← Table of contents
Over literatuur

M.H. VAN CAMPEN (continued 6)

Reading edition

En nu een toevoeging. De dichter zegt:

Nu gaet si met groten weene Ten cloester waert moeder eene.

De vertaler schrijft:

In diepe droefheid gaat ze naar het klooster—moederziel alleen —door de stille geheimenis van den nacht.

Van het door mij gecursiveerde is in den origineelen tekst niets te vinden. De heer Spitz heeft hier vermoedelijk gedacht: ik zal dat nou 'ns op z'n "modern-stemmingvols" móói maken. Maar ach, waarde Heer, ge hebt het leelijk gemaakt, want er kon ons waarlijk niets ergers gebeuren, dan dat het "stemmingvolle" gezicht van het moderne hier om dit eeuwenoude kerkhoekje kwam kijken....— En dan: een waarlijk kunstenaar-vertaler vertaalt niet slap, ten minste niet zóó slap. Als hij in een door hem te vertalen gedicht een schàt ontmoet als deze:

Goet berou mach als (kan alles) ghewouden

(een schat: omdat in dat ééne woord ghewouden = overweldigen, macht krijgen over iets, de mystieke strijd van den zondaar met de zich nog terughoudende genade Gods is geheeld), dan weet hij niet hoè spoedig, en niettemin met hoè voorzichtige en teeder-aanrakende handen, hij die zal bergen in zijne overzetting; en hij dènkt er eenvoudig niet aan, zóó iets sterks en groots met het slappe: "welgemeend berouw brengt immer vergeving" te vertalen. Maar ook, en ten slotte: al zouden deze voorbeelden ons niet het tekort aan kunstenaarsgaven van den vertaler hebben bewezen, dan nog zouden wij dit hebben bemerkt aan het feit, dat in dit proza geen "stem" klinkt, er geen persoonlijk rhythme, als eene alles dragende flonkerende, of grijze, doffe stroom, door vloeit, dat ons het in de vertaling natuurlijk verdwenen rhythme van den ouden dichter althans éénigszins zou kunnen vergoeden. De heer Spitz zal hier wellicht brommen: waartoe dit verwijt, heb ik mij dan ooit voor kunstenaar uitgegeven? Neen, antwoord ik dan, maar men heeft het recht te verwachten, dat gij het in voldoende mate zult blijken te zijn, indien gij een werk als dit onderneemt. Gij hebt—de fout van zoovelen—het waarachtige, maar niet genoegzaam sterke schoonheidsbesef, dat ge u eigen wist; de piëteitvolle liefde, die ge voelde—en wier beider wezen men dan ook wel degelijk in uwe vertaling bespeurt—met de macht verward, die als schoonheid-herscheppende waarden te doen gelden.... Neen, dit is uw werk niet, het is uw werk nòg niet, althans. Het is arbeid voor een Boutens, een Van Suchtelen, een Verwey. En zoo nauw luistert dit, dat ik zelfs denk, dat het wellicht ook geen werk zou zijn voor bijv. onzen grooten en genialen Meester Jacobus van Looy, omdat diens stijl allicht weer te zwaar en te verwikkeld voor zóó naïeven eenvoud zou blijken. Met uw Uit Hooft's Lyriek, dáármee waart ge op den goeden weg: die kranige voorrede, daar zat iets mooi-eigens in. Frank en fleurig droegt ge uw eigen gedachten voor, op eigen toon. Doch dit vreemde was u te groot, en daarom kwam uw goede en nog pas ontluikende eigenheid niet boven, maar daarentegen een nièt goede, een als linksche, als hakkelende eigenheid, gelijk bij een kind, dat uit schroom zich dommer toont dan het is, als het staat voor den meester, dien gróóten, gewèldigen man. Hetgeen alles niet wegneemt, dat ge, zooals ik reeds zei, een uitmuntend werk hebt gedaan, omdat ge op iets kostelijks, het grootste deel van het lezend publiek nagenoeg onbekend, weer de aandacht hebt gevestigd en dat gedaan hebt met ernst en toewijding, want: met het volle talent, waarover gij beschikte....—Doch over het algemeen ben ik van oordeel, dat men eerst met het publiceeren van bewerkingen of vertalingen van andermans werk mag beginnen, indien men reeds een zeker meesterschap verworven heeft. Waarom?... Toen ik het diamantklooven leerde, sloeg ik menig kostbaar steentje van m'n goeien leerbaas kapot, máár—mijn ouders hadden hem dan ook een niet onaanzienlijk leergeld betaald.... Wàt echter zoudt gij een dichter betalen, als ge zijn diamanten vergruizeld hadt?... Maar m'n hemel, daar heb ik, maar pratend met den heer Spitz, heelemaal niet meer tot m'n jonge vrienden gesproken. En waarachtig, statig zijn ze al aan 't knikkebollen. Heidaar!... Hola! wordt 'ns wakker.... Ik heb 'n goeie tijding voor jullie.... Hoera! Hoera! die ouwerwetsche Beatrijs is uit!... Kijk, daar stommelen ze al, zich de oogen bewrijvend, met blije gezichten de banken uit....—

[p.293]

VERTALINGEN

Blz. 4 Du staunst: Gij verwondert U dat ik, mij een pad banend, moedig den weg naar de hoogten der Wijsheid bestijg? Dezelfde geest die mijn lichaam beweegt, is een het Al omcirkelend Wereldrad.—

Blz. 4 Ueber der Zeiten: Over der tijden bultigen weg rijd ik naar het Eeuwige Leven en ik schrijd tot het Paradijs over de hel.—

Blz. 4 Mir war so kalt: Mij doorsneed zulk een huiverkoude, alsof ik een lied van Samuel den Leviet hoorde.—

Blz. 5 Von Salomo: Van Salomo den Wijze was eens de Geest geweken: toen vergeleek hij der tanden parelenrij met een lammerkudde.—

Blz. 5 Was soll mir's: Waartoe zou ik, de klankrijke dichter, zingen voor zulk gespuis? Waar mijn tong toch ook mijn drietand kan zijn, is het beter haar te gebruiken, om hen tot brij te hakken.—

Blz. 5 Eine wunderbare: Een wonderbare, groote vuurzuil des gezangs.—

Blz. 5 Die Sonne sinkt: De zon gaat onder, de nacht rijst op en met goud omrand verschijnt de maan; in zee bewegen de sterren, gelijk verdwaalde reizigers, rusteloos door verre landen trekkend.

Blz. 5 Heil Tyrus!: Heil U Tyrus! Uwen Wijzen heil. Hun naam hebben zy mij in 't hart gedolven. En bij hun zee zich een tweede verworven: mijn oog dat van tranen overvloeit.—

Blz. 6 "Il faut remarquer": "Men moet niet uit 't oog verliezen", zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "dat de pederastie bij de Arabieren (evenals bij de Grieken) in hoog aanzien stond, en de Joodsche dichters van hun vrienden spreken alsof dezen hun minnaars waren.

Blz. 164 laisser entrevoir sa pensée: het laten doorschemeren van zijn gedachte.

Blz. 168 "Absicht", die "verstimmt": bedoeling die ontstemt.

Blz. 197 Und nennt man: En noemt men de beste namen, dan wordt ook de mijne genoemd.

Blz. 238 Or, if virtue: Of, zoo de Deugd te zwak ware (om ten Hemel te stijgen) dan zou de Hemel nederdalen tot haar.—

[p.294]

BIBLIOGRAPHISCHE NOTITIE

De artikelen uit de jaren tot en met '16 zijn verschenen in De Gids.

De andere in het Weekblad voor Stad en Land.

De artikelen in het didactisch deel, in Het Jonge Leven.

INHOUD

I

CRITISCH

Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst. (Naar aanleiding van en over Jacob Israël de Haan's Het Joodsche Lied)—pag. 1

Maurits Sabbe: De Nood der Bariseele's—pag. 30

R. van Genderen Stort: Idealen en Ironieën—pag. 34

Joannes Reddingius: Een Romantische Jongen—pag. 37

Joannes Reddingius: Zonnewende—pag. 40

Frans Verschoren: Langs kleine Wegen—pag. 44

Maurits Wagenvoort: Het stijfhoofdige Bruidspaar—pag. 47

Samuel Goudsmit: In de Groote Leerschool—pag. 50

Mr. J. Dermoût: Singkep Tin—pag. 56

Wally Moes: Gooische Dorpsvertellingen—pag. 58

G.F. Haspels: Wisselend Uitzicht—pag. 61

Cornelis Veth: Gids voor Padvinders, Prikkel-Idyllen VI—pag. 65

Herman Robbers: Helene Servaes—pag. 68

H. van Loon: Trouweloozen—pag. 73

Cyriel Buysse: Oorlogsvisioenen—pag. 75

Victor Ido: De Paupers—pag. 78

P.A. Raëskin: Pastoor Horsman 80

Louis Couperus: De Comedianten—pag. 83

Felix Timmermans: Het Kindeken Jezus in Vlaanderen—pag. 86

M.J. Brusse: Een worstelaar—pag. 89

Een Antisemietisch Criticus? (Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche Letteren, 1916)—pag. 92

G.J.A. van Bruggen: Als ge niet ... Dan! Een ver-beelding—pag. 104

Joh. de Meester: De kindsheid van Harlekijntje—pag. 108

R.J. Spitz: Uit Hooft's Lyriek—pag. 111

G. van Hulzen: Van den Zelfkant der Samenleving. Zijn kind—pag. 114

Herman Poort: Literatuur—pag. 117

Salamon Dembitzer: Een Zomer in Galicië. Vertaling door Arn. Saalborn—pag. 120

René de Clercq: Het Rootland—pag. 123

J.L. Gregory: Het Lied van de Zonde—pag. 126

Is. Querido: Van verbeelding en werkelijkheid—pag. 129

Ellen: Ariadne en Dionysos—pag. 133

A. van Collem: Liederen der Gemeenschap, Tweede Deel—pag. 136

G.S. Adama van Scheltema: Zingende Stemmen—pag. 139

Herman Poort: Gerbrand Adriaenszoon Bredero—pag. 142

Jo de Wit: Donker Geluk—pag. 145

Augusta Peaux: Gedichten—pag. 148

Jan Feith: Onze Mededieren—pag. 152

Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog. (Het Vuur door Henri Barbusse. Vert. door Andries de Rosa)—pag. 156

Slagveld-Misère, Polemiek—pag. 178

Carry van Bruggen: Om de Kinderen—pag. 190

A.B. Kleerekoper: Oproerige Krabbels—pag. 194

Joost Mendes: De Santeljano's. Eerste deel; De Verweerde Jaren—pag. 199

II

DIDACTISCH

Jack London: Pit-tah, de grijze wolf. Vert. door S. Barentz-Schönberg.—pag. 205

Beatrijs (de Middelnederlandsche)—pag. 232

Beatrijs (door P.C. Boutens)—pag. 268

Beatrijs (naverteld door R.J. Spitz)—pag. 285

Vertalingen—pag. 293

Bibliographische Notitie—pag. 294

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings