarts reed, met het wilde denkbeeld bezield, spoediger vooruit te komen, werd het plotseling ontmoet, of tegengehouden, door een dragonder, die, evenals zijn eigen getrokken zwaard, voor alle vertoogen doof, het onmiddellijk verzelde naar het uiterste eindje der rij, en het in het verschiet als een klein stipje deed voorkomen. Nu en dan hielden wij schutgevaarte van confetti met het rijtuig, dat het dichtst voor of achter ons reed, maar tot nog toe was het veroveren dezer zwervende en ronddolende rijtuigen door de militairen, het voornaamste vermaak.

Daarop kwamen wij in eene nauwe straat, waar eene reeks van rijtuigen op-, en eene andere afreed. Hier begonnen het suikergebak en de ruikers vrij aardig rond te vliegen; en ik was gelukkig genoeg een heer op te merken, uitgedost als een grieksch krijgsman, en welke een licht gesnorbaarden roover (die bezig was een ruiker te werpen naar een jonge dame, welke voor een venster op de eerste verdieping stond) op den neus raakte, met eene juistheid, die zeer sterk door de aanschouwers werd toegejuicht. Terwijl deze zegepralende Griek eene koddige aanmerking maakte tegen een dik heer, die in de deur stond—en half zwart en half wit was, alsof hij ter halver lijve afgeschilderd was—en die hem met het volvoeren van zijne heldendaad gelukgewenscht had, ontving hij, van den top van een huis, een oranje-appel juist op zijn linkeroor en was zeer verbluft. Voornamelijk daar hij toen overeind stond en het rijtuig op hetzelfde oogenblik plotseling voortging, zoodat hij schandelijk waggelde en zich onder zijne eigene bloemen begroef.

Nadat wij omstreeks een kwartier op die wijze waren voortgegaan, kwamen we op het Corso; en het zou moeielijk zijn, zich iets zóó vroolijks, zóó schitterends en levendigs voor te stellen, als het geheele tafereel daar was. Van de tallooze balkons (van de verste en hoogste even als van de laagste en meest nabij zijnde) fladderden in het schitterende zonlicht helder roode, groene, blauwe, witte en gouden gordijnen. Uit vensters, en van borstweringen, en van de toppen der huizen wapperden vlaggen van de rijkste kleuren, en draperieën van de vroolijkste en schitterendste tinten in de straten neer. De huizen schenen letterlijk het binnenste buiten gekeerd en al hunne vroolijkheid naar de straat gewend te hebben.

Uitstallingen van winkels werden ingenomen en de vensters, evenals loges in een schitterenden schouwburg, met gezelschap gevuld; deuren werden uit hare scharnieren gelicht en deden lange gangen zichtbaar worden, met tapijten versierd en met festoenen van bloemen en palmtakken behangen. Metselaars-stellages waren in prachtige tempels veranderd, schitterende van het zilver, goud en scharlaken; en in iederen hoek, en in elk holletje, van de voetpaden tot aan de toppen der schoorsteenen waar vrouwenoogen glinsteren konden, daar dansten en lachten en flonkerden zij, evenals het licht op het water. Iedere soort van betooverende, malle kleeding was daar aanwezig. Kleine, gekke, scharlaken buisjes; rare oude rijglijven, ondeugender dan de netste korsetten; Poolsche jassen, gespannen en nauw om het lijf sluitend, evenals rijpe kruisbessen; kleine Grieksche mutsjes, die schuins op het hoofd stonden en, de hemel weet op welke wijze, stevig op het donkere haar vastzaten. Iedere wilde, rare, stoute, bloode, korzelige dollemanssmaak werd opgeluisterd door eene kleederdracht; en iedere smaak was in de vroolijke drukte even spoedig door zijn vinder vergeten alsof de drie oude waterleidingen, die nog in haar geheel staan, dienzelfden morgen, over hare sterke bogen, de Lethe naar Rome hadden gevoerd.

De rijtuigen stonden nu bij drieën naast elkander; op breedere plaatsen vier; dikwijls moesten zij allen langen tijd stilstaan. Zij vertoonden zich altijd als een saamgepakten hoop van afwisselende schittering; en langs de geheele straat, te midden van een regen van bloemen, deden zij zich voor als bloemen van een grootere soort. Van sommige waren de paarden met prachtige dekken en tuigen versierd, bij andere waren zij van den kop tot de pooten met fladderende linten getooid. Enkele werden gereden door koetsiers met verschrikkelijke groote, dubbele mommen, waarvan het eene gezicht naar de paarden keek en het andere zijne buitengewone oogen naar het rijtuig wendde, en beide kletterend onder den hagel van suikergebak. Andere koetsiers waren als vrouwen gekleed, met krullen gekapt en zonder mutsen, en die, wanneer er eenige wezenlijke moeielijkheden met de paarden plaats hadden (dat bij zulk een samenloop van omstandigheden niets zeldzaams was,) er nog belachelijker uitzagen dan men verhalen of beschrijven kan. In stede van op de banken, in de rijtuigen te zitten, plaatsen zich de schoone Romeinsche vrouwen om beter te kunnen zien en gezien te worden, in dezen tijd van algemeene teugelloosheid, voorop, met hare voeten op de kussens—en o! de fladderende rokken en aardige middeltjes, de gezegende vormen en lachende gezichten, het vrije, goed geluimde, bevallige figuur dat ze vertoonden! Er waren ook groote rijtuigen, vol bekoorlijke meisjes—dertig of misschien meer te zamen,—en de volle lagen, die uit en naar deze branders vol toovernimfen gevuurd werden, vervulden de lucht gedurenden tien minuten, met bloemen en bonbons. Rijtuigen vol menschen, die lang op eene plaats moesten wachten, begonnen een geregelden aanval tegen andere rijtuigen, insgelijks met volk opgepropt, of tegen de lieden aan de benedenvensters; en somtijds mengden zich de toeschouwers, van een hooger gelegen balkon of venster in de grap, en ledigden, terwijl ze beide partijen aanvielen, groote zakken confetti, die als eene wolk neerkwamen, en ze, in een oogenblik, zoo wit maakten als molenaars. Weder volgen rijtuigen op rijtuigen, kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen zonder ophouden. Mannen en jongens die zich aan de wielen en achter aan de rijtuigen vasthouden, en hun spoor volgen, en onder de pooten der paarden bukken, om de verspreide bloemen op te rapen en ze weer te verkoopen. Gemaskerden te voet (meestal de grappigsten) in phantastisch overdreven hofkleedingen, die het gedrang door monsterachtig groote lorgnetten beschouwen en altijd een aanval van liefde krijgen, op het gezicht van eene of andere oude dame aan een venster. Geheele rijen Policinelli, die in de rondte slaan met blazen, aan stokken vastgehecht; een wagen vol uitgelaten, razende en tierende dollemannen; een rijtuig vol ernstige mammelukken, benevens hun standaard met paardestaarten, in het midden; eene partij heidinnetjes, die het erg te kwaad hadden met een schip vol matrozen. Een man verkleed als een aap op een kruk, omgeven door vreemdsoortige dieren, met varkenskoppen en leeuwenstaarten, door hen onder den arm meegesleept of bevallig op den schouder gedragen. Rijtuigen volgen op rijtuigen, kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen, en dat zonder ophouden.

Wanneer men het aantal gemaskerden in aanmerking neemt, dan werden er misschien niet veel wezenlijke karakters volgehouden of voorgesteld, maar het hoofdvermaak van het tafereel is in de volkomen goede luim er van gelegen; in de schitterende, oneindige en flikkerende verscheidenheid, en dáárin, dat men zich geheel aan de gekke gril van het oogenblik overgeeft—en zóó geheel en al besmettelijk, onweerstaanbaar is het, dat de bedaardste vreemdeling, tot aan zijn middel in bloemen en suikergoed staande, evenals de wildste van al de Romeinen van zich afslaat, en tot halfvijf uur aan niets denkt, wanneer hij door het steken der trompet en door de dragonders, die hij (tot zijne bittere smart) de straten ziet schoonvegen, plotseling herinnerd wordt, dat hij daarvoor alléén niet op de wereld is.

Hoe de straat ooit schoongeveegd wordt voor den wedren, die ten vijf uur zal plaats hebben, en hoe de paarden voortrennen, zonder eenige lieden te vertrappen, is meer dan ik zeggen kan. Maar de rijtuigen vertrekken door de dwarsstraten, of langs de Piazza del Popolo, en een aantal menschen zitten in tijdelijk opgeslagen galerijen op het laatstgenoemde plein, en duizenden staan aan beide zijden er van, als de paarden op de Piazza gebracht worden, aan den voet van dezelfde kolom, welke, eeuwen geleden, neerzag op de spelen en wedrennen van den Circus Maximus.

Op een gegeven teeken vertrekken zij. Zij snellen, als de wind, voorbij de levende laan op het Corso: zonder berijders, zooals iedereen weet: met glinsterende versiersels op hunne ruggen en door hunne gevlochten manen gedraaid: en met kleine zware kogeltjes, vol punten, aan hunne zijden slingerende, om ze aan te prikkelen. Het gerinkel der versiersels, en het gekletter hunner hoeven op de harde steenen; de woede en snelheid van hunne vaart langs de weergalmende straten; ja, zelfs het kanon dat afgevuurd wordt—al dit geraas is niets bij het gejoel der menigte, hare kreten, het klappen in de handen. Maar het is spoedig gedaan—bijna dadelijk. Nog meer kanonschoten doen de stad dreunen. De paarden zijn door de tapijten gegaan, die over de straat zijn gespannen om ze tegen te houden; de eindpaal is bereikt; de prijzen zijn gewonnen (zij worden gedeeltelijk door de arme joden gegeven, als eene vergoeding, dat zij zelven niet in het renperk behoeven te loopen), en nu is er een einde aan de pret van den dag.

Maar indien het tafereel op den voorlaatsten dag schitterend en vroolijk en volgepropt is, bereikt het, den volgenden dag, zulk een rijkdom van glinsterende kleuren; er is zulk eene krioelende menigte en dartel rumoer, dat alléén de herinnering er van mij op het oogenblik nog duizelig maakt. Dezelfde vermaken, grootendeels verhoogd en versterkt door den ijver, waarmede ze nagejaagd worden, duren een langen tijd. De wedren vangt weder aan, de kanonnen worden afgevuurd, de kreten en het handgeklap worden herhaald; weder hoort men kanonschoten; de wedren is voorbij en de prijzen zijn gewonnen. Maar de rijtuigen, van binnen gevuld met suikergoed, zijn van buiten zoo bepoeierd en stoffig, dat men ze ternauwernood voor dezelfde voertuigen herkennen kan van drie uren vroeger. In plaats van zich in alle richtingen te verspreiden, verzamelen zij zich op het Corso, waar zij spoedig in elkander geklemd worden, als eene zich ternauwernood bewegende massa. Want het vermaak met de Moccoletti, de laatste vroolijke dolheid van den vastenavond, zal nu plaats grijpen; en verkoopers van kleine waskaarsen, evenals die, welke in Engeland kerstmiskaarsjes genoemd worden, schreeuwen lustig aan beide zijden van den weg: „Moccoli, Moccoli! Ecco Moccoli (ziehier waskaarsjes)!” een nieuwe kreet in het rumoer, die den anderen kreet, welke men reeds bij tusschenpoozen den ganschen dag boven alle andere heeft gehoord, den kreet namelijk van: „Ecco Fiori! Ecco Fior-r-r-i (ziehier bloemen)!” geheel en al overschreeuwt.

Wanneer de schitterende behangsels en kleedingen tegen het vallen van den avond eene nare, zwaarmoedige, algemeene tint aannemen, beginnen hier en ginds lichten te flikkeren: voor de ramen, op de toppen der huizen, op de balkons, in de rijtuigen, in de handen van voetgangers: langzamerhand; trapsgewijs; al meer en meer; totdat de gansche, lange straat ééne glansrijke en schitterende vlam is. Dan zoekt iedereen, daarbij tegenwoordig, maar één doel te bereiken, namelijk, de kaarsjes van andere lieden uit te dooven, en zijn eigen brandend te houden; en iedereen, man, vrouw of kind, heer of dame, vorst of landman, ingeboren of vreemdeling, gilt en schreeuwt en joelt zonder ophouden, om den overwonnene te bespotten: „Senza Moccolo, Senza Moccolo (zonder kaarsje)!” totdat men niets meer verneemt dan een reusachtig koor, dat deze beide woorden herhaalt, met een schaterend gelach vermengd.

Op dien tijd is het tafereel een der buitengewoonste dat men zich verbeelden kan. Rijtuigen, die langzaam voortrijden, terwijl iedereen op de zitplaatsen of voor op den bok staat, en zijn kaarsje, tot meerdere zekerheid, op armslengte van zich af houdt; sommigen in een papier als een peperhuisje: anderen met een hoop onbeveiligde kaarsjes, allen brandende; eenigen met brandende fakkels; anderen met kleine dunne kaarsjes; voetgangers, die tusschen de wielen doorkruipen om hunne kans af te wachten en naar een bijzonder licht te springen en het uit te slaan; anderen tegen de rijtuigen opklimmende, om zich met geweld van de lichtjes meester te maken. Eenigen jagen een ongelukkigen voetganger om zijn eigen rijtuig heen, ten einde het licht, dat hij ergens gekregen of gestolen heeft, uit te blazen, vóórdat deze bij zijn gezelschap, in het rijtuig stapt, en het in staat kan stellen hunne uitgeblazen kaarsjes te ontsteken. Weder anderen, die, met den hoed in de hand, aan het portier van een rijtuig staan en nederig eene of andere goedhartige dame een vlammetje verzoeken, om eene sigaar op te steken; en wanneer zij nog in twijfel staat of ze het doen zal of niet, deze de kaars uitblaast, welke zij met zooveel teederheid in haar handje gevat hield; andere lieden aan het venster, die met lijnen en hoeken naar kaarsjes visschen, of lange wilgen-teenen, aan welker einde zakdoeken gebonden zijn, naar beneden houden, en de kaarsjes behendig uitslaan, wanneer de eigenaar er trotsch op is dat ze nog branden; anderen, die hun slag waarnemen, op hoeken van straten, met verschrikkelijk groote dompers evenals hellebaarden, en die plotseling op vlammende fakkels nedervallen; weder anderen, die om eene koets staan en daar blijven staan; anderen, die eene kleine koppige lantaren onder een regen van oranjeappelen en ruikers pogen te bedelven, of in geregelden aanval eene piramide van menschen bestormen, die een man in de hoogte beuren, welke een klein, dun kaarsje boven zijn hoofd houdt, waarmede hij ze allen tart! Senza Moccolo! Senza Moccolo! Schoone vrouwen, die in de rijtuigen staan, en spottend naar uitgedoofde lichten wijzen en onder het voorbijrijden in hare handen klappen, en uitroepen: „Senza Moccolo! Senza Moccolo!” Lage balkons vol lieve gezichtjes en bevallige kleedingen, strijdende tegen aanvallers op straat. Eenige houden ze terug als zij er tegen opklimmen, eenige die zich naar omlaag buigen, eenige die overleunen en eenige die achteruitspringen—keurig gevormde armen en borstbeelden—figuren vol bevalligheid—brandende lichten, fladderende kleederen. Senza Moccolo, Senza Moccolo, Senza Mo-cco-loo-o-o-o!—totdat, in de allergrootste geestdrift van het geschreeuw en de dolste verrukking van de pret, de klokken het Ave-Maria luiden en de vastenavond terstond is geëindigd—als eene waskaars uitgeblazen, met één ademtocht.

Des avonds was er een gemaskerd bal in den schouwburg, even naar en vervelend als een te Londen, en alléén opmerkelijk wegens de bondige wijze, waarmede de zaal ten elf uur ontruimd werd; hetwelk geschiedde door eene rij soldaten, die zich op den achtergrond van het tooneel tegen den muur schaarde, en, evenals een groote bezem, het geheele gezelschap voor zich uitdreef. De pret met de Moccoletti (in het enkelvoud is het Moccoletto, dat eene verkleining van Moccolo is, en eene kleine lamp of kaars beteekent) wordt door sommigen voorondersteld eene belachelijke rouw plechtigheid te zijn voor de overlijdende vastenavondvreugd—daar kaarsen bij een katholieken rouw onmisbaar zijn.

Maar of het zoo is, dan of het een overblijfsel der oude Saturnalia zij, of eene samenstelling van beide, of zijn oorsprong aan iets anders te danken hebbe—altijd zal ik mij de pret herinneren als een allerschitterendst en bekoorlijkst gezicht; niet minder opmerkelijk wegens de goede luim van allen, die er bij tegenwoordig waren, zelfs tot de heffe des volks (en onder degenen, welke op de rijtuigen klommen, waren onderscheidene mannen en jongens van de gemeenste klasse), als om zijne onschuldige levendigheid. Want, hoe vreemd het ook moge klinken, voor een spel, zóó vol gedachteloosheid en waardoor de persoonlijke bevalligheden zoozeer aan den dag worden gelegd, is het zoo vrij van eenige smet van onzedelijkheid als eenige algemeene vergadering der beide geslachten met mogelijkheid zijn kan; en terwijl het aan den gang is, schijnt er in het algemeen een gevoel van bijna kinderlijke eenvoudigheid en vertrouwen te bestaan, dat men zich met smart herinnert, als het Ave-Maria het voor een geheel jaar heeft uitgeluid.

Gebruik makende van een gedeelte van de stille verpoozing tusschen het einde van de vastenavondvreugde en het begin der Heilige Week, gingen wij gemoedelijk aan het werk, om Rome te zien; en daar wij iederen ochtend vroegtijdig uitgingen, en elken avond laat terugkwamen, en den geheelen dag hard werkten, zoo geloof ik, dat wij bekend raakten met iederen paal en pilaar der stad en van de naastbijgelegene streken, en voornamelijk zoovele kerken bezochten, dat ik dit gedeelte van de onderneming geheel opgaf vóór het half voleindigd was; daar ik anders, wat mij betreft, zoo lang ik leef nooit weder een voet in eene kerk gezet zou hebben. Maar ik droeg er zorg voor, dat ik bijna iederen dag, hetzij vroeg of laat, naar het Coliseum ging, of naar buiten in het open veld, aan gene zijde der graftombe van Cecilia Metella.

Op deze tochten ontmoetten wij dikwijls een gezelschap Engelsche toeristen; en steeds had ik een grooten, maar nooit voldanen lust, een gesprek met hen aan te knoopen. Het bestond uit zekeren mijnheer Davis en eenige zijner vrienden. Het was onmogelijk den naam van mevrouw Davis niet gewaar te worden, daar zij in groot aanzien stond bij haar gezelschap, dat overal was. Gedurende de Heilige Week was het bij elk gedeelte van ieder tooneel, van elke plechtigheid. Veertien dagen of drie weken te voren bezochten zij iedere grafplaats en kerk, en galerij van schilderstukken en elken bouwval; en gedurende al dien tijd heb ik bijna niet gemerkt, dat mevrouw Davis een oogenblik stilzweeg.

Diep onder den grond, boven op de St.-Pieterskerk, buiten op het veld, en bijna stikkende in het Joden-kwartier, bleef mevrouw Davis altijd dezelfde. Ik geloof niet, dat ze ooit naar iets zag; en ze had altijd iets verloren uit eene strooien mand, die ze vasthield, en hetwelk zij met al hare macht beproefde te vinden van onder eene aanzienlijke hoeveelheid Engelsche halfstuiverstukken, die op den bodem er van lagen, evenals zand op den oever der zee. Ambtshalve was er altijd een Cicerone aan het gezelschap verbonden (dat bij contract van Londen was overgevoerd, vijftien à twintig koppen sterk), en als hij maar naar mevrouw Davis keek, dan berispte zij hem onmiddellijk, door te zeggen: „Wel, God zegen je, man, maak het me niet lastig! Ik versta geen woord van al wat je kakelt, en zal het ook niet verstaan, al zou je babbelen tot je blauw in je gezicht werdt!” Mijnheer Davis droeg altijd eene snuifkleurige overjas, en eene groote groene paraplu in zijne hand, en bezat eene talmende nieuwsgierigheid die voortdurend in hem brandde en die hem aanspoorde buitengewone dingen te verrichten, zooals de deksels van lijkbussen op te lichten, en er in te kijken alsof zij zuurgoed inhielden; met de punt zijner paraplu langs opschriften te strijken en met diepdenkendheid te zeggen: „Ziet ge, hier is eene B, en daar is eene R, en zoo zullen wij het vinden; is het niet?” Zijne oudheidkundige gewoonten waren oorzaak, dat hij dikwijls achterbleef; en een van de doodsangsten van mevrouw Davis, en van het gezelschap in het algemeen, was eene eeuwigdurende vrees dat Davis verloren zou raken. Dit was oorzaak, dat ze om hem riepen in de allervreemdste plaatsen en op de meest ongelegene tijden. En wanneer hij dan eindelijk langzaam uit een of andere begraafplaats kwam stappen, evenals eene vreedzame vampyr, uitroepende: „Hier ben ik,” dan was het onveranderlijk antwoord van mevrouw Davis: „Je zult nog levend begraven worden in een vreemd land, Davis; en er helpt niets aan of men u waarschuwt of niet.”

Mijnheer en mevrouw Davis en hun gezelschap waren waarschijnlijk binnen negen of tien dagen van Londen overgevoerd. Achttienhonderd jaren geleden wilden de Romeinsche legioenen, onder Claudius, niet naar het land van mijnheer en mevrouw Davis gevoerd worden, voor reden gevende, dat het buiten de grenzen der wereld lag.

Onder de ploerten (of mindere lieden naar de mode van Rome) was er een die mij bijzonder vermaakte. Men kan er hem ten allen tijde vinden; en zijn hol is op de trappen van de Piazza di Spagna (het spaansche plein), welke naar de kerk van Trinita del Monte voeren. Duidelijker gesproken, zijn die trappen de groote verzamelplaats voor kunstenaars’ „Modellen”, en daar wachten ze geduldig tot ze gehuurd worden. De eerste maal dat ik die trappen opklom kon ik niet begrijpen, waarom die gezichten mij zoo bekend voorkwamen, of waarom zij mij reeds voor jaren schenen omgeven te hebben, in alle mogelijke verscheidenheid van kleeding of handeling, en wat de oorzaak was, dat zij in Rome in het heldere daglicht voor mij oprezen, evenals zoovele gezadelde en getoomde nachtmerries. Ik zag spoedig, dat wij reeds sedert eenige jaren de kennis hadden aangeknoopt en voortgezet langs de muren der verschillende schilderijtentoonstellingen. Daar is een oud man, met lange witte haren en een verschrikkelijk grooten baard, die, zoover mij bekend is, den halve catalogus van de Koninklijke Academie heeft doorgewandeld. Dit is het eerwaardige of aartsvaderlijke model. Hij draagt een langen stok, en iedere kwast en draai van den stok heb ik, getrouw nageteekend, herhaalde malen gezien. Daar is een andere man, in een blauwen mantel, die zich altijd het voorkomen geeft alsof hij in den zonneschijn (als dezen er is) ligt te slapen, en die, ik behoef het, geloof ik, niet te zeggen, altijd klaar wakker is en zeer nauwkeurig op de schikking zijner beenen acht geeft. Dit is het dolce far niente model. Daar is een ander man, in een bruinen mantel, die tegen een muur leunt, met zijne armen in den mantel gevouwen, en rondziet met gluipende oogen, die juist zichtbaar zijn onder zijn breed geranden hoed. Dit is het moordenaarsmodel. Daar is een ander man, die gedurig over zijn schouder ziet, en altijd doet, alsof hij vertrekt, maar nimmer weggaat. Dit is het trotsch en versmadend model. Wat huiselijk geluk en heilige families betreft, deze moeten zeer goedkoop zijn, want zij zitten bij hoopen op de trappen; en het aardige van de zaak is, dat zij de meest valsche landloopers der wereld zijn, voornamelijk te dien einde afgericht en huns gelijken niet hebbende in Rome of in eenig ander gedeelte van den bewoonbaren aardbol.

Ik herinner mij, dat ik in mijne vorige vermelding van de vastenavondvreugd gezegd heb, dat men die voor een snaaksche vrouw hield (want zij eindigt met deze plechtigheid) om de grappen en vroolijkheden van de Vasten, en dit herinnert mij weder aan de wezenlijke begrafenissen en rouwprocessiën van Rome, welke hier, evenals in andere gedeelten van Italië, voornamelijk door een vreemdeling opgemerkt worden, wegens de onverschilligheid waarmede men, in het algemeen, het aardsch omhulsel beschouwt, nadat het leven er uit is ontvloden. En dit geschiedt niet omdat de overlevenden den tijd gehad hebben de nagedachtenis der dooden van hunne wel-herinnerde verschijning en vorm op aarde af te scheiden; want de begraving volgt te spoedig op den dood, daar zij bijna altijd binnen de vier en twintig, en somtijds binnen de twaalf uren plaats heeft.

Te Rome zijn de grafputten in eene groote, vlakke, open, akelige ruimte, evenals ik ze reeds te Genua beschreven heb. Toen ik ze omstreeks den middag bezocht, zag ik eene enkele kist van geschaafde planken, niet gedekt door eenig doodkleed en zóó licht gemaakt, dat de hoef van een of anderen voorttredenden muilezel haar zou hebben ingetrapt. Men had haar zorgeloos, op eene zijde liggende, aan den ingang van een dezer graven, alleen gelaten, in regen en zonneschijn. „Hoe komt die hier?” vroeg ik den man, die mij de plaats rondvoerde. „Zij is een half uur geleden hier gebracht, Signor!” zeide hij. Ik herinnerde mij, dat ik de processie ontmoet had, toen zij terugkwam en die vrij stevig aanstapte. „Wanneer zal zij in het graf neergelaten worden?” vraagde ik hem. „Als de kar komt en de put heden avond geopend wordt,” antwoordde hij. „Hoeveel kost het om op zulk eene wijze hier gebracht te worden, in plaats van met de kar?” vraagde ik hem. „Tien scudi,” zeide hij, (ongeveer vijf en twintig gulden en vijftig centen Nederlandsch courant). „De andere lijken, waarvoor men niets betaalt, worden naar de kerk van Santa Maria della Consolazione gevoerd,” vervolgde hij, „en hier des nachts gezamenlijk met de kar gebracht.” Ik stond een oogenblik naar de kist te turen, op welker deksel twee letters gekrast waren, en wendde het hoofd af, met eene uitdrukking op mijn gelaat, waaruit hij, zooals ik vooronderstel, geene goedkeuring van zijne wijze van zien bespeurde; want hij zeide, terwijl hij zijne schouders met groote levendigheid optrok en vriendelijk glimlachte: „Maar hij is dood, Signor, hij is dood. Waarom niet?”

Onder de talrijke kerken is er eene, die ik verkozen heb om er bijzonder melding van te maken. Het is de kerk van de Ara Cœli, die men vooronderstelt, op de plaats van den ouden tempel van Jupiter Teretrius gebouwd te zijn, en aan eene zijde genaderd wordt door eene hooge steile trap, die onvolmaakt schijnt zonder eene groep gebaarde wichelaars er bovenop. Zij is opmerkenswaardig, omdat zij een wonderdadig Bambino of houten pop bezit, den Zaligmaker, als kind, voorstellende, en ik zag het eerst dit wonderdadig Bambino (kind: het is de vaste naam er van) op de volgende wijze:

Wij doolden op zekeren achtermiddag door de kerk en zagen langs hare reeks sombere pilaren, (want al deze oude kerken, op de puinhoopen van oude tempels gebouwd, zijn duister en treurig), toen de brave koerier kwam binnenloopen met een grijns op zijn gelaat, die zich van het eene oor naar het andere uitstrekte, en ons verzocht hem zonder een oogenblik oponthoud te volgen, daar zij aan eenige uitverkorenen het Bambino zouden laten zien. Diensvolgens snelden wij naar eene soort van kapel of sacristie, vlak bij het hoofdaltaar, maar niet in de kerk zelve, waar de uitverkorenen, die uit twee of drie katholieke heeren en dames (geen Italianen) bestonden, reeds vergaderd waren: en waar een jonge monnik, met ingevallene wangen, verscheidene kaarsen aanstak, terwijl een ander eenige kerkelijke gewaden over zijn grof, bruin kleed aantrok. De kaarsen stonden op een soort van altaar, en daarboven waren twee fraaie beelden, zooals gij ze op iedere Engelsche kermis zien kunt, die, zooals ik denk, de Heilige Maagd en Sint Jozef voorstellen, welke godvruchtig gebogen zijn over eene houten doos of koffer, welke gesloten was.

Nadat de monnik met de ingevallen wangen, nummer een, de kaarsen had aangestoken, viel hij, in een hoek, voor het belangrijk stuk op zijne knieën, en de monnik nummer twee lichtte, na een paar fraai versierde en met goud gewerkte handschoenen aangetrokken te hebben, den koffer met grooten eerbied op en zette dien op het altaar. Vervolgens, na de knieën vele malen gebogen en zekere gebeden gemompeld te hebben, opende hij hem, lichtte er het deksel af en nam er verscheidene satijnen en kanten kleedjes uit, die er binnenin lagen. De dames hadden van het begin af aan geknield; en de heeren vielen nu ook godvruchtig neder, toen hij eene kleine houten pop ten toon stelde, die in uiterlijk zeer geleek naar generaal Tom Thump, den Amerikaanschen dwerg, prachtig uitgedost in satijn en gouden kant, en als in een gloed staande van de schitterende juweelen. Er was nauwelijks eene plaats op de kleine borst, of nek, of maag, of het flonkerde van de kostbare offeranden der geloovigen. Onmiddellijk daarop lichtte hij haar uit de doos, en terwijl hij haar te midden der knielenden ronddroeg, raakte hij het voorhoofd van iedereen aan met haar gelaat en stak haar lompen voet uit, om gekust te worden—eene plechtigheid, die zij allen volbrachten, tot zelfs een kleine, smerige straatjongen, die van de straat was binnengeslopen. Toen dit gedaan was, legde hij het beeldje weder in de doos; en nadat het gezelschap opgestaan was en nader bij trad, sprak het al fluisterende over de meerdere of mindere schoonheid der juweelen. Vervolgens plaatste hij er het deksel weer op, sloot de doos, zette haar op hare plaats, sloot alles weder (Heilige Familie en al) achter een paar dichtslaande deuren, ontdeed zich van zijne geestelijke kleeding, en ontving de gewone „kleine belooning,” terwijl zijn metgezel, door middel van een domper, aan het einde van een langen stok vastgemaakt, de lichten achter elkander uitdoofde. Toen de kaarsen alle uitgedoofd en de gelden verzameld waren, vertrokken zij, en dit deden de toeschouwers ook.

Ik ontmoette datzelfde Bambino eenigen tijd daarna, toen het in groote staatsie naar het huis van een zieke ging. Het wordt te dien einde steeds naar alle gedeelten van Rome gedragen; maar ik heb vernomen dat het niet altijd zulke goede gevolgen heeft als men wel verwachten kon; want, wanneer dit het bed van zwakke en zenuwachtige menschen nadert, die op het uiterste liggen, verzeld door eene talrijke menigte, dan gebeurt het niet zelden, dat zij doodelijk schrikken. Het is vooral populair in bevallingen, waar het zulke wonderen heeft verricht, dat, indien eene dame langer dan gewoonlijk in arbeid verkeert, een bode met alle haast wordt afgezonden, om de onmiddellijke komst van het Bambino te verzoeken. Het is een zeer voordeelgevend eigendom, en men stelt er veel vertrouwen in—voornamelijk de godsdienstige corporatie waaraan het behoort.

Het verheugt mij te weten, dat het door sommige goede Katholieken, die niet al te kortzichtig zijn, voor niet onfeilbaar wordt gehouden; zooals mij verhaald is geworden door den naasten bloedverwant van een priester, zelven een Katholiek, en een geleerd en vernuftig mensch. Deze priester nam van mijn berichtgever de belofte af, dat hij, wat er ook gebeuren mocht, nimmer zou toestaan dat het Bambino in de kamer zou gevoerd worden van eene zieke dame, waarin zij beiden belang stelden. „Want,” zeide hij, „als zij (de monniken) haar daarmede lastig vallen, en in hare kamer dringen, zal het haar zekerlijk dooden.” Diensvolgens keek mijn berichtgever uit het venster, toen het er heen werd gedragen, en weigerde, onder vele dankbetuigingen, de deur te openen.

Hij beproefde in een ander geval, waarvan hij niet meer kennis droeg dan die, welke hij als voorbijganger, juist op het oogenblik verkregen had, te voorkomen dat het in eene kleine, ongezonde kamer werd gevoerd, waar een arm meisje lag te sterven. Maar het gelukte hem niet, en zij stierf, terwijl de menigte zich rondom haar bed verdrong.

Te midden van het volk, op hun gemak in de St.-Pieterskerk komende om op den grond te knielen en in stilte te bidden, zijn de leerlingen van zekere scholen en seminariums voor priesters en anderen, twintig of dertig in getal. Deze jongens knielen altijd op eene rij, de een achter de ander, met een langen knorrigen meester, in een lang zwart pak gekleed, en die de achterste is; evenals een spel kaarten, die gerangschikt zijn om met ééne aanraking om te vallen, en een verschrikkelijk grooten schoppenboer aan het einde hebben. Als zij eenige oogenblikken voor het hoofdaltaar gelegen hebben, staan zij op en gaan naar de kapel der Madonna, of naar het sacrament, en vallen daar in dezelfde orde neder; zoodat, indien iemand tegen den meester aan zou vallen, eene algemeene en plotselinge omverwerping van de geheele reeks er noodzakelijk op moet volgen.

Het tooneel in al de kerken is zoo vreemd mogelijk. Dezelfde eentonige, ziellooze, slaperige zang, die altijd voortduurt; hetzelfde sombere gebouw, welks somberheid nog sterker wordt door het schitterende van de straat er buiten; dezelfde lampen, die dof branden; hetzelfde volk, hier en daar knielende, van een of ander altaar naar u toegekeerd; dezelfde priesterrug met hetzelfde groote kruis er op geborduurd. Hoe verschillend in uitgebreidheid, vorm, rijkdom en bouwstijl de eene kerk van de andere moge wezen, het is altijd hetzelfde. Er zijn dezelfde vuile bedelaars, met het binnensmonds prevelen hunner gebeden ophoudende om te bedelen; dezelfde ellendige verminkten, die hunne wanstaltigheid aan de deuren ten toon spreiden; dezelfde blinden, die met kleine potjes, als peperbossen—hunne aalmoesbossen—rammelen; dezelfde onhebbelijke zilveren kronen, gesteld op het geschilderde hoofd van enkele Heiligen en Maagden, in volgepropte schilderstukken; zoodat een klein beeldje op een berg een hoofdsieraad heeft, dat grooter is dan de tempel op den voorgrond, of mijlen omtreks van het nabijgelegen landschap; hetzelfde geliefkoosde reliekkastje of beeld, bedolven onder kleine zilveren harten en kruisen en wat dies meer zij; die tevens de hoofdzakelijke voorwerpen van den handel en de uitstalling van al de juweliers zijn; dezelfde gekke mengeling van eerbied en onwelvoegelijkheid, van ijverig geloof en koelheid; daar zij op de steenen knielen en er met gedruisch op spuwen; uit hun gebed opstaan om eventjes te bedelen, of om zich met eenige andere wereldsche aangelegenheid te bemoeien, en dan weer neerknielen, om de deemoedige smeekbeden te hervatten bij het punt waar zij ze hebben afgebroken. In eene kerk stond eene knielende dame een oogenblik uit haar gebed op, om ons haar adreskaartje als onderwijzeres in de muziek te overhandigen, en in eene andere brak een deftig heer, met een zeer dikken wandelstok, zijne gebeden af en stond op om zijn hond te ranselen, die tegen een anderen hond blafte, en wiens gekef en gejank door de kerk weergalmden, toen zijn meester bedaard den draad zijner vroegere bespiegelingen weer opvatte—maar evenwel tevens een oog op den hond bleef houden.

Bovenal is er voor de bijdragen der geloovigen steeds eene inzamelbos in den een of anderen vorm. Soms is het eene geldbos, geplaatst tusschen het houten, levensgroote beeld des Verlossers en den aanbidder; soms is het een kistje voor het onderhouden der H. Maagd; somtijds een beroep op de mildheid, ten behoeve van een populair Bambino; soms is het een zak, op het eind van een langen stok, hier en daar tusschen het volk gestoken, en waarmede een wakkere sacristijn ijverig rinkelt; maar men vindt ze er altijd, en vaak in verschillende vormen in dezelfde kerk, en over het algemeen goede zaken makende. Deze ontbreekt ook niet in de vrije lucht—de straten en wegen,—want zoo dikwijls ge wandelt en daarbij aan alles denkt, behalve aan eene blikken geldbos, springt u zulk een voorwerp uit een klein huisje aan den weg in de oogen, aan welks top is geschilderd: „Voor de zielen in het vagevuur,” een beroep, dat meermalen wordt herhaald door hem, die de bos houdt, terwijl hij ze voor u schudt, bijna evenals Janklaassen de gebarsten schel doet klinken waarvan zijn driftige aard een orgel maakt.

Dit herinnert mij, dat eenige Romeinsche altaren van buitengewone heiligheid het opschrift voeren: „Elke mis, op dit altaar gelezen, bevrijdt eene ziel uit het vagevuur.” Ik ben nooit in staat geweest, de kosten van zoodanig een dienst te weten te komen; maar zij moeten nogal aanzienlijk wezen. Er zijn ook onderscheiden kruisen te Rome, die, als men ze kust, aflaten voor onderscheiden tijdruimte geven. Dàt in het midden van het Coliseum verschaft er een van honderd dagen; en men kan er van den ochtend tot den avond menschen zien, die het kussen. Het is zonderling, dat eenige van die kruisen eene willekeurige populariteit schijnen te verkrijgen. Het genoemde is er een van. In een ander gedeelte van het Coliseum, is een kruis op eene marmeren plaat, met het opschrift: „Wie dit kruis kust, heeft aanspraak op tweehonderd veertig dagen aflaat.” Maar ik zag niet, dat het door iemand werd gekust, ofschoon ik dagen achtereen in het strijdperk zat, en het door troepen op troepen boeren zag voorbijgaan, op weg om het andere te kussen.

In de Mamertijnsche gevangenis is eene bovenkamer, boven welke gezegd wordt—en licht mogelijk dat het aldus was—de kerker van St.-Petrus te zijn geweest.

Deze kamer is thans ingericht als een bedehuis, aan dien Heiligen gewijd, en ook die blijft als eene afgescheidene plaats in mijne herinnering levendig. Zij is zeer klein en laag van verdieping, en het akelig sombere der verschrikkelijke, harde, oude gevangenis zweeft er nog over, als ware het er in een dichten nevel door den grond naar boven gekomen. Onder de massa gelofte-offeranden, welke er aan den muur hangen, zijn voorwerpen van welke het vreemd is dat zij bewaard worden en die zonderling afsteken bij de plaats—geroeste dolken, messen, pistolen, knuppels en verschillende werktuigen van geweld en moord, welke, pas gebruikt, hier gebracht en opgehangen zijn, om den beleedigden Hemel te verzoenen, alsof het bloed, hetwelk er nu op zat, er af zou druipen in gewijde lucht, en geen stem zou hebben tot schreien. Het is daar alles zóó stil en zóó eng en zóó grafachtig, en de kerkers er onder zijn zóó donker en zóó verborgen en doodsch en naakt, dat die kleine donkere plek tot een droom in een droom wordt; en in het droomgezicht van groote kerken, die langs mij heen kwamen rollen als eene zee, vormde zij eene kleine golf op zich zelve, die in geene andere versmolt en met de overige niet voortrolde.

MODELLEN VOOR KUNSTENAARS.
MODELLEN VOOR KUNSTENAARS.

MODELLEN VOOR KUNSTENAARS.

Men wordt angstig als men denkt aan de verbazende groeven, waarin men uit sommige kerken toegang krijgt, en die de stad ondermijnen. Vele kerken hebben crypta en onderaardsche kapellen van grooten omvang, welke in oude tijden badvertrekken waren en geheime kamers van tempels en wat niet al; maar daarvan spreek ik niet. Onder de kerk van St. Giovanni en St. Paulo zijn de kaken van eene verschrikkelijke rij holen in de rots uitgehouwen, en waarvan gezegd wordt, dat ze nog een uitgang onder het Coliseum hebben—verbazende duistere ruimten van eene groote uitgebreidheid, half onder de aarde bedolven en onbegaanbaar; waar de doffe fakkels, in de handen der oppassers zwaaiende, langs uitgestrekte gangen schemeren van verafgelegen bogen, met rechts en links vertakkingen van dwarsgangen, als straten in eene stad van dooden, en het zichtbaar doen worden, hoe de vochtigheid hier langs de muren sijpelt: drip-drop, drip-drop, en zich gaat vermengen met de waterpoelen, die hier en daar liggen, en geen straal der zon ooit gezien hebben of immer zullen zien. Volgens eenige berichten zouden dit de bewaarplaatsen zijn geweest der wilde dieren, welke voor het strijdperk waren bestemd; volgens sommigen zouden het de kerkers zijn geweest voor veroordeelde kampvechters; volgens anderen, beide. Maar de legende, die den geest het meest verplet, is, dat in de bovenste reeks (want er zijn twee verdiepingen van deze holen) de eerste Christenen, die er toe bestemd waren bij de vertooningen in het Coliseum door de wilde dieren te worden verscheurd, die naar hen hongerende wilde dieren beneden hoorden brullen, totdat, na den nacht en de eenzaamheid hunner gevangenschap, zich plotseling de middag en het gewoel van het kamptooneel, tot aan de borstweringen volgepropt, aan hunne oogen vertoonde, en zij tevens hunne gevreesde naburen er in zagen springen.

Onder de kerk van San Sebastiano, twee mijlen buiten de poort van dien naam, aan den Appiaanschen weg, is de ingang naar de catacomben van Rome—oudtijds steengroeven, maar naderhand de schuilplaatsen der Christenen.—Deze ijselijke plaatsen zijn twintig mijlen ver uitgehold en vormen eene keten van doolhoven, die zestig mijlen in den omtrek heeft.

Een magere Franciskaner monnik, met schitterend oog, was onze eenige gids in die diepgelegen en verschrikkelijke plaats. De nauwe wegen en openingen, die hier en daar zijn, en daarbij de dompige en zware lucht, wischte in ons allen ook de laatste heugenis uit van den weg, langs welken wij waren gekomen; en ik kon het denkbeeld niet onderdrukken: „Goede Hemel, als hij nu eens in een aanval van krankzinnigheid de fakkels ging uitdooven, of als hij eens daar een toeval kreeg, wat zou er dan van ons worden!” Wij gingen altijd voort tusschen graven van martelaren en kwamen langs groote onderaardsche gewelfwegen, die naar alle richtingen liepen, en door steenhoopen verstopt waren, opdat er zich geene dieven en moordenaars verschuilen en onder Rome eene bevolking vormen zouden, erger zelfs dan die tusschen haar en de zon leeft. Graven, graven en nog al graven; graven van mannen, van vrouwen, van hunne kleine kinderen, die al aansnellende hunne vervolgers toeriepen: „Wij zijn Christenen! Wij zijn Christenen!” opdat zij met hunne ouders omgebracht mochten worden. Graven met den palm van het martelaarschap, ruwelijk gehouwen in hunne steenen wanden, en kleine nissen, gemaakt om eene vaas met des martelaars bloed te bevatten; graven van sommigen, die jarenlang hier beneden leefden, aan de overigen tot herders strekten, en waarheid en hoop en troost predikten van de ruwe altaren, die getuigenis gaven van hunne zielskracht in dat uur; nog ruimere maar veel verschrikkelijker graven, waar honderden, die overvallen waren, ingesloten en ingemetseld, voor het sterfuur begraven, en gedood werden door langzamen hongerdood.

„De zegepralen van het geloof zijn niet boven den grond in onze prachtige kerken,” zeide de monnik, in de rondte en op ons ziende, toen wij stilhielden om te rusten in een van de lage gangen, terwijl beenderen en stof ons overal omringden. „Zij zijn hier! te midden van de graven der martelaren!” Hij was een aardig, ernstig man, en zeide het van harte; maar als ik bedacht, hoe Christenen met elkander hebben gehandeld, hoe zij, onzen hoogst liefderijken godsdienst bedervende, elkander hebben gejaagd en gepijnigd, verbrand en onthoofd, verworgd, geslacht en onderdrukt, dan schilderde ik mij een doodangst, die veel erger was dan die, welke doorgestaan werd door dit stof, toen er nog adem in was, en hoezeer die groote en standvastige harten geschokt zouden zijn geworden—hoe zij zouden hebben gekwijnd en genokt—indien een voorgevoel van de daden, welke door erkende Christenen bedreven zouden worden, in den grooten naam voor welken zij stierven, hen met de eigen onuitsprekelijke smart zou hebben verscheurd op het vreeselijke rad, en het bittere kruis, en in het verschrikkelijke vuur.

Dit zijn de plekken en strepen in mijn droom van kerken, die afzonderlijk staan en hare afgescheiden eenzelvigheid bewaren. Soms heb ik eene flauwere herinnering van de relieken; van het fragment des pilaars van den tempel, die in tweeën scheurde; van het stuk der tafel, waarop het Laatste Avondmaal is gehouden; van den put, uit welken de vrouwen van Samaria den Heiland water gaven; van twee kolommen van het huis van Pontius Pilatus; van den steen, aan welken de heilige handen werden gebonden, toen de geeseling werd verricht; van den rooster van Sint Laurentius en den steen er onder, waarop de merkteekens van het braden van zijn vet en bloed: dit alles gaf aan sommige hoofdkerken iets schaduwachtigs, hetwelk geleek naar eene oude geschiedenis of eene fabel, en ze een oogenblik tegenhielden, toen zij voor mij wegsnelden. Het overige is eene uitgestrekte woestenij van gewijde gebouwen, van alle vormen en smaak en die met elkander vermengd zijn; gebroken zuilen van Heidensche tempels, uit den grond gegraven, en, als waren het gevangen reuzen, gedwongen tot het dragen der daken van Christelijke kerken; van schilderstukken, slechte en verwonderlijke en goddelooze en bespottelijke; van knielend volk; van wierookdampen, die onder het opstijgen in en door elkander krullen; van luidende klokken, en soms (maar niet dikwijls) van een spelend orgel; van Madonnen, wier borst bestoken is met zwaarden, in een halven cirkel geschikt als een nieuwerwetsche waaier; van nog bestaande geraamten van doode Heiligen, op afschuwelijke wijze opgetooid met zwierige satijnen, zijden en fluweelen stoffen, met goud versierd, en wier uitgebleekte schedel versierd is met kostbare juweelen of met kransen van verwelkte bloemen; van het volk, dat soms was vergaderd rondom den kansel, en een monnik er in, die het kruisbeeld uitstrekte en op stoute wijze preekte; van de zon, die juist door een hoog venster binnenstroomt op het zeil, dat boven hem en dwars over de kerk is gespannen, om te voorkomen, dat zijne forsche stem zich verlieze in den galm der zoldering. Dan bestijgt mijn vermoeid geheugen eene trap, waar hoopen menschen liggen te slapen of zich in de zon koesteren, en dwaalt rond tusschen de vodden, die uitwasemingen en paleizen en hutten een Italiaansche straat.

Op een Zaterdagochtend (den achtsten Maart) werd hier een man onthoofd. Negen of tien maanden te voren had hij eene Beiersche gravin aangevallen, die als bedevaartgangster naar Rome reisde—alleen, en natuurlijk te voet—en, naar men zegt, dit vrome werk ten vierden male verrichtende. Hij zag haar te Viterbo, waar hij woonde, een goudstuk wisselen; volgde haar; hield haar, meer dan veertig mijlen ver, op hare reis gezelschap, onder het verraderlijk voorwendsel haar te beschermen; vervulde zijn onafgebroken voornemen door haar op de Campagna, op een kleinen afstand van Rome, aan te vallen, in de nabijheid van hetgeen het graf van Nero wordt genoemd (maar het niet is); beroofde haar en sloeg haar met haar eigen pelgrimsstaf dood. Hij was kortelings gehuwd, en schonk iets van hare sieraden aan zijne vrouw, aan wie hij zeide, dat hij het op eene kermis had gekocht. Zij nochtans, die de ter bedevaart gaande gravin hare stad had zien doortrekken, herkende eene kleinigheid, als haar hebbende toebehoord. Toen vertelde de man haar wat hij had gedaan. Zij verhaalde het in de biecht aan een priester; en binnen vier dagen na het bedrijven van den moord was de man gevangengenomen.

In dit onbegrijpelijk land zijn geen bepaalde tijden voor de bedeeling of de uitvoering des rechts, en hij was na dien tijd aanhoudend in de gevangenis gebleven. Des Vrijdags, toen hij des middags met de andere gevangenen at, kwamen ze hem zeggen, dat hij den anderen dag zou worden onthoofd, en namen hem mede. Het is zeer ongewoon, doodstraffen in de Vasten ten uitvoer te leggen; maar daar deze misdaad zeer erg was, achtte men het raadzaam, door hem op dien tijd ter dood te brengen, een voorbeeld te stellen; dewijl er alsdan een groot aantal pelgrims uit alle streken naar Rome komen om de Heilige Week. Ik hoorde het Vrijdagavond en zag de plakkaten aan de kerken, die het volk vermaanden, voor de ziel van den misdadiger te bidden. Ik besloot er heen te gaan om hem ter dood te zien brengen.

Het onthoofden was bepaald ten veertien en een half uur, Romeinsche tijdrekening: of kwartier voor negenen des ochtends. Ik had twee vrienden bij mij; en daar wij niet anders dachten dan dat er eene overgroote menigte menschen zou zijn, waren wij reeds ten halfacht ter plaatse. De plaats waar de straf zou worden uitgevoerd, was in de nabijheid der kerk van San Giovanni de collato (Sint Johannes de onthoofde)—een twijfelachtig compliment aan Sint Johannes den dooper, in eene van de onbegaanbare straten zonder voetpad, waaruit een groot gedeelte van Rome bestaat—eene straat van vergane huizen, die niemand schijnen te behooren, en nooit bewoond te zijn geweest, en welke voorzeker nooit naar eenig plan of met eenig doel werden gebouwd, en geene schuiframen hebben, en er eenigermate uitzien als verlaten brouwerijen, en magazijnen konden wezen, als er maar iets in ware. Tegenover een van deze—een wit huis—was het schavot opgeslagen, een onzindelijk, ongeschilderd, misselijk ding, dat er, natuurlijk, heel gek uitzag: ’t was zoo wat zeven voet hoog: met een hoog, galgvormig raam er op staande, waarin het mes hing, dat, bevracht met eene schrikkelijke massa ijzer, geheel gereed was neer te vallen, en helder blonk in de morgenzon, als die, nu en dan, eens van achter eene wolk uitkeek.

Er was niet veel volk in de nabijheid; en dit werd door troepen pauselijke dragonders op een aanmerkelijken afstand van het schavot gehouden. Er waren twee- of driehonderd infanteristen onder de wapens, op hun gemak hier en daar in groepen bijeen staande, en officieren wandelden bij tweeën en drieën op en neer, en snapten met elkander en rookten sigaren.

Aan het einde der straat was eene open ruimte, waar stellig een vuilnishoop was, en stapels gebroken aardewerk en hoopen van groente-afval, daar zulke dingen in Rome door ieder overal worden neergeworpen, en er geen bijzondere plek mee wordt begunstigd. Wij kwamen binnen een soort van waschhuis, dat behoorde tot eene woning, op die plaats gelegen; en dáár staande op eene oude kar en op een hoop karrewielen, die er tegen den muur waren opgestapeld, hadden wij, door een groot getralied venster, het uitzicht op het schavot en de straat die er achter lag, tot door het plotselijk links wenden van deze, ons perspectief eensklaps afbrak, en gesloten werd door een dikken officier, met een steek op het hoofd.

Het sloeg negen, het sloeg tien uur, en er gebeurde niets. Al de kerkklokken luidden als naar gewoonte. Een klein parlement van honden kwam op de open plaats bijeen, en jaagde elkander na, binnen en buiten den kring der soldaten. Trotsch ziende Romeinen der gemeenste klasse, in blauwe mantels en rosse mantels en onbemantelde lompen, gingen af en aan en praatten met elkander. Vrouwen en kinderen scharrelden aan de zijden van de smerige menigte. Eene groote modderige ruimte was geheel onbezet gelaten, gelijk eene kale plek op een menschenhoofd. Een sigarenverkooper, met een aarden pot met glimmende houtskolen in de eene hand, ging op en neer, terwijl hij zijne waar uitventte. Een pasteiverkooper verdeelde zijne aandacht tusschen het schavot en zijne klanten. Jongens beproefden de muren te beklimmen en buitelden weer naar omlaag. Priesters en monniken maakten zich tusschen het volk met de ellebogen ruimte, en stonden op de teenen om een kijkje van het mes te kunnen nemen, en gingen toen weer heen. Kunstenaars met allerzonderlingste hoeden uit de middeleeuwen, en baarden (den hemel zij dank) uit geene eeuw hoegenaamd, wierpen schilderachtige blikken rondom zich. Een heer (ik denk dat hij met de schoone kunsten in betrekking stond) ging op en neer, in een paar rijlaarzen en een rooden baard, die op zijne borst neerhing; en zijn lang en schitterend rood haar, in twee vlechten gestrengeld, waarvan er, aan de voorzijde, langs elken schouder één tot aan de middel neerhing, was met zorg gevlochten en geschikt.

Het sloeg elf uur, en nog al gebeurde er niets. Onder de menigte liep het gerucht, dat de misdadiger niet wilde biechten; in welk geval de priester bij hem bleef tot het Ave Maria luidde (zonsondergang); want het is hunne liefderijke gewoonte, nimmer het kruisbeeld vóór dat oogenblik voorgoed weg te wenden van iemand, die, in zulk een toestand zijnde, weigert te biechten, en dus een zondaar is, dien de Heiland verlaten heeft. Het volk begon af te zakken. De officieren haalden hunne schouders op en schenen te twijfelen. De dragonders, die elk oogenblik tot onder ons raam kwamen rijden, om eene ongelukkige huurkoets of kar weg te jagen, zoodra zij zich gemakkelijk had geplaatst, en bedekt was met vroolijk volk (maar nooit vroeger), werden trotsch en driftig. De kale plek had geen enkel haartje gekregen, en de dikke officier, die het perspectief sloot, verbruikte eene schrikkelijke hoeveelheid snuif.

Plotseling klonk er trompetgeschal. „Geef acht!” luidde het dadelijk onder de infanterie. Zij trokken op naar het schavot en werden er romdom geschaard. Ook de dragonders galoppeerden naar hunne standplaatsen meer in de nabijheid. De guillotine werd het middelpunt, van een bosch van glinsterende bajonetten en blinkende sabels. Het volk drong naderbij tot naast de soldaten. Een lange slingerende stroom van mannen en knapen, die den optocht van de gevangenis af had verzeld, kwam naar de open plaats toevloeien. De kale plek was nauwelijks van het overige te onderkennen. De sigaren- en pasteiverkoopers lieten alle gedachten van handel voor het oogenblik varen, en zich geheel aan het genoegen overgevende, zochten zij naar een goed plaatsje tusschen de menigte. Nu eindigde het perspectief in een troep dragonders. En de dikke officier, die den degen had getrokken, zag strak naar eene kerk in zijne nabijheid, welke hij kon zien, maar die voor ons, de menigte, onzichtbaar was.

Na eene korte poos zag men eenige monniken uit die kerk en het schavot nabij komen, en, boven hunne hoofden uit, het beeld van Christus aan het kruis, onder een zwart verhemelte, langzaam en treurig naderen. Dit werd rondom het schavot gedragen, naar de voorzijde en toen naar den misdadiger gekeerd, opdat hij ’t tot zijne laatste oogenblikken zou kunnen zien. Het was nauwelijks geplaatst of hij verscheen barrevoets op het plat. Zijne handen waren gebonden, en de boord en het halsgedeelte van het hemd was bijna tot aan de schouders weggesneden. Het was een jong man—zes en twintig jaren,—sterk gebouwd en welgevormd. Bleek aangezicht; kleine donkere knevels en donkerbruine haren.

Het bleek, dat hij had geweigerd te biechten alvorens men hem zijne vrouw zou hebben gebracht, om hem te bezoeken: men had een escorte naar deze gezonden, waardoor de vertraging veroorzaakt was geworden.

De scherprechter vatte het bij de haren, wandelde er het schavot mede rond, en toonde liet aan ’t volk, vóór iemand goed wist dat het mes zwaar en ratelend was neergevallen.

Toen het de vier zijden van het schavot was rondgedragen, werd het op een paal aan de voorzijde geplaatst—eene kleine streep zwart en wit, opdat er de lange straat op mocht staren en de vliegen zich er op konden neerzetten. De oogen waren naar boven gekeerd, als vermeden zij het gezicht van den lederen zak, en waren naar het kruisbeeld gericht. Elke blos en kleur van leven was er op dat oogenblik uit vervlogen. Het was dof, koud, lijkkleurig, als was. Het lichaam evenzeer.

Er was veel bloed. Toen wij het raam verlieten en dicht bij het schavot kwamen, was het zeer morsig; een van de beide mannen, die er water overheen goten, zich omkeerende, om den ander behulpzaam te zijn het lijk in eene kist te lichten, trippelde naar hem toe als ging hij door de modder. Vreemd was het, de schijnbare vernietiging van den hals na te gaan. Het hoofd was zoo glad afgesneden, dat het scheen alsof het mes rakelings langs de kaak was gegaan, en die bijna beschadigd of het oor afgeschaafd had; en het lijk zag er uit als ware er niets boven den schouder gelaten.

Niemand bekreunde er zich om, of was in het minst aangedaan. Men zag geene blijken van walging, of medelijden, of verontwaardiging, of droefheid. Mijne ledige zakken werden onmiddellijk onder het schavot eenige malen in het gedrang onderzocht, toen het lijk in de kist werd gelegd. Het was een leelijk, morsig, slordig tooneel, dat misselijk maakte en alleen slachting vertoonde; uitgezonderd het belang van het oogenblik voor den ongelukkigen handelenden persoon. Ja! zulk een gezicht bevat eene beteekenis en eene waarschuwing, die ik niet wil vergeten. Zij, die in de loterij speculeeren, plaatsen zich op gunstige punten, om de bloeddroppels te tellen die er hier en daar uitspatten, en bezetten dat getal. Men acht zich tamelijk zeker een prijs daarop te krijgen.

Ten behoorlijken tijde werd het lichaam weggereden, het mes schoongemaakt, het schavot afgebroken en den geheelen afschuwelijken toestel weggenomen. De scherprechter, ex officio buiten de wet gesteld (welk een schotschrift op de straf) die op doodstraf de brug van St. Angelo niet mag overgaan, behalve om zijn werk te verrichten, keerde naar zijn hol terug en de vertooning was uit.

Aan het hoofd der verzamelingen in de paleizen van Rome staat, natuurlijk, het Vatikaan met zijne kunstschatten, zijne verbazende galerijen en trappen, en reeksen op reeksen van onmetelijke kamers, in den hoogsten en eersten rang. Er zijn veel edele standbeelden en overheerlijke schilderijen; maar het is geene ketterij wanneer men zegt, dat er eene groote menigte prulwerk ook is. Vindt eenig oud stuk beeldhouwwerk, dat opgedolven werd, plaats in eene galerij omdat het oud is, en zonder de inwendige verdiensten in aanmerking te nemen; en vindt het honderden bewonderaars omdat het daar is, en om geene andere reden ter wereld; daar zal er ook geen gebrek wezen aan voorwerpen, die geheel onverschillig zijn in het eenvoudige gezicht van hem, die zulk een alledaagsch eigendom bezichtigt, als het hem zoo weinig zou kosten door den bril van anderen te zien, en zich, alleen door de kleine moeite van napraten, als een man van smaak voor te doen.

Ik voor mij erken volmondig, dat ik mijn natuurlijk gevoel van vatbaarheid voor hetgeen natuurlijk en waar is, in Italië of elders niet kan achterlaten, zooals ik met mijne schoenen zou doen als ik in het Oosten reisde. Ik kan niet vergeten, dat er zekere uitdrukkingen des gelaats bestaan, die eigen aan zekere hartstochten, en zoo onveranderlijk van aard zijn als de gang van een leeuw of de vlucht van een arend. Zaken, zóó algemeen bekend als de gewone evenredigheden van menschenarmen en beenen en hoofden, kan ik uit mijne stellige wetenschap niet wegwisschen; en als ik voorstellingen voor oogen krijg, die deze ondervinding en herinneringen geweld aandoen, dan kan ik, ’t moge wezen waar het wil, ze niet met een eerlijk gemoed bewonderen en acht het best dit te zeggen, in spijt van een verheven critischen raad, dat wij soms bewondering moeten aan den dag leggen ofschoon wij ze niet gevoelen.

Daarom beken ik: Als ik een jongen, vroolijken kadraaier een cherubijntje zie voorstellen, of den sleper eener bierbrouwerij als een Evangelist zie geschilderd, dan zie ik in de voorstelling, hoe groot de beroemde schilder er ook van zij, niets te prijzen of te bewonderen. Even weinig ben ik vooringenomen met schendige engelen, die op violen en bassen spelen, ter stichting van monniken die op sterven liggen, en er uitzien als stonden zij op spiritus; noch met Sint Franciscussen en Sint Sebastiaans, die wriemelen in galerijen, welke beide, zoo denk ik er over, als kunstwerken, zeer ongemeene, zeldzame verdiensten moeten bezitten, om hunne vermenigvuldiging op allerlei wijze door Italiaansche schilders te rechtvaardigen.

Het schijnt mij ook toe, dat de verwarde en bepaalde verrukkingen, waarin sommige kunstrechters vervallen, niet is overeen te brengen met de wezenlijke waardeering van werken, die inderdaad groot en uitmuntend zijn.

Ik kan mij, bij voorbeeld, niet verbeelden, hoe de vastberaden kampioen van schilderijen zonder verdienste het kan uitschreeuwen bij de bewonderenswaardige schoonheid van Titiaan’s groote schilderij van de Hemelvaart der Heilige Maagd te Venetië; of hoe hij, die wezenlijk aangedaan wordt door het verhevene van dit keurig kunstvoortbrengsel, of die waarlijk de schoonheid gevoelt van Tintoretto’s groote schilderij van de Vergadering der Zaligen, ter zelfder plaatse, in Michaël Angelo’s Laatste Oordeel, in de Sixtijnsche Kapel, eenige algemeene gedachte of een doorloopend denkbeeld kan onderscheiden in overeenstemming met het verheven onderwerp.

Hij, die Raphaël’s meesterstuk, de Transfiguratie, zal beschouwen en in eene andere kamer van hetzelfde Vatikaan zal gaan, en eene andere teekening van Raphaël beziet, die (als eene ongeloofelijke caricatuur) het miraculeus blusschen van een grooten brand door Leo den Vierden voorstelt,—en dan zal zeggen dat hij ze beiden als werken van een buitengewoon genie bewondert,—moet, naar het mij voorkomt, in een der beide gevallen, en waarschijnlijk in het hooge en verhevene, van zijn opmerkingsvermogen zijn beroofd.

Het is gemakkelijk een twijfel op te werpen, maar ik twijfel inderdaad zeer, of somtijds de regels der kunst niet al te nauwkeurig worden gevolgd, en of het wel geheel goed en aangenaam is, dat wij te voren weten, waar dit beeld zal omdraaien, en waar dat beeld zal neerliggen, en waar de draperieën en de plooien zullen zijn, en veel van dien aard meer. Wanneer ik in schilderijen van verdienste, in Italiaansche galerijen, koppen gadesla, die het onderwerp onwaardig zijn, verwijt ik dit den schilder niet; want het komt mij voor, dat deze groote mannen, die, uit nood, zeer vaak in de handen van monniken en priesters vervielen, ook wat al te dikwijls monniken en priesters schilderden. Ik zie meermalen, in wezenlijk schoone schilderijen, koppen, die het onderwerp en den schilder onwaardig zijn; en ik heb steeds opgemerkt, dat deze koppen er altijd zeer kloosterachtig uitzien en tot heden toe nog huns gelijke onder de bewoners van een klooster hebben; daarom ben ik het met mij zelven eens geworden, dat, in dergelijke gevallen, de schuld niet aan den schilder lag, maar aan de ijdelheid en onwetendheid van eenigen zijner begunstigers, die apostelen wilden zijn—ten minste op doek.

De keurige bevalligheid en schoonheid der standbeelden van Canova; de verwonderlijke ernst en rust van vele der oude beeldhouwwerken, zoowel in het Kapitool als het Vatikaan; en de kracht en het vuur van vele anderen, kunnen, in hunne verscheidenheid, door geene woorden beschreven worden. Zij zijn vooral vol uitdrukking en behaaglijk voor het oog nadat men de werken van Bernini en zijne leerlingen aanschouwd heeft, waarvan de kerken van Rome, van die van St. Petrus af, overvloeien; en die, zooals ik zeker geloof, de erbarmelijkste voortbrengselen van de geheele wereld zijn. Ik zou oneindig liever (als zuivere kunstwerken) de drie godheden van het Verledene, het Tegenwoordige en het Toekomende in de Chineesche verzameling beschouwen, dan de beste van deze opgeblazen verdwaasden; in welker werken elke draperie-plooi het binnenste buiten is gedraaid; de kleinste ader of slagader zoo groot als een gewone wijsvinger, het haar evenals een nest vol schuifelende slangen is; en de houding van elk beeld alle andere buitensporigheden beschaamt. Daarom geloof ik waarlijk, dat er geene plaats ter wereld is, waar dergelijke ondraaglijke misgeboorten, door des beeldhouwers beitel voortgebracht, in zoo grooten overvloed gevonden worden als in Rome.

Er is eene fraaie verzameling Egyptische oudheden op het Vatikaan, en de zolderingen der kamers, waarin zij zijn gerangschikt, zijn in dier voege beschilderd, dat zij een met sterren bezaaiden hemel in de woestijn voorstellen. Het mag een zonderling denkbeeld schijnen, maar het maakt een vreemd effect. De grijnzende, half menschelijke monsters der tempels zien er nog boozer en monsterachtiger uit onder het hard donkerblauw, hetwelk aan alles een vreemden, onzekeren, somberen toon mededeelt—eene geheimzinnigheid, die wel past bij de voorwerpen; en gij verlaat ze, zooals gij ze gevonden hebt, in een statigen nacht gehuld.

In enkele paleizen zijn de schilderijen in het gunstigste licht geplaatst. Er zijn zelden zooveel op ééne plaats, dat er de aandacht door afgetrokken of het gezicht beneveld wordt. Gij ziet ze zeer op uw gemak, en wordt zelden door veel menschen gestoord. Er zijn tallooze portretten van Titiaan, Rembrand en Van Dijk; hoofden van Guido, Domenichino en Carlo Dolci, verschillende onderwerpen van Correggio, Murillo, Raphaël, Salvator Rosa en Spagnoletto. Vele van deze zouden inderdaad moeielijk te hoog, of genoeg geprezen kunnen worden; zoo teer en bevallig, zoo vol edele zielsverheffing, zuiverheid en schoonheid zijn ze.

Het afbeeldsel van Beatrice di Cenci, in het paleis Berberini, is eene schilderij die bijna onmogelijk is te vergeten. Van onder de uitmuntende zachtheid en schoonheid van het gelaat schijnt er iets uit, dat mij bezielt.

Ik zie het nu nog, zooals ik dit papier of mijne pen zie. Het hoofd is los in wit linnen gehuld, terwijl het blonde haar onder de plooien uitkomt. Zij heeft zich plotseling naar u toegedraaid; en er flikkert eene uitdrukking in hare oogen—hoewel zij zeer teer en liefelijk zijn—alsof zij zich tegen de woestheid van een plotselingen schrik of verstrooiing verzette en op hetzelfde oogenblik de zege had behaald; en er niets dan eene hemelsche hoop, eene edele smart en eene eenzame, aardsche hulpeloosheid overbleef.

Eenige overleveringen verhalen, dat Guido het geschilderd heeft in den nacht vóór de voltrekking der doodstraf; eenige anderen beweren, dat hij haar portret uit het geheugen schilderde, nadat hij haar op weg naar het schavot gezien had. Ik wil gaarne gelooven, dat zij, juist als gij haar op zijn doek geschilderd ziet, het hoofd, bij het eerste gezicht van de bijl, te midden van het gedrang naar hem wendde, en in zijn geest een blik drukte, dien hij den mijnen heeft wedergegeven, als had ik te midden der menigte aan zijne zijde gestaan. Het paleis der schuldige Cenci, dat eene geheele wijk der stad bederft, zooals het daar staat en bij stukken in puin valt, bezat in mijne verbeelding diezelfde uitdrukking, welke in zijne akelige poort en in zijne donkere, dicht gemuurde vensters lag, en zijne doodsche trappen op en neder zweefde, en uit de duisternis van zijne spookachtige galerijen groeide. De geschiedenis staat, door de hand der natuur zelve geschreven op het gelaat van het stervende meisje, in de schilderij te lezen. En o! wat jaagt zij, door die enkele toets, de zwakke wereld op de vlucht (in plaats van zich met haar te vermaagschappen), die voorwendt, dat zij, krachtens armzalige, te voren afgesproken bedriegerijen, met haar verbonden is.

Ik zag in het Palazzo Spada het standbeeld van Pompejus; het standbeeld, aan welks voet Cesar viel. Een ernstig, ontzaglijk beeld. Ik verbeeldde mij er een dat uitvoeriger was, van de hoogste verfijning: vol keurige toetsen; en zich minder duidelijk voordoende, in de benevelde oogen van iemand, wiens bloed juist er voor wegvloeide, zich vormde tot zulk eene strenge majesteit als dit beeld bezat, toen de dood zijn opwaarts gewend gelaat kwam bekruipen.

De uitstapjes in de nabuurschap van Rome zijn betooverend en zouden hoogst belangrijk zijn, al ware het maar door de veranderende gezichten, die zij van de woeste Campagna opleveren. Maar iedere duim gronds en elke richting is belangrijk door historische gebeurtenissen en natuurlijke schoonheden. Daar ligt Albano, met het liefelijke meer, en den met bosschen bedekten oever, en met zijne wijngaarden, die zekerlijk sedert de dagen van Horatius niet verbeterd zijn en thans ternauwernood zijne lofrede rechtvaardigen. Daar ligt het vuile Tivoli, met de rivier Anio, die hier haar loop verandert en van eene hoogte van tachtig voeten naar beneden stort. Met zijn schilderachtigen tempel der Sibylle, boven op eene rotspunt: met zijne kleine watervallen, die in de zon schitteren en flikkeren; en een groot hol, dat u somber aangaapt, waar de rivier een vreeselijken sprong neemt en naar beneden, onder sombere rotsen, voortschiet. Daar is ook de Villa d’Este, verlaten en vervallen, te midden van boschjes van droefgeestig uitziende pijn-en cipresseboomen, waar het lusthuis in staatsie schijnt te liggen. Vervolgens is er Frascati, en op de steilte er boven zijn de bouwvallen van Tusculum, waar Cicero leefde, en schreef, en zijn geliefkoosd huis versierde (eenige brokstukken er van kunnen thans nog daar gezien worden), en waar Cato werd geboren. Wij zagen het in puinhoopen liggende amphitheater op een grauwachtigen naren dag, toen de schrale Maartsche wind woei en de verspreide steenen der oude stad om den eenzamen heuvel verspreid lagen, even verwoest als de asch van een reeds lang uitgedoofd vuur.

Op zekeren dag wandelden wij met ons drieën naar Albano, veertien mijlen er vandaan; vurig verlangend er heen te gaan langs den ouden Appiaanschen Weg, sedert lang vervallen en met gras begroeid. Wij vertrokken ten halfacht uur in het open veld (Campagna). Gedurende twaalf mijlen gingen wij klimmende voort, over eene onafgebroken reeks heuveltjes en hoopjes steenen. Graftomben en tempels, die omvergeworpen en voorovergevallen waren; kleine brokstukken van kolommen, friezen en voetstukken; groote blokken graniet en marmer; in puin stortende bogen, met gras begroeid en vervallen; bouwvallen genoeg om er eene groote stad van te bouwen, lagen rondom ons verspreid. Somtijds zagen wij losstaande muren van deze brokstukken door de schaapherders op den weg opgericht; somtijds werden wij verhinderd onzen koers te volgen, door een dijk tusschen twee hoopen van gebroken steenen; somtijds bemoeielijkten de brokstukken zelve, die van onder onze voeten voortrolden, ons het voortkomen; maar het waren altijd bouwvallen. Nu eens volgden wij het spoor van een stuk van den oude weg, boven den grond, dan weder door gras bedekt, alsof dat zijn graf ware; maar de geheele weg bestond uit bouwvallen. In de verte richtten vervallen waterleidingen hare reuzenschreden door de velden; en iedere windvlaag, die naar ons toekwam, bracht, gelijktijdig, vroeg ontloken bloemen en grassoorten, op mijlenlange hoopen puin, in beweging. De ongeziene leeuweriken boven ons, die alleen deze akelige stilte verstoorden, hadden hunne nesten tusschen puinhoopen; en de trotsche herders, in schapevellen gekleed, die nu en dan uit hunne slaapholen zuur naar ons zagen, huisden te midden der puinhoopen. Het gezicht van de verwoeste Campagna aan een zijde, waar zij het vlakst was, bracht mij eene Amerikaansche prairie in het geheugen; maar wat is de eenzaamheid van eene streek, waar nooit menschen gewoond hebben, vergeleken bij die eener woestenij, waar een machtig geslacht de indruksels zijner voetstappen heeft achtergelaten op de aarde van waar het verdwenen is; waar de rustplaatsen hunner dooden, evenals hunne dooden zelven, in puin gevallen zijn, en waar het gebroken uurglas van den tijd slechts een hoop nietig stof is! Toen wij langs dien weg tegen zonsondergang terugkeerden, en uit de verte naar den weg zagen, dien wij in den ochtend waren gegaan, had ik bijna een gevoel (evenals zag ik haar op dit uur voor het eerst) alsof de zon nimmer weder zou opgaan, maar dat zij dien avond voor de laatste maal hare stralen schoot op een in puin gevallen wereld.

Naar Rome bij maanlicht terug te keeren is zulk een dag naar behooren te eindigen. De nauwe straten zonder voetpaden, en waar in iederen donkeren hoek hoopen vuilnis en mest gestopt zijn, vertoonen eene zoo sterke tegenstelling, in hare nauwe ruimten en in hare morsigheid en duisternis, met het ruime plein voor eenige trotsche kerk, op welks midden een obelisk, met hieroglyphen bedekt, ten tijde der keizers uit Egypte aangevoerd, vreemd rondziet op het zonderlinge tafereel er rondom, of soms een oude pilaar, waarvan het vereerde beeld is omvergeworpen, en die een Christenheilige onderschraagt: Marcus-Aurelius, die plaats maakte voor Paulus, en Trajanus voor St. Petrus. Vervolgens zijn er de groote gebouwen, opgericht van den roof uit het Coliseum, die de stralen der maan, evenals bergen, onderscheppen; terwijl zij hier en daar vrijelijk door gebroken bogen en gescheurde wallen schijnt, evenals het leven uit eene wond ontvliedt. De kleine stad van ellendige huizen, door muren omringd, en gesloten door poorten met hekken voorzien, is de wijk, waarin de Joden elken avond worden opgesloten zoodra de klok acht uur slaat—eene ellendige plaats, dicht bevolkt en met onaangename uitwasemingen gevuld, maar waar het volk ijverig is en geld verdient. Wanneer gij over dag door de nauwe straten gaat, ziet gij ze allen aan het werk: op het voetpad, nog vaker dan in hunne donkere en smerige winkels; oude kleederen opknappende en handel drijvende.

Toen wij uit deze dikke duisternis in het heldere licht der maan kwamen, zagen wij de fontein van Trevi, die een honderdtal stralen opspoot, over nagebootste rotsen rolde, en zich voor oog en oor zilverachtig voordeed. In den kleinen, nauwen doorgang der straat achter eene hut, met flikkerende lampen en boomtakken versiert, bemerkt men eene groep somberziende Romeinen, gezeten om hunne koperen ketels met heete soep en gestoofde bloemkool, mooten gebakken visch en flesschen wijn. Wanneer gij den scherp vooruitstekenden hoek om zijt, hoort gij een zwaarmoedig geraas. De voerman houdt plotseling op en neemt zijn hoed af, op het zien van een wagen, die langzaam voortrijdt, voorafgegaan door een man, die een groot kruis draagt, door een fakkeldrager en een priester, die al zingende voortschrijdt. Het is de lijkwagen met de lichamen der armen, om ze in het kerkhof, buiten de muren, te begraven, waar men ze in eene soort van put werpt, welke dezen avond met een steen zal bedekt worden en gedurende een jaar gesloten blijven.

Maar hetzij ge op uw tocht langs de obelisken, kolommen, oude tempels, schouwburgen, huizen, portieken of forums gaat, het is vreemd te zien, hoe ieder brokstuk, zoo vaak ’t mogelijk was, in eenig ander nieuw gebouw is gemengd geworden en geschikt gemaakt om tot eenig nieuw doel te dienen—een muur, een woonhuis, eene korenschuur, een stal—een gebruik, waarvoor het nimmer bestemd was, en waarmede het allerellendigst overeenstemt, wanneer het er mede verbonden is. Het is nog vreemder te zien, hoeveel puinhoopen der oude fabelleer, hoeveel brokken van verouderde legenden en eeredienst hier vermengd zijn met den dienst der christelijke altaren: en hoe rijk in vele opzichten het ware en valsche geloof in eene monsterachtige vereeniging zijn saamgesmolten.

Men vooronderstelt, dat de Heilige Week in Rome voor alle bezoekers zeer aanlokkelijk is; maar behalve hetgeen er is te zien op Paaschzondag, zou ik diegenen, welke naar Rome gaan, in hun eigen belang aanraden op dien tijd er vandaan te blijven. De plechtigheden zijn over het algemeen van de vervelendste en lastigste soort; de hitte en de volksmenigte bij elke van deze drukt u op pijnlijke wijze; het geraas, het gewoel onder de verwarring maken u geheel verstrooid. Wij hielden op, deze vertooningen na te jagen, toen ze nog pas in den aanvang waren, en zochten weer onze toevlucht bij de puinhoopen. Maar wij mengden ons in het gewoel, om ons deel te hebben van het voornaamste dat er te zien was; en wat wij zagen, wil ik u beschrijven.

Des Woensdags zagen wij weinig in de Sixtijnsche Kapel; want toen wij er aankwamen had de menigte, die ze belegerde, haar tot de deur toe gevuld en stroomde tot in de naast bijgelegene halle, waar de menschen worstelden en elkander verdrukten en wederkeerig uitscholden, en telkens, als er eene bezwijmde dame uitgedragen werd, grooten oploop maakten, alsof ten minste vijftig menschen hare ledige standplaats konden innemen.

In het portaal der kapel hing eene dikke gordijn, en aan die gordijn waren een twintigtal lieden, welke er het dichtst bij stonden en verlangden het Miserere te hooren zingen, voortdurend, elk van zijne zijde, bezig haar heen en weder te trekken, opdat zij niet naar beneden zou vallen en den klank der stemmen dooven. Het gevolg er van was, dat zij de grootste verwarring veroorzaakte en zich als eene slang om de onbedachtzamen scheen te winden. Dan eens werd eene dame er in gehuld en kon er niet uit los komen. Dan weder werd de stem van een halfgesmoorden heer er van binnen uit gehoord, die verzocht dat men hem er uit zou laten. Nu eens worstelden er, evenals in een zak, twee ineengestrengelde armen, zonder dat iemand kon zeggen aan welk geslacht die behoorden. Dan weder werd ze met een oploop geheel binnen de kapel gevoerd, evenals een uitgespreid zeil. Nu kwam zij den anderen weg uit, en sloeg in de oogen van een der Zwitsersche garde van den paus, die juist op dat oogenblik was aangekomen om orde te houden.

Daar wij er niet ver vandaan zaten, tusschen twee of drie heeren uit het gevolg van den paus, die zeer verdrietig waren en de minuten telden—zooals misschien Zijne Heiligheid ook deed,—hadden wij beter gelegenheid om dit zonderlinge vermaak te beschouwen dan om het Miserere te hooren. Somtijds hoorden wij eene verheffing van klagende stemmen die zeer roerend en treurig klonken en wegstierven in eene reeks van diepe tonen; maar dit was ook alles wat wij hoorden.

Op een anderen tijd werden de relieken in de St.-Pieterskerk tusschen zes en zeven uur des avonds ten toon gesteld, en dit was treffend, daar de hoofdkerk duister en somber, en er veel volk in was.

De plaats naar welke de relieken, een voor een, gebracht werden door drie priesters, was een hoog balkon nabij het hoofdaltaar. Dit was het eenigste gedeelte in de kerk, dat verlicht was. Daar branden altijd honderd en twaalf lampen bij het altaar, en behalve dat, twee groote waskaarsen bij het zwarte beeld van Sint Pieter, maar dit beteekent niets in zulk een groot gebouw. De somberheid, en over het algemeen het wenden van de aangezichten naar het balkon, en het nedervallen der ware geloovigen op de steenen, wanneer schitterende voorwerpen, evenals schilderijen of spiegels, opgebracht en ten toon gesteld worden, deed eene goede uitwerking; in weerwil van de zeer ongerijmde wijze, waarop zij ter algemeene stichting werden opgeheven, en de groote hoogte, van waar zij vertoond werden, die men eerder berekend zou achten om de zalving te verminderen, welke uit eene volle overtuiging van hunne echtheid moet ontspringen.

Des Donderdags gingen wij den paus zien, die het sacrament uit de Sixtijnsche Kapel overbracht, om het in de Capelle Paolina, eene andere kapel in het Vatikaan, te plaatsen;—eene plechtigheid, die ten zinnebeeld verstrekt van de begraving van den Zaligmaker vóór zijne opstanding. Wij wachtten gedurende een uur in de groote galerij, met eene groote menigte volks (waarvan drie vierden Engelschen waren), terwijl zij weder het Miserere in de Sixtijnsche Kapel zongen. De beide kapellen kwamen op de galerij uit, en de algemeene aandacht bepaalde zich op het nu en dan openen en sluiten der deur van de ééne, naar welke de paus zich ten laatste begeven zou. Geene dezer ontsluitingen vertoonde iets verbazenders dan een man op eene ladder, die eene groote hoeveelheid kaarsen aanstak; maar bij elke nieuwe opensluiting was er een verschrikkelijke oploop naar de ladder en naar dien man, welke, naar ’t mij voorkomt, iets weghad van een charge der Engelsche zware ruiterij te Waterloo. De man viel echter niet naar beneden, en ook niet de ladder, die aanleiding gaf tot de vreemdsoortigste potsen van de wereld onder de menigte,—te midden van welke zij door den man heengedrongen werd, toen al de kaarsen opgestoken waren, en eindelijk op eene zeer wanordelijke wijze tegen den muur van de galerij werd opgehangen, even voordat de opening der andere kapel en het begin van een nieuw gezang de nadering van Zijne Heiligheid verkondigde. Bij deze crisis schaarden de soldaten der garde, die de menigte in alle soorten van vormen geduwd hadden, zich langs de galerij; en de processie naderde, tusschen de twee door hen gevormde rijen.

Daar waren eenige koorzangers en eene groote menigte priesters, die twee aan twee wandelden en die (ten minste de priesters, die er goed uitzagen) hunne brandende kaarsen zoodanig droegen, dat het licht eene goede uitwerking op hunne gelaatstrekken deed; want de kamer was donker. Zij, die er niet goed uitzagen, of geene lange baarden hadden, droegen hunne kaarsen zooals het uitkwam en gaven zich over aan geestelijke bespiegelingen. Ondertusschen was het gezang zeer eentonig en akelig. De processie trok langzaam voort naar de kapel, en het gegons der stemmen duurde nog voort en kwam nader, totdat de paus zelf verscheen, gaande onder een wit satijnen verhemelte en met beide handen het overdekte sacrament dragende; kardinalen en kanunniken, in menigte om hem geschaard, maakten eene schitterende vertooning. De soldaten der garde knielden, toen hij voorbijging; al de toeschouwers bogen; en zoo ging hij in de kapel. Het wit satijnen verhemelte werd aan de deur van hem afgenomen, en in plaats daarvan eene wit satijnen parasol over zijn arm, oud hoofd gedragen. Nog eenige weinige paren vormden de achterhoede en gingen ook in de kapel. Toen werd de deur der kapel gesloten en alles was gedaan; en iedereen snelde hals over kop weg, als gold het leven of dood, om iets anders te zien, en te zeggen, dat het de moeite niet waard was.

Ik geloof, dat het meest door het volk geliefde tafereel, en waarbij ook de grootste menigte menschen tegenwoordig waren (behalve dat van Paaschzondag en Maandag, voor alle klassen van het volk toegankelijk), was, toen de paus de voeten wiesch van dertien mannen, die de twaalf Apostelen en Judas Iscariot moesten voorstellen. De plaats, waar deze godvruchtige dienst verricht wordt, is eene der kapellen van de St.-Pieterskerk, die voor deze gelegenheid was opgesierd; alle dertien zaten op ééne rij, op eene zeer hooge bank, en zagen er uit als waren zij in het geheel niet op hun gemak, daar de oogen van, de hemel weet hoeveel, Engelschen, Franschen, Amerikanen, Zwitsers, Duitschers, Russen, Zweden, Noormannen en andere vreemdelingen, gedurende al dien tijd, onafgewend naar hunne gezichten staarden. Zij zijn in het wit gekleed, en tot hoofddeksel hebben zij eene stijve, witte muts, evenals eene groote Engelsche bierkan zonder handvat. Elk heeft een ruiker, zoo groot als eene kleine bloemkool, in de hand; en twee er van droegen bij deze gelegenheid brillen; die toen ik mij de karakters herinnerde, welke zij moesten vervullen, naar het mij voorkwam een grappig toevoegsel bij de kleeding waren. Men had het karakter nauwkeurig in aanmerking genomen. Sint Johannes werd voorgesteld door een jong mensch van een innemend voorkomen. Sint Petrus door een ernstig, oud man, met een krullenden, bruinen baard; en Judas Iscariot door zulk een verschrikkelijken huichelaar (ik kon evenwel niet bespeuren of de uitdrukking op zijn gelaat wezenlijk of kunstmatig was), dat indien hij, de rol van den persoon geheel vervullende, ware weggeloopen en zich had opgehangen, alles volmaakt zou zijn geweest.

Daar de beide groote loges, voor de dames bestemd, bij dit schouwspel eivol waren, en er volstrekt geene kans was ze nabij te komen, snelden wij met eene groote menigte mede, om bijtijds aan de tafel te komen, waar de paus in persoon deze dertien bedient. Na eene vreeselijke worsteling aan de trap van het Vatikaan, en verschillende persoonlijke botsingen met de Zwitsersche garde, stormde de gansche menigte in de kamer. Het was eene lange galerij, met witte en roode draperieën behangen, met eene andere groote loge voor dames, (die verplicht zijn zich voor deze plechtigheden in het zwart te kleeden en zwarte sluiers te dragen), en eene koninklijke loge voor den koning van Napels en zijn gezelschap. De tafel, gedekt als voor een bal-souper, en die versierd was met gouden beeldjes van de wezenlijke Apostelen, stond op eene verhevenheid aan eene zijde van de galerij. De nagebootste messen en vorken der Apostelen waren aan de zijde van de tafel gelegd, die het dichtst bij den muur was, zoodat men ze zonder verhindering kon beschouwen.

Het midden der kamer was vol vreemde heeren, die op verbazende wijze opeengehoopt waren. De hitte was zeer drukkend en het gedrang somtijds verschrikkelijk. Het was op het hoogst, toen het volk van de voetwassching kwam binnenstormen, en toen was er zulk een geschreeuw en getier, dat een gedeelte der Piemonteesche dragonders de Zwitsersche garde kwamen verlossen en helpen om het oproer te doen bedaren.

De dames waren bijzonder woest in hare worsteling om plaatsen. Eene dame van mijne kennis werd in de dames-loge door eene gespierde matrone om de middel gepakt en uit hare plaats getrokken; en eene andere dame (op de achterste bank in dezelfde loge) maakte zich plaats, door de dames, die voor haar zaten, met eene groote speld te prikken.

De heeren, die om mij stonden, waren bijzonder nieuwsgierig om te zien wat op de tafel stond; en een Engelschman scheen met de geheele zielskracht van zijn aard het besluit genomen te hebben om te ontdekken of er eenige mosterd was. „Bij Jupiter! daar is azijn!” hoorde ik hem tot zijn vriend zeggen, nadat hij een onnoemelijken tijd op de teenen had gestaan en van alle kanten gedrukt en gestooten was geworden. „En er is olie! Ik zag ze duidelijk, in fleschjes! Kan eenig heer, die daar vooraan staat, ook mosterd op de tafel zien? Mijnheer, ge zult me verplichten! Ziet gij ook een mosterdpot?”

De Apostelen en Judas, die zich lang hadden doen wachten, verschenen nu op de verhevenheid en werden voor de tafel, op ééne rij geschaard, met Petrus voorop; en het gezelschap kon ze vrij langen tijd aanstaren, terwijl twaalf er van eens duchtig aan hunne ruikers roken, en Judas—die zijne lippen zeer duidelijk bewoog—een inwendig gebed scheen te doen. Vervolgens verscheen de paus, in een scharlaken kleed, en op zijn hoofd een wit satijnen kapje dragende, te midden van een stoet kardinalen en andere dignitarissen (grootwaardigheid-bekleeders), en nam een klein gouden lampet, waaruit hij een weinig water over een van Petrus’ handen stortte, terwijl iemand van het gevolg eene gouden kom; een tweede een fijnen handdoek; een derde Petrus’ ruiker hield, welke hem gedurende de plechtigheid afgenomen werd. Dit volbracht Zijne Heiligheid met aanmerkelijke vlugheid, aan iederen man in de rij (ik bemerkte, dat Judas bijzonder verlegen was met deze inschikkelijkheid), en toen begonnen alle dertien te dineeren. Het gebed werd door den paus voorgedragen. Petrus was voorzitter.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings