M.H. VAN CAMPEN (continued 3)
Reading edition
Juni '18.
J.J.L. GREGORY: HET LIED VAN DE ZONDE
Maandag 10 Juni!... In de grondelooze délices mijner àndere analytische en zwáár-critische kunst, het verheven diamantklooven, verzonken; mijn brandende aandacht gefascineerd door de blanke wereld van een flonkerenden octaëder, waarin, gelijk een kwade gedachte in een schoonen geest, een dier zwarte vlekken duistert, dewelke men greinen noemt, voelt mijn ziel, plots gestoord, zich naar de oppervlakte der alledaagschheid zweven.... Een tik op de deur.... Ah! er wordt mij een pakje recensie-exemplaren gebracht. Dàn glimlach ik toch; geeuwerig en lacherig strek ik mij behaaglijk tegen den rug van mijn leunstoel en door mijn onfeilbare instincten geleid, grijp ik naar dit dun en diabolisch boekje. Dun: o recensenten-geluk! Diabolisch: waar zou ik anders naar grijpen, ik, die den tijd, welken ik mijn voortreffelijken werkgevers duur laat betalen, met het lezen van gedichten verdoe en dàn nog klagerig jank om meer loon; ik, die bij het zien van een diamantvlekje aan een helsch-zwarte gedachte denk.... En ik ga lezen ... ik lees deze onsterfelijke regels: "En Paul schreeuwde: Breng me een jong leven, dat ik het verkrachten kan!" Ik lees: hoe Paul een levende meeuw de vleugels ontscheurt, en daarmee—o verrukkelijk visioen!—een heuvel opstormt, en ik knik bewonderend, en denk blij: een Baudelaire't je en een Lautréamontje.... Maar nòg duivelscher dan dit duiveltje denk ik ook vèrder en grijns en zie, zie—hoe deze Gregory, dit onnoozele dwaze schaap, een dag grasjes mummelend in zijn vlakke weidje, plots dien vuurspuwenden draak, dien Maldoror aan den horizon zag òpgloedwolken en neergolven gelijk een lavastroom, en toen waterde van angst achter de boomen, als kameelen die den leeuw ruiken; maar daarna ziende, dat de Vreeselijke weer verdween, Hem ... ging nadoen! buitelend en blazend in zijn malsche vachtje met z'n goeiïg snuitje.... Ach, mijn kleine zoon, met wien ik laatst in Artis heb gewandeld, deed je ook niet zoo? Wéét je 't niet meer of wil je 't niet meer weten: de leeuw brulde, ik voelde je handje trillen en je gezichtje betrok. Ik zei: ben je bang, jonkie? en je antwoordde, jij kleine slimmerd: "nee, maar mijn hoofdje gaat zoo'n pijn doen van dat gebrul." Toen zijn we maar stil, mijn heldje, naar buiten gegaan, maar nauwelijks waren we thuis, of—jij werd zoo waar een geweldige leeuw en ik moest maar in je leeuwerigheid gelooven en mij làten verscheuren! Kom, weet je wat, dàt is een mooie inval: Pappie gaat nou 'n spelletje bedenken, het leeuw-en-duivel-spelletje, en dan mag je volgenden Zondag je vriendje Gregory bij je op visite vragen en dat sàmen met 'm spelen gaan.... Hé ... wat?... ja natúúrlijk, onder de hand chocolade, wat dacht je dan ... twéé reepen ieder!...—Zaterdagavond 15 Juni! De pret is 'r 'n beetje voor me af.... Querido vindt 'm reeds een imitatie-Baudelaire en -Maldoror. Uit puren lust, mijn originaliteit te demonstreeren, zou ik nou wel willen zeggen, dat-ie 'n namaak-Augustinus is! Maar waarachtig, het gaat niet.... Baudelaire zou ik me nog kunnen ontgeven, Maldoror zèker niet. En toch lezer moogt ge daarom volstrekt niet denken, dat ons Gregorytje door de Lautréamont beïnvloed zou zijn—gij zoudt er den laatste, dien goddelijk-duivelschen reus al te schandelijk mee beleedigen. Tja ... hòe zal ik u de verhouding tusschen beiden nu duidelijk maken.... Kijk, ze is zóó.... Op 'n morgen—het vertelsel is wat onsmakelijk, maar het verklaart u alles—hoorde ik op 'n atelier, waar ik werkte, iemand een beruchten smeerpoets vragen: "Zeg, mag 'k even je vest zien?" "Waarom?" vraagt de smeerpoets. "Ik wou zoo graag weten, wat je gister hebt gegeten," antwoordt de ander droogjes. En ziet ge nu lezer, zìet ge: als ik nu het vestje van den heer Gregory maar èven bekijk en daarop de gore vlek van zijn "gedicht" ontdek, dan roep ik, me op de knieën slaand van pret: O, jij Gregorytje, Gregorytje, jij hebt, ontken 't niet, gisteren de Lautréamont's Maldoror gegeten!... En dàt nu is de verhouding....—Les Chants de Maldoror! Wèl was het mij een vreugde, toen ik den sindsdien helaas, en hoezeer te vroeg, gestorven vertaler van dit wonderwerk, den begaafden kunstenaar en arts J. Stärcke, behulpzaam kon zijn bij het vinden van een uitgever. Want er moge ongetwijfeld in die liefdevolle overzetting veel schoonheid, vooral van de muzikale harmonieën, verloren zijn gegaan—en bij welke vertaling gebeurt dat niet—de visioenen vol buiten- maar ook bòven-menschelijk schoons zijn toch thans aan Holland gebracht. Maar het is een duivelsch, het is een vrééselijk boek, werpt ge mij tegen.... Ach, lieve vriend ... weet ge wat het mij immer was? Ziedaar: het meest treffende der pantheïstische levensbeschouwing in kunst verbeeld, de verluchting van Spinoza's sublieme woorden: God schiep het Al gelijk het is, "wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen." En aan zóó iets raakt dit schrijvertje.... Maar wat zou het! Hebben zelfs niet de lucifersfabrikanten, bij het benoemen van hun product, zich den gevallen Aartsengel ten nutte gemaakt? O Paul-duiveltje van dit Lied van de Zonde, wees er zeker van, gij althans blééft in uw rol, toen ik aan U de leelijke pijp ontstak, die ik hiermee den heer Gregory doe rooken....—
Juli '18.
IS. QUERIDO: VAN VERBEELDING EN WERKELIJKHEID
Deze bundel is—schoon niet alle opstellen op een zelfde hoogte staan—een prachtig boek, prachtig vóóral om de rijk genuanceerde vitaliteit van den mensch, die het schreef; de hartstocht voor héél het leven, die er in nimmer verzadigde begeerte tot menschscheppen; in strijdlust; in verlangen om te weten, te doen en te ondergaan, tot uiting komt. Gij herinnert u den Woudgeest uit De Verdronken Klok, die woeste bewustwording, die nu òplááiende, straks weer fijntjes vlijm-vlammende personificatie—dien water-Nickelman brengt hij aan en van de kook!—van den onblusehbaren leefdrang-zelf? Ik zie hem weer vóór me—o, die onvergetelijke Heyermans'sehe "Literaire Matinée", waar Mögle hem fel-levend aanzijn gaf!—nu ik dit boek heb gelezen en 't nog eens in gedachte òverschouw. Vraag zoo'n wezen niet, in zijn meest leven-overstelpte oogenblikken, naar wat wij menschen "distinctie" noemen—een hóóg-prijselijke eigenschap, maar die overigens ook wel, vaker dan men denkt, uit geestelijke schamelheid wordt geboren—; niet naar de ingetogenheid, die voorzichtig schrijdt, zeker dàn wanneer haar tocht een bergtocht is. Neen, hij stijgt springend als een gems van de dalen naar de toppen, wipt onvoorziens weer van de hoogten in de diepten neer, houdt al officieele godzaligheid en "geestelijkheid" voor den gek, keert schalk de orde der dingen om, door zelfs een barbier bij den neus te hebben, máár—als hij verháált, hóórt ge in zijn woord het klank-gesprànkel en de dòndering van de klok hèrgalmen, die hij luidde op zóó vreemde wijs ... door hem van rotspunt tot rotspunt te doen storten! O, oude wagen van de taal, hoe onbeschroomd-moedwillig heeft deze schrijver je wel eens heftig een van je raderen ontrukt, en je zwijgende klok tot zingen gebracht door dat gevaarte als een licht steentje te doen huppelen tegen de weerstanden van zijn genialen geest.... Zoo hoorde de wereld dan wel een wild en toomloos lied, maar dat óók was een nieuw geluid, en dat geluid: muziek. En was eindelijk deze als voortgezwéépte, deze als demonisch voortgejáágde klok ter diepe gevoelsbedding in rust gezonken, dàn weer ... plòts ... als in den nàdroom van het leven, roerde een heel andere: de vrouwelijke teederheid, de mijmerende, klagende en herdenkende teederheid van deze groote kunstenaarsziel, nog ééns aan de metalen wanden, en de donderaar-in-den-zonnedag huiverde nu van uit de donkere diepten een licht en melodieus gerucht naar de zachte en weifelende schemers van het luisterend hart. Lees maar weer in dìt boek die schoone bladzijden uit Reisbeschrijvingen, vol teerste jeugdherdenking, mij zijn dèze liever dan die uit Verbeelding en Werkelijkheid in dien anderen bundel: Malvina, waarin het sentiment soms door het koesteren van de eigen persoonlijkheid werd verzoetelijkt. Of voel de teerheid der beeldingen in Herfst, dien rei der jaargetijden, vol van muziekale plastiek:" ... de gouden regen fonkelt zijn slanke trossen neer uit hoogen hang." "Er twinkelde vogelengerucht door de lucht, en van een witten til-kanteel[1] vloog een zwerm duiven op," met ook die fijne bezinning over het herfstelijk ruischen der boomen; en dit zéér fraaie, dichterlijk-wijsgeerige aan het slot: "De Herfst in eigen wisselgestalte bevestigt den kringgang der dingen, en in zijn praalschoonen dood jubelt hij juist van het eeuwige wederkeeren". Maar het wilde en toomelooze lied hoort ge bijvoorbeeld in het geëmotionneerde Nietzsche, mèt het kleurig Aquarium werk van romantisch intellect en gevoel....—Intusschen: zeker wanneer ik zoo'n kòrt stukje als dit over Querido's critisch en lyrisch proza schrijf—en tot het schrijven van omvangrijker studies ontbreekt mij thans ten eenenmale de tijd— kan ik mijn oordeel, zij het in nieuwe uitingsvormen, slechts herhalen. Wat ik in 1911, in mijn Over Literaire Kritiek en Is. Querido's Studiën van hem zei—men kan de essai in mijn bundel Schetsen en Critische Opstellen vinden—acht ik nog immer volkomen juist: wat ik daar schreef over zijn deugden en gebreken; wat ik schreef over de voorkeur, die, zeker bij het oordeelen over een groot schrijver als deze, het natuurlijkheidsgevoel van den criticus, boven zijn schoonheidsgevoel als kunstcriterium verdient, en niet minder wat ik schreef over zijn metaforen- en menschscheppende macht. Die eigenschappen en ook die tekortkomingen, zij zijn in àl zijn lyriek aanwezig: daar de ééne meer, ginds weer de àndere. Metaphoren, er zijn er van de schoonste in dezen bundel. Menschschepping, Pol de Mont, Streuvels, hun prachtige uitbeelding herinnert aan het allerbeste uit de Geschreven Portretten. In een geval, waar een schoone metafoor vergezelt de psychologische doorgronding van den menschschepper, in een karakteristiek van het menschschepper-zijn-zelf—een heuglijk samentreffen! —zij het mij veroorloofd, u nog even een citaat te geven, (over Streuvels): "Hij spreidt zijn stille peinzers-net zoo wijd, van de lage aarde naar den hemel, en toch zonder hoovaardij. Want hij verwerkt al de zelfgegaarde wijsheid weer in de nederigste zielen en geeft u de ontraadseling van een mysterie terug uit een kindermond." Zou men met dit laatste ook den schepper-zelf van Huib Kilometerboekje niet kunnen kenschetsen? En als ge opmerkt, dat er, op blz. 24, van Pol de Mont's "Zeus-achtige stem" wordt gesproken, en pas veel later, in de uitmuntende metaforisch-synthetische karakteristiek, die op bl. 32 begint, ditzelfde beeld vluchtig-en-fijn wordt uitgewerkt, dan ziet ge toch wel, dat ook deze wagen-verwrikkende en klokken-neerstortende Natuurgeest ònder zijn heftige gepassionneerdheid tevens de distinctie ìn zich heeft. Want is het wezen der waarlijk-gééstelijke distinctie niet: het beschroomd-beproeven, het dan duldzaam wachten, en ten slotte het niet-opzichtig uiten van eigen zieleschoon?... Hoe gaarne had ik nog over andere opstellen in dit boek geschreven, zooals over het geestige Dagboekbladen van Twee Kellners en het door fijne, korte opmerkinkjes benevens een ontzaglijke belezenheid boeiende Rond Jean-Jacques Rousseau, en mij tevens in analysen verdiept —ik moet het laten.... En is het trouwens wel noodig? Is er geen Macbethiaansch wonder gebeurd, welsprekender getuigend dan ik óóit zou kunnen zijn? Ik gebruikte daar straks den term: "een groot schrijver." Als ik dàt eens in 't literair-stormige 1911 had gedaan, gelijk hier: zonder uitvoerige ontledingen te geven, bewijzen en nog eens bewijzen ...! Maar sindsdien, o literaire vrienden, die destijds met mij wel twisttet, gebeurde er iets: hoe verrassend—en welke Macbeth zou dàt hebben voorzien—is 't, dat het woud uwer meeningen zich is gaan bewegen, en wel in de richting waarin ìk lang tevoor was gegaan ... èn: dat het èinddoel van dien wuivenden tocht toch feitelijk ten slotte bleek—een kròning!
Juli '18.
Noot:
ELLEN: ARIADNE EN DIONYSOS
Als ge 't mij op den man af vraagt, dan, schoon de bekentenis mijn wansmaak aan het licht brenge: ik heb immer veel meer van namaak- dan van echt-"antiek" gehouden. Een renaissance-, een Queen Anne-, een empire-ameublement ... mijn ziel, bezwangerd van vage heugenissen aan vroegere incarnaties, voelt zich nauwelijks èrgens zoo bekoord als te midden van zulk een tot tastbaar heden geworden verleden-droom; máár, let wel: slechts dàn, zoo mijn lichaam niet haar genot met zijn fellen weerzin tegen duffigheden en wormstekigheden kunne storen. En derhalve—ik geef de voorkeur aan namaak, mits onberispelijk, boven echte antiquiteiten. O hout, dacht ik, hierover peinzend, wel in mij-zelven: toen ge in het blijde leven uw eigen droom, in vaderlandsche of exotische bosschen droomdet, waart gij zuiver en geurig; waarom dan zoudt ge duf en besmet zijn, nu een toovenaar-artist u tot het weven-om-mij-heen eens menschelijk-maatschappelijken droom heeft gedwongen. Neen, uwe stoer-eiken en uw hoffelijk-mahonie gelaten wensch ik in mijn vertrekken niet ontsierd door de putjes der wormstekige pokdaligheid te zien.—En zoo, ge zult het gereedelijk aanvaarden, zou ook Ellen, nu zij mij in haar Grieksch salonnetje, voor dit Ariadne- en Dionysos-beeldje noodde, mij allicht luiden bijval hebben ontlokt, indien dat salonnetje maar van Pander en niet van Scheltema en Holkema, en haar antieke groepje van hout of steen en niet van woorden ware! Want nu dit laatste het geval is, heeft immers mijn vrees voor de dufheid of vervallenheid van het echt-antieke en derhalve ook mijn voorkeur voor den namaak hier geen zin! Want de heldenzetels van Homeros zijn niet wormstekig geworden, de wandtapijten van Sophocles en Aischylos rieken niet duf. Tegen hen vermocht zelfs de philologische conjectuur-worm niets! Wáártoe dan deze namaak? vraag en vroeg ik mij sinds jaren af. En: hoe overbodig en wat belachelijk-precieuse knutselarijtjes zijn toch dergelijke dingen, denk ik er nog bovenop!—O, zeker, indien daar een Shelley, of ook een Kloos, of een Gorter voor mij leeft, en hij droomt zijn groot-dichterlijk visioen, en de schimmen van het verleden zien dien schoonen held, en lokken hem in heete en overweldigende liefde zich te eenen met hen, gelijk de gestorven geliefde haar lief in Goethe's Die Braut von Korinth, dan, ja dan.... Als de heilige Noodwendigheid, èn op den troonwagen zulker verzen gezeten, verschijnt, wie kan dan denken aan overbodigheid; wie, mijn God! aan knutselwerk; wien maakt dan de ontroering niet tot verheerlijkt aanbidder, die zijn ik, met al diens willetjes en oordeeltjes en kleinheid, neerwèrpt, het wit gelaat ter aarde, voor die noodlotsraderen in hun wielewenteling van licht! Maar als—ach vergeef mij, Mevrouw Ellen, het is eigenlijk ùw schuld niet, maar ook evenmin de mijne, dat ik U in zulk een vergelijking moet betrekken—als Ellen, niet gezocht en overweldigd door verliefde Grieksche schimmen, maar integendeel hen zoekend; in verdienstelijke verzen, die ik hièr prijzen en dáár laken kan, maar waardoor ik nìmmer wordt verrùkt, haar eeuwig-menschelijk voelen van verlaten, smachtende en bevredigde liefde, een antiek-schimmig maskertje voorbindt, och ja, dan vind ik wel wáárlijk heel wat moois in wat mij aldus te aanschouwen wordt gegeven, en ik zie ook wel de diepe oogen en de bloeiende tint der echte menschelijkheid flonkeren achter de wazige tulle, maar ... maar ... omdat het heele geval mij toch geen oogenblik heeft kunnen doen vergeten, dat ik een nuchter, twintigste-eeuwsch Amsterdammer ben, kan ik mij helaas ook niet weerhouden te zeggen: Mevrouw Ellen, wist gij met uw ontluikend talent nu waarlijk in deze emotievolle tijden niets anders te doen, dan als op een bal-masqué in een pantervel gehuld en den Thyrsus-staf in de hand langs 's Heeren literatuur-straten te loopen? Dáár! op m'n wóórd: ik had U wel zoo lief in 'n moderne liberty-blouse gezien....
Juli '18.
A. VAN COLLEM: LIEDEREN DER GEMEENSCHAP
Een kostbaar boek deze bundel; kostbaar en zwaar van het wijdst-omvamend sentiment, dat de ziel beleven kan: het sentiment der pantheïstische levensdoorvoeling. Zij is het die dezen dichter boordevol glans heeft gemaakt; zij heeft zijn individualistisch-begrensde wezenheid brandende uitgehold en die niet meer dan zóóveel klaar-doorzichtige en ijl-tintelende beperkte-eigenheid gelaten, als noodig was om de vlies-dunne, hel-gestrakte lichtkelk om háár vlam te zijn. Dat is wel het schoonste, zóó op de grens tusschen het Al- en persoonlijk-bestaan te leven, en niet te breken, niet te vervloeien; nog een wijle te duren....—Zóó teer, zóó broos geworden te zijn, en dan, triomphante lucht- en water-bel, bevracht met der wereld kleurenschatten, op de oneindige luchtzee èven nog als een aandoenlijke verwonderlijkheid te zweven....—Dat is wel het schoonste, zoo'n grauw en onaanzienlijk wolkje te zijn en dan door de Zon tot Zijn drank te worden verkoren. Zie: daar buigt de Drinker zich reeds over Zijn dronk, en de Zijn goddelijkheid ontstroomende glansen maken het grauw tot een vloeiing van levende lichten en kleuren: tot het aan-Zijn-lippen-geheiligde, datgene wat Hij drinken kan.... En dàn.... maken zij het: Hem zelf....—Het wordt wel tijd te zeggen, dat hier een zeer bijzonder dichter is opgestaan; het wordt wel tijd om hier over wat schaarsche technische gebrekjes heen te zien, en zich blijde op de feestelijk-zonnige stroom der zich tot bewondering verbreedende waardeering te laten wegdrijven. Want hoe is deze man gegroeid, trots weinig erkenning en genegenheid, en het laatdunkend-beschermerige van sommige critiek ten spijt; hoe is hij geworden wat ook ik niet dacht te mogen verwachten. Lees een monumentaal gedicht als De Man met de Spade, voel hoe zuiver en rag-teer hiermee een mystieke sensatie werd verwoord, zònder het beeld der lagere werkelijkheid te doen vervagen, èn: hoe dat voor-eeuwig-Millet'sche beeld, hìer in die visionnaire sfeer werd geheven waar zichtbaar is, dat ook een het meest door slaven- en zwoeg-leven afgetobde en verstompte geest niet buiten het reiken der weer wekkende en reddende vervoeringen is verworpen....—Welk een verschil met het bundeltje, een van zijn eerste of wellicht het eerste, dat ik indertijd in Het Jonge Leven besprak!... Nergens borg het meer dan een belofte, en hoe vaak gaf het er géén. Wat tusschen dat werk en het thans besprokene ligt, ik moet helaas biechten het niet te kennen. Wel had ik met groote bewondering en liefde eenige zijner Gids-gedichten gelezen—waarvan trouwens in dezen bundel zijn opgenomen—maar dat was al. En nu!—als ge de vermenschelijking van den god Pallieter wilt aanschouwen, zie dan dèzen mensch....—Zeker, ook van Collem zou voelen, door het eten van "Gods fruit" Hem te verheerlijken, ook hij zou den oven opensluiten als waar' die een heiligdom, en het eten van een beschuitje met honig zou hij, even juichend, als slot dichten aan een psalm. Maar—voelt van Collem als Pallieter het "bruur boom", Pallieter voelt niet als van Collem het "broer mensch". Voelt van Collem zich gelijk Pallieter door de vreugde van het eenheidsbewustzijn doordringen, Pallieter voelt niet gelijk van Collem de smart, ook die der gescheidenheid. De een staat in de durende zegepraal, nu ja, daarvoor is hij een god; de ander staat in den strijd, maar vóórvoelt zoo sterk en hel het heil der overwinning, dat het hem is alsof hij reeds daarin leefde—en ik zoude hieraan toevoegen: "daarvoor is hij mensch", indien daartoe niet méér dan het gewone menschzijn wierd vereischt, indien men daarvoor niet een zeer bijzondere en zeer schóóne mensch moest zijn.—Het is opmerkelijk, dat een van de zwakkere gedichten in dezen bundel— de oude Adam leeft óók nog steeds in van Collem: de nog soms onbeheerschte, die, als de poëzie-Eva hem een appel biedt, waarin hij nièt mag bijten, wel even tegenstribbelt, maar toch eindigt met toehappen—het is opmerkelijk, dat een van de zeer weinige zwakkere gedichten: De Aarde, juist een treurzang, om dezen volkerenverdervenden tijd, is. Vergelijk ik dit vers met soortgelijke van de Haan dan voel ik de laatste als véél zwaarder en magistraler van toon. Dit is droog van klank en aarzelend-tastend van gang. En ik denk: zou ook hierin niet weer schuchter schemeren, wat in Pallieter aan den laaien dag treedt: dat het menschelijk-onvolgroeide pantheïstische geluksgevoel de overgave aan de smàrt uitsluit?...—Ten slotte: laat ik niet vergeten te zeggen, dat menige invloed dit werk doorspeelt, maar er tevens in één adem aan toevoegen, dat, moge dan ook Gorter zijn zonnelach op dit water zien tintelen en Henriette Roland Holst's mild halflicht uit de diepte donkeren, de stroom-zelf die van des dichters eigen rijke, innige en melodieuse ziel is; een stroom, waarop de verzengenieter zich váák zal voelen: Gezelle's "bladtjen op het water"....
Aug. '18
C.S. ADAMA VAN SCHELTEMA: ZINGENDE STEMMEN
Werkelijk, wat mij betreft vind ik, dat, om je het ware gevoel voor 'n zingende stem te làten, het, 1° geen zomer moet zijn en je niet daardoor genoodzaakt, op je werkkamer met wijd-open raam te zitten; 2° je geen kroniekje moet hebben te schrijven. Want helaas, nu dit alles wèl het geval is, en mijn geest bijkans bedolven raakt onder de gulle muziekale gaven, die Zatermiddags-vroolijke dienstmeisjes en nasaal-galmende gramophonen, bij beurte of wel alle tezamen, over hem uitstorten—nù voel ik veel meer voor de stem der stilte dan voor die des gezangs. Er is—ik begrijp het plots in de exaltatie der wanhoop—slechts één redmiddel voor mij: door een moedig-geniale daad de hindernis en het gevaar in een hulpmiddel om te tooveren. Zooals ongetwijfeld Buffalo Bill van een op hem aanstormenden wilden buffel zou gebruik maken, om, door verwondelijk-behendig op diens rug te springen, des te spoediger zijn "hacienda" te bereiken, zoo zàl en mòet de Pegasus van die melodieuse schoonmaakster daar in 't tuintje tegenover me, mij in 't berghart van Adama v. Scheltema's Parnassus voeren....—En ziedaar! nauwelijks heb ik dit wilskrachtig gedacht, of het is mij alsof 't storende element in haar zang reeds is vervluchtigd, en haar stem en wezen, in een mysterieuse vereenzelviging met die van Scheltema, mij hèm des te beter doen verstaan. O, lieve schoonmaakster, gij, die, zoo ge niet zingt, de buren vàn en tòt elkaar scheldt, hoezeer verheldert gij nu plots het inzicht, dat ik tot heden in sommige prozauitingen van onzen dichter had. Ook hij als gij, maar ach, maar ach, hoeveel schooner is hij ... 'n verheven Vesuvius, die, zoo hij geen vlammenliederen zingt, enquête-antwoorden bráákt. Hij ook als gij: zingend, en "niet met 'n boekje in 'n hoekje", of decadent-vrindloos onder "De Windroos", maar boven de schuimende waschtobbe des levens. Hij als gij: altijd fel op en zeker van de "pointe", èn bij het schelden èn bij het zingen, en vóóral dáárdoor populair! Ja dit laatste—intusschen, o mijn schoonmaaksterlijke Pegasus, gij hebt mij gebracht waar ik wezen moest, laat mij thans met mijn dichter alleen—dit laatste: dat namelijk bijna elk zijner dichtjes, de zéér schoone en de minder schoone, een "pointe" heeft, welke de naar een plaats-van-eenheid, naar harmonie en zekerheid dorstende lezersgevoelens bevredigt: dàt doet het volk hem zoozeer beminnen; en niet slechts en zelfs niet voornamelijk het volk, dat men in sociaal-economischen zin zoo heet, maar datgene 't welk men ter onderscheiding van de geestelijk-superieuren zóó pleegt te noemen. Neen, niet voor dat "volk", maar voor die van-geest-superieuren slechts, de weelde en het raffinement der òngewisheid; de weelde, zeg ik, èn het raffinement; want deze ongewisheid draagt als wellicht diepste en oorzakelijke kern in zich: den wil, om de zekerheid niet te vroeg, niet te makkelijk te overmeesteren; zij draagt in zich het genotsbewustzijn van het uitstellen van het hóógste genot. Aristocratische kat, die de muis weer loslaat, en zich afwendt, doende alsof ze niet weet dat ze haar heeft gevangen; en haar dan weer wellustig besluipt....—Voor de zéér-superieuren, het proeven van die weelde en dat raffinement in het ijl-lichte van de dwaal-ster Boutens, in de wankelingen en mijmeringen van Henriette Roland Holst—al hebben die beiden-zelf en vooral de dichteres, dat alles niet als weelde en raffinement gevoeld—, maar voor het volk, voor het "volk": de zekerheid, het gevatte, het rake, de "pointe" van Scheltema! Maar men versta nu toch geenszins als mijn bedoeling, dat deze eigenschappen zijne verzen, vergeleken bij die van de zooeven genoemde dichters, noodzakelijk tot iets minderwaardigs zouden moeten neerdrukken. Volstrekt niet. Daar zijn er in dit bundeltje, welke ik onder de beste reken, die ik ooit gelezen heb: het schoone Golven, het prachtige De Uitdragers, het fijne Bede en 't Goethe-stille, eenvoudige, en toch in de eerste strophe subtiele, Herfstbosch. En daarvan hebben de beide middelste toch zeker zoo iets als een "pointe", en het eerste en laatste een hèldere gewisheid. Merkwaardig is echter dat een enkel maal het persoonlijk-rhythme niet in staat is het vers, hoewel steunend op "pointe" èn zekerheid, ten einde toe te dragen; dan zinkt dit, zooals Moe, tot een poover niemendalletje in elkaar. Dit Moe heeft mij trouwens doen rillen van ontzetting; zoo iets desesperant-onsocialistisch, verwijfd-lettré-decadent-individualistisch en daarbij ook zoo heelemaal anti-Grondslagenistisch.... Jonge, jonge, waar gaat dat heen....—'n Aardig half-Goethiaantje-half-Heiniaantje is Le Retour des Hirondelles. Ik wees reeds vroeger op zoo'n beetje Heiniaanschen invloed bij onzen dichter, en ik vind de aanwezigheid daarvan nu toch wel een tikje jammer, want ten slotte was Heine toch een Joodsch kunstenaar, zooals—Scheltema er "voor geen geld!" een zou willen zijn! En, 't blijft toch, dunkt me, ook voor hem behartenswaardig, wat de voortreffelijk-geestige Oproerige Krabbelaar—ook 'n man van de "pointe"—in Het Volk eens zei—ik citeer uit 't hoofd—: "Mij had men in m'n jeugd geleerd, dat je niet lastert van de menschen bij wie je eet, en niet eet bij de menschen, van wie je lastert".... Maar dit is tenslotte een zaak van ethiek, en een kniesoor is de aestheticus, die zich daaraan stoort. Laat mij dan ook maar òngerept blij zijn, omdat dit zoo'n mooie bundel is, en omdat de dichter op z'n poëziehuis 'n wel onbehouwen—maar dat hindert niets—doch dik-stoomen-kunnenden proza-schoorsteen heeft staan, want heer-in-den-hemel, als eens al die walm en stank, die nou daar door heen een uitweg vindt, in de verzenkamers ware blijven hangen.... En trouwens: wat zou ik zonder dien schoorsteen moeten beginnen, als ik, bisschoplooze want joodsche zwarte-Piet, eens "onzen" Scheltema met een gard verrassen wil?...—
Aug. '18.
HERMAN POORT: GERBRAND ADRIAENSZOON BREDERO
Indien gij over eenig onderwerp slechts zeer weinig zelfgevoelds, in zeker opzicht, hebt te zeggen, en gij doet dit op nagenoeg ònpersoonlijke en luchtig-rhetorische wijze—zóó als menig ander dat vóór u heeft gedaan—dan is er veel kans, dat dit rhetorische, bij tegenstelling, het zelfgevoelde van dat weinige des te beter zal doen merken. Maar doet gij het integendeel met groot vertoon van eigen vinding in stijl en woorden, dàn zal er juist veel kans zijn, dat dit vertoon—dat immers iets kostbaars en gewichtigs doet verwachten—des te heviger het weinig-zijn van het zelfgevoelde zal doen opvallen. De gevolgen van het een als van het ander kent men: men applaudisseert in een variété bij wat men zou uitfluiten op een concert. Het dunkt mij goed dit hier te zeggen, wijl het mij waarschijnlijk lijkt, dat het deze in zijn onderbewustzijn aanwezige waarheid was, waardoor de fijne literatuur-keurder die Poort is, zich bij het schrijven zijner evenwichtige, wèl-gecomponeerde en smaakvolle essai heeft laten leiden. Omdat namelijk zijn aanleg niet voornamelijk in de richting van het menschenscheppen ligt, had hij voor zoover het een levende en dramatisch-bewogen voorstelling der Bredero-figuur betreft, slechts weinig aan te bieden. Daar waar hij den persoon Bredero dus poogt aanschouwelijk te maken—waar hij hem optreden laat—in zijn taveerne-leven, op bezoek in het Roemer Visscher-huis, koos hij eene thans rhetorisch-geworden wijze van voorstellen—eene, zooals men bijvoorbeeld bij den ouden Thijm vindt—. En gelukkig: deze bescheidenheid, dit zich niet als anders of meer willen voordoen dan hij is, bracht hier—zeldzaam staaltje van beloonde deugd en van paarden, die hun verdiende haver krijgen—onmiddellijk het passend loon mee. Als gij den u overbekenden toon hebt gehoord van zinnetjes als (ik cursiveer): "Zie daar de guiten in" "De Graaf van Meurs" of in de " "Handboog-Doelen" .... "Ei zie, hoe hoofsch en vlug in 't nauwe keurs, zij gracielijk door d'over-volte zwenkt en elk zijn deel geeft, niet slechts van 't koele bier, maar ook van lachjes, groetjes, vriendelijke woorden".... "Wie is het, die bij haar gezicht zijn hart het hoogst voelt kloppen en zoo raadselachtig snel? Wie tracht er weer, in het donker bij de trog, het "soete soch" den arm om 't lijf te slaan?" of van die paar lichtelijk-onhandige, imitatieve dialoogbrokjes bij de ontvangst in den Roemer Visscherkring—als gij, zeg ik, den zoetelijken toon van zulke antieke-inboedel-phrasetjes hebt beluisterd, dàn waardeert gij des te meer het zelfgevoeld-nuchtere, fijn-opgemerkte en doordachte van eene uiting als deze, die Bredero's half onbewusten drang naar een rijk huwelijk psychologisch verklaart: "Van Adriaen's (des dichters vader, v.C.) beleid en werkkracht tot opwaartsgaan in geld-bezit en in maatschappelijk aanzien, had Gerbrand (ik cursiveer alweer, v.C.) de vage drang geërfd; ze kwam te voorschijn in zijn keuze van geliefden, de ernstig beminden, met wie hij trouwen wilde en wier namen tot ons kwamen".—Daar echter waar onze essayist zijne beschouwingen en oordeel over het werk, over den geestelijken inhoud van de dichterziel uiteenzet—in dàt opzicht dus, waarin zich reeds zoo menigmaal zijn voortreffelijke aanleg openbaarde—daar laat hij dan ook zijn archaïstischen stijl geheel los, en schrijft in den onvergelijkelijk directer den kern der dingen rakenden modernen. En omdat hij dan als uitstekend literatuur-keurder veel zelf-gevoelds te zeggen heeft, doet ook hier de vorm—nù: de niet-rhetorische, de individueele!—den inhoud op zijn best verschijnen. Aanmerk maar eens, hoe dan—in het door mij gecursiveerde—het zèlfgevoelde in een verrassend-fijne wending zijn adaequate uiting vindt: "Het zijn de beste kunstenaars niet die slechts het welgelijkend portret van hunnen medemensch ons geven; —wie méér vermag, daalt diep in eigen ziel en herschept van daaruit de waargenomen werkelijkheid tot iets anders, dat gansch "nieuw en onherkenbaar is;—zóó deed ook Bredero, en wil men dus toch gaarne weten waar Jerolimo in waarheid leefde, dan zal het dáár zijn, waar geen archieven-snuffelaar nog zocht: in Gerbrands eigen hart". Zoo vervlocht zich dan in deze studie het modern- met het archaïstisch-gestyleerde tot een schoone eenheid. Want hoe menigmaal leeft in dit opstel niet de zij het oppervlakkige maar geacheveerde fijnheid van een precieus-antiek miniatuurtje, zacht maar als onverwrikbaar zijn voornamen aard van reliquie uit ver-voorbije dagen toonend en handhavend onder het modern-scherpe licht. Het is de zelfkennis van den auteur, die voor zijn in kracht zéér verschillende vermogens de aan elk geëvenredigde uitingswijze wist te vinden; het is de harmonieuse stemming van wijs berusten bij 't erkennen van de grens van zijn aanleg, welke de sfeer schiepen, waar, in zacht-glimlachende stilte, het beklijvend-beeldje aan den wand antwoordt op de tinteling van het licht....—
Oct. '18.
JO DE WIT: DONKER GELUK
Een boek, dat mij onmiddellijk aan Phil's Amoureuze Perikelen deed denken. Ook hier, één verhaal uitgezonderd, een reeks van "liefdedrama's", ook hier, zoo ik mij niet vergis, een eersteling, en ook hier van een schrijfster. Maar er is tevens een stevig onderscheid, en wel een, dat zich reeds in de titels der werken toont. Het luchtige en een beetje gewild-humoristische der "Amoureuze Perikelen" is in "Donker Geluk" niet te vinden, en de diepe toon van den laatsten titel allerminst in den eersten. En zoo het meest essentieele geluk, dat door het lezen van een boek in ons kan worden gewekt, bestaat in het beluisteren van de schoone "stem", het individueele-rhythme van den auteur, dan geeft de lezing van dit boek inderdaad wel een donker geluk. Want het geluid dezer schrijfster is van een diep-sonoor en warm clair-obscur, 't welk dat van Emmy van Lokhorst mist. En in de gaafheid van den schoonen stijl, in het wel-overwogene van het juist-gegrepen woord, treedt een ernstige psyche aan den dag, als slechts zelden zich zóó in eerste werk vermag te uiten. Sommige verhoudingen mogen in deze kleine schetsen—en dit "kleine" behelst tevens de verontschuldiging van het gebrek!—wat onduidelijk zijn, en door hun vaagheid de stoornis van het zich-niet-geheel-bevredigd-voelen doen opkomen; aan den anderen kant, en kijk eens hoe opmerkelijk dit is, openbaren zich hier een voldragen hartstocht-in-'t-doorleven en een trillende nervositeit, die aan De Meester doen denken, zonder dat zij als bij deze den stijl laten beven en trappelen op zijn fijne rasbeenen en ge diens sehichtende oogen en opgestoken ooren de dreiging en de weelde van een wereld van gewaarwordingen ziet ondergaan. Deze overeenkomst bij dit verschil is vooral in Vreugde te bemerken....—Ik heb dan ook een diepe bewondering, zoowel voor de psychologie als voor het beschrijvende deel van dit werk. Dat alles is zeer gaaf en rijp. De dialoog kon hier en daar wat beter zijn. Geen sprake is er echter van, dat zich hier een lacune in het klaarblijkelijk zéér groote talent dezer schrijfster zou vertoonen. Een onbewust te sterk styleeren is er slechts oorzaak van. Men zou wellicht deze auteur in overweging moeten geven niet tè zeer naar bevrediging van dien styleeringsdrang te streven. Bij verder doorgevoerden wasdom van haar kunstenaarsvermogen zou de beeldings-nauwkeurigheid, die nu nog ongerept-evenwichtig werkt, in precieusheid kunnen ontaarden, 't geen jammer voor den schoonen eenvoud en de stille wijsheid ware, die nu zoo teer ook de natuurbeschrijvingen doorschuchteren. "Heel even maar ... toen was het stiller dan daar voren, of er snaren strakker gespannen werden, of de teederheid rondom angstvalliger werd." "Zoo vroom, zóó stil was rondom de mijmering, dat hij onwillekeurig alleen maar luisterde[1]. Ook nu hij het hoofd wat neeg en naar den grond bleef zien, voelde hij de goedheid dichtbij—hoorde hij in de stilte de innigheidsstem. Ongezien was tòch de teederheid der sfeer hem duidelijk. Zuiverheid en goedheid, anders was er niet." In dergelijke beschrijvingen van uiterlijk-innerlijkheid leeft een psychische schoonheid, die wel waard is zoo nauwlettend mogelijk voor elke ontluistering te worden behoed.—De beelding der sexueele liefde en haar eigenaardige egocentrische één-tonigheid—er is geen andere liefde, die het individu, onder den schijn van het zich aan een ander te doen geven, zóó aan de bekommering der zelf-contemplatie houdt geboeid!—moge op mij ook in dit werk, de reeds meermalen hier ter plaatse door mij gekenschetste uitwerking niet hebben gemist, laat mij erkennen hoezeer dit tevens voor de juistheid der beelding pleit en er ook de opmerkzaamheid op vestigen, dat in het laatste verhaal, Afscheid, die liefde wordt getoond als aan zichzelve ontgroeid en van hooger natuur geworden, terwijl de uitbeelding toch even uitmuntend blijft.—Ook in de herschepping der manlijke psyche is onze schrijfster zeer gelukkig. Iets van het gulle, het robust-levensvolle van een Ina Boudier-Bakker leeft in haar arbeid dan. En herinnert het schetsje Maanavond in zijn fraaie uitbeelding van kinderleven, dus op weer andere wijze, niet tevens aan deze voortreffelijke kunstenares? Er openbaren zich vele gaven in dit werk, en vele perspectieven opent het. En denk ik ook nu weer aan Emmy van Lokhorst, dan voel ik mij geneigd tweeërlei te gelóóven. Het eerste: dat Jo de Wit—want wie zou ook bij eene beoordeeling als deze, van eerste werk immers, met volle gewisheid durven spreken—de meest- en ernstigst-begaafde van beiden is. Het tweede: dat in het paradijs der jongste novellistiek alleen Eva schijnt overgebleven. Adam schijnt er te—onnoozel onschuldig voor! Que veux-tu? Zoo zijn de moderne paradijzen: die niet uit volle begeerte van den boom des onderscheids van goed en kwaad eet, die nièt zèlf er naar greep, diè wordt eruit gedreven. Ook de engelen worden zuìverder-critisch. Wat geen wonder is. Sinds Scharten in den hoogsten hemel der Christelijke Liefde werd opgenomen, kan men elken Zondagmorgen een heele school Seraphim en Cherubim aan zijn voeten zien gevlijd, om de heilige woorden van het juiste critische inzicht op te vangen. En de lange gestalte van den Grooten Leeraar steekt—geen gering paedagogisch voordeel!—nog zelfs boven de zeshonderd el metende Seraphijnen uit. Het is, bij heldere lucht, een schoon en treffend gezicht.
Oct. '18.
Noot:
AUGUSTA PEAUX: GEDICHTEN
Toen ik dezen bundel verzen had gelezen, bevond ik 't noodzakelijk bij mij-zelf een gelofte af te leggen. En nu ik aanvang erover te schrijven, acht ik 't niet minder noodzakelijk, haar in 't openbaar te herhalen. Want de mensch, en vooral de bekóórde mensch, is zwak. En zoo moge ik de kracht om mijne gelofte te houden, versterken met de vrees voor de schande, die mij, zoo ik haar publiekelijk brak, zou treffen. En wèl gelukkig is 't dan ook, dat ik slechts een literator ben! Ai mij, zoo ik eens staatsman ware; wàt middel had ik dan wel tot zelf steun moeten aangrijpen....—Maar ziehier dus wat ik mijzelf plechtig beloofde: ik citeer geen enkel vers. Want ze zelf u te tóónen, en er dàn een nog door het citaat verkleind kroniekje over te verredekavelen, neen, voor zoo gering een bejegening zijn deze gedichten te edel en groot. Want vòl zijn zij zoowel van den ernst van een deemoedig en schoon menschenleven als van dien eener kunst, die mij van de jeugd af de liefste is geweest: de verzinnelijkt-geestelijke der tachtigers .... Een deemoedig en schoon menschenleven, zei ik, en waarlijk: als iemand, gelijk deze vrouwelijke de Hérédia-in-gewetensvol-geduld, zijn werk een menschenleeftijd bewaart, slechts schaars er iets van in de tijdschriften publiceert, om 't dan ten slotte in een uiterst-pretentieloos uitgegeven bundeltje te doen verschijnen, èn een dergelijke arbeid blijkt zulk een schoonheid als deze te bevatten, dan mag dat niet alleen, maar mòet dat door zijn beoordeelaar worden gezegd. Hier niet het eerzuchtig bejag eener ijdele en pralerige kunstenaarsnatuur. Hier het zuiver dienen, de stille en roerlooze wachting—het wachten, niet op roem en eer, die het talent eens wellicht moge brengen, maar op zijn gerijpte kracht. Hier de klare en edele, innerlijke rust. O, had ik nu mijn gelofte niet gedaan! Want daar is één gedicht in dezen bundel—het héét ook Rust—waarin deze schoone ziel ten volle, juist in haar onverwrikbare, als oud-Indische wijsheid stil glimlachende afgewendheid van het ijdele en vergankelijke aan den dag treedt....—En toch—ik heb het wel goed ingezien: hoe weinig zou het citeeren van dat eene dichtje mij dan weer hebben bevredigd, en welk een verkeerd want eenzijdig-belicht beeld zou de lezer allicht daardoor van dezen levensarbeid hebben ontvangen. Ziehier trouwens hoe ik mij troost: ik neem mij stellig voor, dezen bundel elders, binnen eenige maanden, op uitvoerig didactische wijze te behandelen. Er is reden te over toe, want—en dit moge hier reeds, zij 't dan zonder iets te bewijzen, worden gezegd—al het schoone, al het edel-rijke, dat reeds onze verrukte jeugd in den stijl en het tijdperk zag leven, dat wij kortweg Nieuwe-Gids noemden, dat is ook hier in eene, wat ik zou willen noemen nederige en essentieele bijna-volledigheid aanwezig. In verschillende van de deze volledigheid samenstellende elementen hebben de groote tijdgenooten van onze dichteres, de een in dit, de aer weer in een ander, ongetwijfeld hooger schittering ontstoken en oneindig hartstochtelijker werkdadigheid ontplooid—geen echter heeft in zoo luttelen omvang zoo veel vereend. Bij haar zijn èn de gedachte èn het gevoel in de hoogere eenheid der ver-beelding saamgesmolten. Bij haar is er—schoon veel schaarser: ik zou daarvan slechts een paar voorbeelden kunnen noemen—ook de neuriënde muziek van het woord, een liedje, lief en puur simpel. Als een zéér fraai voorbeeld van een uit gedachte en gevoel ontstaan verbeelden, dat tevens muzikaal doorzongen is, mag wel het krachtige en zuivere Nieuwe Stad worden genoemd. Bij haar zijn er de rijke prachten der van geestelijkheid doorgloeide en verreinde sensualiteit en ook dier schemerdiepten van een 'n geheimvol leven omhullende wazigheid. Bij haar dan ook de gloeden van Oostersche visies, als in 't goudelend nacht-donker van Van Looy. En bij haar de fijne wendingen, subtiel, kort en vluchtig, als, op een ander plan, in critisch proza van Van Deyssel. En gelukkig! háár ook, trots haar "tachtiger"-aard, heeft ten leste ook het maatschappij-leven niet onbewogen gelaten: sommige harer beste verzen zijn tijdzangen en uit de smart van den oorlog geboren. En voor wie haar werk zou willen vergelijken met dat van sommige dichters van de láátste jaren, moet het al zeer onderrichtend zijn, een impressie als Werkpaarden naast "instantanés" te houden, zooals men ze tegenwoordig in weekbladen en tijdschriften tegen het gewiekste lijf loopt, handelsreizigers in dichterlijkheid meteen kraakstem en vlugge kneed- en vouwgebaartjes van emballeurshandigheid. Zie dáárnaast de edele gestalten dèzer verzen, hun hoog gedrag; beluister hun diep-weerklinkende stem. Zeker, men vindt ook hier sòms het cerebrale in ongunstigen zin: het gezochte. Somwijlen slaagt haar rijp technisch meesterschap erin, dat bijna te verhelen, maar een enkel maal heeft het tè opvallend de gaafheid der beelden aangetast, dan dat niet een ieder het merken zou. En ook mist men hier—hetgeen toch een kenmerkende "tachtiger"-eigenschap is—het uitlaaien der passie; máár het bloeiende leven dezer kleine wereld doet u toch wel begrijpen dat het binnengrondsche vuur er is. En—hebben wij dan ook niet aan de onstentenis van dat vulkanisch-tragische natuurdécor te danken, dat hier tevens een enkel keer de bloemen der koelere gronden, de schalkheid en de humor bloeien èn er niet misstaan?...—Bij haar is ook die vol-doortinteldheid van het vers, dat zich-voortvlechten van schoonheid in schoonheid, als schakel in schakel, tot het als een gouden band, bezet met meest donker-flonkerende steenen, zich om den klòppenden pols uwer feestelijke vreugde samensluit; een eigenschap, dit zich voort vlechten, die, in verband met den indruk, welken hare gedachten-zwaarte wekt, somwijlen, eventjes en van verre, aan de schoone ketenachtige verwikkeldheid van het Shakespeariaansch vers doet denken, en die overigens wel vermoedelijk, in diepsten zielsgrond, verband zal houden met de vasthoudendheid, waarmede deze geest lang een zelfde motief bewaart, en daaraan droomig voortspint. Een enkel maal is dit verschijnsel duidelijk aanwijsbaar. Het motief van: het logenachtige of veinzerige van een stillen vijver, komt voor 't eerst in In 't Bosch voor, duikt dan, gelijk een stroompje in den grond, neer in 't onderbewuste, vloeit daar klaarblijkelijk voort, om plots in Een Vijver weer zichtbaar te worden. Hij die, als ik, ook deze eigenschap een uitvloeisel acht van de stille en trouwe rust, de onbaatzuchtige en onvertroebelde neiging tot nederig wachten, die deze kunstenares zoozeer adelen—hij zal allicht, evenzeer als ik, haar geestelijke figuur zien als een dier beminnelijke vrouwen, op wie, in het dadenrijk en aanzienlijk gezin, waartoe zij behooren, weinigen aanvankelijk achtten, maar die, na het voortgegleden zijn der jaren, als het luide leven der beroemde broers tot zwijgen neigt, stil van toon en met heur kalmen glimlach nu iets van haar leven en ziel, in heel dien verren en wijden tijd, openbaart, èn daarmede een tot dan tè achteloos voorbijgeziene schoonheid, nog door stillen deemoed verzoet....—Ik heb zelden zóózeer gehoopt, dat mijn woord eenigen invloed moge hebben en velen tot lezen zal bewegen, als ditmaal.—
Nov. '18.
JAN FEITH: ONZE MEDE-DIEREN
Indien de begaafde auteur van dit boek, die, alhoewel in onze Forensische woon[1] lid der Overheid en hóóg boven mij geplaatst, in stad, in die aardige Het-Jonge-Leven-buurt, mijn buur en gelijke is, wel eens daar over de schutting, die onze tuintjes scheidt, in het mijne heeft getuurd, dan zal hij weten allicht, dat daar een boom staat, een boom, dien ik indertijd heb—opgezet over: De Dieren in de Literatuur.... Maar of hij dien kent al dan niet—ik durf nauwelijks op zooveel belangstelling hopen—mìj kwam die boom op voor mij-zelf zéér ontstellende wijze in de gedachte, toen ik met de lectuur van dit mijns buurmans boek tot op blz. 33 gevorderd was.... Want die gedachte was niet meer of minder dan moorddadig.... Zij had ongeveer dezen Heiniaanschen inhoud: het eenige wat er nog aan mijn tuintje ontbreekt is: dat er iemand aan dien boom bengelt ... en met keek ik beulachtig naar den hals van—m'n buurman....—Ge schrikt, lezer, en begrijpt niet, dat ik, onschadelijke, zóó iets dacht.... Welnu, laat mij u dan de psychologische verklaring geven, en met des te meer vrijmoedigheid, omdat, al verder lezend, mijn moordlust plaats maakte voor zoo Warme Waardeering, dat ik, zóó als ge me hier ziet, reeds ònder dien zelfden boom, waaráán ik hem eerst wilde ...—-ik dùrf 't woord niet uit te spreken!—hem een gezellig zitje heb bereid. Mijn moordlust werd dan door deze overwegingen gewekt: Wat de antieke fabeldichters en wat de schrijvers van het middeleeuwsch dier-epos betreft—er is voor het feit, dat zij het dier slechts als spiegel der menschheid schenen te zien, en nauwelijks óóit het dier-zelf, een, dunkt mij, afdoende verontschuldiging aan te voeren: zooals hun geheele natuurbeschouwing geocentrisch was, zoo was hun levensbeschouwing in haar diepste wezen van anthropocentrischen aard; maar wat, in Godes naam, moet ik met een modern dierbeschrijver beginnen—een làter-tijdgenoot nog wel van bijv. een London, die het dier-zelf en om zijns zelfs wil uitmuntend heeft gebeeld—voor wien dat dier louter als spotspiegel van menschelijke eigenschappen waarde schijnt te hebben, en die mij zelfs nog al vrij goedkoope aardigheden op een zieke en stervende giraffe niet spaart. 't Is waar: hij wìst 't wel, en hij zèi 't zelf wel: "Ik mag niet opnieuw vervallen in mijn onhebbelijke fout van professie, om elk beest door een menschelijk lorgnet te willen bekijken", maar mijn beulsgeest antwoordde: "Tenzij ge uw leven blijkt te hebben gebeterd, aanvaard ik uwe bekentenis als verzachtende omstandigheid niet ... ge ziet dien boom ... en ik verberg u 't touw niet ... ge weet er alles van....—En kijk: het bléék zoo waar, tot mijn vreugde, gebeterd! Aanvankelijk blijft hij nog wel in zijn anthropocentrisch denken geheel bevangen, maar het wordt van edeler natuur: de giraffen-idylle verhoudt zich tot dat andere stuk over de stervende giraffe, zooals de beminnelijke glimlach van den man, die een diep-erbarmingsvol en teer gevoel wil verbergen, zich verhoudt tot de grijns van het gebrek-aan-meegevoel. Maar dan plots stijgt onze schrijver—en gelukkig, op hoe andere wijze dan ik hem eerst had toegedacht!—tot een veel hooger niveau: hij vergèèt den mensch, zijn onderwerp absorbeert hem, en dààr leeft hij in weg. Welk een buitengemeen bekoorlijk en sterk-beeldende kracht bezittend stuk is Verliefde Visschen daardoor geworden: die hartstocht-vaart der verliefde zalmen, de zee uit, de rivieren op, omhoog naar de Alpen-beken, herinnerde mij, zij 't van verre, niet alleen door 't onderwerp, maar wel degelijk ook door den élan, aan niets minder dan Omeya's De Kameelruiter![2] En dan dat liefdesfestijn der haringen.... Waarlijk, er leeft hier in de beschrijving-zelve iets van de blanke teerheid van die zilverwolk, afschijning tot bòven de zee van die parende, verheerlijkt-stralende wezentjes, zooals ze, opeengedromd, door roofgedierte en visschers worden gedood ... de stille lichtschijn der liefde, te boven stijgend al bewogenheid en zelfs de tragiek van den dood....—
Het is, zooals de schrandere lezer allicht reeds heeft begrepen, niet anders dan natuurlijk, dat juist de aanschouwing van het visschen-leven den schrijver aan hem-zelf onttoog: dat wat het minst op ons lijkt, het minst aan ons is verwant, doet ons het vaakst en het makkelijkst ons-zelf en onze verwantschap vergeten, en boeit op 't sterkst, zij 't vluchtig, onze aandacht aan zich. En hoe waar dit is, kunt ge alweer aan het fraaie stuk Plastiek, eene uitmuntende beelding van reptielenleven, merken. Want zie maar: datgene wat den blik van onzen geest ons geheele leven fascineert, omdat het ons, bewegelijken, driftigen, haastigen, zóó vreemd is; dàtzelfde, nu verstoffelijkt, boeit, thans ook onze lichamelijke oogen, bij den aanblik dèzer dieren opnieuw: de roerlooze wacht van het Noodlot, de onverbiddelijke greep van het Noodlot, het ijzige geduld der Eeuwigheid. Maar vond zoowel mijn wijsgeerig als artistiek denk-voelen in stukken als de laatstgenoemde alles te prijzen, gelijk in één hierboven genoemd alles te laken, men denke daarom geenszins, dat ook mijn artistiek besef nimmer de anthropocentrische dierbeschrijving zou kunnen waardeeren. Zèker kan het dat: als de schrijver maar, hoewel door zijn menschelijkheid nog steeds bevangen, zich-zelf ten grootsten deele—zijn lager-persoonlijke bewuste bedoelingen vooral—maar vergeet! Hoezeer bewonder ik dan ook de allergeestigste typeering van Mijn Maraboe en het ongedwongen-aardige van "Pak de Leuning". De zaak is, dat de zich den schrijver opdringende jeugdherinneringen hem in dèze stukjes dwongen anthropocentrisch te schrijven en dit geenszins het gevolg was van den bewusten wil om geestig of aardig te zijn. Het is de overgave, die alles bepaalt, of het de overgave aan eene herinnering of wàt anders ook zij. Ik zou mij nog zeer lang met dit gevoelig werk kunnen en willen bezighouden, en zoowel nog op zeer vele schoonheden de aandacht vestigen—zooals dat innig-ontfermingsvolle 't Skryverke in Stad—als bijv. aantoonen, dat het te-lang-gerekte van sommige overigens voortreffelijke geestigheden in niets dan het aanvankelijk feuilletonnistiseh verschijnen van dezen arbeid zijn oorsprong vindt.
Eén ding moet mij nog van het hart: het boek toont één verwonderlijke leemte, te verwonderlijker, waar de auteur het vischleven zoo schoon beschreef: wáár in Godes naam is zijn appreciatie van de collectie bakvisch en haar mannelijk complement gebleven, de schoonste en rijkste collectie, die Artis bezit? Die vrij héétbloedige vischjes, die coquette, die flirtende, die vrijende, die lieve.... Meneer Feith, meneer Feith, ge bleeft toch maar een vreemdeling in Jeruzalem, èn: uw deskundige "leiders waren misleiders", zij hebben u het schóónste niet getoond.... Had mìj maar geinterviewd. Niet dat ik.... godbeware-me!... Maar ik ken iemand die véél studie van die collectie heeft gemaakt.... Vorbei ... vorbei.... ein trübes Wort.... Ik doel hier betreurend, het zij ten overvloede gezegd, op het voorbije der gelegenheid mij te interviewen ... niet op iets anders!...
April '18.
Noten:
HET HELDEN- EN LEERDICHT VAN DEN WERELDOORLOG.
I.
Sinds de groote Florentijn zijn hel- en hemelvaart had voleindigd, en de koortsende droomen van demonen-vrees en godsliefde der middeleeuwsche wereld in den greep van zijn onverwrikbaren wil getemd en tot in schoonheid geordende tafereelen had omgeschapen; sinds hij ze had volgezongen met zijn ziel—beelden, gemaakt van geluid, en muziek uit aanschouwing geboren—; sinds dien heeft hij het lieflijke maar vooral het gruwelijke der wereld met zijn naam en macht overheerscht. Dantesk, bovenal, was het gruwzame duister, van de schicht-naderende dreigingen doorrossigd der dood- en lijdens-verbeeldingen; Dantesk was al wat 'schoon zinnelijk, de vermoede afgrijselijke majesteit der demonische bòvenzinnelijkheid droeg; Dantesk waren die statige vaste rhythmen der groote, als wonderen van smeedkunst dooreengestrengelde en bebloemde poëmen, die het geluid-geworden begrip: wereldheerschappij zijn; en Dantesk was wel ook het lieflijke, doch mits het door een goddelijk-hooge tragiek was omstormd en als lekend nevellicht van de bleeke gelaten der Francesca's en Paolo's afscheen. Maar wàt hem ook benàderde, in literatuur of in leven, bereiken deed het hem niet. Eens had de menschheid zich de ontzettende fantasmen van een satanisch hiernamaals gedroomd, een wereld door een demon instede van een God geregeerd: een hel die oneindig was, pijn die respijtloos duurde en martelde tot in eeuwigheid, zonden voor immer zonder vergeven, boete zonder hoop. Toen had hij dat menschelijk-tasten, dat deel van Menschheids droom aan haar zelve geopenbaard—voor zoover zìj kon begrijpen. En, de bestemming volgend der half-bewusten, gedreven door den duisteren drang, haar droomen te kennen, ze te zien leven in den werkelijken dag, ze te verwerkelijken; gedreven door de donkere krachten van haar onderbewustzijn in hun stuwing naar het licht; stortte zij zich in de extatische zelfmartelingen der gekloosterde asketen; wierp zij zich in den wellust der paring, vereend met dien van moord en foltering; ja, slaagde zij er zelfs in een de Retz te scheppen, dat onsterfelijk erotisch monster; en niettemin: nòg bereikte zij de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij bracht haar Conquistadores voort, die, uitmoordend de volkeren, de beenderen der oude beschavingen verbrijzelden, en, in hun extasen van tot dan onvermoede weeldegenietingen en machtswellust, van bloed en goud de glanzende worgring wisten te gieten, die glorie heet. Zij verzon de inquisitie, met haar brandstapels, haar rad, haar pijnbanken; zij bouwde de slachtplaatsen der industrie, waar zelfs het kinderlichaam door den arbeid werd verteerd, de kinderziel vertrapt: de fabrieken waar haar wàre roem en lieflijkste bloem werden ontluisterd. En toch: zij bereikte de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij was als een groot schepper, als de Goethe van den Werther, die schrijft, om een geestelijke ziekte die hij in zich draagt, buiten zich, van zich àf te werpen; die schrijft om zijn eigen onzuiver ik vóór zich te kunnen zien, om het te kunnen genezen. Maar hàre letters waren dàden, letters van bloed en vuur, op de gemartelde maar onvernietigbare bladzijden der jaren, in de zich openende en langzaam ïn hun dreun-zware kanteling weer sluitende boeken der eeuwen. En toch, zij mocht kreunen van angst en van verlangen, en rusten van haar vreeselijk werk dag noch nacht,—haar doel bereikte zij niet, zij bereikte 't niet. Dat was haar droom nog niet. Iets was nog daarachter, een opperste ontzetting, ver en diep verholen, die zich verwerkelijken moest. Tòt het uur volliep, en ze in geweldigste inspanning en verscheurende weeën den wereldoorlog baarde. Tén ... uit de verste afgronden van haar wezen rezen de verholen droom-schimmen op, verschijningen van afschuw en verbijsterende ontzetting, en verwerkelijkten zich en traden onder het wijkend licht. En terwijl hun torenhooge, afgrijselijke vlamgestalten als in een hemelverbloeding de zon verduisteren, de aarde schreeuwt onder hun gaan, en de ontwaakte Menschheid zich schijnt gereed te maken den arbeid aan hare vergoddelijking bewust te beginnen en voort te schrijden op haar evolutionnaire baan—wenkte de Noodwendigheid, de onfeilbare, die niets vergeet, die het kleine én het groote als het eene kent; die het gewicht van den dood eens worms en van dien van armeeën even nauwlettend weegt, om der wille van hun beider majesteit van noodzakelijkheden; en uit de verbijstering en den nood, uit het walgelijk knekelhuis der loopgraven, in de volle nederigheid van zijn groote en reine ziel, bereid tot overgave aan Menschheids dienst; vàst staand in zijn wezenheid, toegerust met macht om zijn verheven werk te doen; onder zijn lompen en achter 't verwoest gelaat veilig en in rust de vruchtbare rijkdom van zijn geest geborgen, die straks naar buiten zou lichten—zóó trad een man.... En gelijk eens Dante was geroepen om de infernale verschrikkingen en hemelsche glanzen van den droom te openbaren, in beelden blijvend voor altijd, zóó was deze verkoren, om dit de gruwbare ontzetting en heilbrengende beduidenis van het van-droom-tot werkelijkheid-gegroeide te doen. Verreweg kleiner dichter dan zijn feilloos-geweldige voorganger—hetgeen hier niet schaadt, daar de dichter der werkelijkheid niet de gaven van dien des drooms behoeft[2] —maar van een welhaast onvergelijkelijk hooge en zuivere menschelijkheid, een ziel als een spiegelend meer van liefde waarin het menschbeeld naast dat der sterren straalt, heeft hij zijn werk verricht. En terwijl wij vol wederliefde in hem zien en al de schoone en fijne bewegingen van zijn geest met onze innigheid bestreden, beseffen wij slechts geleidelijk wàt zijn woord ons heeft gedaan. Het heeft het onrein vat van onzen geest met brandenden toorn en afschuw vol gegoten. En nadat dit éénigermate was gezuiverd van de stofvergoding, van de ikzucht, van het huichelachtig meegevoel, van het ijdel-phraseerend denken, waarmee ons leven het de jaren lang had gevuld, deed hij wat droppels, die waren als een balsem én een dauw er in leken. Want gelijk de eerste, heelend het geschroeide en gebetene, voèlde ze onze geest, en gelijk de laatste fònkelen ze hem tegen met in hun rondingen het licht van een nieuwen dag.... Deze zuivere en schoone mensch, deze hooge en begaafde broeder van den dichter der Hel, dat is Henri Barbusse; en zijn werk, het beeld van de verwerkelijking van den Helle-droom heet: Het Vuur.
Hier, bij dezen Dante der werkelijkheid, zijn weer de in slijkpoelen verzonkenen van Alighieri's zevenden zang; de, als een schildpad in zijn schild, in modder geharnasten, de "gekroonden met drek." Hier zijn weer de in gloeiende graven gemartelden, van den zesden hellekring: de slavenden bij de nachtelijke korveeën, zich plat-drukkend op den onder den granatenstorm en den spattenden vuurregen golvenden en brandenden grond, te halver diepte pas ter dekking ingegraven. Hier weer de badenden in het kokende bloed, van den vijftienden zang: de man verkoold in granaatvlammen, terwijl een brandende plas van bloed-goud op zijn lichaam knettert. Hier stuift en kuilt de zandzee, waarop de vuurregen daalt en waarheen de verdoemden genoopt worden te vluchten: de zinlooze stormloop onder het spervuur, in de gierende orkaan en fonteinende vuurstroomen der granaten. Hier wankelen weer de "van vlammen omhulden": als de ontploffingen de kapotjassen in brand steken. Hier zijn weer de verdoemden van den twintigsten zang, wien de dood het hoofd omdraaide op den romp, rugwaarts het lichaam omvouwde, en de beenen, gelijk bij een zittende onder den buik, omhoog onder de aars. Hier is weer de "schreeuwende menschboom" van den twaalfden zang: een verstijfd lijk met krijsch-gezicht, wortelend in den top van een heuvel, deinend en schuddend in den wind. Hier zijn zij van den acht en twintigsten zang, wie de dood doorhakte "van de kin tot den bilnaad, dat hun de ingewanden tusschen de beenen hingen." Hier zijn de beknelden in de storm-gezweepte en ijskoude stroomen van den Coeytus, die Dante als vezels in het ijs zag, tegen wier hoofden zijn voeten botsten, wier boven de beknelling uitstekende haarlokken hij kon grijpen. Hier stierven weer zijn Branca d'Oria's, maar onschuldige, "wier haren," zegt Barbusse, "rechtop in het water staan als aquariumplanten." Hier zijn zij wie de dood aan elkander bond, de lijken elkaar omklemd houdend als in vereeuwigde strijdwoede, en zij die hij, bij de wegweekende overstrooming der loopgraven, vereende als in goddelijke toewijding tot elkaar: "twee mannen, die op elkaar steunen om te slapen. Daar zij zich niet op den wegvlietenden grond, die over hen heen zou golven, konden uitstrekken, bogen zij zich over elkaar heen, elkaar bij de schouders vattend en sliepen in, tot aan hun knieën in het veld weggezakt." Hier sidderen ook weer de van de hoogste tragiek omstormde Danteske teerheid en liefelijkheden. O, kleine, bleeke Eudore, met je teere lichaam en nog teederder hart, die met verlof gingt, om na vijftien maanden je jonge vrouw weer te zien.... De passen blijken niet in orde, zij kan niet tot hem komen, hij niet tot haar, dan alleen in den voornacht van zijn verlofeinde.... Maar dan—de regen verdrinkt de aarde—ontmoet hij andere verlofgangers, die niet weten waar onder dak te komen ... de beide gelieven, die slechts dien enkelen nacht hebben om gelukkig te zijn, offeren zich op en deelen hun eene kamer met hen ... de kostbare nacht, die een liefdefeest voor hen had kunnen zijn, gaat somber te midden der geeuwende soldaten voorbij.... Zij scheiden onder hartstochtelijke omhelzingen.... Hij komt weer in de loopgraven terug. "En wanneer zal ik haar nou weerzien? En zàl ik haar wel terugzien," zucht hij tot de kameraden. Hij ziet haar niet weer terug. Een nacht wordt hij mét drie makkers door het mitraille doorzeefd.... En dan die beide andere gelieven, Farfadet en Eudoxie!... Farfadet, die nog van haar aanbiddelijke schoonheid als levend en hem toebehoorend droomt; die zich zeker voelt van een gelukkig leven met haar na den oorlog, terwijl reeds lang haar lijk wegrottend en afzichtelijk beschimmeld in een mijngroef tusschen de linies is gevonden....—Of het ontroerend gesprek tusschen de twee legionnairs—ja, ja, ge weet wel, dat zijn twee van die "uitvaagsels," van die "maatschappelijk-verworpenen," van het "vreemden-legioen"!—Barbusse, uitgeput in den onderaardschen hulppost dicht naast hen neerzittend, beluistert hen zonder het te willen. De een, doodelijk gekwetst, vraagt den ander, of die wel weet, dat-ie heel wat op z'n kerfstok heeft en dat-ie wel heel moeilijk ooit weer in de burger-maatschappij een bestaan zal kunnen vinden. De ander, woest, zegt: "Hou je smoel! wat kan jou dat verdomme'?" En de doodelijk-gekwetste antwoordt, dat, daar hij nu toch gaat sterven, hij van zakboekjes met den ander wil ruilen, dan kan die onder een nieuwen en eerlijken naam verder leven en heeft een betere toekomst voor zich! Maar aan Louise, zijn lief, zal-ie 't toch in zijn afscheidsbrief schrijven, "dan vindt ze dat ik goed gedaan heb en zal ze beter an me denken." Maar neen, "met iets als een verheven inspanning" schudt hij dan 't hoofd: "Nee, háár zal ik 't zelfs niet zeggen! Ik weet wel dat zij het is, maar de vrouwe' zijn zoo praatzuchtig!"—Of ook de Idylle: Paradijs de coquette schoentjes poetsend van een vijftienjarig kind; een verheerlijkende glimlach licht over zijn gelaat, en nog in zijn uitputtingsslaap blijft die stralen. O, hier, hier vooral, laat ons zacht en voorzichtig treden en met onze gansch liefdevolle en aandachtige oogen naar de laagte zien. Hièr heft de menschelijke adeldom zijn schoonste bloemen, terwijl hij nochtans als een kruipplant over een slijkerigen bodem wart....—
Maar deze Dante der werkelijkheid, die bij het zuchten zijner Francesca's en Paolo's niet bezwijmde; die de volle heerschappij over al zijn krachten zelfs onder de vuurregens en midden de slachtingen behield, en als meer dan een òngebroken man: als een schepper, als een glanzend wezen, uit de loopgraven trad; deze Dante, door de beukende realiteit tot verhevener deemoed geleid dan de ander door den droom, vertoont op wat men een parallelplaats van eene in Alighieri's werk zou kunnen noemen, eene ontroerender schoonheid dan daar aanwezig is. En waarlijk, het is mij een rijk geluk, haar, verholen als zij is, voor u te mogen opdelven en 'r u te toonen. Toen ik haar ontdekte in het licht mijner verdere lezing van het werk, bleef het eerste hoofdstuk, waarin zij zich bevindt, niet slechts een schoone uiting van bewuste genialiteit voor mij, maar wèrd een wonder van den schrijver onbewust gebleven en toch zich openbarende inspiratie. Dit hoofdstuk heet Het Visioen en beeldt niet anders dan een Zwitsersch sanatorium, waar aan den overkant der bergen, op een galerij de tuberculose-lijders liggen. Het teekent kort het schuchter en als ingehouden leven dier ongelukkigen. De courant wordt rondgebracht, en de eerste die haar leest, zegt: "Het is geschied, de oorlog is verklaard." Deze "peinzers," zooals Barbusse dan zegt, "op den drempel der wereld verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van verblinding, van de greep der traditiën, zij beseffen schuchter nog den eenvoud der dingen en de wijd-sperrende mogelijkheden." En in het gebeuren midden dat woeste bergen-décor, het opstijgen en speurend kringen der adelaars, het neerbliksemen van het onweder, de schemers gelijk watervloeden vol vage vormen van verdronkenen op de velden, aanschouwen zij in een kort visoen heel de ontzaglijke rij der toekomstige afgrijselijke oorlogsbeelden. Dit nu kan men, gelijk ik zei, een parallelplaats, in beperkten zin, van Dante's vierden zang, noemen, omdat: hier evenals daar het storm-stille "Voorportaal" van de Hel is; omdat hier evenzeer als daar wel geen geluk is, maar ook hier zoowel als daar geen lijden, vergeleken met hetgeen daarna komt. En ook hier zoowel als daar is er dus de doorlichtende tegenstelling tusschen het stille, rustige, beveiligde en nog te dragen leed van het Voorportaal, en de woeste, de vlijmende, de hulpeloos voortgejaagde, de ondragelijke smart van de Hel. Maar dàn ziet men ook zich daaruit een andere en nog beteekenisvoller tegenstelling ontwikkelen, die de hoogere schoonheid, waarvan ik sprak, brengt. Dante, in het kasteel van de Homerische dichtergroep gekomen, waar de groote denkers en poëten der Oudheid verblijven, verkondigt zelf volkomen bewust en luide zijn ontzaglijke grootheid: Homeros begroet hem als den zesde in zijn verheven kring. Maar in het "Voorportaal" van déze hel, in dit eerste hoofdstuk van Barbusse's werk, wordt wèl evenzeer des schrijvers grootheid verkondigd, máár: niet door hem, doch hem ondanks: door het van hèm niet reppend voorgestelde! Den kunstenaar onbewust, en onafhankelijk van zijn wil, vrij dus van met trots verbonden zelfkennis, verheft zich hier de in hem levende Inspiratie en zegt ons: zie toch, zie, dit geheele tafereel is de symbolische veruiterlijking van zijn innerlijkst—en nog wel verkleinde!—wezen, en zegt zijn grootheid. En hij de deemoedige wist het niet! Want gelijk die "peinzers, op den drempel der wereld verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van verblinding, van den greep der traditiën," zóó is ook hij; en gelijk die eenzamen want in-zichzelf gekeerden, maar verzorgden, las ook hij in 't omfloerste wereldgebeuren de verholen beteekenis, de waarheid ìn wat hij zag, de naar geboorte worstelende kern; máár bedenkt dit wel: Hij was niet slechts aldus in het voorportaal, maar midden den storm, in de hel.... Beseft dan gij allen de grootheid, de ongeschoktheid, de reine onbaatzuchtigheid van dezen mensch, hoe volkomen onbekommerd om eigen lot, in welk een zelf-ontruktheid, in welk een zelfvergetelheid hij mòet hebben geleefd; en hebt hem lief, hebt hem oneindig lief....—
II
Het kan allicht zijn nut hebben, ook hier iets te tóónen van de wijze waarop, benevens een weinig van de kern-waarheid, welke hij zag. De wijze van zien is die van een zéér groot epicus, met veel wijsgeerige en sociaal-politische bezinning, beheerschte lyrische kracht, machtig beeldend vermogen, en zooals na dit alles vanzelf spreekt, groote psychologische intuïtie. In die bezinning en in het vooral den subtielen Franschen geest karakteriseerende van het laisser entrevoir sa pensée, lijkt hij mij sterk aan Balzac verwant; in de manier van dialoog-aanwending als beeldend en karakteriseerend hulpmiddel aan onzen Querido, en het is dan ook dáárom—al mag men er ook, hier en daar, uit anderen hoofde bezwaar tegen hebben—een voortreffelijke daad van den door zijn liefde voor beiden en zuivere kunstzinnigheid geleiden vertaler geweest, dat hij ter overzetting dier dialogen, uit het "vocabulaire der Burk's" putte, want aldus doende, werd hij een vruchtenplukker gelijk, die immers meer medeneemt, dan de geplukte vruchten: ook hij nam den geur van den boomgaard mede, hij vergoedde het allicht onontkoombare verlies van 't in de dialogen levend episch fluïde van den grooten Franschman door dat van den aan hem verwanten grooten Hollander. Het is trouwens niet daarin alleen, dat Barbusse aan den schrijver van Menschenwee en de beide De Jordaan's doet denken, het is ook in de wijze, waarop hij de menschen buiten de dialoog beeldt, in zijn groot-epische heftig van kleur en mouvement doorstormde visies, gelijk in het verschrikkelijke hoofdstuk Het Vuur, in de hartverkillende atmospherische stemmingen van De Korvee, in de chaotische volten van Opbreken. Een ander maal, zooals in Lucifers, waarin de vier Franschen, op jacht naar vuur, om vleesch te kunnen braden, in de loopgrapen verdwalen, en in de "Internationale gang" een Duitsch officier dooden en met diens lucifers terugkomen, is er voor mij in het beeldend geluid, in het aspect der figuren-plastiek, in het bonkig trago-komische en in het lacherig-vreeselijke, iets, om ons tot de modernen te bepalen, van de Maupassant. Dan weer zie ik duidelijk, de paar malen dat hij natuurleven beschrijft, plots onzen Van Looy voor mij, zooals in Gewend Geraakt, die prachtige observaties in den hoenderhof, waar hij in sober-beeldende woorden—elk woordje om zoo te zeggen een vondst, een levende kleur, een reuk, een beweging—het verinnerlijkt-geziene schildert. De zaak is, dat, gelijk naar occulte leering de zielen van veel volmaakt
geworden menschen in die eens gods versmelten, in de genialiteit van Barbusse veel van het beste van veler tijden en landen literaire kracht is saamgekomen. Er is een menigte van schoone geesten in hem, maar die zijn toch één, die zijn toch zìjn geest geworden.—Zooveel mogelijk nu die gedeelten uitkiezend, welke ik kan citeeren, zonder te zeer den omvang van dit opstel te vergrooten, en mij bij andere slechts tot enkele vermelding bepalend, zal ik u een weinigje aanwijzen van al dat schoons. Als voorbeeld van zijn wijsgeerige bezinning vol diepe psychologie, hier in een subtiel aphoristischen vorm:
Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet één, die niet zegt: "Ik ben nièt als de anderen."
Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen menschen spelen.
En dit van zijn Danteske visies, voor zoover die vooral het kenmerk van een den mythos, historie en leven omvattenden geest dragen: (over den verliefden Lamuse, den "osmensch," door Eudoxie afgewezen)
Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de oude oevers van Sicilië doolde, bespot en getemd door de helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in den aanvang der tijden.
Of dit nog dieper geziene: (Over een soldaat, die, in de loopgraven, een koperen ring voor zijn vrouw vijlt)
Hij arbeidt vol vuur. Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift.[3] In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij onderging, trachtte te geven.
Het zijn de Dantesk-picturale visies, waarbij ik mij helaas tot nauwelijks meer dan bloote vermelding moet bepalen. Zoo van het voorbijtrekken der helsch-caricaturale "straatvegers der loopgraven"; van het trekken door het krijtland, waar een witte stuiving de soldaten in grijsaards vermomt, en zij, stilstaand op een halte, in elkander "pleisterbeelden meenen te zien."
Aan de beelding van het barbaarsch-Oostersch voorbijschrijden der kleurlingen ontleen ik dit:
Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil, als zichtbare valstrikken. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden zien.
Soms bereikt zijn visionnairisme een louter-geestelijke helderziendheid, zooals in die heilige, stràlende regels—blz. 224—225, te veel voor een citaat!—waarin hij de ziel van den burger-soldaat, op dat opperst moment vóór den stormloop en waarschijnlijken dood, klaar doorschouwt. Of gelijk hier: (over het voortschrijden onder sper-vuur, van soldaten op een open vlakte)
Het is bijna niet te gelooven, dat elk dezer kleine vlekken een wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden: het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de sterren aan den hemel.
Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen, honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.
Zóó is het. Zoodra men de wezens en dingen in hùn wáárheid en de waarheid hunner verhoudingen ziet, dan is het inderdaad niet te gelooven, wat er met hun stoffelijke wezenheid gebeurt. En ook het omgekeerde is waar, zooals—Barbusse-zelf, de op dat moment ontluisterde en verduisterde Barbusse het in zijn eigen Godsontkenning ééns fél demonstreert!...—
Hoogst gewichtig ook voor het juist begrip van de gróótheid en den aard zijner genialiteit, zijn die kleine zinnetjes, die enkele woorden soms, met, in zulk een enkel woord, een rijkdom van beeldende kracht; woorden en zinnen, vluchtig en snel, als flitsen, die midden de algemeene verwoesting, de ongereptheid van het edele landschap van zijn geest, in een witschitterend licht doen dagen. Zoo over korporaal Bertrand—een prachtige menschschepping. (Het is na den stormloop door het spervuur, na de verovering der vijandelijke loopgraven, dat dit gesprek, waarvan ik een stukje citeer, door de twee helden wordt gevoerd):
"En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is één figuur, die zich boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en belangwekkendheid van zijn moed...."
Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering, uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep hij:
"Liebknecht!"
Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat, even diep en rustig als dat van een beeld, viel weer op zijn borst neer. Maar nogmaals verbrak hij zijn marmeren zwijgen, om te herhalen....
Zoo ook deze plechtig ontroerende metaphoor. (Over een soldaat opduikend uit zijn slaaphol in de loopgraven):
Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt, als de nacht in den avond.
Ongetwijfeld, er zijn ook zekere tekortkomingen in dit ontzaglijk werk te bemerken en het waar' nutteloos hier van de liefde te vorderen ze te verhullen. Want de alles doordringende luister van het geslaagde, overgroote deel, zou toch ook deze verwrongenheden aan ieders oog openbaren. Daar is allereerst het toevallige. Het doet als toevallig aan, dat juist weinige uren, ja weinige oogenblikken vóór Poterloo, "in de vlam van een granaat wegvliegt," hij, in een gesprek met Barbusse, als zijn vaste verzekerdheid te kennen geeft, dat hij den oorlog zal overleven. En het is de schuld van den schrijver, dat wij dien indruk van toevalligheid krijgen. Want, bij den opmarsch nà het gesprek, in den avond, veroorlooft de auteur den lezer geen oogenblik, zijn aandacht van Poterloo af te wenden: de auteur spreekt voortdurend met dezen zijn wapenbroeder, roept hem telkens aan, vraagt hem hoe 't hem gaat. Hierdoor voelen wij al, dat het nièt goed zal gaan, dat er iets noodlottigs met dien man daar dadelijk zal gebeuren; wij voelen een zekeren toeleg bij den schrijver. Die toeleg, zoo raden wij al, is: de tragiek van het naderend gebeuren te onderstreepen, en zoodra wij nu zien dat ons vermoeden juist was, verschijnt ons natuurlijk dit gebeuren als een "gewilde" toevalligheid en wordt de tragiek juist verzwakt.—Toevallig is ook dat juist Lamuse, die niet tot de genie behoort, zich aanbiedt als vrijwilliger om de sappeurs bij het maken van een mijngroef behulpzaam te zijn, en—daarin het beschimmelde lijk van de door hem geliefde Eudoxie vindt; en nog toevalliger: dat even te voren een voorval uit Gauchin wordt verhaalt—Gauchin, waar Lamuse Eudoxie zijn liefde had bekend en was afgewezen—èn dat Farfadet (de minnaar van Eudoxie) na de opmerking van iemand, dat je "van niks iets zeggen kan," peinzend "alsof een aanbiddelijk gezicht hem tegenlachte" mompelt: "Toch zijn er dingen waar je zeker van kunt zijn." Ja, het mag niet verzwegen: hier blijkt wel héél duidelijk een "Absicht", die "verstimmt." Deze toevalligheden—de welwillende lezer vergeve mij het zoo veelvuldig gebruik van een zelfde woord!—zijn dan ook allerminst ... toevallig! Zij spruiten voort uit de hybridische natuur van het boek. Eenerzijds was het de bedoeling van den auteur een waarheidgetrouw relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, anderzijds dwong hem zijn krachtige kunstenaarsaanleg een kunstwerk te scheppen. Maar als iets omtrent den aard van een kunstwerk vaststaat, dan is het wel dit, dat het een verbeeldingswerk moet zijn. En ziedaar nu de oorzaak van stoornis en botsing: in een toevalligheid uit een feiten-relaas berusten wij, zij kan niet onecht en "gewild" zijn, immers zij is—een feit. Maar bij die in een kunstwerk berusten wij niet, dáár zijn wij slechts tevree met wat ons als noodwendigheid verschijnt. En omgekeerd: een geval dat wij in een feiten-relaas als van-zelf-sprekend aannemen en dat derhalve geen afzonderlijke vermelding door den auteur voor ons behoeft, zal soms, als het in een kunstwerk voorkomt, ons juist het ontbreken eener afzonderlijke vermelding als een hiaat en een slordigheid doen voelen. Zóó het geval-Farfadet: op blz. 82 staat het vast, dat "hij is opgeroepen achter het front bij den generalen staf" om kantoorwerk te doen. Voor hem is de oorlog—het gevaar—voorbij. Maar jawel! tot het eind van het boek zien wij hem gewoon soldaat blijven, zonder dat er een woord over die tegenstrijdigheid wordt gekikt, en tenslotte wordt hij zelfs aan beide oogen gewond! En ziehier dus weer de botsing van het hybridische: omdat in den schrijver óók de bedoeling en het bewustzijn leefden, een relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, deelde hij ons niet mede, bijvoorbeeld dat de oproeping van Farfadet naar achter het front was ingetrokken. Voor zijn gevoel, van feitelijkheden-vermelder, sprak dat van zelf, maar voor òns gevoel, dat in dit werk, nevens zijn aard van feiten-relaas, ook en vooral een kunstvolle herschepping der realiteit ziet, voor ons spreekt dat allerminst van zelf. Want wij zijn nu eenmaal gewend, als wij in een kunstwerk een dergelijke achteloosheid ontmoeten, te zeggen: hé, hier was de auteur klaarblijkelijk vergeten, wat hij vroeger had verhaald!—Er is meer. Het schijnt mij toe, dat men ook een enkel maal in de dialogiseering dat hybridische kan herkennen. Het staat een kunstenaar vrij zijn dialoog te styleeren, dan wel bloot realistischen—mits innerlijk gehoorden—dialoog te geven. In beide is het groote te bereiken. Maar het staat hem, dunkt mij, niet vrij, door een zelfden spreker, ja in een zelfde gesprek nog wel, een mengvorm van beide te scheppen. Want dan veronechten die ongelijksoortige factoren elkaar. Het is volmaakt in orde, dat Poterloo in het innig gesprek met zijn vriend zegt: "... ten slotte hebbe' ze een luizedoosie voor me opgesnord dat groot genoeg was om d'r mijn kop in te bergen." En het zou ook volkomen in orde kunnen zijn, dat hij in zulk een gesprek zegt: "ze glimlachte en boog liefelijk haar hoofdje met het lijstje van blonde haar, waarin de lamp gouë straaltjes scheen." Maar het is niet in orde, dat dezelfde man allebei zegt. Gestyleerde dialoog is en blijft voor den lezer: vertolking van realistischen dialoog, maar omdat ook de gestyleerde door den scheppenden schrijver innerlijk en als het ongekunsteld-oorspronkelijke werd gehoord, zal hij op den lezer denzelfden indruk van innerlijke waarachtigheid als de realistische maken. Maar nochtans—nog daargelaten, dat bijvoorbeeld dit zinnetje van Poterloo niet juist gestyleerd is—is het niet raadzaam een valsche roos, in wat roes van scheppende illusie ook gevormd en getint, náást een echte te leggen, want dan spot-fluistert in haar geur- en kleuren-taal die echte allicht: "Dat is mijn zuster niet."—Men begrijpe mij niet verkeerd, ik heb er niets op tegen, dat deze soldaat zoo innig denkt over zijn vrouw—wat potsierlijke dwaasheid zou dàt wezen! Waarom zou die prachtige mensch niet zoo kunnen denken—ik heb er slechts op tegen, dat hij zóó zijn gedachten verwoordt. Dat kan hij niet. De soldaat Marthereau—voddenraper in het burgerlijk leven—zegt: "De wind heit de suiker opgelikt." Dat is prachtig. Maar gesteld eens, dat hij had gezegd iets dergelijks als: "De wind heeft de sneeuwbonbons verorberd." Dat ware afschuwelijk geweest! En niettemin geloof ik, dat al is en blijft er te dezen opzichte iets te laken, dit voor onze Hollandsche ooren waarschijnlijk erger klinkt dan het is. Want dat den lageren klassen der Latijnsche volken in onderscheiding met de onze, in diepere gevoelsmomenten van zelf een edeler en schooner taal naar de lippen dringt, dan hun dagelijksch argot, lijkt mij bij hun algemeen veel hooger ontwikkeld kunstgevoel en aangeboren literair begrip wel aannemelijk. Wat den waarlijk-meesterlijken vertaler betreft, zoo er hier al schuld bij hem is, dan is die toch minimaal en komt slechts hierop neer, dat hij de bezwaren, waarvan ik reeds sprak, die het gebruik van het "vocabulaire der Burk's" aankleven, wel ietwat heeft onderschat, en daardoor hier en daar onnoodig de tegenstelling tusschen de eene soort dialoog en de andere heeft verscherpt....—Berusten wij derhalve in de erkenning, dat op den zege- en zonne-wagen van zijn genie gezeten, waarmee hij zich uit den nacht van den oorlog verhief, Barbusse van zijn ongelijkrassige paarden ongetwijfeld wel een enkel maal de toomen heeft laten glippen. Maar wat nood, hij heeft zijn tocht voleind, en uit den afgrond tot ver boven onze hoofden uitstralend, ons het licht zijner liefde gebracht.
III
En voorzeker, met den glans van zijn zien-en-begrijpen heeft hij dan ook van veel de kern en de waarheid beschenen, en ons gedwongen die te zien. Zijn epos is ook een leerdicht geworden. Een zeer kleine greep uit het overrijk bewijsmateriaal kan er u reeds van overtuigen. Hij heeft gezien: hoe het proletariaat niet alleen steeds de winstmijn, maar ook het kijkspel der bourgeoisie is geweest; haar diergaarde, welks bewoners met de zweep geregeerd, maar ook met klontjes suiker liefjes verwend mochten worden en zelfs, ja zelfs bestreeld met hoogst-eigenhandige kopaaiïngen, waaraan men dan ook zoowel zijn joviale genegenheid als zijn heùsch-dùrvigen moed demonstreerde. Men heeft er maar dat scènetje van het bezoek der journalisten in de loopgraven op aan te kijken, om te beseffen, met wat inborend sentiment deze liefdevolle dàt háát. Merk hoe dan de spot een oogenblik het beheerschte gelaat zijner objectiviteit vervinnigt.—Hij heeft gezien: hoe achter den rug der strijdende legers, die menigten van martelaren, de groote en de kleine bourgeoisie—allen die bezitten en graaien om dat bezit te vergrooten—haar weeldebestaan en winstmakerij voortzetten. Daar schrijnt, in Uitstapje, 't verhaal hoe hij met eenige makkers zijner escouade het verlof in een groote stad doorbrengt, een vernederingsleed om den zedelijken val der heerschenden, meer nog dan om het lot der beheerschten; omdat zóó verlept en nietswaardig der eersten gevoel, zóó ijzingwekkend hun onwetendheid, zoo bijna làchwekkend-onnoozel somwijlen hunne onbeschaamdheid is. En in een overstelping van liefde, meer dan van medelijden, heeft hij de vernedering zijner arme, eenvoudige metgezellen, onder de tooneelkijker-blikken en schennende woorden dier weeldezwelgers gevoeld. Hij heeft gezien: hoe zij zich vetmesten, die "van hun buik hun god maken"; al diegenen, die roepen van achter hun toonbanken, hun bankierskantoren, hun redactietafels: "wij" moeten volhouden, "wij" zullen nog meer offers brengen als het moet!—Ja, en hij heeft ook wel gezien hoe er nog ander dan Pruisisch militairisme bestaat. Argoval! Het geval-Cajart! de soldaat, die na reeds twee jaar blaamloos zijn plicht te hebben gedaan, voor een gering vergrijp wordt gefusilleerd. Hij had zich bij het einde der rustpoos in het cantonnement schuilgehouden. Als de schrijver terugkeert van de plek, waar ze den armen kerel, in knielhouding aan een paaltje gebonden, hebben doodgeschoten, dan ziet hij zijn escouade-genoot Volpatte midden een groep makkers "een nieuw vertelseltje verhalen van zijn reis bij de gelukkige achterblijvers." Dàt zijn die "achterbakschen"; nietsnutters met machtige protectie, die men niet doodschiet als Cajart, maar integendeel later in de salons, als "helden die in het vuur zijn geweest" zal bewonderen! Nog ander dan Pruisisch militairisme: lees hoe meneer de brigade-generaal de soldaten in 't ontspannings-kantonnement slechts drie avonduren in 't etmaal veroorlooft uit te gaan. Hij wil ze niet op straat zien! Zoodat ze zich in hun doorregende en tochtige loodsen zitten te verkniezen.... Ah, hoe heeft zijn heilig sarcasme dat alles gestriemd; zijn episch sarcasme, dat het gebeuren-zelf de zweep doet hanteeren, die op de ruggen dezer wisselaars neerklettert; deze wisselaars, die alles betalen met schijn: een schijn van plicht, van verstand, een schijn van geestdrift. Hij zelf blijft altijd objectief, en niet slechts met de objectiviteit van den naturalistischen kunstenaar, maar met die van den goddelijk-zachtmoedige. Geen enkele zijde van eenige zaak ontsnapt zijn blik, en geen enkele bedekt hij moedwillig. De poilus mogen bij dat journalisten-bezoek aan de loopgraven fel-raak spotten en hekelen; dan plots vraagt zacht-lachend de prachtige korporaal Bertrand: Zijn die lui dan ook niet noodig? Zijn jelui er niet het eerst bij, om als de krantenman voorbijkomt, te schreeuwen "Ik! Ik!"—Maar het is dan ook juist deze objectieve wijsheid, die plots ook onze eigen geestelijke kwetsuren en een nijpend gevaar opendekt. Want ach, hoe weet zelfs ik 't van mijn beveiligde zelf in dit gelukkig nog gespaarde landje, dat dit alles zóó is. Lees ik niet met een gemoed van verontwaardiging overkropt, ten eenen avond, dat het zoo geanimeerd tafelen bij den Generaal von Eichhorn was, en ten anderen avond, dat de Generaal Gouraud zoo'n gezellige werkkamer heeft en een derde maal, dat, trots den oorlog, zoo heerlijk van de wonderschoone Krim en zijn wijnen was genoten? En niettemin, keer ik, arme voddenraper, niet elken dag weerom, om de bakken der buitenlandsche correspondenties uit te schudden, graaiend naar mijn heet verlangd lapje nieuws van den wereldkrijg? Het is dit journalisme, dat geen schaamte meer kent. En het kent geen schaamte omdat het geen volledig menschelijk bewustzijn meer bezit. Het lijkt wel of sommige der gewichtigste centra van zùlk een bewustzijn hebben opgehouden te functionneeren bij deze "petits êtres incomplets" en vervangen zijn door instincten en vermogens, waarvan men het gehééle complex tot nu toe alleen bij zekere groepen van insecten Waarnam. Want niet alleen dat dit soort journalisten een merkwaardig vermogen heeft, naar kleur en lijn met zijn omgeving saam te vloeien, doch ook hun "stijl" kent geen vlucht maar slechts gefladder; en, de voelsprietjes als in aanbidding omhoog, kruipen zij genottelijk tegen de voor hen torenhooge militaire laarzen op. Dat Foch zooveel pijpen krijgt, hoe aandoenlijk. Dat hij stáát op zijn zooveel-uur slaap, hoe buitengemeen-geniaal én correct! Maar toch: vergat de journalist, die dit berichtte, niet, dat 's maarschalks soldaten als verontschuldiging voor hun gemis aan stiptheid in deze, de enorme kans kunnen doen gelden, dat de granaten hen wel in staat zullen stellen hun sluimer-tekort met woeker in te halen?... En neen! och natuurlijk niet, het is niet het feit zelf, dat mij hier hindert—een man in de positie van Foch heeft tot plicht, zijn brein klaar en onvermoeid te houden—maar het is de botte onkieschheid, de seniele pueriliteit zulker vermeldingen, die mij doen walgen. Het zijn deze journalisten die den geest vergiftigen. Zij scheppen fetischen en roepen tot afgodsdienst op. Er loopt geen generaal over hun rug, of zij kennen hem "een doorborenden blik" toe, "strengheid voor zichzelf en rechtvaardigheid voor anderen." "Volkomen rustig"—waarom hij tientallen kilometers achter het front nièt rustig zou zijn, weet niemand, behalve ik, maar dat heeft dan ook zijn zéér bijzondere reden—drinkt hij zijn wijn "waaraan men niet zou zeggen, dat 't oorlog is," rookt genoegelijk zijn sigaar. Neen, waarlijk, arme groote Hans, ge zoudt niet rustig zijn, zoo ge wist wat ik weet: dat de meesten van deze uwe waardige bezoekers twee voorwerpen in hun valies hebben, en beide voor uw hoofd bestemd: een lauwerkrans zoolang ge succes hebt, doch zoo ge valt: een.... Maar neen, dat te zeggen: van dat "ignobles Geschirr", blijve Heine's recht voor altijd! Dit journalisme verleidt het gedupeerde volk tot lief te hebben wat geen liefde waard is, tot bewonderen van wat het niet beoordeelen kan. Het is als besmette lucht, die men nu eenmaal inademen moet, maar waartegen men dan ook als verweer zijn lichaam sterk moet maken. Daarom: sterk en zuiver zij de geest van den proletariër, niet moede wordend zich in de smart zijner broeders in te leven, niet weekelijk de oogen sluitend voor der gruwelen schrik. En er bestaat geen boek, dat hem zóó zal leeren: te eten de bittere vrucht "van den boom van groot verdriet en de pit tusschen zijn sterke tanden te vermalen" als Barbusse's boek. Wel mocht de Voorzitter van den A.N.D.B., onlangs in het Weekblad van dien bond, in zijn diepgevoeld, aan werk, auteur en vertaler gewijd, stukje schrijven, dat Het Vuur door een ieder moest worden gekocht. Maar mij dunkt, in hoopvolle afwachting van het gehoorzamen aan dit vermaan, dient er ook iets anders te gebeuren. Niet een paar, maar tientallen exemplaren moeten in de uitleen-bibliotheken der vakvereenigingen ter beschikking staan. En stróómen moeten de leden daarheen. Gelezen, geliefd en diep begrepen moet het worden in al hun gezinnen. Want dit is een leerdicht, voor hen geschreven, aan hen gegeven, de boet- en vertroostings-profetie van een géén god- maar ménsch-scheppend profeet! Gelijk hier de leering, op een berghoogte en in een wereld-historisch moment, in de steenen tafelen der ongevoeligste harten wordt gegrift, gebeurde het niet sinds Mozes. Hier leert het nog waan-omvangen volk, om het nooit te vergeten, de voosheid van het chauvinisme, den leugen der verleidelijke militaire schetterphrasen, de ijdelheid der geraffineerde glorie-beloften. De roem van den soldaat...! Daar ìs geen roem voor hem. Gelijk hun lichamen in het massa-graf, zoo worden hun namen in de vergetelheid tezamen bedolven. De roem is voor de generaals in de gezellige kamers, na de weldoende slaap, voor de redevoerende staatslieden aan de weeldebanketten. "De liefde van het vaderland voor zijn dappere verdedigers." Haha! leest gìj maar de uitbuiting der poilus in de kantonnementen! "Heel het volk staat vastbesloten achter hen," fanfaronneeren de kranten. En ongetwijfeld, een deel ervan stáát achter hen, en vastbesloten bovendien: om hun de zakken te rollen.
Alles, wat voor den soldaat gefabriceerd wordt, is grof, leelijk en van slechte kwaliteit, vanaf hun schoenen van uitgesneden carton, door een netwerk van slechte draden bijeengestrikt, tot hun slechte gestreepte, slecht in elkaar gezette, slecht genaaide, slecht geverfde kleeren....
Wel, voor den duivel, waarom zou het anders zijn? Waarom zou men de balen, waarin de goedkoopste grondstof voor de oorlogsindustrie: waarin de soldaat verpakt is, beter maken? Valt dat te rijmen met een zakelijk beheer? En wat zouden wel de "economische strijders" daarvan zeggen, zij die beweren (zie blz. 278) "net zoo goed te strijden" als de poilus?... Hoe zou het "Nationaal Vermogen" kreunen!... O, gij grootsche visionnair, hoe hebt gij, de ziende midden de al-verblinding, ook de sociale waarheid aanschouwd!
"De chauvinisten zijn ongedierte." "De oorlog moet gedood, de oorlog!"
Hoe waart gij een mensch; zooveel meer dan enkel een Franschman, een Oostenrijker, een Duitscher.
.... Vandaag heet het militairisme Duitschland". "Ja; hoe maar zal het morgen heeten?"
"Deze oorlog is als de Fransche revolutie die voortgaat." "Dus we zouden eveneens voor de Pruisen arbeiden?" "Maar," zegt een der ongelukkigen uit het veld, "dat is te hopen."
"... Overwinnaars te zijn in dezen oorlog ... is dat geen resultaat?"
Met hun beiden antwoordden zij hem gelijktijdig: "Neen!"
Twee legers die strijden zijn als één groot leger dat zelfmoord pleegt.
Mijn hart is te vol van verrukking en van smart, ik zal niet verder vruchteloos pogen, het te bevrijden. En ook—leeft er een twijfel in mij, die mij wel niet verschrikt, want ik weet te vast de eindigheid van alle ellende, maar toch: nu deert hij me. En het lijkt mij goed, dat hij ook anderen deren zal. Wàs die lichtstreep, die Barbusse tusschen de wolken zag, wel reeds het licht van de zon, was het niet de glanzende voor, die hij zelf in het duister had getrokken? En zou, zoù wel de helle-droom na deze zijn eerste volkomen verwezenlijking verdwijnen en vrij laten de menschheid, haar hemelsche reis te beginnen? Zou daar geen Louteringsberg tusschen beide zijn, een Louteringsberg, die geen ziel zich van hem laat bevrijden zonder de schokkende verschrikking zijner aardbevingen? "Geen oorlog meer na deze." O, treurige held, die dat riept op het verdronken veld! Ook al bestond er nog een geringe kans dat de komende vrede een verzoenmgsvrede zou worden, wat dan? En de wijde mogelijkheden, in den geest en toekomst der overheerschte rassen; en de nog vage dreiging van het verre Oosten, in de onedele omkanteling zijner oude en edele cultuur naar het wanbegrip van het Westen?... "Geen oorlog meer"? Zoo de huidige Mensch reeds wist, wat in hem leeft, dan wist hij ook dit; nù niet....
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
De heer de Rosa vergeve mij, dat ik hem in dit opstel nauwelijks heb geëerd of dank gebracht voor wat hij ons schonk. Maar gesteld, dat men mij naar de Niagara had geleid, en ik, verrukt en ontzet door den aanblik van dien waterval, door zijn glinster-bliksems en zijn donderslagen, verzonken in het visioen en mijn ontroering, niet had gedacht aan mijn gids, zou deze, zoo hij wijs is, dan niet in zich-zelven zeggen: "In zijn bewondering en geslagenheid lag zijn dank"? Hoe veel te eer dan zal de heer de Rosa dit begrijpen. Hij die niet slechts onze gids naar dit Groote, maar een geïnspireerd herschepper daarvan bleek.
27 Oct. '18.
Noten:
SLAGVELD-MISÈRE
Vriendelijke lezers van dit blad, voor wier welbevinden ook ik mij toch een weinig verantwoordelijk voel, vergunt mij u een goeden en zeer actueelen raad te geven: begeeft u in de nabijheid der slagvelden niet. Verdun, Vimy, De Nieuwe Amsterdammer, de Yzer, al die wereldvermaarde namen, zij zijn die van streken, welke, zoo uw leven u lief is, ge onvoorwaardelijk te mijden hebt. Waar de troepen van Foch en Scharten, Hindenburg en Wiessing hun heldenstrijd hebben gestreden, daar groeit in tachtig jaar op den verdorven grond geen blaadje meer dan giftig onkruid alleen; daar liggen verholen in bodemgaten onontplofte bommen als slapende duivels. Eén schop er tegen ... en vuuroogen vlammen open, een donderstem mokert de lucht, en—ge zijt niet meer. Wél is 't een godvergeten schande, dat ze dáár kinderen laten graven; in al den onschuld van hun hart wroeten die het helsche tuig op, spelen oorlogje, en.... Ik spreek helaas en helaas uit ervaring. Zie mij aan!... Ge hebt me eens gekend, niet waar, als den onberispelijken dandy, bij wien zelfs Couperus, uitgedoscht voor een voordrachtavond, niet hàlen kon.... En nù!... mijn kleeren verscheurd en met een hoop slijkmodder overdekt, als ware ik door tien faecaliën-wagens bespoten.... En dàt is nog het ergste niet. Jassen zijn er nog bij de vleet, al zijn ze tegenwoordig duur; dáár zijn trouwens m'n bentgenooten goed voor, die verlaten me nóóit; maar dat de arme jongen, dien ik het eene oogenblik nog glunder en goedig lachend de gasbom naar mij zag mikken, mij in 't volgend oogenblik al niet meer herkende, en tot heden toe verwezen vóór zich staart en zinlooze stamelwoorden mummelt, dat is zóó vreeselijk ... dat ik ... dat ik....
Victor E. van Vriesland, die naam, welke van nu af aan helaas in de psychiatrische annalen een van de zeldzaamste gevallen van plotseling-optredende verstandsverbijstering ten gevolge van granaatschok zal aanduiden, hoe lief was-ie mij, als die van een aardigen knaap, dien ik goed heb gekend. Als de dag van vandaag herinner ik 't me, hoe-ie mij, toen-ie 't over "De cultureele noodtoestand van het Joodsche Volk" had, op de bovenste plank der Joodsch-Hollandsche realistische auteurs zette; als de dag van vandaag: hoe-ie geen literair traantje of zuchtje kon laten of hij stuurde ze mij in een overdrukpapiertje naar huis. En nu ... nù zegt de arme kerel waarachtig, dat ik—ik vertaal nauwkeurig uit zijn argot—zooveel als ... een schoelje ben....—Vorder niet van mij lezer, dat ik, een tragische heldenpose aannemend, mijn rapier trek.... Ah bah, dat zoudt ook gij immers in dit geval niet doen....—Daar was in heel die zestien jaren, dat ik critieken schrijf, niet één mijner tegenstanders, ook de felste niet—en een recensent heeft er zoo eenige!—die mijn eerlijkheid betwijfelde, ja er was zelfs niet een, die haar niet uitdrukkelijk erkende. En dàn zou ik boos zijn, omdat deze malle jongen...? Wáárlijk, zoo ge thans een glimlach in mijn woord ziet, weet: er is een nog betere lach in mijn denken....—Het is wèl, het is volmaakt in orde, dat deze jonge man dat 't eerste zei. Aan elke lente, ook de droevigste, haar primeurs; daarvoor is zij immers de lente. En indien bij de krankzinnig-geworden Ophelia's de obscene liedjes behooren, waarom dan bij de mal geworden Victor's de zinnelooze scheldwoorden niet?...—En dit is dan ook de pùre en rùstige waarheid: dat er twee elementen zijn in dezen aanval op mijn naam van eerlijk man, die mij ten volle ontwapenen, en van mij, als polemist toch waarlijk geen makkelijk heer, een làm hebben gemaakt; het eene is: het onbetaalbare, heerlijk-dwaze element van jongensachtigheid, en het andere: het pathologische. Nauwelijk hebt ge, uw lach verbijtend, om een politieagent voor den al te brutalen kwajongen geroepen, of het woord besterft u op de lippen en ge roept ontsteld om een arts. Wàcht: ik zal u beide elementen doen zìen en tàsten.—
Het jongensachtige. Dat uit zich in een alleraardigst, ongegeneerd omspringen met groote namen en zich manhaftig bezighouden met personen en verhoudingen, die vèr boven eens jongens apperceptie uitgaan. Het is zoo iets als de straatbengels, die holden door het revolutie-Berlijn en gilden: "Der Kaiser soll abtreten". Het loopt zoo ongeveer parallel met iets als een A. en S.-raad op een gymnasium. Verreweg het aardigste heeft-ie daarin gepresteerd, toen-ie Heijermans plaatste in de kliek van Stad en Land, welks leden "elkander de hand boven 't hoofd houden". Uit het artikel van mijn vriend Querido—ik zeg hem hartelijk dank voor de spontane verdediging van mijn eerlijken naam—zag ik wel hoe ook hij daarvan heeft genoten, maar neen, zooals ik...! Dàt kon ook niet, want hij zag 't uit een meer algemeenen, en ik uit een gansch persoonlijken gezichtshoek. Ik heb met Heijermans geen tien woorden in m'n leven gewisseld: èven 'ns in den foyer van zijn schouwburg, en èven op de constitueerende vergadering der Vereeniging van Letterkundigen, in 1905. Máár.... Victor E. van Vriesland! Dichter! Prozaïst! Criticus! Moet gìj dan werkelijk met een kunstenaar bittertjes—ah pardon: Fransche absinth—hebben gedronken, en sigaren—neen, neen, sigaretten van de Régie—hebben gerookt, om hem te kénnen? Is dat glanzend en veelbewogen gelaat zijner werken, waarin eens kunstenaars ziel stráált, u niet voldoende? Is 't u niet méér dan zijn gezicht van vléésch, dat snel-vergankelijke masker? Dat ge zóó bot waart, om zóó onbedoeld en dol een klucht neer te schrijven. Scháám u ... maar neen, ach neen hoor, gij hoeft u niet meer te schamen, ge zijt immers daarna, helaas, een "pathologisch geval" geworden....—Zoodra ik dat gelezen had, sloeg ik, ofschoon ik alleen was, in een gewoontegebaar van 'n proestlach in te houden, de hand voor den mond. En mijn blij opgewekte verbeelding zag Heijermans zitten, in zijn werkkamer; de Mosgroene ligt vóór 'm en het "nicotine-smeuïg" sigarenpijpje is uit z'n hand op het blad gerold. En terwijl-ie hulpeloos voor zich uitstaart, denkt-ie: "Hei je nou toch ooit van je leven ... ìk heb het tooneel van mijn land gemaakt, ìk ben 't die een bijna zevenvoudige Decamerone uit mijn mouw heb geschud ... en daar komt me die aap van 'n jonge en vertelt, dat ik 'n kliekgenoot ben van die van Campen, van die lettré met z'n veertien schetsen en novellen en z'n bundels critieken; die over boeken kletst in plaats van 't over 't leven te hebben en zich warm maakt over "aesthetische kwesties," in plaats van menschen te scheppen, en scheppend te beuken op z'n rotte maatschappij.... En die houdt mij de hànd boven 't hóófd!"... Toen opende een glimlach zijn gezicht en ik zag duidelijk en helder, dat hij goedig lachte, als een, die voor een open venster zit en ziet een jong, stralend straatjongensgezicht, dat hem een hoonwoord toekeilt en dan weer weg is, in z'n onbezonnen en mooie jeugd. Maar ik lachte nog eens, en nu stiller, omdat ik: in zóó vredige erkenning om dit alles lachen kòn....