← Table of contents
Over literatuur

M.H. VAN CAMPEN (continued 2)

Reading edition

Naar de taal in engeren zin, als kùnsttaal, als plastisch materiaal, als rijkdom van éénig-juist beeldende woorden, dáár moet ge bij dezen ouwerwetsch-modeme eigenlijk heelemaal niet naar kijken. Want o ho! dan ziet ge wel héél duidelijk dat toen ten jare '80 dat lustige stormzeetje van De Nieuwe Gids Holland zooveel nieuwen rijkdom binnenbracht, de stad Haspels aan een léélijk-verzande haven moet hebben gelegen....—

Sept. '14.

CORNELIS VETH: GIDS VOOR PADVINDERS, PRIKKEL-IDYLLEN VI

De heer Veth heeft door het schrijven zijner Prikkel-Idyllen onze literatuur met een bezit verrijkt, waarmede deze deftig-ernstige, dunkt mij, wel nimmer zal gedroomd hebben nog eens in haar rechtlijnige, streng-gebeeldhouwde hollandsche-kast te mogen pronken.—Zeker, wij hebben meer goedlachsche spotters gehad, maar hoe vaak was, in den nieuweren tijd, dan niet alleen het genre, maar ook de geest geïmporteerd! De heer Veth deed beter: het uitheemsche genre ter verrijking van eigen literatuurschat aanvaardend, begreep hij, dat er van eenige werkelijke en blijvende winste geen sprake zou kunnen zijn, zoo hij het niet herschiep door en in eigen geest. Het geluk begunstigt vaak den moedige. Zou het hemzelf niet meegevallen zijn, dat die geest, eens aan het werk getogen, zóó kostelijk òn-hollandsch bleek in zijn schaterend-mal fantastisch doorslaan, zoo gelukkig in-hollandsch bleek in zijn niet aandikken van de geestigheid, in zijn telkens als kleine fonkellichtjes de écrituur èven overschijnenden en dan weer bescheiden plots henen glimlach? Zoo ik u een bewijs moest geven van de aanwezigheid dier uitbundige fantasie, ik zou mij allicht verplicht achten u dezen geheelen "Gids voor Padvinders" af te schrijven, want zij komt uitteraard slechts bij het beschouwen van het geheel tot haar volle recht en is in een klein citaat niet dan zwak en verminkt te geven; maar zoo ge dien stillen, nauwelijks merkbaren glimlach mocht wenschen te zien, dat èven trekken der mondhoeken van den verteller, dat èven schalk-schuin kijken zijner oogen, dan is daaraan gemakkelijk te voldoen. Ziehier: "Jammer, dat wij niet kunnen genieten van het prachtige uitzicht, dat door gindsche dichte haag pijnboomen aan ons oog wordt onttrokken.... Maar hoe wisselvallig hier het climaat is, bewijst de ontzettende cycloon die daar plotseling opkomt en op enkele meters afstand van ons alles vernielt, eeuwenoude eiken met wortel en al uit den grond rukt, de planten mijlen ver wegslingert.... Ons uitzicht is nu meteen vrij gekomen en wij vervolgen dankbaar en vol natuurgenot onzen weg."

Zelden, nietwaar, zal dat vermaarde "droge" van ons overigens zoo natte Holland, zich als tegelijkertijd zóó sappig en frisch hebben geopenbaard. En toch zijn deze prikkel-idyllen van onzen begaafden spotter, in al hun heuglijke deugdelijkheid nog slechts een begin; een begin, dat dan ook inderdaad noch het verrassende, noch het min of meer jeugdig-kleine van bijna elken aanvang van iets zeer beteekenisvol-nieuws mist. Dat beteekenisvolle, en voor ons land nagenoeg nieuwe, is: de ontwikkeling van den artiest-criticus in diens eigen lijn tot scheppend kunstenaar: den schrijver van den Conte en marge—men kent immers de buitengemeen-fraaie, soms zelfs grootsche kunstwerkjes van een Lemaitre in dit genre?—welke het air heeft van je zou zoo zeggen géén critiek te zijn en dit toch, o zoo fijntjes, o zoo stimuleerend en verheuglijk is.—Toen ik indertijd, de aandacht mijner Het Jonge Leven-lezers op de Prikkel-Idyllen vestigend, de parodie, om hun haar wezen duidelijk te maken, vergeleek bij de sluipwesp, die, haar eitjes in de rups leggend, ìn het lichaam van deze èn door vernietiging daarvan, eigen geslacht doet geboren worden en gedijen, was, zoo dunkt mij nog altijd, dit beeld niet onjuist, zelfs ook indien meer in 't bijzonder in betrekking tot 's heeren Veth's werk beschouwd, voor zoover dit er inderdaad nu en dan in slagen mocht, het schadelijk broedsel der Schundlektur te knauwen, maar hoe onjuist daarentegen was 't in zijn toepassing op dat werk, wanneer men er op let, hoe geheel zonder boosheid en venijn het is, hoe gul de lach er in klinkt, hoe open en luidruchtig het leeft. En juist nu de coïncidentie dèzer feiten: dat de parodie op een boek toch in zekeren zin een Conte en marge van dat boek kan worden genoemd; dat de Prikkel-Idyllen wel ongetwijfeld zeer geprononceerde parodieën zijn maar ook even zeker kiem-elementen van de niet-parodiëerende Conte en marge in zich hebben, èn dat de heer Veth criticus is, doet mij hopen en verwachten, dat 't hem gegeven moge zijn, ook dezen schoonen uitlooper van den critischen geest in Holland te stekken. Zulk een Conte kan van alles in zich bevatten: fijne ironie, diep levensinzicht—wie zou er zich van kostbaarder gehalte wenschen, dan er bijvoorbeeld in Lemaitre's En marge des fables de Fénelon (Le journal du duc de Bourgogne) is—; sublieme verbeelding en liefdevol-fijne critiek—als in dat prachtige En marge de Don Quichotte (Dulcinée), om nu maar een paar te noemen. En het genre dezer verhalen lijkt mij des te edeler, omdat zij bijna immer een moedigen wedkamp om den prijs der hoogste schoonheid, met het "bekantteekende", meestal wereldberoemde, werk bedoelen! Dat ook de verovering dezer literatuursoort al evenzeer een diep ingrijpende veredeling van Veth's werk als een uiterst beteekenisvolle aanwinst voor onze litteratuur zou zijn, lijdt geen twijfel. Maar hetzij deze verwachting al dan niet in vervulling moge gaan, reeds nu past het ons, hem voor deze zijne kunst, al lijkt die slechts een aanvang vergeleken bij gene, den lof te brengen, die zoo min den talentvollen kunstenaar als den schepper van een nieuw genre in onze letterkunde vergeet.

Nov. '14.

HERMAN ROBBERS: HELENE SERVAES

Misschien, neen zeker, ware het wel wijs èn betamelijker van mij geweest, nièt over deze roman te schrijven. Want zoo ik het al immer als iets prettigs heb ondervonden, in een beminnelijk "verzoekinkje" te worden "geleid", 't zij om mij te mogen vermeien in mijn weerstandskracht, 't zij om de lang niet verwerpelijke zoete heugenis aan den ten slotte toch beganen péché mignon te kunnen wijden door het herdenken van deugdzaam voorafgeganen tweestrijd—helaas! hier was geen verzoeking en ik werd nergens in geleid, maar voelde mij onmiddellijk vast besloten het misdrijf te plegen, toen ik inzag dat het te plegen was.... Of ik dus wel later met een heimelijk-monkelend glimlachje zal kunnen terugdenken aan dèze zonde? Of ik mij niet schamen zal?... Komaan, laat me er maar niet verder over piekeren en mij aan het noodlot, dat mijn ijdelheid nu eenmaal over mij heeft uitgesproken met die bereidwilligheid en gemoedskalmte onderwerpen, die, verbeeld ik mij, den meesten mijner geëerde collega's in zulk een geval wel niet héél vreemd zullen zijn....—

Toen ik Helene Servaes had gelezen stond het vast bij mij, dat ik met mijn kostbaar critisch inzicht zou gaan geuren—een zonde tegen den bon ton? best! maar het niet te doen dan toch weer een beleediging van het nieuwe heiligje, Il Santo Egoismo; en als ik dan toch tusschen twee zonden kiezen mòet.... En ziedaar dus: het is nu precies vijf jaar geleden, dat ik in mijn studie over Robbers hem "den dichter-prozaïst der liefde bij uitnemendheid" onzer literatuur noemde, en, ei, ei! ik voelde en voel het nog zoo duidelijk: hoevelen zullen toen wel niet binnenkamers om die "overdrevenheid" hebben geglimlacht: de Robbers van De Roman van een Gezin was juist toen pas zoo een heel andere gebleken dan die van Bernard Bandt, van Annie de Boogh; dat passievolle kunnen-beelden van het liefdeleven scheen zoo mèt de eerste jeugd verdwenen en plaats te hebben gemaakt voor het koeler vermogen van minder romantischen en bezadigden realist, beelder van economisch en familiaal groepsleven.... En intusschen! hoe heerlijk heb ik nu toch maar gelijk gekregen.... Want Helene Servaes is een sterker beelding van de alles-beheerschende liefde, dan Robbers tot nu toe geschreven had; van een liefde machtiger dan die van Annie de Boogh, in eene figuur grooter dan deze. Zoo ook de laatste wordt gedreven te doen wat zij doet, door haar hartstocht voor den beminden man, zij voelt zeer wel dat zij aldus slechts naar haar levensgeluk kan gaan en een rampzalig toekomstleven onvlucht; zij verlangt dan ook niets liever dan haar gevoel gehoorzaam te zijn. De eerste echter weet ten slotte zeer bepaald, dat zij door haar liefde voor den getrouwden man Fokkema ia het ongeluk wordt gestort en gretig verlangt zij, in volle overgave den goeden en lieven Lucas van der Marel te mogen behooren, en desniettemin ... haar ontzaglijke liefde beheerscht haar en drijft haar naar wanhoop en dood. Hier is een tragiek bereikt, die in dat andere passievolle werk werd gemist: die van den tè zwakken mensch in wien een elementaire natuurkracht opslaat als een vlam; de tragiek van een mensch, die nu eenmaal voorbestemd is, een "levende toorts" op het Nero-wreed natuurfeest te zijn.—Hoezeer dan ook Robbers, met het scheppen van dit werk, tot de eigenlijke roeping zijner kunstenaarsnatuur is teruggekeerd, blijkt, dunkt mij, overduidelijk uit het feit, dat hij nu, ouder geworden, nà het schrijven van dat koeler boek De Roman van een Gezin, niet alleen het geestelijk liefde-doorleven zijner jonge jaren verdiept en verinnigd maar zelfs verhevigd herwonnen heeft. Dit valt geen ten deel, wien niet, als kunstenaar, de liefde èn wortel èn vrucht èn merg des levens is....—

Maar zoo mij een fijngevoelige nu zou vragen of ik, èindelijk en gelùkkig, hiermee aan het einde mijner zelfverheffing ben geraakt en weer een leesbaar want bescheiden en ingetogen recensent wil worden, ik zou hem antwoorden: ik denk er nog niet aan! Want vertoont dit werk ook niet het begin der verwezenlijking eener andere destijds door mij uitgesproken verwachting? De verwachting, dat eens Robbers' "mystieke levensbegrijpen zijner jeugd weerkomen zal", dit levensbegrijpen, dat zich zóó schoon in De Vreemde Plant had geopenbaard en daarna—uit zijn werk verdwenen was.... Want wie die de beschrijving van Luuk's gewaarwordingen en liefdevisioen op blz. 184 heeft gelezen, zou niet merken, dat het dat mystiek doorvoelen was, waarheen des auteurs geest weer schuchter streefde, of wie ontkennen, dat hij, toen hij zoo innig dat moment beeldde, waarop Luuk Helene's afscheidsbrief ontvangt, éven in een van de lagere ingangspoorten der mystiek stond: het sensitivisme?

Toch, die nu meenen zou, dat de pochende recensent te diep in het glaasje der ijdelheid heeft gekeken, dan dat hij nog helder genoeg zou zijn, om de fouten te zien, die hij—niet heeft voorspeld, kwame bedrogen uit. Hij meent althans nog genoegzaam onbeneveld te zijn, om te mogen beweren, dat ook uit dit werk weer blijkt, hoe het inbrengen van een zwak pathologisch element in eene overigens niet pathologisch getinte romanfiguur zelden een voordeel is. Althans ook hier vermindert ongetwijfeld de hereditaire dispositie tot zelfmoord in Helene het algemeen menschelijke in haar, leidt des lezers aandacht een weinig af van haar innigste wezenheid-zelf en maakt zijn zien van haar als een ziel, die absoluut door de lièfde beheerscht wordt, een weinig troebel en onzeker—want nu is niet alleen de liefde Heiene's noodlot gebleken maar die neiging tot zelfmoord heeft haar bestemming mee gedetermineerd; men denke er zich eens in, hoe in dat wellicht innigste boek-van-liefde dat onze literatuur bezit, Geertje, de imposante verschijning der liefde ontzaglijk verzwakt zou zijn geworden, indien ook daar een dergelijk element ware ingeslopen!—; en ten leste, daar de figuur van Helene—en ik spreek ook nu niet van de beelding maar van den gebeelden mensch—althans in mijn geheugen immer als a thing of beauty zal staan, wordt mijn joy for ever daaraan door dat pathologische aanmerkelijk geschaad, want niet kan de schoonheid van de beelding eens menschen daardoor lijden maar wel en maar al te zeer de schoonheid van dien mensch-zelf. Want indien, zooals Helene Servaes, die mensch a thing of beauty ìs—en als wèlk een aandoenlijk schoon, spiritueel figuurtje zie ik haar niet!—dan is dat pathologische de barst daarin, de verminking daarvan....—En voorts meent de recensent niet minder duidelijk te zien, dat door de sterke concentratie van des kunstenaars aandacht op de lichtende hoofdfiguur, hij niet gemerkt heeft, dat zijn helper, de geroutineerde-schrijver, zich nu en dan al te veel met de andere figuren bemoeide. Er is daardoor in de beelding dezer laatste hier en daar iets cliché-achtigs gekomen. De vakman Robbers schrijft tè gemakkelijk, diens stijl is té gul-joviaal en ontaardt soms in diezelfde routine-gulheid en jovialiteit, die men bijv. ook vaak in het optreden van populaire volksleiders kan aantreffen. En mede hieraan is het ook te wijten, dat soms de dialoog te weinig individueel-genuanceerd, naar den aard der sprekende persoon, is Luuk is menigmaal heelemaal Croes-achtig—de lezer herinnert zich die prachtige vaderfiguur in De Roman van een Gezin?—en ook zijn vrienden hebben soms dat zelfde bruyante, haha'ërige en handtastelijk lawaaiende als deze. Máár dat minder goede blijft nooit lang. Zooals, dunkt mij, een meester-schilder, die zich plotseling herinnert, dat daar in den anderen hoek van zijn atelier, zijn leerling misschien iets god-weet-hoe staat te bederven, haastig naar deze toeloopt en met een enkelen toets een fout verbetert en iets kunst-lévends in het werk brengt, zóó springt dan gauw de kunstenaar Robbers den vakman terzijde, duwt dien even weg, en ... kijk nou ereis ... hoe aardig en mooi in eenen ... door dat ènkele kleine trekje.... We genieten weer ...—Dit alles nader te argumenteeren valt natuurlijk buiten het bestek dezer critiek en trouwens hoe weinig belang heeft het, vergeleken bij het heuglijke feit, dat de schrijver van dit boek er het schoonste en meest eigenlijke van zijn kunstenaarsschap, zooals dat uit zijn jeugdwerken bleek, nu op verder gevorderden leeftijd, versterkt en verinnigd in mocht uiten. En ik zou hier dan ook gevoeglijk kunnen eindigen, zoo het schrijven over Robbers' herontwaakte mystieke neigingen en over De Vreemde Plant mij niet een mijner literaire ergernissen te hevig had doen voelen, dan dat ik haar niet luchten zou. Dat die prachtige ook door van Deyssel zoozeer geprezen novelle maar in den, naar ik meen vrijwel vergeten, bundel van Phocius blijft opgeborgen, ik vind het zonde en jammer. Want de twee andere verhalen daarin,... vooral Een Kalverliefde.... Het geval doet mij altijd denken aan dat ongelukkige meisje, dat niet gescheiden werd van het lijk van het met haar saamgegroeide zusje en daardoor zelf sterven moest. Waarom ook hier niet resoluut het chirurgisch mes genomen en het levende, mooie kind van 'r dooie familie bevrijd?... "Ho, ho, dàt gaat toch te ver, toch zeker te weinig nuchter voor een medisch advies!" hoor ik hier plotseling en heftig mijn voorzichtige en fijngevoelige roepen.... Maar och kom, wat zou dat! Is dan in vino—zelfs dien der ijdelheid—geen veritas?...

Mei '15.

H. VAN LOON: TROUWELOOZEN

Een caleidoscopisch boek. Een wemeling van figuren, gebeurtenissen en analysen vermoeit des lezers aandacht en doet hem zich afvragen, of 't niet te veel gevergd zou zijn, van dezen jongen, schoon zeker talentvollen auteur reeds te verlangen, dat àl zijn figuren zouden werkelijk leven, àl zijn gebeurtenissen in duidelijk zichtbaar causaal verband zouen staan, van àl zijn analysen niet soms de een de ander zou logenstraffen. En inderdaad, hoe klaarder onze kijk wordt op dit werk, des te duidelijker blijkt ons, dat we dit alles maar niet moeten eischen. Want zouden wij dit wel doen, schipperden we niet wat met onze overtuiging, dat wij feitelijk èlken schrijver zoodanigen eisch mogen stellen, onze teleurstelling over de afwijzing ervan, bracht er ons allicht toe, uit gemelijkheid den auteur de lof te onthouden, waarop hij toch onbetwijfelbaar recht heeft. Overigens, die lof—zoo beteekenisvol hij ook moge zijn—is spoedig genoeg gezegd: de menschelijkheid van dit werk en zijn schrijver is een veel-omvattende en innerlijk-rijke, èn: de uitbeelding is nergens zoo mislukt, dat wij niet overal de aanwezigheid dier menschelijkheid zouden kunnen voelen. Máár: die voelend ziet men ook onbetwijfelbaar tegelijkertijd in, dat, hadde de auteur nog wat gewacht, gewacht namelijk tot hij als kunstenaar de behandelde stof volkòmen meester was, het werk aan deugdelijkheid véél zou hebben gewonnen, want nu hij dat niet heeft gedaan, nu hij al te haastig, heel z'n mooie bouwdoos bij elkaar gegrist, de literatuurtrap komt opgehold, nu ziet moeder Critiek helaas, dat hij de mooie blokjes en beeldjes leelijk heeft door elkaar gerammeld: daar is een hoekje afgebotst en hier een spijltje verbrokkeld en de boel past niet meer precies op elkaar....—En niet alleen dat de logiek van het gebeuren in dit werk en de logische continuïteit der analysen wel eens zoek zijn, maar er is ook iets in dezen roman, dat men misschien het best den epischen esprit de l'escalier zou kunnen noemen: nog hebben wij sommige figuren niet goed aangekeken of daar staan plotseling weer een paar spiksplinternieuwe voor ons, en, eindelijk, nadat we die dan een paar bladzijden lang hulpeloos en vervreemd hebben aangestaard, komt op z'n elf-en-dertigst en in 'n "naschuitje" pas de verklaring aangewiebeld, wat ze daar nu eigenlijk te maken hadden.—Verliest dit boek nu en dan voor een wijle zijn karakter van psychologischen roman, geeft het 't leven in handeling en dialoog van zijne figuren-zelf, hoe dikwijls, zèker, achten wij 't ook dàn zéér gelukt, maar ai! welk een onmacht grijnst ons ook somtijds aan. Men behoeft maar in 't begin die scène te lezen, waarin Lotte Geert haar ontrouw bekent, om voor een mislukking te staan, die moeielijk als zoodanig kan worden overtroffen. Ook de dialoog is, door het geheele werk heen, moge zij slechts zelden slecht kunnen heeten, bijna even zelden zoo van leven fonkelend, als men het recht heeft te verlangen. En wat toch in den psychologischen roman, wil hij voortreffelijk heeten, onontbeerlijk is: een analyse van fijne, diepe vondsten èn een beeldend-analyseerende taal—zij zijn grootendeels afwezig. Maar in weerwil van dit alles, al wàre niets anders geslaagd dan die ruige, tintel-levende figuur van Geert, dan nog zou deze ons duidelijk maken, dat wij hier met een schrijversaanleg te doen hebben, die zóóveel in zich bergt, dat ze zich de wat grootscheepsche weelde mag veroorloven, een omvangrijk en gedeeltelijk minder gelukt werk als dit, ons als zeer betrouwbare belofte van vele toekomstige volkomen-gelukte en rijpe te geven. Bezit en hoop dus ... ten slotte blijkt het niet weinig wat de heer Van Loon ons schenkt.

Febr. 1916.

CYRIEL BUYSSE: OORLOGSVISIOENEN

Een zeer vermakelijk èn diep-aandoenlijk boek. Ziehier in weinig woorden de twee ver uiteenloopende eigenschappen van dezen bundel gekenschetst, eigenschappen, die maar al te zelden beide in het levenswerk van één auteur worden gevonden, nòg zeldzamer in één boèk voorhanden zijn. Men moet dan ook al een rasepicus, een volbloed romancier als deze groote Vlaming zijn, om ze beide in zóó kort bestek, verweven in figuren zóó vol leven en tevens zóó luchtig èn geacheveerd gebeeld, te kunnen geven. De satyriek-humoristische verhalen: De heeren Bollekens in oorlogstijd, Het oorlogshuwelijk van meneer Calkoen en Rikiki vullen meer dan twee derden van den bundel. De uit hun evenwicht geslagen, smulpapige rijkaards met "de mooie meid" in de eerste novelle; in de tweede de oude scharrelaar, die elke twee jaar een andere dienstmeid neemt, en nu tegen 't einde van zijn leven dan toch waarlijk door de toevallen van den krijg wordt gedwongen met de laatst bij hem in dienst getredene te trouwen; de generaalsfamilie, die door het kleine schoothondje getyranniseerd wordt in het derde verhaal—zij alle vermaken, terwijl in Rikiki, in de boeven-scène, zelfs een Decamerone-achtige atmosfeer wordt gevoeld. Ook deze verhalen zijn vol van de inwerkingen en 't gebeuren van den tragischen oorlogstijd, maar toch, het eigenlijk bij zulk een tijd behoorend groote sentiment liet zich niet dan onderwaardig aan hunne half-comische figuren verbinden. Het filtert maar zoo'n beetje door de novellen heen. Maar dan doorleven we in drie vlot geschreven, anecdotische "niemendalletjes"—waarvan nochtans het middelste, In de vuurlinie, een hooger waarde allicht mag hebben als rake beelding van den grondvasten Vlaamschen boer—de overgang naar het diep-aandoenlijke. Dit laatste openbaart zich voor 't eerst zeer sterk in De Vrijwilliger, den man, die met een bajonetsteek een "vijand" doodt, en als hij onder zich in de loopgraaf diens brekende oogen ziet, "pardon" stamelt. Vooral hierin is wel de volle en ònmiddellijk zich uitende tragiek van den krijg bereikt, terwijl weer eene prachtig visionnair-beeldende kracht het treffendst in De Vlucht is. Zie eens dit kleine stukje: "... het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, het moèst, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van het dorp reeds brandden....

"In volle vaart renden zij het roode westen in. Wat zag het vreeselijk bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten, 't Was als een tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht, holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op in...."

En dan bij de lezing van De Moeder, van Singen ... Singen ...! van De Terugkeer—welke criticus, die geen critiek-machine is geworden, zou niet zijn wijde aandoeningen van mede-lijden en mede-genieten de volle heerschappij over zich hebben gelaten.... Het is dan ook mede daaraan, dat de lezer het heeft te wijten, zoo hij hier het sausje missen moet, zonder 't welk het gerecht van een Buysse-bespreking door een kok van dèzen tijd, die op z'n goeden naam gesteld is, niet mag worden opgediend, het sausje, welks ingrediënten bestaan uit 'n paar lepels vaderlandsliefde van Buysse, liefst opgewogen tegen en goed vermengd met die van Streuvels benevens wat droppeltjes gòeie Hòllandsche azijn erover been....—Helaas, ik arme, ik kan er hem niet aan helpen. Maar niettemin verwaardige hij zich dit zeer bescheiden schoteltje te proeven.... Het smaakt alleen naar Buyssensche menschheidsliefde? Ik ontken 't niet, maar zou dat ook niet voldoende kunnen zijn? ... En komaan, wèg nu maar met deze keukenmeiden-beeldspraak. Ik zegge hem slechts nog kort en goed tot besluit, dat als in toekomende tijden naar de qualiteit der vaderlandsliefde van deze twee geniale artisten zelfs geen vurigste Coq Gaulois meer kraaien zal, nog duizenden hen lievende en in hun werken verdiepte lezers zullen getuigen: "Hoe hebben deze twee de menschheid liefgehad." En is het niet deze liefde, waarop het voor de literatuurcritiek op aankomt? Is het niet deze in tegenstelling met de andere, die eene der maatstaven van haar oordeel moet zijn?

Febr. 1916.

VICTOR IDO: DE PAUPERS

Roman uit de Indo-Europeesche samenleving

Het Realisme, eindelijk beu van de kosjere keuken, heeft zich breeduit aan de Indische rijsttafel gezet. Anders gezeid: het Realisme—we moesten eigenlijk van 'n soort Naturalisme spreken, maar dat tooverwoord roept zóó machtige geesten op ...—na jarenlang het leergraag Hollandsch publiek onderricht te hebben in wat 'n chochem, 'n sjlemiel, 'n souger, enz. enz. is, heeft nu een cursus geopend in Totok en Indo, mata glap, ronggèng, etc. Ons leeren is spelen, en loopt 't een beetje mee, dan kunnen we zonder eenigen twijfel, zooals we vroeger in 'n wip de moreinoe hebben gehaald, 't volgend jaar het Indisch groot-ambtenaarsexamen doen. De Paupers althans behoort zeer zeker tot de buitengemeen prettige leermeesters in al deze wetenswaardigheden, want een gewoon-goed boek, een boek van gezonde middelmatigheid is het óók. De schrijver slaagde erin, zoowel uitzonderlijk-nobele figuren, Tjang Sina en Grootvader Sam Portalis, als die van een zeer zinnelijken geweldenaar gelijk Boong Portalis, levenswaar te beelden. Natuurlijk ontbreekt ook in dit Indisch boek het occulte element niet. Maar daarmee heeft de auteur een beetje geschipperd. Hij heeft de aarzelingen gekend wier afwezigheid een stuk als De Vader van Augusta de Wit in de gelegenheid stelde zoo sterk-eerlijk te zijn, zoo volledig te slagen. En zooals de afwezigheid van dergelijke weifelingen—gelijk ik destijds uiteenzette[1]—soms de visionnaire kracht eens kunstenaars bewijst, zoo toont de aanwezigheid een zekere visionnaire zwakte aan. En dit gebrek aan kracht openbaart zich dan ook niet alleen daarin, maar tevens, zij het slechts een enkel maal, in een verzwakkende herhaling van het reeds gezegde of in een onverwachte vernuchtering, als ware er een plotse breuk in het sensitive en visionnaire leven van den auteur gekomen en of hij, vreemd, vergeten hadde wat hij pas zoo nadrukkelijk zei. Maar ik herhaal het: dit gebeurt slechts uiterst zelden. Overigens: niets dan goeds; er leven een paar lieve, jonge vrouwen-figuurtjes in het verhaal, Daï en Nini. Mr. van Vierzen Pel, de president-rechter, is in zijn hartstocht voor Daï zoowel als in zijn immer indachtig-zijn aan zijn positie, zeer raak gebeeld, en dat zonder eenig valsch pathos, of de geringste mooimakerij. Kortom, om nu maar niet al de welgeslaagde figuren gedetailleerd te bespreken, de doorschouwingsinnigheid van den schrijver reikt overal diep genoeg, om ons duidelijk te doen gevoelen, dat ook deze Indo-Europeesche samen-leving precies als al hare zusteren van ons tijdvak, eigenlijk een apart-leving is van in dwaasheid en wanen bevangen, elkaar hatende en minachtende coterie'tjes en individuen.

Juni '16.

Noot:

P. RAËSKIN: PASTOOR HORSMAN

Wie pastoors en dominees louter als novellistische figuren der Hollandsche literatuur kent, heeft de dominees zelden anders leeren zien dan, om 't vergoelijkend te zeggen, als een ras van saaie pieten, de pastoors daarentegen als een groep bruyant-levenslustige menschen, die om den hemelschen nectar een goed glas aardschen wijn niet versmaden en, Gode den wierook gunnend, voor zich een edele Havana weten te waardeeren; vaak ook als naïeve groote-kinderen, met een rotsvast, primitief geloof in hun religie, soms daarbij tyrannieke autocraatjes, tòch bijna immer beminnelijk en vóóral: menschelijk. De rollen schijnen wel waarlijk omgekeerd: aan den eenen kant de dominee, de pater familias, die nochtans met een gezicht rondloopt—wel te verstaan: in de literatuur!—als zuchtte hij onder alle ascetische zelfkwellingen en onthoudingen, die er in het brein van een Yogi zouden kunnen opkomen; aan den anderen kant de pastoor, die, aan zijn kuischheidsgelofte getrouw, wèrkelijk een zich hevig pijnend asceet mag heeten en nochtans de blijmoedigheid en levenslust zelve is. En dìt is dan ook wel de zuiver-mensehelijke charme der literaire pastoorsfiguur, dat zij zich nooit op het heel bijzondere harer zelfoverwinning laat voorstaan, ja, van de hooge waarde daarvan niet schijnt af te weten, en dit daarentegen het afstootelijke der literaire domineesfiguur, dat zij zich een houding van onzinnelijk en vergeestelijkt leven geeft, die haar heelemaal niet toekomt.—De heer Raëskin heeft de dominees de dominees gelaten en zich ertoe bepaald de pastoorsliteratuur met een zéér liefdevol en in elk opzicht uitnemend en zorgzaam geschreven werkje te verrijken. Het behandelt de bekeering van een reeds oud en ouderwetsch priester, die niets van volksbonden en kinderpatronaten moet hebben, tot een modern herder, die, zelfs véél aan "sociaal werk" doet. Hoe die bekeering zich langzamerhand onder den invloed van een jong kapelaan voltrekt en het juist en ten slotte de zonde van dien kapelaan is—hij wordt er door den pastoor op betrapt, dat hij een meisje omhelst—die de aarzelingen van den ouden priester overwint en hem, die zijn ontslag reeds wilde vragen, aan zijn ambt teruggeeft, het wordt door Raëskin met zuiver psychologisch inzicht, met volkomen ontstentenis van alle mooidoenerij en in een zeer fijngevoelig beeldende taal weergegeven. Deze laatste is trouwens door het geheele boek heen zoo opmerkelijk, dat ik het niet minder als een plicht dan als een genoegen voel er eenige voorbeelden van te geven. Van een bisschop: "Hij ... boeide door de verrassing, in zijn grootwaardigheidsbestaan menschengrapjes te willen kennen."—"Over den ordelijken aanleg dwarste de zon eigen lichtperken, waarin gras en grint te zaam bloeiden."—De huishoudster "vertilde 't verstelgoed van haar schoot naar de avondschoone ruimte op de tafel."—En beluister eens hoe Raëskin's verhaal-stijl mee-rhythmeert met den aard van het gebeuren. De pastoor heeft besloten zijn ontslag te vragen en neemt een aanloopje, om dit zijn huishoudster, die hem twintig jaar trouw heeft gediend, mede te deelen. De vrouw begrijpt hem onmiddellijk. "Ze verstond uit zijn woorden, dat hij zijn jaren opgeteld had en weg wilde..." zoo vertelt 't onze schrijver en is er aldus in geslaagd, in die weinige door mij gecursiveerde woorden van bijbel-plechtige wijding heel de ontroering dier twee oude menschen op dit voor hen zoo gewichtige oogenblik te geven—te geven zonder met een woord van die ontroering-zelve te hebben gerept.—En niettemin, naast zoovele deugden heeft dit boek deze groote tekortkoming, dat het te ondiep blijft, het hart-innige leven niet raakt. Dat het sexueele gevoelsleven der waarlijk-geloovige en kuische priesters—en zulk een is Pastoor Horsman—een geweldig, schoon soms meer latent, maar dan toch straks weer te heviger oplaaiend, element in hun psychisch complex moet vormen, wie kan het betwijfelen? En ook: wie langer nadenkt over den levenslust en de blijmoedigheid dezer, zij 't eenzijdige, asceten, zal allicht inzien, als ik, dat die levenslust niet slechts niet-strijdig is met dat ascetisme, maar er zelfs uit voortvloeit. Het wil mij namelijk toeschijnen, dat zij voortkomt uit de zelf gerustheid, de diep-stille tevredenheid van den zelfoverwinnaar. Vandaar dan ook deze, ook in dit boek zoo uitstekend gebeelde, losheid en snaakschheid in den onderlingen omgang dezer geestelijken: het groote offer hunner machtigste hartstochten heft hen van zelf boven het pueriel gedoe en den door dat werkelijke offer overtollig geworden schijn van "geestelijkheids"-uiterlijkheden uit. En welnu, dit geheele gevoelsleven, het sexueele complex van worsteling en overwinning of nederlaag, wordt in dit boek helaas niet aangeraakt—het voorvalletje met den kapelaan heeft louter compositorische, geen psychologische waarde—en daardoor wellicht, dunkt mij, niet slechts deze, maar ook elke andere wellicht mogelijke verklaring van gene blijmoedigheid gemist.—Vroeg men mij echter wat, naast die groote tekortkoming, wel de hóógste deugd van dit werk is, ik zou zeggen, dat het trots en in zijn beperking toch zóó' lééft, dat het bijna de literatuur voor het leven doet vergeten.... Het doet den lezer droomen naar het leven toe, en al diens met het boekonderwerp verwante herinneringen roept het op.... O, die tegenstelling tusschen de hakkelende Pastoor Jansen's niet alleen—herinner U dien groot-goeden, kinderlijk-zuiveren vriend van lieven Woutertje!—en de rhetorische Dominee Doelaeker's, maar ook tusschen de laatsten en de kleiner-menschelijke Pastoor Horsman's—en nu maar in 's hemels naam: wèl te verstaan: in het leven!—... Hoe jeuken mij de vingers dáárop door te gaan ... Maar zoo ik 't deed, ik viel uit mijn literair-critische rol, en het geëerde publiek flóót mij het tooneel af—terecht!—

Oct. '16.

LOUIS COUPERUS: DE KOMEDIANTEN

Het is nu al 'n vijf jaar geleden, dat ik mij 'n weinig vroolijk mocht maken om het Antiek Tourisme des heeren Couperus, sindsdien volgde ik zijne productie slechts zeer accidenteel ... ontmoette ik 'm eens in zijn tijdschrift, het was mij genoeg: ik zòcht hem niet, hij boezemde mij geen belangstelling meer in.... Wat mij interesseert in een eens gróót gebleken kunstenaar, dat is het, zij 't dalend-en-stijgend, bewegen van zijn genie, en daar nu de heer Couperus van zijner jeugdjaren genie voorgoed verlaten scheen en een "vruchtbaar talent" was geworden, een talent met precieuse stijl-versteeninkjes, trucjes, maniertjes en routine, werd dit mij weldra een quantité négligeable, al had ook die quantité een zoo geweldigen omvang dat zij alle letterkundige bourgeois épateerde tot bezwijmens toe. Deze literaire zeeslang, die zoo langzamerhand alle de landen "rondom de oude wereldzee" met hare kronkels omvatte, mocht voor mij zoo dik en lang zijn als ze maar wou en kon, ze mocht heele scheepsvrachten ouë Romeinen, Grieken en Aziaten vreten—sinds ik meende zeker te zijn, dat zij toch nooit meer op 't strand mijner verwachting één wèrkelijken mènsch zou werpen, één naakten mensch, een Jona, maar louter homunculi, als uit Dr. Wagner's fleschje, zag ik niet meer naar haar om. Tot plots ... daar wordt me nu dit boek toegezonden: een werk wéér over de antieke wereld, ditmaal hare comedianten; een werk wéér met maniertjes, trucjes en zeer kunstmatige verkwijningen en verfijningen, maar tevens een met eenige figuren van waarlijk-diepe, ruw-teedere menschelijkheid: de dominus-gregis en de gladiator Carpoforus vooral. En gaarne erken ik ook, dat het boek vol fijne stemmingen is, stemmingen vaak verweven in den dan zeer zuiver en schoon gestileerden dialoog. Doch het is jammer, schoon niet dan zeer natuurlijk, dat Couperus, sinds hij een niet meer door het genie gepossedeerd schrijver is, zich te zeer bewùst is van wat hij doet, en derhalve als hij merkt iets aardigs te hebben gedaan, dit met alle geweld nòg mooier wil maken, welke bedoeling dan natuurlijk steevast de haar tegengestelde uitwerking heeft. Zoo beeldt hij heel bevallig en soms aandoenlijk de tweeling-comediantjes in dit boek, 'n beetje perverse jongetjes en tevens de begaafdste tooneelspelers van hun troep, in al hun verhoudingen van jaloezie en liefde tot de anderen en ook in hun diepe aanhankelijkheid tot elkaar, in hun onscheidbaar-één zich voelen: ze worden ziek als ze van elkaar gescheiden zijn. En nu is één van des auteurs manieren, om deze eenheid den lezer duidelijk te maken, de beide jongens voortdurend hetzelfde te laten zeggen, denken, en den een telkens den zin te laten afmaken, dien de ander heeft begonnen. Een aardig vondstje.

Maar helaas, dit dient hij ons nu zóó vaak en zonder erbarmen toe, dat je wel wee moèt worden van dit dooreengekakel: dat je de nervositeit krijgt van iemand in een benauwend gedrang, doordat het is alsof die jongetjes elkaar aldoor op de hielen trappen.

Een andere maal, bij die uitstekend-gebeelde openingsscène in Nilus' taveerne, laat hij te midden het vertienvoudigde Jan Steen-rumoer telkens een ezelskop door een luik komen kijken en zijn I-ha balken. Máár eilaci, Couperus-zelf heeft weer eens gezien hoè aardig dit is, en nu wordt hij klaarblijkelijk door zoo een Midsummernight's Dream-Titania-verliefdheid op dien ezelskop bevangen, dat hij dien ter eere niets beters weet te doen dan bij deze gelegenheid, van zijn proza —let maar op:"... om de volte, de veelte, de vaalte van het vage"—een v-stal te maken. In trouwe: wie begaat nu zóó een alliteratie-trùcje èn meent, dat-ie iets moois heeft gedaan, behalve een veertienjarig gymnasiast?! Zoo wisselt voortdurend het kinderlijkst—vaak kinderachtigst—spel met den diep-menschelijken ernst af. Hoe uitstekend bijv. zijn met weinig trekjes de edele figuren van Plinius den Jongeren en Tacitus, de geestige van Martialis gebeeld; hoe zuiver-idyllisch van toon is hun tafelend samenzijn. En zoo dan kon 't gebeuren, dat ik in mijzelf, al lezend, èn fel spotte, èn genietend prees.... Ja, laat mij naar waarheid hier boekstaven, dat ik ééns zóó ontroerde, dat deze mij oude en vertrouwde gedachte jong-heftig uit haar sluimer zich hief: hoe schoon is het leven naar alle zijden, de ruwe kracht van het volk èn de decadentie der verfijnden; wanneer zal ik toch den Eeuwigen Grond benaderen, waaruit heel die wereld van onafzienbaar-ver fonkelende en elkaar vijandige verscheidenheden ééndràchtig en diepgevoed geboren wordt.

Dec. '17.

FELIX TIMMERMANS: HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN

Was het Timmermans' benijdbare bestemming in zijn verrukkelijk Pallieter een menschenkind tot een god te doen worden, een genieter en god van het blijde leven—want in waarheid: wie zou in zulk een volkomen-leedlooze een mensch kunnen herkennen?—In Het Kindeken Jezus, dat wonderlijke, droom-vage èn droom-felle boek, verhaalt hij het begin der oude en eeuwig-jonge geschiedenis van den God, die mensch werd, eene geschiedenis zoo oud als de wereld, doch die in de evangeliën eens haar onze westersche wereld meest beïnvloedenden vorm vond. Onze schrijver zou ongetwijfeld de tegenstelling-zelve tusschen deze zijne beide boeken, tot een magistrale grootheid hebben gevoerd, indien hij na den Man der Vreugde nu den Man der Smarte hadde gebeeld. Zóó ver en hoog echter reikte, reeds blijkens den titel van zijn werk, zijn bedoelen niet. De Christus-tragedie heeft een idyllischen aanvang, en tot dien aanvang nagenoeg heeft Timmermans zich bepaald: waar zich ook dáármede reeds het gewèldig-tragische vermengde, waagde hij-zelf, gelijk we zullen zien, zich aan de beelding nièt. Moeten wij dit alles betreuren? Ik betwijfel het. Het vermaarde boek van Buber Die Legende des Baalschem, schoon vòl van het diep-schouwend geestelijk-zien en de exquis-kunstige beeldende-en verhaal-macht, onverbiddelijk van noode voor de herschepping van zulk een God-Menschelijk leven, geeft nog slechts een vermoeden van de dramatische kracht, voor de herschepping der Christus-figuur vereischt. Zou Timmermans dit alles hebben bezeten?

Zouden wij meer hebben gekregen dan de schoonheid, zij het een rijke of sober-diepe—en ik denk hier aan van Schendel's De Mensch van Nazareth en óók aan zijn Shakespeare—eener uiterste subjectivatie van het verheven Object, welke tevens diens transpositie naar een zooveel lager plan beteekent?... Neen. Want dit boek is niet alleen Ernst, het is ook een Spel, en ik geloof niet, dat dè beelder van Jezus' leven tot een dergelijk, zij 't edel, spel nog begeerte zou hebben. Reeds in den compositorischen opzet van het werk treedt dit ernstig-spelen, deze spelende ernst aan den dag. De Jood is een Vlaming, Palestina Vlaanderen geworden, Bethlehem een Vlaamsch dorpje, Nazareth ligt aan de Nethe en Gent heet flamingantisch-snedig het Vlaamsch Jerusalem, terwijl zelfs de rabbijnen tot pastoors verontbesnijdenist en vercelibataird zijn! Spel, nietwaar? Maar de ernst is die der groote liefde, welke den Beminde dicht bij zich, in eigen land wilde zien leven. En: dat aanschouwelijk wordt gemaakt als zelden te voren, hoe men den kern van een zelfde diep-menschelijk gebeuren gelijkelijk beleven kan in het eene land als in 't andere, in de eene eeuw als de aêr. De eeuwen en de landen zien wij heengedragen als een licht-vervangbaar décor—het Goddelijk-menschelijke blijkt het eenige dat is en blijft....—En ernst in de behàndeling van het gegeven—het boek is er vol van, de kinderlijk-reinste en die eener religieuse overgave.—Met welk een kracht is Maria's verrukking, als haar de hemelsche verkondiging gewordt, gebeeld; met welk eene innigheid haar moederliefde, hare zorgen en angsten en Jozef's toegewijde nederigheid. Spel, schoon onvermijdelijk, daarentegen weer: de primitieve levenshonger van het oersterke boeren-Vlaanderen walmt als een rook-vlammende-en-duisterende toorts er door heen; zijn oude, verkreupelde venten met hun kou-verweerde bakkesen dwalen over de wegen; men ruikt den geur van kermissen en poffertjeskramen. Maar, helaas óók een spel, en ditmaal een zeer overbodig en zeer de stemming brekend, is bijna de geheele Herodes-episode: dit is geen beelding van Herodes, maar die van een poesjenellenkelder-vertooning zijner figuur! En niettemin ook dáárin, schoon slechts één oogenblik, fel en echt des konings wanhoop; toch óók daarin dit psychologisch fijnheidje, dat Herodes "de schuld schudde op zijne vrouw": hadde zij hem kinderen geschonken, hij zou den moord van Bethlehem niet hebben bevolen. Terwijl in ditzelfde deel van het boek ons evenzeer treft de weldoende zelfkennis van den auteur, die—ik zinspeelde er reeds op—zich niet wagend aan eene beschrijving van dien moord, en die toch ook niet willende missen, haar liet geven door een Kronijkschrijver van Herodes, die wreed-onverschillig het gebeuren beziet, en van wien men dus noch de epische kracht noch het meegevoel verlangt, die men van onzen schrijver zou hebben geëischt!—Vlaanderen, mogen wij met zekerheid na Pallieter en dit werk zeggen, is een hoogbegaafd schrijver rijker geworden.—Ook nu staat boven het vertrapte land een ster, die 's volks onverwelkte kracht en daarmede zijn Verlosser verkondigt ... zijn literatuur.... Zij heeft ook Timmermans' ziel zegen en macht gegeven, en doe daartoe....—

Dec. '17.

M.J. BRUSSE: EEN WORSTELAAR

Wonderlijk! Dat zelfde leven, tegen welks stalen rusting gij, moedige lezer, èn zelfs ik, zoowel in de eerste élan der jeugd als in onze bedachtzamer jaren, ons zoo menige wonde hebben be-loopen, dat ònvermurwbaar-harde leven is óók—zóó zacht, zóó plastisch als was. Die stugge tyran schijnt dan wel de meest slaafsche slaaf geworden, die er aan zijn hof te vinden is, een slaaf bovendien der oude tijden, die over meer geheimen van kunst en Wetenschap beschikte dan alle meesters te zamen, en dier begeerten met één magisch gebaar te stillen wist. Maar slechts op één voorwaarde metamorphoseert zich het harde Leven aldus. Bùigt het zich zelfs niet onder den druk van uw wil—een sneeuwworp gelijk tegen graniet!—het laat zich daarentegen geheel vervòrmen door uw àlbeheerschende, ingeboren neiging, zooveel sterker dan uw wil!... Wees een geboren-koopman, en 't Leven wordt u een beurs, een kantoor, een boekhouder en een brandkast. Wees een geboren wijze: het wordt u een staâg zich ontvouwend en weer verhullend geheim. Wees een geboren-ingenieur en het verkeert niet slechts voor u in zijn tegendeel: een machine, maar laat zich zelfs, u ten pleziere, in telkens weer nieuwen mechanischen vorm "uitvinden" door u. Dit alles echter, niet waar, geëerde lezer, weten wij reeds lang; we hebben, zoo niet Salomo-gelijk, dan toch gelijk Salomo, genoeg jaartjes onder de zon geleefd, om dat alles te hebben gezien, máár—zooals 't Leven zich jegens Brusse houdt, dàt hebben gij noch ik óóit aanschouwd. Dàt is een houding van—ja, het is maar door één woord te kenschetsen—àllerschàndelijkste vertroeteling....—Er zijn 'n paar—ik heb het meer gezegd—gebòren-kunstenaars in ons land, die tevens gebòren-journalisten zijn; derhalve dient hen 't Leven, twéévoudig door hen bedwongen, zoowel tot te doorspeuren jachtveld, als tot een heilig Brahmanen-woud, naar contemplatie en innerlijkheids-herschepping noodend. Maar nooit tegelijkertijd wordt het hun die beide. Het zegt: "Lieven, vóór ge mijn geheim-bloeiende bosschages der kunstenaarsbezinning intreedt, legt uw jachtwapenen af: dáár wordt niet gespèurd en vermìnkt, daar wordt aanschòuwd en gelìefd." Dit nu begreep ik als wijsheid; maar helaas! waar het zijn zoon Brusse betrof, heeft deze aller partijdige aartsvaders partijdigste Vader het zoo beschikt, dat Hij hem boven zijne andere kinderen bevoorrechten kon. Tot hèm sprak hij aldus: "Zoon, véél zij u toegestaan.... Zie, Ik word een mijn voor u; breek links en rechts zonder erbarmen of verpoozen, mijn duurzaamste gesteenten uit, en waar de anderen, met éen van de véle die gij delft tevreden, dat slijpen tot een juweel van licht, en er gouden sieradiën omheen ciseleeren, wèrp gij die schàtten als kolen op uw wagen, dat de menschen zullen zeggen: wie dolf zóóveel-en-zóó-achteloos als hij!... En nòg is Mijn genade niet uitgeput: Sta nu stil in uw werkdrift, zoon.... Zie! Ik plaats mijn scheppende wondermacht in u ... open uw zwarte mijnwerkershand.... Wàt ziet ge? Wàt fonkelt daarin ... is het niet een licht-juweel, omzet van gouden spangen?... Welnu, wèrp het mede op uw wagen, en het deere u niet. Want weet: het is Mijn wil de menschen te doen vragen: wáár sleep hij dien steen, wáár dreef hij dit goud? In de onderaardsche schachten, waar hij doorhaast, door de gruismist van aard-afval; bij het beuken der houweelen en den donder der diepte-ontploffingen.... Een vluchtende schim, die ademloos grijpt en breekt en voortijlt en werpt.... Wáár kòn hij dit slijpen, dit drijven?—Want, zoon, zij weten het nog immer niet, dat Ik hetzelfde op oneindig vele wijzen maak, Ik, die het omzichtig werk der fijnst-geslepen beitels doe mislukken, en zoo Mij dit behaagt, met een houweel mijn teerste beelden drijf.... Gij, zoon, zult mijn kunstenaar èn mijnwerker, mijn scherpzichtige jager èn in u zelf gekeerde droomer tegelijkertijd zijn...."

Oordeelt nu, lezer, mijne woorden: laat de rommelige levensvolheid van dit Een Worstelaar langs u been rumoeren: het ploffende storten der brokken levenserts verdooft u.... Dan plots ... ge zièt iets ... ge grijpt iets van tusschen de ruwe gevaarten.... Een bééld is 't! brééd-visionnair gehouwen, màchtig in zijn kleinheid.... En dit, en dit?... Die fonkeldingen.... Ongelooflijk! psychologisch filigrein.... En dit ... òndoorzichtige zielskristallen, doorzichtig-geslepen.... Hiervan dus luid, en nu ten dùidelijkste formuleerend, beschuldig ik 't Leven: dat Het dezen nieuwen Jozef een voorraadmaker, een magazijnmeester èn een ontraadselaar en koninklijk verwerkelijker van vreemde droomen, in éénen, veroorlooft te zijn.... En zoo ik 't kon, ik zou deze bevoorrechting verhinderen. Maar ach, wat vermag een menschje tegen 't Leven, en dan nog wel een armzalig recensent....

Jan. '18.

EEN ANTISEMITISCH CRITICUS?

[1]

Ik had het boek geopend en èven maar den Inhoud doorgezien.... Dan, zachtkens, liet ik 't vóór mij ter tafel neerglijden, en evenals toen ... in dien machtigen tijd ... toèn! daar het Westen zich tegen het Oosten verhief en krijgsgerucht de luchten, vulde—al was, gelijk ook in dien anderen Mâha-Bhârata, dat gerucht meer van speeches dan van wapengekletter afkomstig—zie ik mijzelf glimlachen, liefdevol èn—demonisch....—"De Joden in de Literatuur"!... Daar staat het artikel nu weer voor mij en lacht op zijn beurt ... ja waarlijk! ik zìe hoe 't lácht, een beetje benepen en verlegen als een aardige, verstandige kwant, die wel wéét, alweer een malle boodschap van zijn baas over te brengen, maar nu eenmaal gehoorzamen mòet .... En ik mijmer weer weg.... Hoe schoon was dat ... die jong-machtige figuur van Ornstein uit de denkverzonkenheid van zijn wetenschappelijken arbeid te zien rijzen, en zich te weer stellen ... voor Querido en van Campen?... Ach wel neen, wàt zouden hem die zijn geweest! maar voor dat mèt zijn wetenschappelijken hartstocht hem beheerschend toekomst-visioen: een Jodendom, dat vrij, geestelijk en materieel, zich uit kan leven.... En hoe schoon ook was, in dien subtielen, kalm-evenwichtigen, polemischen stijl van Mevrouw Mr. Ornstein de vrouwelijke charme noch het vaste zelfbedwang te zien vervluchtigen voor het vuur—dat de heeren Scharten, Wiessing en Abas lichtelijk-roosterend vuur—van haar diep-intuïtief èn wetenschappelijk verwerkt, nóóit afdwalend nationaliteitsbesef.—Maar dan helaas!...—o, eerste leelijkheid, die mijn mooi genot kwam storen!—ontwaar ik hoe mijn wenkbrauw-uiteinden mephistophelisch omhoogrijzen, voel ik mijn neusvleugels trillen van zàcht-uitgeademde, tráág-gesávoùréérde spotjool.... En ik zie weer Jac. Levy, een wel begaafde en energisch-opstrevende proletarier, maar toen te jong, zonder ervaring.... Nauwelijks was hij het Mosgroene Heilige Bosch ingetreden, om voor de verheven goden, die daar toeven, zijn hart uit te storten, of er springt een mr.-wiessing op hem af en hapt 'm een stuk uit zijn eerste-eigengebakken offerkoek ... en ah! welkom! welkom! dáár is ook weer de heer Abas-van-de-fransche-verzen, welke Querido niet beoordeelen wou.... Wraak is kòstelijk en zóet, mijn kunstenaarsziel bemint de schoone wrekers, en dies lijkt mij dan ook de heer de Rosa, toen hij in De Nieuwe Amsterdammer die wraakneming wilde bestraffen, en na weigering van zijn stuk er waarachtig ook nog mee naar De Joodsche Wachter liep, zéér verwèrpelijk en zùùr: had hij niet kunnen weten, dat "als de redactie (van de Mosgroene natuurlijk, v.C.) zich (tegen opname) verzet, zijn er steeds naar haar meening redenen voor van moreelen of intellectueelen aard"? En gebóód dan ook hier inderdaad de dièpst-begrepen moraliteit niet, dat des heeren Abas wàre beweegredenen slechts doorheen—een putdeksel bleven stinken?... Maar och, dat is kleingoed, dat is allemaal kleingoed ... vaarwel Levy, wáárlijk-kranige, intelligente jongen, die je zoo mooi-autodidactisch uit je diamantslijpers-ellende hebt opgeworsteld tot een schooner bestaan; adieu mijnheer Abas, als u je maar vlijtig in het maken van fransche verzen blijft oefenen, dan zie ik al in niet te ver verschiet den dag genaken, waarop diezelfde de Rosa u, als den Verlaine Redivivus, een zijner innigste "Filmpjes" wijdt.... Maar ga nu, ga nu, ik hoor Scharten's stap, "the step of the master"....—Dàg Scharten!... Maar néén toch, néén.... Verbeelding! bloeiende, lokkende, verleidelijke, zóó volg ik je niet langer, hìer is de grens; jij zoudt wel van mijn denken een dialogische klucht willen maken.... Gij vormwisselende-als-water, fònkel! maar maak den beker van mijn ernst met je fonkeling vol....—O Scharten, als je destijds had geweten, hoe ik je uit mijn verte zat te bezien, demonisch-spottend, jawèl, maar toch wel waarlijk ook met een verteederd medelijden; als je toen mijn blik, en wat die zeggen wilde, had gevoeld, hoeveel reiner en beter zou dàn je boek zijn geworden.... Nu krijt je maar: "ik ben geen antisemiet," en tast, geloof ik, als waar 't naar een wapen, naar een papier in je zak.... Ah ja, ik ken 't: dat is dat soort dienst-bodengetuigschrift, dat Mr. Wiessing je in je nood "verleende": "zoo is het ons bekend, dat Scharten absoluut geen antisemiet is." Ach ik vrees, dat helpt niet veel, èn jou, èn Mr. Wiessing zal men niet gelooven. Maar luister: ik—om meer dan een reden is de tijd daartoe gekomen:—ik wasch die smet van je af in een stróóm van argumenten .... máár bedenk dit wel: wien een smet wordt afgewasschen, hij wijte het den wasscher niet, dat de huid in haar ware kleur te voorschijn komt....—

Scharten een antisemiet! Medestanders en vrienden, gij, die hem verontwaardigd dus noemde, vergunt mij dat ik u thans klaarder inzicht schenk. Overweegt eens allereerst dit: Wàt zou deze hoofsche en elegante stylist, deze rijk-ontwikkelde kunstenaar-criticus, die met de roomigste melk van veler landen literaturen is doorvoed, wiens waarlijk-nauwgezet en gewetensvol onderzoek zijner critiek-objecten de warmste erkenning verdient; wat zou déze man hebben gedaan, indien hij waarlijk antisemiet ware geweest? Zou hij niet, vrage ik u, het voorwerp zijner afkeer ter dege hebben bestudeerd, om het des te zekerder te kunnen treffen. Zou hij, hij, zich niet in diens literatuur hebben verdiept, en al wat door groote verdedigers en tegenstanders daarover is geschreven, met zijn critische loupe hebben bezien? Ja zelfs—wat hadde dit immers uitgemaakt voor dezen begaafden en polyglottischen literator—zou hij, in den loop zijner van semitischen aanstoot getourmenteerde jaren, niet althans een weinig Hebreeuwsch hebben geleerd, om toch ééns ten minste den gehate in diens eigen huis te kunnen bespieden? Gij antwoordt bevestigend, natuurlijk. En evenwel, hij deed van dat alles niets. En wat deed hij dan wel?...

Hij schreef:

Want de schuld der Joden is hun erfelijk ongeloof; hun ongeloof in den Christus; hun ongeloof (vertaalt de beschouwer van dezen heil-zwangeren onheilstijd) hun ongeloof in de Liefde als de het menschdom verlossende kracht,

Hij schreef:

... en voor Christus' heilleer bleek het niet rijp (!!)

Is deze van alle wetenschap gespeende, is deze schamel-geestelijke herkauwer van zoo evidente, een oneindig aantal malen rééds herkauwde en uitgespògen, dwaasheid, is déze onze voortreffelijke kunstenaar? Bij mijn ziel: hij lijkt wel een dorpspastoor uit "het donkere Zuiden", die, gewaarschuwd dat een gevaarlijk-welsprekend en allicht joodsch S.D.A.P.-redenaar een propaganda-speech komt houden, op den voorafgaanden Zondag den kansel beklimt, om voor zijn schaapkens de Joden als de in haat verzonken, baarlijke duivels "kruisigers van Christus", af te malen, en hen te verzekeren, dat ze voor eeuwig mèt die verdoemden in de hel zullen branden, als ze zouden komen te luisteren, al ware 't maar één moment, naar dien verleider, neen erger: dien Jood (hu!) dien Satan-zelf thans tot ze zendt!... Hoe kwam dan deze voortreffelijke geest zóó neergedaald? Het lijkt een moeilijk probleem, maar mij is 't er geen. Ik denk mij de oplossing aldus: levend, doordat hij zich wellicht verongelijkt voelde—welken mensch, welken kunstenaar vooral, gebeurt dat niet op z'n tijd!—in een wanen-doorspookt halfduister van geestelijke depressie, veralgemeende hij zijne zuiver-persoonlijke, bijzondere en natùùrlijk nog wel ten deele gefantaseerde grieven, en zag eene tijdelijke ontstemming voor een grondsentiment zijner persoonlijkheid aan. Maar deze psychologie is u wat te duister, te abstract? Welnu, laat mij haar dan door een concreet voorbeeld verhelderen. Denk u een vorst—hoe vaak is 't in onze tijden gebeurd!—die zijn troon door een revolutie ziet bedreigd, en zijn smartelijken toorn in een pogrom uitviert—is die man dáárom een antisemiet?! Hij èn anderen denken dat allicht, en niettemin: welk een dwaling! Hij is immers niets dan een mènsch, die naar de schoone, bijna-onbewust werkende, traditie van zijn liefdevol geslacht, aldus zijn onbeheerscht en maar vluchtig gevoel uit. Is het revolutie'tje overwonnen, is de troon weer bevestigd, dàn wordt hij allicht weer een beste vent, doet zelfs een jóódsche vlieg geen kwaad, ja zegt wellicht beminnelijk, dat die schoon is als een vlinder.... Keeren we nu tot Scharten terug! Eens in die depressie vervallen, verhinderde hem zijn ongeloofelijke naïveteit zelfs maar een glimp van den waarachtigen aard zijns voelens te zien.... Maar hier protesteert gij! Gij gelooft inderdaad niet, zegt ge, aan een dergelijke naïveteit in een immers juist zoo voortreffelijk cerebraal-begaafde. Welnu vrienden, ik zal U dwingen te gelooven, ik zal U bewijzen wat ik zeg. Hij schreef:

Het "schmeichlen" van het Duitsch heb ik nooit kunnen verdragen, evenmin als het zoetige woorden-gespuug van den Joodschen marskramer.

en is zoo naïef er niet aan te denken, dat men hem zal toevoegen: maar waarde heer, spreekt ge in 't huis van den gehangene niet wat àl te luid over het touw? "Schmeichlen", "zoetig woorden-gespuug"! En dit dan:

... is het niet de bedroevende waarheid, dat Holland, zonder "De Telegraaf" niet eenmaal aan die heftige oppositie der gansche menschheid zou hebben deel gehad? Dat "De Telegraaf" voor een àl te groot part het geweten van Holland heeft moeten zijn? Het is om die reden ... dat de uitnoodiging van "De Telegraaf" tot medewerking, wel zéér aantrekkelijk voor mij was.

Het slachtoffer, Zionistische medestanders, van ùw antisemietisme-beschuldiging vergeve mij: ik heb zelden van den meest ruggebogen duitsch-joodschen commis-voyageur—dè vereeniging dus van afgrijslijkheden!—een "schmeichlender" en "zoetiger" toon gehoord! Want zelfs al ware "De Telegraaf" een zoo ideëel-geredigeerd dagblad als Scharten 't geloofde—gelooft hij 't nog?!—welk eene "schmeichlende" smakeloosheid blijft het dan niettemin, op den eigen oogenblik, dat men een betaalde taak van iemand aanvaardt, dien werkgever—ja, want al leven we ook in nog zoo'n rose Literatuur- en Kunst- en Ideaal-hemel, eene andere aardsche verhouding is er hier toch niet—dien werkgever, zeg ik, zoo uitermate-liefelijk te begroeten. Maar och, wellicht vergis ik mij; wellicht is dat maar dwaze werkmans-trots van mij. Die baaien rok komt wel vaker uit mijn literatuur-mantel kijken!—

Hij schreef:

Het is voor mij geen gemakkelijke zaak, te schrijven over twee onzer meest bekende critici, Willem Kloos en Is. Querido. Zoo geel ik sedert een tiental jaren de verzen, die ik schrijf, niet meer uit, omdat ik ook over verzen schrijf, en de gedachte niet kan verdragen, dat men daarnaast mijne eigene verzen voor de modellen zou willen aanzien van hoe ik vond dat verzen moesten zijn.

Dat, waaràchtig, schreef hij en is zoo naïef er niet aan te denken, dat men hem zal vragen: maar waarde heer, ge geeft ook immers novellen uit, en zijt ge dàn plotseling weer nièt bang, dat men die voor door U omhooggeheven modellen zal aanzien? Komaan, bedenk U eens goed: àls, bijvoorbeeld, ùwen verzen eens de "lichte godentred" van die van Boutens eigen was, zoùdt ge ze dan niet ... nee maar, zoudt ge ze dàn heusch ... heùschelijk niet tòch maar uitgeven?... O, heilige onschuld, ongerepte naïveteit van een dichter, die zegt, zijne verzen niet uit te geven omdat hij verzen critiseert O, heilige onschuld, héérlijke naïveteit van een dichter, die, opdat zijn verzen niét gemeten zullen worden, ze onder de koren-maat der critiek versteekt en daardoor natùùrlijk bewerkt, dat men ze onmiddellijk—en nu "in één partij"!—meet. Neen, dan nog maar liever ze in den "ivoren toren" van Verwey, dan nog maar liever ze in de "schóóne vindbaarheid" van Boutens verborgen! Onder een korenmaat!... waar een boertje als ik ze uit kan halen ... wel foei, dat lijkt me toch de léélijke vindbaarheid van maar een grof verstoppertjesspel....—En welnu, vrienden, hèb ik U nu niet gedwongen te gelooven; hèb ik U nu niet getoond, waartoe zulke wáánvervulde naïveteit soms voert? Maar o, ik zie 't al, ge twijfelt niet meer. Komaan, dan kunnen we verder gaan.

"De Telegraaf" heeft, naast menig kwaads, ook onzen criticus goeds gebracht. Tusschen Gids en het "Meestgelezen Dagblad" is wèl een contrast, maar juist de felheid daarvan deed Scharten eenige der hem bedreigende gevaren merken en hem die althans ontgaan. En ook: de overgang van den een tot den ander heeft immers, in gòed-bekeken werkelijkheid, veel vaker plaats dan men wellicht denkt: de deftig-vrijzinnige kerk uìt en het luidruchtige marktplein òp, daar is bij onzen stedenbouw immers elk kerkganger op verdacht! Scharten wist zich dan ook onmiddellijk in 't rumoer te schikken, al tè makkelijk, àl te nederig weliswaar, gelijk we helaas hebben gezien. Hij voelde er losser te kunnen zijn en hij wèrd 't. Menig boerinnetje, die daar met 'r mandje met niet-onberispelijke groentetjes stond, heeft-ie jolig berispt en geprezen.... Die meerdere losheid was zijn winst; maar 'n patertje-langs-den-kant met ze dansen, dàt deed hij toch nooit: daarvoor zat de kerksche wijding hem nog te veel in 't bloed. Dat was het behoud van zijn distinctie. Hij werd fleuriger dan óóit in De Gids. Hoe geestig is dat vergelijk van de "zonderlinge geluiden" in Anema's poëzie, met het "ontstellend gebrul van de bloemenmeid in Pygmalion". Hoe aardig-beeldend weer dit (over het herdenkingsfeest van "De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde") "wat er van zij, eene dubbel-en-dwarse herdenking zal het worden, eene herdenking met een onderkin."[2] En zoo zou ik wel voort kunnen gaan!...—Maar De Telegraaf bracht hem ook een andere winst: zij gaf hem meer ruimte: in plaats van een vaak krap-toegemeten Gids-overzicht over een menigte werken, beschikte hij nu over een feuilleton-ruimte, zoo hij 't wilde voor één boek. Dat kwam zijn lust tot de analyse, zijn sterkste zijde, ten goede. Zijne fijne indringingsmacht verfijnde zich nog wellicht. Aanmerkt eens hoe dit vermogen, ontwarend het diepste innerlijk in eene uiterste uiterlijkheid, zich prachtig hier toont: (Over Geerten Gossaert) "Trots is deze ziel als weinige—het is opmerkelijk, in hoevele dezer verzen het statige of het steigerende paard verschijnt!"[3] En meer nog deed De Telegraaf—gij zoudt het onmogelijk hebben geacht, en toch: zij schonk hem den moed, ééns ten minste hartstochtelijk in zijn liefdesuiting te zijn. Want Scharten was immer een allerkalmste puntje-op-de-i-zetter, hij dàcht véél grooter dan hij voelde: hij dàcht stèrk en hij vòelde maar: fijntjes. En als gij goed de waarheid dezer bewering wilt inzien, dan moet ge eens de in dezen bundel voorkomende unieke gelegenheid benuttigen, waarbij Scharten eene onbewuste nabootsing van Van Deyssel heeft geschreven. Ik bedoel die passage, welke bovenaan blz. 56 begint, waar onze criticus een boekje uit de kast haalt en dat spottend gaat zitten bekijken. Dat is, buiten eenigen twijfel, eene reminiscentie van het "snoezig kistje sigaren" uit: Over kunst, of eigenlijk over den Meer Henri Borel, nog wel een van de koelste stukken van ons aller Meester, den grooten Brandende-Voeler. En nu moet ge eens goed zien, hoe snel in het laatstgenoemde stuk het zich in zijn eigen trèf-zekerheid verknéuterende spèl tot den strak-ingehouden, staal-vlijmen haat-ernst en verachting steigert, en daarentegen Scharten's spel, 't spel van een lieven, guitigen plaaggeest blijft. Maar, constateerde ik, dat De Telegraaf hem ten slotte den moed tot den hartstocht—waarvan ik u aanstonds het blijk hoop te toonen—heeft geschonken, ik moet erbij voegen, dat zij dit geschenk-om-over-te-juichen hem bracht op een manier-om-van-te-huilen. En dat is aldus in zijn werk gegaan. Nauwelijks in de Telegraaf-sfeer van maniakale anti-Duitschigheid en pro-Ententerigheid opgenomen—in welker gedachtencomplex Nederland precies zooveel meetelt als zijn waarde van mògelijk trekpaard voor den Entente-oorlogswagen bedraagt—werd Scharten's wezen tot in zijn diepste gronden bevrucht, ontwaakte het tot zijn vurigste kracht. Het wezen van dien Scharten, die, schoon van duitsche afstamming, in Nederland geboren, een latijnsch-geaard cosmopoliet is met een niet al te warme liefde—waarvan de onbewuste plichtmatigheid hem wellicht tot dan bleef verholen—voor zijn vaderland. Al die gevoelens, welke de Gids-atmosfeer verhinderd had, in hem tot bewustzijn zelfs te komen, werden hem nu als het uiterst-prijzenswaardige, als het onschatbaarste dat in hem was, onthuld. Geringschatting van Holland's volkseigen—prachtig Scharten! juicht De Telegraaf, dáár motte we weze.—Gesputter tegen die overal in Holland opstijgende "lamme lauwheid: de Neutraliteit ... die bóvenal beducht bleek voor het mògelijk uitdagend-schijnen eener ridderlijke houding".... O, snikt De Telegraaf, da'k dat heb magge beleve ... gauw! ma lodderein-boîte francaise, beste Alexander, mijn vieux brave,elle zit dans je linker poche....—"Hoe langer en hoe gruwelijker die waanzin duurt, hoe onverwoestbaarder dat Bewijs in het bewustzijn der menschheid zal komen te staan. Wie het dus goed met het menschdom meent,—verlangt niet naar een ontijdigen vrede. Stelp niet de koorts, doch laat haar uitwoeden." Bravo! Bravo! gilt De Telegraaf, noù ben je eerst mijn salontijgertje, noù ben je eerst net zoo'n held-achter-de-sohrijftafel geworden als ik-zelf!—En dan steken we van wal, hoor, we geven 'm van katoen. De Hollanders zijn "lauwe Laodicenzen", en wat "een slááfsche indruk" maakt dat, "al die Duitsche uniformen en petten" op de Hollandsche soldatenhoofden, alsof ze zoo bij "het driehonderd-zooveelste Pruisische regiment (moesten) worden ingelijfd." Tot zelfs eene novelle van een onzer schrijfsters is—let op het maniakale—Pruisisch-systematisch[4] afgewerkt!—Maar dan—bòven zijn nederigheid jegens De Telegraaf, bòven zijn blijdschap ùit, aan dat ideëele blad te mogen medewerken, stijgt als een leeuwerik uit een drenzig, vies burgertuintje zijn zingende ziel den hemel der liefde in. Bij al dat léélijke heeft hij nu ook van diezelfde Telegraaf—en ziehier nu de vervulling mijner straks gegeven belofte—het schóóne geschenk van den moed tot den hartstocht ontvangen. Het geheele innige, van zoete liefde innige stuk Een avond in Florence is niets anders dan het heerlijk-schoon gelaat zijner liefde tot Italië, maar kenden wij dit tot heden als een edel, duurzaam marmer, koel als zijns beeldhouwers sentimenten, nù is 't overbloosd door die nieuwe, die pas ontstoken vlam van den hartstocht. Welk een jammer—voor mij—dat mijn genot alweer niet onvermengd mocht blijven. Want ziehier de storende gedachte, die in mij rees: o naïeve Scharten, zijt gij de man, die den Jood zóó smadend zijn vreemdelingschap voor de voeten mocht werpen, gij die zóó over Holland en zóó over Italië kùnt spreken; die u gebonden voelt "aan dat heerlijke land, waar gij (u) meer dan érgens elders thuis ging(t) gevoelen"; gij dien, thans hier in Holland levend, nochtans in betrekking tot Italië het spraakbeeld naar de lippen dringt van "het in twee jaren niet terug geziene ouderlijke huis"?! Onderzoek u-zélf, máár: uw diépste ziel, èn: hoed u ervoor, die onbewust te vereenzelvigen—schoon-scheppende éénheid als gij beiden vaak zijt—met de psyche uwer wel cosmopolitisch-beeldend-geniale, maar naar haar grònd-aard en -wezen stoer-hollandsche vrouw ... en nà dat onderzoek zég mij: wéét gij u-zèlf geen "eeuwige vreemdeling" in Holland?... De ziel van Scharten en de ziel van De Telegraaf.... Hier Raemaekers! daar is een nieuw motief voor een nieuwe prent Soeurs Latines.

In dezen bundel van een makkelijk leesbare en zuivere écriture, welke de grondigheid niet tekort doet; in dezen bundel, puur-eerlijk en subjectief-juist in wat hij zegt, waar hij zich maar niet tot een volmaakt onbevoegd gebeunhaas in rassen-theorie, politieke tinnegieterij en ridicuul-oudbakken, quasi-religieus pseudo-fanatisme verdwaast —in deze opstellen is nog al wat veranderd! Tegelijk met de verdwijning uit Twee Critici van de prachtig-openhartige, warme waardeering voor mijn Gids-studie Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst, verzonk ook de belofte "daarop terug te komen" in 't niet. Dat begrijp ik.... Oók mijn "Oostersche kleverigheid" verdween—helaas welk eene bohémien-artistieke verspilling in dezen duren en gomloozen tijd! Het zij zoo.... Maar wat had behóóren te verdwijnen: al die dwaasheden, waarover ik 't had, diè zijn gebleven. Hadt ge ze toch, o Scharten, geëlimineerd, hoe anders van toon en inhoud ware dit opstel geworden, ook al hadt ge, o gelóóf me, mijn "Oostersche kleverigheid" dan niet afgewischt. Dán zou ik niet noodig gehad hebben te bewijzen, dat gij geen antisemiet waart, gij zelf zoudt 't hebben bewezen. Wie van zich afwerpt den ontvreemden mantel en liever onder de barre kou des hemels gaat, dàt is een moedig man; niet hij die zégt: "die mantel behoort een ander", maar hem tòch dráágt. Wie zélf van zich afwascht den zij 't léélijken, maar hém toch beschérmend-maskeerenden grime-smeur staat dichter bij Christus en Zijn Jóódsche Liefde, dan wie Zijn door de eeuwen verminkte beeld de voeten wascht, o Scharten....—Destijds zweeg ik—ik voelde mij tot dit zwijgen zedelijk verplicht—ik wachtte op een latere openlichting van inzicht bij je, op eene ruiterlijke erkenning van dwaling. Zij zijn niet gekomen. Thans moest ik spreken. Ook tot U Zionistische vrienden, aan wie ik, naar mij dunkt, wel iets goed te maken heb! Want ik liet u—ik móest u laten—door mijn zwijgen in den waan, dat gij voor het aangevallen Jodendom streedt, en och, ge ziet 't nu betreurend: ge verdedigdet slechts twee menschen—van wel zeer ongelijke beteekenis, maar beiden slechts: ménschen; ik liet u door mijn zwijgen in den waan, dat ge tegen 't antisemitisme streedt, helaas, het was tegen: alweer een ménsch, wiens impressionabele kunstenaarsnatuur mijns inziens door verongelijking tot bezinninglooze onbillijkheid werd gedreven. En echter, het valle u licht mij te vergeven. Zulk schijn-antisemietisme heeft maar al te vaak het meest echte gekweekt, zooals de comedie-dief op de film veel echte diefjes in de zaal. En was het daarom reeds niet geboden er tegen op te treden? Mijn zwijgen heeft dan ook niets en niemand geschaad. Het deerde mijn vriend den aanvaller niet, want het gáf hem integendeel tot inkeer en herroeping den tijd, en de geringste straf, die hem kon treffen, was toch wel in een vergroote gedaante voor de menschen te staan. Het schaadde ù niet: want wat deerde het de vlam van uw edelmoed, wie of wat haar ontstak, nu zij brandde...?—

Jan. '18

Noten:

C.J.A. VAN BRUGGEN: ALS GE NIET ... DAN! EEN VER-BEELDING

Zoodra ge het eerste hoofdstuk—het voorwoord, zoo ge wilt—van Het verstoorde Mierennest hebt gelezen, ziet ge den zacht-ironischen, den mild-droevigen en koel-vreugdigen, den schuwen, slechts in wat losse speelschheid zich uiten willenden geest van den schrijver, ten voeten uit, voor U. En in dìt boek herkent ge hem weer—hij is nu ietwat veranderd, maar dit verbaast U niet: gij hebt die verandering vóórvoeld....—Want ge zaagt ook wel hoe hij kwam aangetreden, deze in zich-zelf teruggetrokken mensch, door der jaren kronkelende gang, waar nu en dan schamplichten zijn dàn strak-gehouden gelaat belichtten, maar ge in de duisternis een weemoedig spotlachje daarop vermoedde—ge zaagt wel hoè hij opging tot de zelfopenbaring dezer twee boeken. Een journalistenleven het zijne ... neen, erger: het bestaan van een kunstcriticus!... Te midden van den grootheidswaan, de ijdele zelfverheffing, de intrigetjes, het kemphaantjesgekraai, de nerveuse overspanningen van al die Shakespeartjes en Bouwmeestertjes, heeft hij dagen èn avonden doorleefd. Onderwijl echter moet hij aldoor stilletjes naar zijn eigen speelsche droomen hebben gekeken, hoe daar dingen ontstonden, die toch wel mooi —nee, nièt móói, zal hij op zijn zich-zelf néérdrukkende wijze hebben gemeend, doch áárdig ... toch wel aardig ... waren. Maar niet opschrijven, niet opschrijven, kapte hij dan heftig een nauwelijks gedàchte gedachte af.... Wat is er in godsnaam aan gelegen naast al het heerlijk-moois, dat de grooten hebben gemaakt ... en kijk 'us al die mallen, die opgejaagden, die schichtigen....—Hij moet dien dégoût hebben gehad, welken elk kunstenaar-criticus kent, dien dégoût van den lazaret-dokter aan de vuur-linie ... te véél wonden, te veel verwrongen gezichten, te veel mensch wrakken, om Gòds wil hou òp! Maar—de droomen van een wezenlijk-scheppenden geest als de zijne, zijn sterker dan diens wil. Zij dwongen hem ten slotte zich te bukken onder hun juk.... Hij gìng zich uiten.... Maar in 's hemels naam, zoo moet zijn wijze deemoed hem in een laatste verweer hebben toegefluisterd: zonder iets dat maar op ophef lijkt, àsjeblieft ... zorg ervoor, dat ze je niet kunnen zitten aankijken als een wonderdier ... gelùkkig: jij kunt dit leven niet anders aanvoelen dan als een doelloos spel, bééld 't als zoodanig ... nog een beetje achteloozer dan je 't wellicht van zelf al zou hebben gedaan ... òm je maar de vooze gewichtigdoenerij van 't lijf te houden....—En daar kwam dan het eerst dat vóórwoordelijke eerste hoofdstuk van Het Verstoorde Mierennest: "Indien de natuur eens meedeed?".... "Bedenk eens zulk een gril".... "Laat ons het eindloos getal zulker doode werelden met één vermeerderen"..... "Maar ons sprookje gaat verder"[1] Dit voorwoord zei den lezers onmiddellijk: vrienden, trek jullie asjeblieft je galapak uit, je gaat niet naar een zitting van de Staten-Generaal, maar naar de bijeenkomst van een debating-club ... begrijpt wèl: er dwìngt ons géén nijpende wèrkelijkheid tot spreken, noch gaan wij beraden over iets dat is, maar: wij hebben nu eenmaal lùst tot spreken, en we zullen redeneeren over iets, dat we veronderstellen te zijn....—Nóóit heeft een werk eene meer discrediteerende voorrede meegekregen: de verwezenlijking van het gegeven—het doel van kunst!—in des aanschouwers geest, scheen hier bij voorbaat onmogelijk gemaakt! Temeer, waar zich de spèl-natuur, de schaakspel-natuur der verbeelding nog in iets anders accentueerde: in den ònoorspronkelijken opzet van het verhaal; dien een werelddood brengenden komeetstaart vol blauwzuur. Want werd ons deze opzet niet onmiddellijk voelbaar als een analogon van een dier, grootendeels eeuwenoude, "openingen" van het schaakspel, waarmede bijna elke partij, óók de oorspronkelijkste, óók de geniaalste, begint? Maar dit was dan ook de schoone triomf, zelfs over mij, die dit alles toch zóó sterk had doorvoeld, dat den lezer dit áárdige spel, trots àlle tekortkomingen, trots àlle onwaarschijnlijkheden, langzamerhand tot boèienden ernst werd!—En toch—ik sprak straks van eene verandering die te voorvoelen was: in zoo speelsche luim kòn déze scheppende geest niet volharden. Want weet dit wel: het leven weerspiegelt zich op drie wijzen in de menschelijke psyche: als doel- en wetten-looze toevalligheid; als wet-gebonden spel; als doelmatige ernst. En wie nu, als onze schrijver, meenend in de sfeer der hier als twééde genoemde levensbeschouwing te verkeeren, toch reeds blijkens de eigenaardige ernst-impressie, welke zijn werk ten slòtte maakt, in zijn scheppend onbewuste de erkentenis van de dèrde draagt—diè stijgt, al scheppend, ook bewùst tot deze; die verláát het spèl. Men ziet dan ook in dit zijn tweede boek duidelijk de aanvang dezer stijging. Het werd er minder èn meer door. Mìnder: want nu het puur- fantastisch gegeven is vervangen door dat eener zeer makkelijk als zoodanig te aanvaarden werkelijkheid, storen ons veel onwaarschijnlijkheden des te heviger.... En óók minder: omdat de schrijver niet immer tot de hart-diepte van zijn soms van-realiteit-nijpend onderwerp daalde, en met name zijn daardoor geïnspireerde lyriek, hoe fraai die ook op sommige plaatsen zij, als geheel nog onrijp bleef. Maar méér: door het sociologisch-bitterder-hekelende van zijn oude en zuiver-gebleven socialisten-hart; door de toch steviger levende menschelijkheid—de engelsche professor, de apache, het meisje;—door het prachtig-geestige, dat het werk doortintelt—de graaf met z'n vier Pommeren! dat is onovertrefbaar in zijn soort ... dàn vloeien de meest spiritueele karakteristieken uit zijn pen. Terwijl tusschen dat alles nog kleuren, vaag, wonderteere van-glansmist-omdeinde visioenen. Naast vrij wat slordigheid in de taal—soms zeer opmerkelijk in het andere uiterste overslaande: eene als uit nerveuse behoedzaamheid ontstane verstarring, (een taalgevoel dat, onraad snuffelend, plots waaksch, op stijve pooten loopt)—zijn er ook wel eenige vreemde stijlinvloeden aan te wijzen: nàuwelijks èven een de Haansch rhythme; lànger eene Queridoïaansch-beeldende zegging; zéér lang aangehouden de tóón der voortreffelijke Prikkelidyllen van Cornelis Veth....—Ik wil nu maar hopen, dat ik onzen ingetogen auteur niet te veel lof, naar zijn smaak, heb toegezwaaid, en vooral verzoek ik hem mijne allicht-onjuiste psychologische analysen te willen verontschuldigen Hij-zelf heeft aan mijne vermetelheid een weinig schuld! Schoon spel prikkelt tot medespelen. Jammer slechts dat ik dan een zoo onkundig partner was. Maar zie, alreeds sta ik op, en de vrije plaats voor het schaakbord aan zijne Scheppende Droomen latend, trek ik mij in den kring der verheugde en zwijgende aanschouwers terug.

Febr. '18.

Noot:

JOH. DE MEESTER: DE KINDSHEID VAN HARLEKIJNTJE

De jòng-geestige, liefdevol-spotlustige verteller, die de Meester eenmaal was, de verteller van dat onvergetelijk Avontuur van David Zangvogel èn Petite Reine, benevens de wat Hildebrand-achtig-gemoedelijke, novellistische verhandelaar, die hij zoowaar óók soms kon blijken—die beide evenwichtiger wezens bestaan, blijkens dezen bundel, nauwelijks meer in hem. Zijn nog altijd jeugdige en rappe geest heeft een toch wat oùwelijk-stèrker physionomie gekregen ... van een vréémde ouwelijkheid, zulk eene als, schoon plòts geopenbaard, wel altijd bij het wezen moet hebben behoord, of het jong was dan wel oud; die niets met den vorderenden leeftijd heeft te maken. Zijn scheppende geest—dáár ben ik er!—lijkt mij de, machtiger dan vroeger geprononceerde, physionomie van den condor te hebben: kaalhoofdig, naakt-scherpe oogen, bits-kromme grijpsnavel. Met zijn fel-flikkerenden blik zoekt hij den hemel af en de aarde over....—Zijn nerveus-open ziel reageert op alles dat leefbeweegt binnen zijn gezichtsveld. Alles is hem schoonheidsprooi, hij ziet èn grijpt.... Het is verwonderlijk wat hij òp kan, wàt hij ver-bijt, wàt hij verslindt en in hoe korten tijd hij 't doet....—Ziedaar de schrijver des zes, deels voortreffelijke, deels goede, maar àlle: boeiende, Thuiskomsten; van het pittige Een geval van Tooneelbescherming en het een beetje, in de figuur van den schilder, Emants-getinte Oase. Nog altijd is hij de onverminderd-uitmuntende compositeur van het vlotte, korte verhaal, en in elk zoo'n verhaal is welhaast een roman saamgedrongen; zij zijn instantané's, maar niet van een-oogenblik-in-'t-leven, doch van het-leven-in-een-oogenblik. Zijn verhalen zijn vol rillende driften: hèrsens vòl bevende zenuwen, kloppende aderen. Zijn zinsbouw, zijn taal zijn incarnatie—pezig-mager, gloed-droog woordvleesch—van zijn vurige, lijdende, wrang-genietende, het leven een drònk afdwìngende ziel. Warmte en koude wisselen snel in hem, maar blijvend in hem toch is: iets hard-staalachtigs, sòms smijdig-vlug als een toestootende degen, maar soms ook als onverzettelijk omhooggespeerd onder den duister-broeienden hemel van zijn pessimisme. Donkerte en licht wisselbliksemen dan langs hem heen, want geen onweer barst in zijn nabijheid los of hij trekt de ontlading aan ... dan ziet ge fèl den staalglans. Als het gevaarlijke hemellicht, verraderlijk-snel en wreed, de zich onzichtbaar wanende zwoel-heimelijke nachtelijkheden der aarde opendekt, vaart het langs hèm neer, om zich-zelf in den reuk-zwaren grond te begraven. Dit, wat den schepper in dit werk betreft. De mensch, die niet tot het schepper-zijn kon stijgen, wijl hij er zooeven vermoeid uit neergezegen was, spreekt uit het eerste verhaal: De Kindsheid van Harlekijntje. Dáárin leeft de man, die door de turbulente jacht van scheppende bewogenhden éven verlaten, zoo graag een héél gewone mensch, dien korten tijd althans, wil zijn. Daar ziet hij zich nu zitten in een gezellige kamer, en een anderen mensch tegenover zich.... Heeft die naar hem geluisterd, terwijl hij scheppend-verhaler was?... De bewonderingswarme blik van dien man schijnt dat wel te zeggen.... Maar wat doet dat ertoe; van zùlk een verhaler is nù niets in hem ... hij voelt als een geestelijke koude, een leegte ... hij voelt een behoefte aan gewóón-menschelijke vriendschap .... Hij wéét zeker, dat als hij nu in zijn weeken weemoed, zijn drang naar wat meegevoel, gaat spreken, hij sentimenteel, misschien wel drakig-melodramatisch zal doen; tòch kan-ie 't niet laten. De oogen ver-starend, vochtig van verlangensglans, mijmert hij zachtkens over zijn jeugd, hoe-ie daar in dat oude, kleine stadje, waar zijn ouders woonden, een jongetje kende, Harlekijntje ... een armzalig, door drank verdwergd jongetje.... En hij vraagt vertrouwelijk den man tegenover zich: van die Harlekijntje gesproken: "Heette zijn moeder niet dronken Fie? Was zij uit een Belgisch Seheldedorp".... "Heeft de muziek Fie gelokt naar de stad?"....—Maar de man tegenover hem ziet hem koelverbaasd aan. Die begrijpt niet, dat de liefde-gevende schepper plots een liefde-behoevende mènsch is geworden, en koud antwoordt hij hem: "Vraagt U mij wie of wat Fie was!... dat wilde ik juist van U weten.... Wat wilt U toch van mij? Waar is Uw prachtige zèkerheid gebleven?... O, o ... ik zie 't nu.... U zijt geen schepper meer als straks.... U zijt 'n mènsch als ik geworden. Ik herken mijn eigen twijfelen in U helaas, maar ùwe zekerheden herken ik niet meer." En de man staat op en gaat héén....—O, de Meester, dit is het lot van alle scheppenden, als dat vreemde heimwee hen naar het gewone mensch-zijn trekt ...—naar: los te zijn van scheppende droomen; los van die over-vreeselijke, pijnende gevoeligheid; los van hun onverzadelijke, dùistere drift naar een vermoede licht, al maar heller begeerd, al maar heller dan zij ooit hebben gekend ... bevrijd te zijn van dat dunne, meedeinende, maar nooit wijkende, alles zoo anders kleurende waas, dat hen van de anderen scheidt. Want nóóit worden zij daaraan geheel onttogen en nooit hun de zoete vrede der gewone menschen en het 't-zelfde-voelen met dezen gegeven. Blijf daarom je nerveus-trillende, je van leven kloppende verhalen schrijven; hoe levend en schoon zijn zij ook weer hier, al zijn, gelijk in al het levende, doode plekken in hen. Maar mijmer geen Harlekijntjes meer. Wat de mensch beminnenswaard zelfs acht in zijn evenbroeder, verwerpt en veroordeelt hij nog in hem dien hij als kunstenaar meende te hooren, terwijl toen de kunstenaar nièt sprak....—

Febr. '18.

R.J. SPITZ: UIT HOOFT'S LYRIEK

De heer Spitz maakt zich wel zeer verdienstelijk zoowel jegens de oude literatuur als jegens den modernen mensch, die hij zich zoozeer beijvert tot elkander te brengen. Eerst de overzetting van de Beatrijs uit het Middel-Nederlandsch in het hedendaagsch, een werk, dat, er mogen dan ook duidelijk-zichtbare vlekjes op zijn aan te wijzen—ik kom er spoedig elders op terug—toch van een piëteitvollen moed en een schoonheidsbesef getuigt, die den uitvoerder eeren. Nù deze bescheidener maar niet minder gewichtige arbeid van het samenstellen eener korte bloemlezing uit Hooft's lyriek, waarbij echter, daargelaten dat het doen eener keuze vaak evenzeer een blik gunt in den geest van die haar deed, als een vertaling in dien van den vertaler, de bloemlezer kans heeft gezien en wèl gebruikt, om zijn zeer te waardeeren aandeel in het gebodene te verhoogen door het schrijven eener beknopte, aangenaam-leesbare, zeer concis-gestelde inleiding, welke met een zekere prettig-aandoende, vastbesloten flinkheid de dingen bespreekt of noemt, waar 't op aankomt. Als ge hem, in den eersten zin reeds, zoo terloops hoort zeggen, dat Hooft's vader "een van de besten en zuiversten van een regentensoort (was), waarvan de vrijzinnigheid vaak niet meer dan afkeer was van predikanten-heerschappij en dat meestal slechts voor een vrijheid voelde die de onderdrukking van anderen als grondslag had en ten eigen bate kon worden aangewend," dan herkent ge hier onmiddellijk deze uiting als die van een man, die, ver over zijn vak-omheininkje heen, den wijden horizont ziet, diens spel van in elkander vervloeiende en elkaar aanvullende tinten begrijpt, en met dat zuiver-eigen begrip zijn van anderen ontvàngen kennis scheidt, weer samenvoegt, schakeert, en aldus tot den vollen èigendom van zijn geest maakt. Er klopt iets in deze zoo aus einem Gusse gegoten inleiding, iets van zoo wàrme overtuiging ook—men leze bijvoorbeeld die paar regels, waarin de schrijver "protesteert" tegen een oordeel, dat Hooft een fijner geest dan Vondel noemt—dat het mij zeer verwonderen zou, indien deze "klop" niet eens een véél verder dragend geluid uit het brons der taal zou wekken dan dit, al zal het wel, denk ik, nooit een schóón carillon, maar slechts een zeer nuttige en, wie weet, ook menig rustig slaapje storende uur slag zijn. De heer Spitz lijkt mij namelijk niet iemand—het blijkt m.i. duidelijk uit zijn overzetting van de Beatrijs—van noemenswaardige kunstenaarsgaven. Intusschen, gewichtiger dan dit alles dunkt mij de vraag, of zelfs een voortreffelijk uitgaafje als dit bij machte zal zijn den nieuwen mensch tot de oude kunst te brengen. Bloemlezers van oude literatuur, in dezen tijd, schijnen mij altijd min of meer op zoo'n oude dame te lijken, die, als haar coquet kleindochtertje naar haar eerste bal gaat, uit 'r commode, van achter zeven sloten, een kostbaar antiek snoer haalt en dit, als in zelf-opofferende innigheid, om het jonge halsje legt. Maar het kind helaas, ofschoon ze quasi-opgetogen haar oogen laat schitteren, is er heelemaal niet dankbaar voor ... ze zou veel liever een van haar moderne snuisterijen dragen, en bovendien: wat zal Albert, dien ze van de tien dansen zeven heeft beloofd, er wel van zeggen, dat ze zijn medaillonnetje niet aan heeft?!...—De keus-zelf overigens lijkt mij hier bijzonder geslaagd. Och ja, natuurlijk: desiderata blijven er voor mij ontevredene nog altijd. Een kort-regelig en kunstig vers, ter vertegenwoordiging der soort, als: Ghij suchten heet, mis ik al even noode, als, na de opgenomen monoloog van Dorilea, de veel zàngeriger "zang" van Daifilo. En als pendant van Amaril op blz. 14, had ik het geestige en, mij dunkt, den hedendaagschen lezer wel lijkende Amaril, had jck hajr wt uw tujtjen, er maar bij genomen. Een bepaalde tekortkoming echter acht ik, dat de fèl-zinnelijke Hooft—hij had met Boccacio niet slechts zijn humanistische neigingen èn voorkeur voor de letteren boven den koophandel gemeen!—niet door een vers als Dartelavondt is vertegenwoordigd. Er komt hier, meen ik, een zelfde tegenzin van den heer Spits, tegen grover-sensueele passages, als in zijn vertaling van de Beatrijs aan het licht. Maar erger dan eene tekortkoming: een volstrekt vergrijp vind ik de verminking van Op Liefs Afweezen. Niet slechts de vijf laatste coupletten, maar zelfs het derde, dus iets uit het midden, uit een gedicht te snijden...! Bloemen lezen van een veld en takken afbreken van een boom zijn twee verschillende dingen! Gelijk ook bloemen lezen iets zeer liefs kan zijn, maar ze slordig te laten vallen als steken van een breikous, iets bepaald ònliefs is. Ik doel op eenige drukfouten, die zin of metrum, een enkel maal zelfs beide, storen, al blijkt, in twee gevallen althans, uit de noten de juiste lezing wel. In Deuntje: een "wonder-ziek geesje" in plaats van "wond-ziek." (In hetzelfde gedicht ware 't m.i. beter geweest Leendertz' noot bij "Gloorroos" over te nemen: de moderne lezer snapt niet zoo dadelijk, dat dit woord het troetelnaampje van een meisje is.) Op blz. 26 is zelfs de door Perk opnieuw beroemd geworden regel:

"En is geen lachje, neen, maer lachens daegheraedt"

verminkt door in plaats van maer te laten staan: man; terwijl in den regel:

"Hier streckt de stock het derde been "Den ouden man...."

door in plaats van streckt te drukken: sterckt, de gezegde oude man een kermiswonder-met-drie-beenen is geworden. Ik begrijp dat de Errungenschaften op dit gebied van den Grootmeester-aller-Bloemlezers, den jongere in de oogen steken! Maar toch zou ik den heer Spitz, waar hij voor dèze uitmuntendheid veel te—goed is, willen raden: keer gij liever tot de zachtere zeden van het pre-Knutteliaansche tijdvak terug....—

April '18.

G. VAN HULZEN: VAN DEN ZELFKANT DER SAMENLEVING. ZIJN KIND

De makers der catena fina werden spoedig blind, vertelt Schopenhauer. En het is mij of ik daarin iets van mijn eigen tijd beleef.... Want wat dien ouden, Italiaanschen edelsmeden wedervoer, hebben wij dat ook niet bij zoo menigeen der tachtigers en hunner epigonen te betreuren? Heeft dat turen op de allerfijnste schakels van innerlijk en uiterlijk gebeuren, en dat kunstig smeden van gouden woordkettinkjes, sommigen hunner ten slotte niet het vermogen om te zien gekost, te zien wàt ook, niet slechts hùn verwonderlijk-fijne vlechtwerk, maar ook heel het volle, rijke leven?... Zeker: ik geef grif toe: hier vooral kan men van wisselwerking spreken. Waren de visie op, de neiging naar dat vollere leven, de gave van den echten menschen-schepper, van nature en meet af aan, zij het naast hun verbijzonderingsdrang, màchtig in hen geweest, zouden dàn hunne oogen en handen zich tot verlammens- en blind-wordens toe hebben kunnen bezighouden met hun onder de loupe bewerkt goud?... Een ontwikkelingsgang als die van den schrijver van Hulzen wijst mede er wel op, hoe volstrekt-ontkennend hier het antwoord moet zijn. Van Hulzen, vooral in 't begin van zijn loopbaan, tachtiger-epigoon-uit-bewondering en bekoord-zijn, maar allerminst uit aanleg, heeft óók wel vroeger "catene fine" gemaakt, minutieusen détailarbeid, máár: op zijn manier: die van den volksman, wien nu eenmaal de aristocratische neiging tot zoo fijnen arbeid niet in 't bloed zit en die dan ook mede daardoor ciseleerbeiteltjes en fijn-stalen hamertjes, allang vóór hij merken zou dat zulk werk zijn oogen verzwakte, in den steek liet, om met den houten boetseerstok in de vette kleiaard te werken. Waren diè dan ook niet zijn beste boeken, welke, zich bezighoudend met het lagere en allerlaagste volksleven, tegelijkertijd, in hun grovere en aard-zuivere menschelijkheid, afwezigheid van eigenlijke woordkunst en subtiele taalbeheersching, bewezen hoe zijn vroegere subtiliteit niets dan een kasbloempje was geweest, ontloken in de hooge temperatuur van het epigonen-enthousiasme? Ware het daarbij gebleven.... Wie zou er niet blij om zijn, dat een sterk-begaafde tot zijn oer-eigen natuur weerkeert! Maar helaas: in dit zijn werk schijnt mij die oude epigoon in Van Hulzen zich op vreemde wijze om zijn veronachtzaming te hebben gewroken. Hij, die niet langer edelsmid kon en mocht zijn; die niet langer gouddraad tot fijne kettinkjes mocht vervlechten, werd hier de fabrieksarbeider, die den metaaldraad "trekt" en rekt, rekt tot ieder die 't ziet, zichzelf zoo "gereckt", zoo gemarteld, als die metaaldraad voelt worden! Want, mijn hemel, wèlke eindelóóze herhalingen in dit boek, geen herhalingen van de soort, waarin zich het machtig scheppend beproeven, het evolutionnair modifieeren van een zelfde grondtype, der Natuur weerspiegelt, gelijk ik dit eens in Querido's werk aanwees, maar integendeel van die welke het gevolg is van een onmacht, die zich gaan laat, gaan, tot de monden geeuwen, de oogen tranen, de voeten wankelen van die haar moeten aanschouwen. Zeker, ook in dat veelszins voortreffelijke boek De Man uit de Slop viel zulk een herhalen reeds op, maar verderop beterde dat; ik dacht toen: Van Hulzen, als zoovelen, moet zich eerst "inschrijven" vóór hij op dreef komt; hièr echter wordt 't hoe langer hoe erger, hier heeft-ie zich eruitgeschreven. Wèl blijkt dit boek een formidabele achteruitgang, na het zooeven genoemde werk, na Maria van Dalen vooral, met die onvergetelijk-prachtige vrouwefiguur; óók als men dankbaar de aanwezigheid van vele stukjes goede en stemmingsvolle natuurbeschrijving erkent; óók wanneer men het betreurt aldus over een auteur te moeten spreken, wiens erbarmingsvolle en diepe menschelijkheid zóó nog de klamme en lang-slierende druilmist zijner onmacht doorlicht, dat men waarlijk nog vaak, trots een hartkwaalachtig gevoel van weeheid, in z'n Vrouw Ruffert vooral, een medemensch herkent. Een onmacht overigens, die niet alleen in compositorische lamlendigheid en een gebrek aan energische zelfcritiek zich uit, maar ook, zooals na al het voorgaande wel van zelf spreekt, de taal harkerig maakt èn verslordigt. Hééft de schrijver wéét van dit alles? En is het thans wellicht ook tot hem doorgedrongen, hoe walvischachtig een "traan" moet zijn, die iets "verwarmt", zelfs een "gemoed"? Zoo ja, dan begrijpt hij ook wel waarom ik mij nog liever met een zijner oude "catene fine" zou hebben geworgd, dan mij aan dìt rafelige touw, als een makke, critische melkkoe, al heb ik nù herkauwen geleerd, ter ... "foire sur la place" te laten leiden.

Mei '18.

HERMAN POORT: LITERATUUR

Des avonds, als de winkellichten zijn ontstoken, flaneert zoo'n nijvere winkelier 'ns langs zijns gildebroeders étalage-ruiten. Het is in den rust-avond na den werk-dag een langzaam geschuifel in de schemer-gedekte straten van menschen, die stil-áán genot willen proeven, het genot van het vredige feestje, tusschen den werkdag en den te doorslapen nacht, den nacht zonder bewustzijn, die daar al naderhaast over hun hoofden, van boven de straten. De oogen der feestelijk-schuifelenden kijken dwalerig-vaag, en soms in ongewisse staring, als van menschen aan het digereeren van een zwaar diner. Het zijn dan ook de nà- en de òp-werking van al wat verstand en gevoel dien dag hebben moeten slikken, die zoo hun oogen vertroebelen. De nijvere winkelier schuifelt mede, digereert mede. Maar jawel, is dat, gelijk van den quasi-slaperigen herdershond naast de kudde moeë schapen, niet maar schijn? Kijk!... plots ònttroebelt een felle tinteling zijn oogen.... Een hartklopping veroorzakende aanblik heeft zijn pupillen verwijd ... nerveus grijpt de hand den kromhakigen stok, die in den schok der ontroering van den arm is gegleden ... de tanden bevinnigen een snorpunt.... Wat duivel! Een nieuw soort jam, die hij nièt heeft ...! Hij verwìnt zijn emotie. Hij strakt den rug. Zijn gezicht maakt hij effen, maar straks—straks zal zijn blik nòg troebeler zijn, hij heeft iets erbij te digereeren gekregen.—En welnu, in dezen driewerf gelukkigen rustfeest-avond, na de vele, vele uren, dat ik de onsjes en half-onsjes mijner meeningen op de dan blinkende, straks weer verdofte schaal mijns oordeels heb afgewogen, flaneer ook ik—als hij. En ik ben op jacht als hij. Daar ... daar hei je 't nieuwe winkeltje van Poort. Nou ... noù! niet die jachthonden-gretigheid in je oogen ... kijken ... jùist: 'n vòlkswinkeltje is 't ... geen gróóte zaak ... nee, en 'n Barthold-Schwarz-van-'n-etaleur in zijn dienst heeft-ie ook niet.... Maar 't is alles proper en netjes, een winkeltje van oud-hollandsche heldere zuiverheid en eerlijke waren.... Als Baas de Meester het uithangbord had moeten schilderen, had-ie d'r vast In den lieven Eenvoud opgezet.... En ik dacht na ... als 'k eens naar binnen ging en wat kocht, om 't bij me thuis op m'n gemak na te pluizen.... M'n gezicht kennen doet Poort toch niet, en 't zou trouwens al 'n "reuze"-toeval wezen, als-ie zelf in dat filiaaltje zat. ,

Máár, nom d'une pipe, hij zat d'r wèl, èn: dat portret door Pieter de Mets.... Maar 't viel erg mee, daar niet van; na twee glaasjes waren we al aan 't tutoyeeren: je moet rekenen, we kenden elkaars zaken al zóólang, en zoo hebben we tot heel laat, in 't gezellige achterkamertje, met de warm-gele zoldering en de je knus omstaande wanden geboomd, en het gerinkel van de winkelbel—die was geen oogenblik in rust—omklonk hem, denk ik, als de muziek der sfeeren. En ik moest maar van alles proeven, en dan keek-ie me vragend aan. "Poort, jonge", mocht 'k dan zoo kopwiebelen, "als je me nou toch zoo god-vergeten-inquisitorisch zit aan te kijken, dan moet ik je maar eerelik verklaren: je Definities bevallen me niet; als je mijn nou vóóraf had gevraagd ... diè mót je ook niet in 'n volkswinkeltje verkoopen, dat mòt toch Ersatz worden; àls je ze tenminste voor de prijs, die jou mééste klanten kunnen besteje, leveren wilt.... Daar nou ...! in die pot Poezie heb je toch heelemaal geen epiek gedaan, waar of niet?"... Nou, hij kòn niet nee zeggen, want ik likte juist de lepel af. Maar je bonbons à liqueur esthétique, die ik daar heb geproefd, wel drommels, daar leken me wel fijne dingetjes onder te zitten; je bent toch een kranige kerel, dat je die zoo zelf hebt gemengd en gebakken. En je Pallieter-saus—'n courant artikel, hè, Pallieter? —smaakt naar meer. Ja hoor, ik zie wel, 't is hier 'n toffe boel, en mìjn zegen heb je.

"Maar toch ... maar toch", en 'k ging weer kopwiebelen, "zie je, óók voor zoo'n klein volkswinkeltje ... ja got, ik weet d'r alles van ... val me maar niet in de rede ... zèkèr, je wilt zeggen, je Groningsche magazijn ... maar och kerel, als iemand 't weet, dan weet ik 't toch hoeveel betere dingen je daar hebt ... maar hier, zie je.... Daar hei je nou die trommels Letterkundige critiek en essai ... dat is nou toch werachies te weinig keus, niet genoeg variatie.... Als ze je nou vragen naar het merk Querido, wat zeg je dan? En naar Dirk Coster, ik persoonlijk, as je mijn vraagt, hou van dat merk niet zoo erg, máár, daar gaat niks van af, heel puik en fijn ìs 't; en naar Verwey en naar Erens ...? Waarom làch je, schalk duivelskind? Ah ja", en ik moest zelf lachen—"je zou wel willen hè, dat ik nog één naam noemde, maar nee vader, je Humor-mosterd, als je maar die Speenhoff-pickles eruit vischt, is misschien het beste wat je hier hebt, en daarin heb je geen bijmengseltjes op mijn kosten noodig!" Het was nacht, toen ik naar huis ging, maar vreemd toch, ik voelde me heelemaal niet moe. Onvertroebeld in m'n harden kop, voelde ik m'n oogen sterk en vast. En ge zult mij toestemmen: al was 't dan prettige en lichte kost, ik had toch dien avond wèl wat te digereeren gekregen....

Mei '18.

SALAMON DEMBITZER: EEN ZOMER IN GALICIE

Vertaling door Arn. Saalborn

Het schijnt nu eenmaal Hollands lot, zoowel vrij te blijven van de grootste verschrikkingen van dezen ontzaglijken tijd, als te worden getart en geplaagd door zijn kleinere misères. En waarom ons dus boos te maken over dezen bundel juist?... Wat is, bij al de zoetelijk-hooggestemde arrogantie van het buitenland jegens ons, de arrogantie en de stroopige sentimentaliteit van dezen jongen, ongetwijfeld niet onbegaafden schrijver? En naast den voorgewenden hoogmoed uit het geknauwd-zijn geboren, welke heel het droeve wereld-leven om ons heen kenmerkt, die, zij het uit de vernedering van geslachten voortgekomen, geest van blague en ijdele zelfverheffing in 'n paar vrij onbeteekenende novellettes? Bovendien: aan iederen leeftijd—ook van de ziel—het zijne; we zouden toch al heel nurksch moeten zijn, om dezen jongen man, met een hart vol beminnelijk-jeugdige wereldverachting, verliefdhedens, wijsbegeerte en symboliekerigheid, niet het genoegen te gunnen, van ons door al deze verhevenheid volmaakt-geépateerd te toonen—het aan den tijd overlatend, hem het begrip bij te brengen, dat niet wij de dupe zijner zelfverheffing waren, maar hij die van onze welwillende onverschilligheid. En bevindt zich dit werk-zelf al ver ònder het middelmatigste der Nederlandsche literatuur; van den geest, die het maakte, mag worden getuigd, dat hij zich door een zeker, helaas haat-geboren, psychologisch-analytisch vermogen, een decadent-fijne doordringendheid en een hartstochtelijke ontvankelijkheid, ietwat bóven het middelmatige verheft. En dus: het voor en tegen wel gewogen: het zal geen goed maar ook geen kwaad doen—laat ons zwijgen. Maar helaas, wie zoo redeneert, houdt er geen rekening mee, dat affiniteit en plotseling, zij 't door een uitwendige oorzaak, weer actief wordend atavisme —ge hebt 't nog onlangs bij den talentvollen Goudsmit gezien[1] —véél vermogen, en dat onze toekomstige Joodsch-Hollandsche auteurs daarvan, in dit geval, zeer makkelijk de dupe zouden kunnen worden. "Atavisme?" vraagt ge verwonderd, "zekere affiniteit, dat is mij duidelijk, maar waar haalt ge het atavisme vandaan?" Wel, is mijn antwoord, dat donker hoekje, waar het ligt verscholen, zal ik U wijzen.... De niet minder beminnelijke dan kunstgevoelige recensent van "Het Volk", die dit bundeltje verschoonend besprak, noemde het "fantasieën van een Oosterschen droomer". Inderdaad Oostersch, waarde vriend, zou ik hem willen zeggen, maar niet van het gloeiende, rijk-edele Oosten, waar de klassieke bakermat van het semietisch ras ligt, doch van het Europeesche Oosten, waar de hel zijner vernedering en verslaving wordt gevonden. Niet de sterke en zonbrandende visioenen van het Hebreeuwsch goudelen in dit werk, maar de koortsheete en verwilderde schemerdroomen der Ghetti walm-flakkeren erdoor. En ook veel van het verwerpelijkste dat in de eerste tijden de bevrijding uit het Ghetto bracht,—het Ghetto, dat ook zoo vroom van stille studie-gepeinzen kon wezen—is erin: de reactie op de geleden vernedering; het uitgerekt op stelten loopen nadat men zoo lang gebukt is gegaan; de pralende hoogmoed, het zich als meer voordoen dan men is; het zich nog overal en altijd de verongelijkte en vernederde voelen; de onverzadelijke eerzucht: de begeerte naar het eeuwen ontbeerde; het smartvolle beluisteren van alles wat over je dierbare zelf wordt gezegd, nu je voor het eerst in het licht gaat.—Neen, niet dien weg moet gij op, jonge Joden van Holland. Weest gij geen "Oosterlingen" van Europa, weest gij Oosterlingen van Azië: de ziel vol zon en wonend tusschen de bergen, vroom opziend naar de hoogten, en kennend U-zelf. Weest als zùlk een Oosterling weidsch, en, naar uw vrij en eerlijk beleden aard, slijpt de kostbaarste steenen van uw vinding, vlecht het filigrain uwer glanzend zich wendende dialectiek, tot sieraden op uw taalgewaad. En zoo ge zwoel van ziel zijt, met de zwoelheid van de drachtige dag, verheugt U daarom; doch mocht gij 't zijn met de zwoelheid der Ghetto-benauwenis en zijn ziekenkamers, weest dan hàrd tegen U-zelf en gééselt het ùit U.... Maar—ge lacht om mijn vrees...! "Wij, vrije Hollandsche Joden, in dezen tijd van Joodsche renaissance, zouden zóó zijn?!" .... En uw jonge zekerheid stráált.... Wèlnù.... misschien hèbt ge ook wel gelijk, misschien neem ik het wel te tragisch: onze Dembitzer, meent ge, lijdt welbeschouwd aan wat men eigenlijk cultureele kinderziektetjes moet noemen, en zoo iets is natuurlijk in het volwassen Hollandsch gezin, dat die ziektetjes al lang was vergeten, wel een beetje storend, doch overigens.... En jawel, zeker, dàt is waar: als we hèm nu maar beter zien worden en opgroeien in ons midden, en gij laat U niet door die waterpokjes en mazeltjes besmetten, nou dan was het geval wel 'n beetje lastig voor Holland maar Holland-in-last was 't nog niet. Maar nog eens—en niet boos worden!—past op, dat gij niet.... Want waarachtig, zoo'n hééle kinderkamer, dàt zou niet gaan ... al dergelijk gerei hebben we immers al in '80 aan den uitdrager meegegeven.

Juni '18.

Noot:

RENÉ DE CLERCQ: HET ROOTLAND

De tooster en de kunstenaar zijn immer elkanders ergernis geweest. Als beiden aan 's levens zwaargeladen tafels zitten, schuinoogt de eerste in lacherig en gòeig-spottend misprijzen—hij is zoo'n altijd-joviale, bolwangige, rondbuikige en áárdige kwant—naar den laatste, die saaie piet, die verhevenling, van wie ze, godbetert, zeggen, dat-ie zoo'n genie is, maar die nou nooit 'ns zoo'n wat je noemt leuken, wàrmen, hàrtelijken toost kan slaan. En de laatste kijkt in verbazing en afkeer naar dat van wijn en dùrende geestdrift en vette hartelijkheid zweetende vetblok tegenover zich, die geen oogenblik zijn dikke lippen tot een woordloos geheimenis kan adelen; die maar aldoor z'n natsmijdigen keellach laat losgrollen uit z'n pralend-machtigen schud-romp, en luidop indiscreet-opgetogen opmerkingen over zijn tafelgenooten slaakt, en dàn weer tegen z'n glas tikt—voor de zooveelste maal, eindelóós door!—en drinkt "op de gezondheid", "op het lieve kroost", "op de deugdzaamheid" van onzen dierbaren vriend A. van onze lieve vriendin B....—"En hij is waarachtig daar nog in staat," denkt onderwijl de bleekwordende kunstenaar, z'n woede verbijtend, "om op de blanke halzen, de dikke kuiten en de prachtig-gewelfde borsten te drinken!" Nee, de kunstenaar en de tooster, die zijn niet voor elkaar gemaakt, máár de criticus, dat koud-groene amphibie, dat, als de kikker uit het sprookje, uit het klaar-vloeiend water der kunst, naar den koningstafel des levens komt opgekropen, diè heeft een verkneuterend genot aan bèiden èn van hun verhouding tot elkaar. En soms—maar dan wordt 't een schouwspel voor gòden, en eigenlijk voor hèm te mooi—ziet hij beiden bij beurten een-en-denzelfden man ontstijgen, als in occulte zelfverdubbeiing, zelfprojectie. En dit nu, vereerde lezers, dit schouwspel voor gòden, is mij, zoo nederig en gering als ik hier voor U zit, ten deel gevallen! Dáár—ten feestmale op Het Rootland. Och, wat deed die van jovialigheid-glimmende tooster De Clercq druk. Hoe vet glimmerde z'n mond bij al die dierbare en opgetogen woorden over z'n lieve, heerlijke tafelgenooten; hoe aardig waren al die zòete tafereeltjes, die hij, na 'n tik aan z'n glas, zoo téékende met—zou je misschien mogen zeggen als die er spits genoeg voor was:—z'n mond. Och ja, 't was alles zoo móói, móói, maar toch nooit mooi genoeg voor dien lieven, in-goeien, alles-en-iedereen-aan-z'n-hart-drukkenden man: "Er ontbrak slechts wat zonnegoud daarop om dit drietal, als een levende beeldengroep ter verheerlijking van landelijke kracht, zorg, levenslust en liefde, waardig te omlijsten." Nou, beste kerel, waarom hei je dat zonnegoud er dan niet maar bijgeteekend? Als je zóó vol zoeten levenswijn bent, dàn mag je dàt toch óók wel doen?... Eigenlijk, docht me toen, is het heele bestel, dat waarom alles draait, van 't feest, 't werk van den tooster, want: dat een gezonde boer als die Joost Valke, zóó krom zou denken, dat hij zichzelf gaat opofferen, om z'n meisje òngelukkig te maken, nee, hoor.... Maar de tooster, hé, diè had die "edelmoedigheid", die tranenglibberige smart van noode.... Waarvoor? Nou, om er aandoenlijk op te toosten, natuurlijk!... Maar kijk, nauwelijks had ik van dat alles 'n weinigje spottig genoten, of de jovialige dikkert en wijdgebarende zwaardert was plots verschimd ... wèg, èn—daar stond de kunstenaar! Wat of diè deed? O, dat was zóó anders.... Die spràk: een knoestig uit den zielsgrond gewassen woord—woordconstructies, voor ons Noord-Nederlandsch om van te watertanden; die gàf: hartig-levensware menschscheppingen, teer-schoone, soms doorgeestelijkte natuurbeschrijvingen.... Met de natuur bemoeide zich de tooster dan ook nooit, en nà het eerste deel des feestes heb ik 'm gelukkig heelemaal niet meer gezien. En tòen voltrok zich dan ook een wonderlijke verandering—in mij. Ik zei 't U reeds, dat ik, amphibie, als in 't sprookje, uit het water naar den koningstafel was opgekropen, maar toen, alweer als in 't sprookje, veranderde ik in 'n liefde-vollen prins. En met mijn lievende en prinselijke oogen aanziende deze kunstenaarsziel, dacht ik: René de Clercq, wat zijt gij toch een schoone mensch.... Welk 'n fijnheden en innigheden en diepten hebt gij. Dat woord van dien door de boeren mishandelden dokter: ""'t Leven is aardig," zegde hij in zijn eigen." Hoe subliem. En de stille tragiek van Anneken's afscheid.... Het minnarijtje van Rik en Maaike in de van bloemenlucht overhuifde avonden.... Hoe natúúr-zoet. Soms ook spreekt ge een zinnetje als vlottende muziek. Al het knoestige van uw woord is dan wèg, het zijn geen woordbóómen meer, het zijn losse, wònderlijke klankjes—géén melodie—van een Aeolus-harp in uwe boomen.... En neen, ik bedenk mij: waar ge een tooster waart, waart ge toch waarschijnlijk geen èchte.... Uw overdrijven van het sentiment, was het wellicht niet anders dan dat van het overvolle volks-kinderlijke hart, dat zóo onleschbare dorst heeft om allen lief te hebben, dat het de menschen mooier mòet maken, sòms, om ze te kùnnen beminnen? En trouwens, die tooster is dan toch, zoo niet rééds bezweken, toch bezwijkend in u.... Toen hij op Het Rootland verscheen, dat was in 1911...! Sindsdien.... "Die Schenker woont in Zijn onnaakbre hallen".... Die Schenker, die ook dàt feest gaf, heeft sedert alsem in den wijn gemengd.... En schonk Hij ù niet De zware Kroon te dragen....? Maar de lippen van den tooster zag ik wit worden vanwege de bitterheid en het wrange.... Neen, hij zal niet zooveel meer spreken in en naast u.... En eens laat hij u, den sterken kunstenaar, alleen....

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings