M.H. VAN CAMPEN (continued 5)
Reading edition
. . . . . . . . . . . . . . . . . Or, if virtue feeble were, Heaven itself would stoop to her.
Dat is toch ook onze hoop, niet waar, of we 't ons willen bekennen of niet, en wàt ons ook de hemel lijkt en wie ook onze God is: in onze onvermijdbare zwakheid toch zóó sterk te blijven, dat we 't geschénk van méérdere kracht niet onwaardig zijn. In onze onontkoombare slechtheid toch zoo naar-'t-goede-strevend te blijven, dat we de ontkieming in ons van zuiverder goedheid niet onwaardig zijn—gelijk in haar zwakte Beatrijs streefde en bleef. Laat ons dan diep en geduldig in dezen spiegel zien, vrienden.... De volgende maal zal ik een aanvang maken met het verhaal-zelf te bespreken om dan vervolgens de Middel-Nederlandsche Beatrijs met deze Navertelling en de Beatrijs van Boutens critisch te vergelijken, en wellicht zult ge dit dan toch niet geheel ongenietelijk vinden.
Noten:
III
De Middelnederlandsche Beatrijs
Ik ga dus thans allereerst van de Middelnederlandsche Beatrijs verhalen. Zal ik sòms den inhoud wat kort moeten samenvatten, een ander maal zal ik weer wat uitvoeriger kunnen zijn. Citaten zullen mijn verhaal verlevendigen en om het verstaan dier Middel-Nederlandsche aanhalingen te vergemakkelijken, zal ik naast den aangehaalden tekstregel, die geheel of gedeeltelijk verklaring of vertaling behoeft, woordverklaringen plaatsen. Vermeden wordt immers hiermede het lastig en storend gekijk naar den voet der kolommen, waar anders soortgelijke toelichtingen staan. Een cijfertje achter het te vertalen woord of den geheelen regel, hetzelfde cijfer voor de vertaling of verklaring, op, voor zoover althans typographisch mogelijk, dezelfde linie, en wij zijn op 't makkelijkst geholpen.—Het spreekt vanzelf, dat, indien ge belang mocht stellen in zekere bijzonderheden, die de herkomst van ons verhalend dicht betreffen, zooals, bijvoorbeeld: wèlke naar alle waarschijnlijkheid de boeken waren, waarvan, zooals ge onmiddellijk zien zult, in den aanvang van het verhaal sprake is, ik volstaan kan met U naar literatuurhistorici als Te Winkel en Kalff te verwijzen, of naar de tekstuitgave, met toelichting en woordenlijst, van Jonckbloet. Hunne desbetreffende mededeelingen hier over te schrijven, zou ruimte kosten en heeft niet den minsten zin, daar zij uw begrijpen en genieten van het aloude gedicht-zelf in geen enkel opzicht zouden kunnen versterken, en juist dat begrijpend-genieten het eenige is, waarom het mij, thàns als immer, te doen is. Welaan dan, luistert!
Na eene korte vermelding van de redenen, die hem tot dichten nopen, verklaart de schrijver het mirakel van Beatrijs gehoord te hebben van een "out ghedaghet man," die het verhaal in zijne boeken had gevonden. Beatrijs dan was "hovesch (beschaafd, welgemanierd) ende subtyl (fijn) van seden," en de dichter meent, dat men haars-gelijke tevergeefs zou zoeken. Nochtans dunkt het hem niet voegzaam over hare lijfelijke schoonheid uit te weiden; liever vertelt hij van hare dagelijksche taak in 't klooster. Na dit gedaan te hebben vaart hij voort:
Dese joffrouwe en was niet sonder Der minnen1), die groot wonder [1) de liefde] Pleecht te werken achter1) lande.1) [1) 1) overal].
en schildert welsprekend de onweerstaanbare macht en dwang der liefde. En, zegt hij, als men daaraan denkt, dan zal men wel inzien, dat:
Hier omne en darfmen niet veronnen1) [1) Men hierom niet mag hard vallen] Der nonnen, dat si ne conste ontgaen1) [1) de non, dat zij niet kon ontkomen aan] Der minnen, diese hilt1) gevaen;1) [1) hield gevangen] Want die duvel altoes begheert Den mensch te becorne1), ende niet en cesseert,2) [1) te verleiden. 2) en houdt niet op] Dagh ende nacht, spade ende vroe, Hine doetersine macht toe.1) [1) Doet hij er zijn best voor] Met quader liste, als hi wel conde,1) [1) zoo goed hij kon) Becordise1) met vleescheliker sonden, [1) bracht hij haar in verzoeking] Die nonne, dat si sterven waende.
Ik heb twee woorden in den voorlaatsten versregel gecursiveerd: ge ziet, onze dichter windt er geen doekjes om. Het is dan ook een der schoonste eigenschappen van dit middeleeuwsche gedicht, dat het allerminst zijne verhevenheid ontleent aan de wegdoezeling van de nooden en zorgen der nederigste menschelijkheid en van het dagelijksche leven. Het laat het licht van zijn mirakel schijnen over den gansch niet vermooiden bodem der maatschappelijke en gewoon-menschelijke realiteit. En schoon deze eigenschap, gelijk nog zooveel anders, U wel het duidelijkst zal opvallen, wanneer wij er aan toe zijn, deze Middelnederlandsche met Bouten's Beatrijs te vergelijken, wilde ik er toch reeds thans uwe aandacht op vestigen en zal ook daarmede voortgaan.
Afgestreden, voelt Beatrijs nu, niet langer in het klooster te kunnen blijven:
Ic moet leiden een ander leven, Dit abyt1) moet ic begheven.2) [1) kloosterkleed. 2) afleggen] Nu hort hoeter1) na verghinc: [1) hoe het haar] Si sende om den jonghelinc, Daer si toe hadde grote lieve, Ootmoedelyc met enen brieve, Dat hi saen1) te hare quame, [1) spoedig] Daer laghe are sine vrame1) [1) Daaraan zou ook hem veel gelegen zyn.] Die bode ghinc daer de jonghelinc was. Hi nam den brief ende las, Die hem sende sijn vriendinne. Hoe was hi blide in sinen sinne! Hi haeste hem1) te comen daer. [1) zich] Sint dat si out waren .XII. jaer Dwanc1) die minne2) dese twee, [1) Dwong, 2) liefde] Dat si dogheden1) menech wee, [1) leden]
Ook hier weer—in mijn cursief—de onverbloemde menschelijkheid: met eene aardsche en onverwonnen liefde in 't hart, is Beatrijs het kloosterleven ingetreden, en zij heeft Jezus dus wel met den mond maar niet met het hart tot Bruidegom verkoren....—Niet alleen, dat de mensch ons hierdoor des te menschelijker wordt, maar het mirakel wordt er een van des te gòddelijker genade.
De jongeling is dus haastig kloosterwaarts gereden. Daar zeggen zij elkander, hij vóór het getralied venster, zij erachter, onder heftige bewogenheid hunne durende liefde. Hij stelt haar voor, haar mede te voeren uit het klooster: wil zij hem den tijd zeggen, dat hij daartoe wederkome, dan zal hij middelerwijl te haren behoeve allerhande fraaie kleeren en het schoonste reisgerief koopen. Hij belooft, haar nooit te zullen verlaten, wat hun beiden in de toekomst ook moge overkomen. Het antwoord is wat ge denken kunt; maar om de kunst, waarmede ook in dit antwoord alle vooze overspanning verre gehouden is, en om de erin héérschende reine kalmte eener ook kuische en sterke liefde, welke in hare meest supreeme oogenblikken het contact met het gewone dagelijksche leven en hare zorgelijke voorzienigheid niet verliest, noch, trots hare overgave, eene maagdelijk-schroomvolle terughoudendheid, zal ik het even voor u afschrijven. De verzen waaruit dat alles blijkt, cursiveer ik—in het laatste cursief vindt ge die maagdelijke schroom vol teederheid—.
"Vercorne vrient," sprac die joncvrouwe, "Die1) willic gherne van U ontfaen2) [1) Het pand zijner trouw, 2) ontvangen] Ende met U soe verre gaen, Dat niemen wete in dit covent1) [1) klooster] Werwaert dat wi syn bewent.1) [1) heengegaan] Van tavont over .VIII. nachte Comt ende nemt mijns wachte1) [1) wacht mij] Daer buten in den vergier1) [1) boomgaard] Onder enen eglentier. Wacht daar mijns, ic come uut Endewille wesen uwe bruut Te varene1) daer ghi begheert [1) te gaan] En si1) dat mi siecheit2)) deert, [1) tenzij, 2) ziekte] Ocht1) sake die mi si te swaer, [1) of] Ic come sekerlike daer, Ende ic begheer van U sere Dat ghi daer comt, lieve jonchere."
De jongeling gaat been, koopt de schoone kleederen en geschenken, voorziet zich ook van vijf honderd pond zilver, rijdt op den afgesproken tijd 's nachts weer naar het klooster en wacht daar Beatrijs in den boomgaard.—De dichter zegt nu van hem te zullen zwijgen en te willen verhalen, wat zij tezelfder tijd deed. Nadat zij hare gewone taak had verricht en heel het klooster te ruste was gegaan,
Bleef si inden coer1) alleene, [1) hof] Ende si sprac haer ghebede, Alsi te voren dicke1) dede. [1) dikwijls] Si cnielde vorden outaer1) [1) altaar] Ende sprac met groten vaer:1) [1) vrees] "Maria, moeder, soete name, Nu en mach mine lichame Niet langer in dabijt1) gheduren2) [1) het kloosterkleed. 2) rustig blijven] Ghi kint wel in allen uren Smenschen herte ende syn wesen: Ic hebbe ghevast ende gelesen, Ende genomen discipline1) [1) en mij gekastijd.] Hets1) al om niet dat ick pine2) [1) Het is. 2) mij pjjnig.] Minne worpt1) mi onder den voet, [1) De liefde werpt mij] Dat ic der wereld dienen moet. Alsoo waerlike als ghi, here lieve Wort gehangen tusschen .IJ.1) dieven, [1) twee.] Ende aent cruce1) wort gerecket,2) [1) kruis. 2) uitgerekt, gemarteld] Ende ghi Lazaruse verwecket, Daer hi lach1) in den grave doet,2) [1) lag. 2) dood] Soe moetti1) kinnen minen noet,2) [1) moet Gij. 2) nood.] Ende mine mesdaet mi vergheven; Ic moet in swaren sonden sneven!" Na desen ghinc si uten core Tenen1) beelde, daer si vore [1) naar een] Cnielde, ende sprac hare ghebede, Daer Maria stont ter stede. Si riep: "Maria," onversaghet, "Ic hebbe u nachtende dag geclaghet Ontfermelike mijn vernoy,1) [1) verdriet, ongeluk.]. Ende mi nes niet te bat een hoy!1) [1) en het heeft my niets geholpen] Ic werde mijns sins te male quijt1) [1) Ik zou mijn verstand geheel verliezen] Blivic1) langher in dit abijt2) [1) Bleef ik. 2) Kloosterkleed] Die covel1) toech si ute al daer [1) kloosterlingen-hoofdkap] Ende leidse op onse vrouwen outaer.1) [1) altaar] Doe dede si ute hare scoen. Nu hort watsi sal doen. Die slotele vander sacristien Hinc si vor dat beelde Marien;....
In mijn cursieven vindt ge—en gelieve daar ter dege op te letten—den heftigen strijd tegen de aardsche liefde in Beatrijs. Hier, zooals ik u reeds zei, worstelen de heilige met den zondaar ... de arme hartstocht-gezweepte mensch, die zoo gaarne heilig en onbevlekt zou willen zijn en het niet kan!....—Slechts met een schamel onderkleed aan, treedt zij nu ten klooster uit, en vindt haar lief in den boomgaard;—hij geeft haar de medegebrachte kleederen en sieraden, zij verkleedt zich, dan rijden zij heen. Aanschouw nu even die heenvaart, beluister de overdenkingen, die zij wekt in Beatrijs, zooals zij gebeeld en gezegd worden in het hier geheel door een gedempt-flonkerenden gloed van oude schoonheid overwaasde, en zoet-melodieuse, bijbelsch-naïeve verhaal van onzen dichter:
Doe1) cussese die jhonghelinc [1 Toen] Vriendelike aen haren mout. Hem dochte, daer si voer hem stont, Dat die dach verclaerde. Haestelic ghinc hi tsinen1) paerde. [1) naar zijn] Hi settese1) vor hem int ghereide.2) [1) zette haar. 2) zadel] Dus voren si henen beide Soe verre, dat begon te daghen, Dat si hen nyemen1) volghen saghen. [1) niemand] Doet1) began te lichtene int oest2) [1) Toen het. 2) oosten] Si seide: "God, alder werelt troest,1) [1) troost] Nu moeti1) ons bewaren, [1) moet Gij] Ic sie den dach verclaren! Waric met U niet comen uut, Ic soude prime1) hebben gheluut,2) [1) priemtijd. 2) geluid] Als ic wilen1) was ghewone [1) vroeger] Inden cloestere van religione.1) [1) In het Godgewijde klooster] Ic duchte mi1) die vaert sal rouwen; [1) Ik vrees] Die werelt hout soe cleine trouwe,1) [1) de trouw der wereld is zoo gering] Al hebbic mi ghekeert daer an;1) [1) al heb ook ik mij tot haar gekeerd] Si slacht den losen1) coman2) [1) sluwen. 2) koopman] Die vingherline1) van formine2) [1) ringen. 2) waardeloos metaal] Vercoept voer guldine."1) [1) goudene]
Gij ziet hier weer—. in mijn eerste cursief—hoe Beatrijs zich tot God wendt. Zij is niet als die dwazen, die zeggen: ik heb te zwaar gezondigd, ik kan nooit weer terugkeeren; doch niet alleen dat zij voelt, dat eene zonde, die een mensch voor altijd van den Grond der Wereld zou kunnen scheiden, niet bestaat, maar sterk in het bewustzijn, dat zij met alle kracht heeft gestreden, doch nu eenmaal door de liefde mòest overwonnen worden, vraagt zij God haar zelfs op den zòndigen tocht te beschermen! Dit is diep Godsvertrouwen en diepe wijsheid meteenen, en als wij ons dit later herinneren, dan zullen wij ook des te makkelijker begrijpen, waarom juist Beatrijs de redding door een mirakel had verdiend, hetgeen tevens zeggen wil,—en dáárom vestig ik, uw letterkundig onderrichter, uw aandacht op dit alles—dat wij dan ook verstaan, welk een sterk compositeur en psychologisch bouwer onze dichter is. De plechtige muziek der twee gecursiveerde regels, beginnend met "Nu moeti"—wat deze betreft: ik kan u slechts waarschuwen dat zij er is ... verder sta ik machteloos ... men hoort dat of men hoort dat niet. En zoo is 't ook gesteld met de beide regels van mijn tweede cursief; ik weet niet welk een donkere weemoed van betreurend terugzien hen ontstijgt en zich breidt over hen.... Is het de sonoor-diepe klank der beide O's, vergalmend in de wegduisterende uit-gang van het vrouwelijk rijm?... Is het 't archaistisch in-het-verleden-verlorene van het woord "religione"? Ik weet niet, maar wat ik wel weet is, dat de beelden, de muziek en het weergeven van Beatrijs' betreurenden twijfel—let op mijn derde en vierde cursief—volmaakt zijn.—Intusschen, Beatrijs heeft natuurlijk niets liever, dan van haar twijfel en angst te worden bevrijd, en daar zorgt haar minnaar dan ook wel voor. Hij werpt de in hare woorden besloten verdenking verre van zich: zij kan er zeker van zijn, dat niets hen zal scheiden dan de dood; ware hij eene keizerin waardig, sinds hij Beatrijs lief heeft, zou hij zelfs zulk een hooge Vrouwe niet begeerd hebben. Zij zullen ook nooit gebrek behoeven te lijden: de "Vc pont wit selverijn", (de vijf honderd pond blank zilver) die hij heeft meegenomen, zijn haar eigendom. (Merk ook hier weer, hoe het verhaal zich, in de beelding van het menschelijk gebeuren, op den bodem der werkelijkheid blijft handhaven). De gelieven komen nu op hun rit schoone landen en bosschen voorbij, en, alweer zuiver menschelijk door den dichter gezien: den jongeling wordt zijn verlangen te sterk:
Die jonghelinc sach op die suverlike1) [1) zuivere, kuische maagd] Daer hi gestade minne toedroech; Hi seide: "Lief, waert U ghevoeh,1) [1) welgevallig] Wi souden beten1) ende bloemen lesen: [1) afstijgen] Het dinct mi hier scone wesen; Laet ons spelen der minnen spel."1) [1) het spel der liefde]
Waarop Beatrijs hem dit verontwaardigd antwoordt:
"Wat segdi", sprac si, "dorper fel1), [1) onbeschaamde, lompe kerel] "Soudic beten1) op dat velt, [1) Zou ik afstijgen] Ghelijc enen wive die wint gelt Dorperlyc1) met haren lichame, [1) snoodelijk] Seker soe haddic cleine scame! Dit en ware U niet ghesciet1) [1) Dat zoudt ge mij niet hebben voorgesteld] Waerdi van dorpers aerde niet.1) [1) Indien ge niet de aard van een boersch-ruwen kerel hadt] Ic mach mi bedinken onsochte,1) [1) Mij grieft die gedachte] Godsat hebdi diet sochte!1) [1) Ge verdiendet dat God's haat U trof] Swighet meer deser tale,1) [1) Houd voortaan zulke taal voor u] Ende hort die voghele inden dale, Hoe si singen ende hem vervroyen,1) [1) zich verheugen] Die tijt sal U te min vernoyen.1) [1) De tijd (dat ge nog wachten moet) zal U dan minder verdrieten] Alsic bi U ben al naect Op een bedde wel ghemaect, Soe1) doet al dat U ghenoecht,2) [1) Dan. 1)2) aangenaam is] Ende dat uwer herten voeght;1) [1) En dat U lust] Ic hebs in mine herte toren Dat ghijt mi heden leit te voren.
Zie nu eens, vrienden, hoe zuiver-mooi dit alles is: in weinig trekjes, louter in de woorden door Beatrijs-zelve gesproken, slaagt onze dichter, zonder eenige toelichting zijnerzijds, erin, haar geheele reine innerlijk ons te doen zien. Hij sprak van "vleescheliker zonde" zooeven—wij verstaan nu, dat dit "vleeschelike" in haar, niet sexueele lust beteekent, máár: lichamelijk verlangen, gewekt door de geestelijk-menschelijke liefde tot haar lief! Sla nog eens op, hetzij in mijn eersten bundel Over Literatuur, hetzij in Het Jonge Leven, wat ik indertijd over Geertje schreef! En zie het onderscheid tusschen sexueele lust en sexueele liefde. Zijn Geertje en Beatrijs geen zusters? "Zondigen" zij beiden uit overgroote liefde niet. Vereenigen zich hier over den afgrond der eeuwen de beide zuster zielen niet? Bij beiden spreidt de heilige-in-hen over de zondares-in-hen één waardigheid.... Dit wat het eerste cursief betreft. Wat het tweede aangaat: dit is grof en plat, nietwaar?... Ja, het is bijna even grof en plat—schoon op geheel andere wijze en in oneindig edeler sfeer-van-gebeuren—als die mededeeling van Dante in zijn Hel, dat de Overste der duivelen het sein voor zijne trawanten om op te trekken gaf, doordat hij "van zijn achterste een trompet maakte." Onze dichter had Beatrijs ditzelfde anders kunnen doen zeggen en Dante had ditzelfde anders kunnen zeggen. Zij deden het niet. Waarom? Om deze eenvoudige reden, denk ik: Als men iets weergeeft of afbeeldt, moet men dat op zoo eenvoudige èn sterke wijze doen als maar mogelijk is, want mede dáárdoor zal de uiting het best bij de geconcipiëerde waarheid passen. De groote dichter, de groote schrijver handelt aldus van zelf; moet aldus handelen. Waarom zou hij trouwens pogen het niet te doen? Uit ethische overwegingen? Maar dat kàn toch niet: hij, die immers op dien oogenblik de dingen op het verheven plan van noodwendigheid, waarheid en schoonheid ziet, kan toch geen onreinheid bemerken, daar op dat plan er geen onreinheid in wat ook aanwezig is. Ik sprak van Dante in dit verband, maar had zeker met niet minder recht van den Bijbel en àlle geweldig-groote literatuur kunnen spreken.—Keeren we tot het verhaal terug. De jongeling schaamt zich en zweert, dat hij hiervan nooit meer spreken zal. Zij vergeeft het hem gaarne: al zou de schoone Absalom nog bestaan, en zij er zeker van zijn, duizend jaren gelukkig met hem te leven, zij zou voor hem haar lief niet laten. Ja, zegt ze:
"Waric1) in hemelrike gheseten, [1) Ware ik] Ende ghi in ertrike1) [1) Op 't aarderijk] Ic quame tot U sekerlike.
Om dan voort te gaan met deze psychologisch-prachtig door den dichter aangebrachte wroegingswending:
Ay God, latet onghewroken Dat ic dullyc1) hebbe gesproken [1) dwaselijk] Der minster vroude1) in hemelrike [1) de minste vreugde] En es hier ghene vroude ghelike;1) [1) Daaraan is nier geen vreugde gelijk.]
Waarna zij, na de hemelsche vreugde in nog eenige regelen geprezen te hebben, in de innige, door mij gecursiveerde, vol van overvloeienden weemoed en teederheid zich weer, als aanvlijend, tot haar lief keert:
"Diere om pinen die syn vroet:1) [1) Die er voor zwoegen (om den hemel te verwerven) die zijn verstandig] Al eest1 dat ie dolen moet [1) is het]. Endemi te1) groten sonden keren [1) tot] Dore U, lieve scone jonchere."
Terwijl nu het gesprek-der-verliefden tusschen hen heen en weder gaat, vordert hun reis, en, zoo verhaalt nu de dichter kortelijk, komen zij aan een stad, die schoon gelegen in een dal was. Zij bleven daar zeven jaar en leidden er een weelderig leven. Maar eindelijk raakte het medegenomen geld op, zoodat ze al hunne kostbaarheden moesten verpanden of voor de halve waarde verkoopen, en toen ook dit alles was opgeteerd wisten zij niet meer waarvan te leven. Zij verstond geen enkel ambacht—teekenend is hier, hoe de dichter klaarblijkelijk als van zelf sprekend aanneemt dat de lezer wel zal begrijpen, dat de rijke minnaar geen loonende bekwaamheden bezat!—en tot overmaat van ramp, dreef schaarschte de prijzen der levensmiddelen omhoog. Hun trots verbood hen, anderen om brood te vragen. En het weer zeer natuurlijke en gewoon-menschelijke gevolg van dit alles was, dat:
Die aermoede maecte een ghesceet1) [1) scheiding] Tusschen hen beiden, al waest hen leet.
(Een waarheid, die ook in den nieuweren tijd, blijkens het spreekwoord "Leege kisten maken twisten" niet onbekend is). En toén bleek dat de man niet die trouw en standvastigheid van ziel bezat, welke hij zich-zelf had toegekend. Hij reisde terug naar zijn land en liet haar, in het nijpendst gebrek, met "Twee uter maten scone kinder" achter.—En nu, o mijne proletarische erfgenamen van dit schat-rijke legaat der Middeleeuwen, vergunt, dat uw ietwat droge, boedelbeschrijvende notaris hier zijn ceel onderbreke voor ditmaal!... Waarmede ik, in andere woorden, zeggen wil, dat, schoon ik het betreur, middenin de behandeling der middelnederlandsche Beatrijs te moeten pauseeren, dit nu eenmaal niet anders kan, omdat ik al ver mijn ruimte heb overschreden.
IIIa
Vrienden! even een waarschuwing en een raad vooraf! De—ondiplomatieke —waarschuwing is: dit artikel is wat moeielijk! De raad: lees je-zelf de "moeielijke" plaatsen vóór, met strikte inachtneming mijner accenten en cursiveeringen. Dan hoor je ongeveer, wat ook ik, innerlijk, heb gehoord. Dan zal het net zijn, of de schrijver-zelf of een ander, die het stuk volkomen verstaat, het je voorleest, en je zult zien: het gaat open voor je. Maak den geschreven inhoud tot een jùist-gesprokenen en—ge begrijpt hem! Hoe ervaar ik dat op den leesclub-cursus! (Maar het is trouwens een vaak proefondervindelijk- bewezen feit). Door de juiste intonatie, waarmede ik—overigens afgrijselijk leelijk—een moeilijk maar schoon vers voorlees, wordt dit ook door hen begrepen, die er daarzonder allicht niet veel van zouden hebben gevoeld. En ofschoon bij u dat met-de-juiste-uitdrukking-lezen, aanvankelijk niet anders dan een als-machinaal volgen mijner accenten en cursiveeringen kan zijn—let op mijn woorden: het wordt dra een begrijpen! Maar komaan, nu beginnen we:
Thans door haar minnaar verlaten, vervalt Beatrijs tot de diepste ellende en vernedering. Eerst willens gezondigd hebbende, wordt zij nù gedwongen dat zondige te doen. Wat genot wàs, wordt nu de straf van het genot. Noodbezwaard, verlaagt zij zich thans tot een publieke vrouw, die van de opbrengst harer ontucht leeft. Die straf echter zoude geen delgende en weldoende straf zijn geweest, indien ten eerste, zij-zelf die niet als zoodanig hadde gevoeld, en, ten tweede, niet de samenhang ervan met hare daden, d.w.z. de rechtvaardigheid ervan, hadde beseft. Want hoe zoudt ge kunnen worden gelouterd door een straf, die niet dan wrokgedachten in U wekt? Derhalve—en alweer zei ik u dit alles slechts om de nu volgende literair-critische opmerking te maken:—indien dus de dichter niet ervoor had gezorgd, dat Beatrijs èn het een èn het ander begreep, dan zou hij een slecht en onwaarachtig dichter zijn geweest, want in plaats van een figuur te scheppen, die heilige en zondares is, zooals hij bedoelde, zou hij er slechts eene hebben geschapen, die alleen zondares is en dat blijft; en niet alleen dat die figuur dan niet zou hebben geleefd voor ons, in de sfeer van het verhaal waarin zij geplaatst is, maar ook—en ik wees u reeds de vorige maal op iets dergelijks—de begenadiging van haar met een mirakel zou ons volkomen onverstaanbaar zijn geworden. En al naar onzen aard zouden wij hebben gedacht, òf: dit alles is quasi-dichterlijke malligheid, òf dit is een van die goddelijke willekeuren, die geenerlei weerklank in mijn menschelijk gemoed wekken. Doch luister nu maar even, hoe onze zuivere dichter daar wèl voor gezorgd heeft, onze dichter, die, hoe vreemd de moderne term toegepast op dezen naïeven middeleeuwer ook moge klinken, tevens een waarachtig menschenschepper was.
Si sprac: "Hets1) mi comen toe,2) [1) Het is 2) mij overkomen] Dat ic duchte spade ende vroe1) [1) laat en vroeg = altijd] Ic ben in vele doghens1) bleven:2) [1) lijden 2) achtergebleven] Die ghene heeft mi begheven, Daar ic mi in trouwen toe verliet.1) [1) Spitz vertaalt uitmuntend: "hy, op wien ik in volkomen overgave vertrouwd heb"] Maria, vrouwe, oft ghi ghebiet,1) [1) indien het u behaagt] Bidt vore mi ende mine jonghere1) [1)kinderen] Dat wi niet en sterven van honghere. Wat salic1) doen elendech wijf? [1) zal ik] Ic moet beide siele ende lijf Bevlecken met sondeghen daden. Maria, Vrouwe, staet mi in staden!1) [1) Sta mij bij] Al constic1) enen roc2) spinnen2) [1) kon ik 2) aan het spinrokken werken] Ic en mochter niet met1) winnen [1) ik zou er niet mede kunnen] In tween weken een broet,1) [1) brood] Ic moet gaan dorden1) noet2) [1) door den 2) nood (gedwongen)] Winnen buiten stat op toelt1) [1) buiten de stad op het veld] Met minen lichame ghelt, Daer ik met mach copen spise,1) [1) Waarmee ik voedsel kan koopen] Ic en mach in ghere wise1) [1) in geen geval] Mine kinder niet begheven."1) [1) hulpeloos laten] Dus ghinc si in een sondech leven; Want men seit ons over waer, Dat si langhe seven jaer, Ghemene wijf ter werelt ghinc, Ende meneghe sonde ontfinc, Dat haer wel was onbequame,1) [1) onaangenaam] Die si dede metten lichame Daer si cleine gheneuchte1) hadde in, [1) weinig genot, d.i.: in verband met het vorige "onbequame": geen genot] Al dede sijt1) om een cranc2) ghewin, [1) Zij het 2) gering] Daer1) si haer kinder met1) onthelt.1) [1) 1) Waarmee ... onderhield] Wat holpt al vertelt,1) [1) Waartoe dient het te vertellen] Die scamelike sonden swaer1) [1) Schaamtewekkende en zware zonden] Daer si in was .XIIII. jaer?
En ongetwijfeld, de dichter ziet het weer zeer juist in: hij hoeft ons dat alles niet te vertellen en hij mag het zelfs niet, want dàn zou dit zoet-teere, heilige mirakel-verhaal al te zeer vergroofd worden en daarmede onze zachte stemming van niet-smarteloos en óók niet-vreugdeloos meeleven worden gedeerd. Wij moeten namelijk, zoo wil de dichter het natuurlijk, wel menschen blijven, maar toch menschen, zoo weinig hartstochtelijk-geschokt, dat we den uit zijn mirakelverhaal neerdauwenden goddelijken vrede kunnen genieten! Intusschen, ge hebt nu in de cursieven van mijn citaat de juistheid kunnen ontdekken van al wat ik tevoren had gezegd. Beatrijs begrijpt de samenhang van het haar treffende leed met hare daden, zij—iemand van hare levensbeschouwing—begrijpt het dus als rechtvaardige straf. Zij voelt: ze heeft niet alleen haar kuischheidseed gebroken, maar ook—zij, de religieuse!—te zeer op een mènsch vertrouwd. Tevens zegt ons de dichter, hoezeer zij haar leven als leed en straf voelt. Zij schept er geenerlei behagen in. Dat alles kunt gij vinden in mijne cursieven. Maar in één dezer is nòg een voorname schoonheid, waarop ik u wel afzonderlijk behoor te wijzen: doordat onze dichter Beatrijs beeldt als eene, die de zwaarste zonde pleegt ter wille van haar kinderen, slaagt hij er in, hier zulk eene allerinnigste versmelting van heilige en zondaar te bereiken, als hij tot dan nog niet had bereikt.—
En dàn komt de wondere keer in haar leven:
Als die .XIIIJ. jaer waren ghedaen Sinde1) haer God int herte saen2) [1) Zond 2) spoedig] Berouwenesse alsoe groet1) [1) groot] Dat si met enen swerde1) al bloet2) [1) zwaard 2) bloot] Liever liete haer hoet1) afslaen [1) hoofd) Dan si meer sonden hadde ghedaen Met haren lichame, alsi1) plach2) [1) 1) Zooals zij gewoon was]
Gij hebt dus nu deze twee dingen o.a., in ons gedicht zien gebeuren, die ge, zoo ge u in het denkleven van onzen vromen dichter verplaatst, aldus begrijpt: Beatrijs heeft genietend kwaad gedaan, en door datzelfde kwaad wordt haar tot straf nu leed veroorzaakt. Beatrijs heeft veel goeds bedreven—gebeden tot Maria; uit liefde gezondigd; zich voor hare kinderen opgeofferd; haar hart kuisch gehouden—en daarom wordt haar dit sterke berouw in 't hart gezonden. Welnu, wat ge hier gezien hebt, is: een van de diepe begrippen der godsdiensten, in een naief-schoon beeld belijfd. Het is het begrip dat alles wat den mensch treft, tot hem wordt aangetrokken door zijn eigen gesteldheid en zelfs iets van het aan-hem-zelf-ontstegene moet zijn. Vergunt mij de poging, u dit alles duidelijk te maken door dìt beeld: de regen, die op de aarde neerkomt, wordt aangetrokken door haar; de regen, die op het dorstige land neerkomt, was ten deele eerst dit land-zelf ontstegen, terwijl het dorren ging en onmachtig werd. En toch, en niettemin, hoe schoon en diep eene gedachte dit zij: in de denksfeer van sommige dierzelfde godsdiensten, welke, zich veredelend, tot in het hart-zelve der Eeuwigheid schenen te dringen, is er een veel zuiverder begrepenheid, in welks glans, de begrippen "zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane kleedij. En vóór het eind van dit artikel wil ik u toch ook dáártoe iets nader brengen. Vervolgen we thans eerst nog ons verhaal. Beatrijs bidt nu herhaaldelijk en vele dagen lang tot Maria en verlaat daarop de stad van haar geluk en haar ellende.
Si nam een kint in elke hant Ende ghincker1) met1) dor dat lant [1) 1) ging er mee] In armoede, van stede te stede, Ende levede bider beden1) [1) En leefde van aalmoezen] Soe langhe dolede1) si achter2) lant, [1) doolde 2) door het] Dat si den cloester weder vant1) [1) vond] Daer si hadde gheweest nonne; Ende quam daer savons na der sonne In ere1) weduwen huus, spade2): [1) eener 2) laat] Daer bat si herberghe dor ghenade Dat si daer snachts mochte bliven. "Ic mocht U qualyc verdriven,"1) [1) Het zou mij slecht passen, U weg te jagen] Sprac die vrouwe, "met uwen kinderkinen; Mi dunckt dat si moede scinen,1) [1) blijken] Rust U, ende sit neder, Ic sal U deilen weder1) [1) Ik zal met u deelen] Dat mi verleent onse here, Doer siene lieven moeder ere.1) [1) Zijn lieve Moeder ter eer] Dus bleef si met haren kinden, Ende soude gheerne1) ondervinden2) [1) gaarne 2) te weten komen] Hoet inden cloester stoet1) [1) Hoe het met het klooster ging] —"Segt mi," seitsi,1) "vrouwe goet, [1) sprak zij] Es dit covent van joffrouwen?"1) [1) Is dat een nonnenklooster?] "Jaet,"1) seitsi "bi miere trouwen2) [1) Dat is het 2) en ik geloof zeker] Dat verweent es1) ende rike [1) Dat er zeer ruim wordt geleefd] Men weet niewer1) sijns ghelike: [1) nergens] Die nonnen diere1) abijt2) in draghen, [1) die er 2) kloosterkleed] Ic hoerde nye1) ghewaghen2) [1) nooit 2) gewag maken] Van hen negheen gherochte1) [1) eenig (kwaad) gerucht] Dies1) si blame2) hebben mochten [1) waarvan 2) blaam]
Beatrijs verwondert zich natuurlijk grootelijks over deze mededeeling. Zij denkt immers, dat hare schande: ter wille van een man het klooster te hebben verlaten, wijd en zijd is bekend geworden, en behoedzaam—merk hoe natuurlijk-levendig ook hier de dialoog is, en overeenkomstig de situatie—poogt zij door tegenspraak eenige opheldering van haar gastvrouw te krijgen. Zij had toch gehoord, zegt ze, dat veertien jaar geleden een non, die kosteres was, heimelijk het klooster verliet en men nooit vernam, in welk land zij leefde of gestorven was. Maar nauwelijks heeft zij dit gezegd, of haar gastvrouw wordt zeer boos en zegt, dat Beatrijs haar wel voor krankzinnig moet houden, dat zij tegenover háár zóó durft lasteren: juist die kosteres, van wie ze zoo schandelijk spreekt, is de deugdzaamste en geestelijkst-levende non van alle kloosters, die maar tusschen de Elbe en Gironde staan. Als Beatrijs het nog éénmaal mocht wagen, zoo iets te zeggen, zal ze haar de deur wijzen. Beatrijs, hier voor 'n voor haar onoplosbaar raadsel staande, verzoekt haar gastvrouw, haar de namen van vader en moeder dier voortreffelijke kosteres te noemen. En dàn hoort zij—die van hare eigen ouders!—Dien nacht eenzaam op haar kamer, versmelt zij in tranen en gebed, en midden haar bidden door slaap overvallen ziet zij een visioen, en een stem spreekt,tot haar:
"Mensche, du heves1) soe langhe gecarmt2) [1) ge hebt 2) gekermd, gesmeekt] Dat Maria dijns1) ontfarmt; [1) zich over U] Want si heeft di verbeden1) [1) Zy heeft vergiffenis voor U afgebeden] Ganc1) in den cloester met haestecheden: [1) Ga] Du vints1) die doren2) openwide, [1) Gij vindt 2) de deuren] Daer du uut ginges ten selven tide Met dinen lieve, den jhonghelinc, Die di inder noet ave ghinc.1) [1) Die U in den nood verliet] Al dijn abijt1) vinstu2) weder [1) Kleederen 2) vindt ge] Ligghen opden1) outaer1) neder: [1) 1) op het altaar] Wile,1) covele2) ende scoen [1) Sluier 2) hoofdkap] Moeghedi1) coenlyc2) ane doen. [1) kunt gij 2) moedig, rustig] Des1) danc hoeghelike2) Marien, [1) Daarvoor 2) hoogelijk] Die slotele1) van den sacristien, [1) Sleutels] Die du vor tbeelde1) hincs1) [1) Het beeld hingt] Snachs, doe1) du ute ghincs, [1) toen] Die heeft si soe1) doen bewaren, [1) zoo] Dat men binnen .XIIII. jaren Dijns nye en ghemiste,1) [1) U nooit miste] Soe dat yemen daer af wiste.1) [1) Zoodat niemand er iets van wist] Maria es soe wel dijn vrient, Si heeft altoes vor die ghedient Min no meer na dijn ghelike,1) [1) Geheel in uwe gedaante] Dat heeft de vrouwe van hemelrike, Sonderse1) dor2) di ghedaen. [1) Zondares 2) voor] Si heet1) di inden cloester gaen; [1) beveelt] Du en vints nyeman1) op dijn bedde [1) Gij vindt niemand] Hets1) van Gode dat ic di quedde2) [1) Het is 2) aanspreek]
Beatrijs, ontwaakt, twijfelt eraan, of het niet de duivel was, die haar met bedrieglijk-hemelsche stem heeft toegesproken, om haar daardoor des te dieper in het verderf te storten. Zij smeekt daarom God, dat indien die stem waarlijk van Zijnentwege en ten goede tot haar kwam, zij zich andermaal en ten derden male haar doe hooren. Dit gebeurt, weer verneemt zij het troostend bevel, maar zij durft nog niet, zij kan het nog niet wagen: de zaligheid en het wonder zijn haar te groot. Ten derden nacht blijft zij nu wàken, en dan, terwijl zich de nu veel dringender bevelende stem weer doet hooren, wordt tevens de kamer van een geweldig licht vervuld. Nu twijfelt zij niet langer, en dan schrijft de eenvoudig-zuivere dichter dit stukje, waarvan ik u het schoonste en diepst-ontroerende cursiveeren zal.
Si seide: "Nu en darf mi1) niet twien2) [1) Nu mag niet ik meer 2) twijfelen] Dese stemme comt van Gode, Ende es1) der maghet Marien bode, [1) is] Dat wetic1) nu sonder hone; [1) weet ik] Si comt met lichte soe scone. Nu en willic1) des niet laten: [1) wil ik] Ic wille mi inden cloester maken; Ic saelt1) oec2) doen, in goeden trouwen, [1) zal het 2) ook] Opten troest1) van onser vrouwen2) [1) Met volkomen betrouwen op 2 Onze Lieve Vrouwe] Ende wille mijn kinder beide gader Bevelen Gode onsen Vader: Hi salse wel bewaeren." Doe toeeh si ute1) al sonder sparen2) [1) Toen trok zij uit 2) dralen] Haer cleder, daer sise met decte1) [1) waarmee zij hen dekte] Liselike1) dat sise niet en wede. [1) Zachtjes] Si cussesse1) beide aen2) haren2) mont; [1) kuste hen 2) 2) op hun] Si seide: "Kinder, blijft ghesont: Op den troest van onser vrouwen1) [1) Mij verlatend op onze Lieve Vrouwe] Latic1) U hier in goeder trouwen; [1) Laat ik] En hadde si mi niet verbeden,1) [1) Hadde zij het mij niet zoo overredend bevolen] Ic en hadde u niet begheven1) [1) niet verlaten] Om al tgoet1) dat Rome heeft1) binnen."2)[1) den rijkdom 2) bezit].
De dichter, zien wij dus, is er in geslaagd, op zijne eenvoudige en naïeve wijze, de moederliefde, in beeld en handeling, zoowel te midden van leed en vernedering, als te midden der overweldigende glans eener goddelijke en miraculeuse redding, voor ons te doen leven. Zijn opge-togenheid over de gòddelijke liefde heeft hem de smartelijke vreugde noch den adeldom van de mènschelijke doen vergeten. Er is geen grooter lof voor een dichter noch een mensch....—
De volgende maal zullen wij de behandeling dezer Beatrijs ten einde brengen—er volgt nog veel schoons—laat mij thans nog even beproeven te doen wat ik straks beloofde. Ik zei: er is een religieuse denksfeer in de hoogst-veredelde godsdiensten, waar de begrippen "zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane kleedij. En ik zou pogen U tot dit alles iets nader te brengen.—Welnu: beproeft eens alles wat bestaat als uw gelijken te zien; poogt eens U-zelf, gedurende weinige oogenblikken, van uw eerbied voor uwe leiders en geestelijk-meerderen te ontdoen; poogt U-zelf van uwe geringschatting voor uw minderen te ontdoen; denk aan niets, niets anders, dan dat zij leven als gij, onderhevig aan ziekte zijn als gij, speelballen van het lot zijn als gij; zie dan buiten den geweldigen ring der menschheid naar de nog talrijker wezens, de dieren en de planten die haar, òpstijgend en zich rekkend naar de levenszon, omringen: weer ziet ge hetzelfde, zij leven als gij, zij sterven als gij. Wat ziet ge dus als datgene, waarin zij alle samenkomen? Het leven, de dood en de afhankelijkheid, niet waar? En wat ziet gij als hunne onderlinge verschillen? Een, grovere of fijnere, gradueering van hunne vermogens niet waar? Den een—bepalen we ons nu tot de menschheid—noemt gij dwaas; den ander verstandig; een derde wijs. Maar allen bij elkaar, de machtigen en de geringen, trots al hunne onderlinge verschillen, ziet ge nu toch niet anders dan als heel kleine kinderen, in de armen van dien éénen, oneindigen God-Vader, het Leven. Denkt U nu eens, dat dit Goddelijke Leven de altijd door werkende evolutionnaire tendenz heeft: van den dwaas een verstandige, van den verstandige een wijze te maken; dat het Leven daartoe allerlei middelen aanwendt, die òns aangenaam of omaangenaam aandoen; ja dat het Leven-zelf met dat doel héél ons actief-zijn en heel ons passief-zijn onverwrikbaar predestineert. En dan ziet ge plots en duidelijk, dat wat wij "straf" noemden, slechts een van die òns onaangename middelen ter opvoeding, ter verhooging, en nièts ànders, is, en wat wij "belooning" noemden: een van die òns aangename middelen, evenzeer ter opvoeding en verhooging en tot nièts ànders. En hieruit begrijpt ge tevens dat de termen "straf" en "belooning", voor zoover men ze niet afgescheiden van het begrip "vergelden" kan denken, hier ònjuiste termen zijn: het Leven vergeldt niet, dat doet slechts de wraakgierige, of gevleide, of dankbare mensch. Het Leven kent ook geen "zonden" en "deugden." Het kènt niet anders dan graden van ontwikkeling, die in hoogere graden moeten overgaan; het wil niet anders dan: groei.
Ongetwijfeld, ge bemerkt 't allicht nu reeds: hier rijzen tallooze vragen, hier doemen tallooze moeielijkheden op. Welnu, ik wensch U, moogt gij spoedig zoozeer groeien, dat gij U met hart en ziel aan het vinden van een antwoord-voor-Uzelf wijden wilt.—Allicht zult ge nu intusschen hebben begrepen—wat kan ik voor U zijn, als ge mij niet kent?—dat wanneer ik, een aanhanger van deze religieuse en wijsgeerige denkwijze, mij in de verhoudingen van: "straf", "belooning", "zonde" en "genade" verdiep, ik dat alleen doe, om het wezen van een ander te begrijpen, zooals hier dat van onzen middeleeuwschen dichter, maar dat voor mij deze begrippen hebben afgedaan.
IIIb
"Hoort wes (wat) si sal beghinnen," zegt nu onze dichter, na te hebben verhaald, hoe Beatrijs hare kinderen verlaat, om zich naar het klooster te begeven. En plots glimlachte mijne Verbeelding, en ik antwoordde den dichter: "Ik hoor, maar—ik kan er u niet voor instaan, dat ook al die vrienden, die ù ten deele door mìj heen hooren, nog naar U luisteren. Gij moet namelijk wel weten, lieve Meester, dat zij—droevig gezwegen van het vele andere, dat hen van U scheidt!—nog wel wat anders te overdenken hebben in dezen treurigen tijd dan een schoon gedicht. Gij kùnt er geen flauw begrip van hebben, o Zeer Zuivere, die allicht reeds eeuwen in de stralende stilte van uw hemelschen droom aan de voeten van Ruusbroec zit en naar zijne geheimenissen-onderrichtende stem hoort—gij kunt er geen flaùw begrip van hebben in welk eene troebele verwarring-der-duisternis wij leven.... "Welnu," onderbreekt gij, onverfijnde-verfijnde, mij eensklaps schalk, "den luister van mijn licht ontbreekt 't dan althans aan donkeren achtergrond niet!" Ach, lieve Meester, is mijn wederwoord, nu het U behaagt te schertsen, zie ik U wel waarlijk als een, die te lang reeds in den hemel leeft, dan dat hem de nooden der aarde, hoe goed hij ze vroeger ook kende, niet verre en vreemde zouden geworden zijn. Niet elk licht brengt verlichting in de aardsche sfeer.... En zoudt gij U dat niet herinneren?... Denk eens aan de machtige kathedralen van uw tijd.... Als het er avondde en, gelijk oogleden over slapensreede oogen, de nacht er over het lichten der kleuren, het juweel- en goud-spiegelen der beelden en altaren was gedaald, hoe zwak alhoewel schoon, hoe onmachtig en toch licht, blonken dan al die teer-gele vlammetjes in hunne kleine heiligen-aureolen.... Gedenk dat, lieve dichter, en aanzie dan, hoe een schoon en teer-wiegelend droomlichtje als het uwe nu eenzaam brandt in de volksziel van mijn tijd ... een ziel die een kathedraal is, vol droomende en wakende kleuren, kleuren van winter- en lente-hemels, van stille en storm-zeeën; vol zinrijke beelden, juweel-bestarde altaren, nissen vol geheimenis, pilaren vol kracht ... terwijl toch, door de duisternis, waarmee reeds overlangen tijd de maatschappij-nacht dit alles overdekt, niemand haar volle schoonheid en weidschheid kent, haar biddende spitsbogen noch haar wondere vensters, die van het zonlicht, zoo hen dat maar kon bestreden, een eigen schoon-spelende kleurenbrand zouden maken.... Ja erger: zij zelve vangt nauw aan zich te kennen, en dacht zich—zie deze tragedie, dichter—tot vóór geringen tijd een werkplaats, gebouwd om dag en nacht te dreunen van het zwoegen.... en nòg kent zij haar aangeboren-gebedgestalte niet en al de opstrevende hemelbestormende houdingen van haar lichaam, haar hemel-indringende hoogte en blanke spits.... De klare droomen van haar vensterbeelden zijn haar tot chimaera's geworden.... En dáárin, in dat donkere paleis, staat Gij nu teer te branden in uw heiligen-aureool.... Dichter, ik zeg U: ik weet niet of de zielen mijner vrienden naar U hooren, want die alle zijn deeltjes, schóóne deeltjes van die kathedraal, doch kennen van wege den nacht hun waarde en schoonheid niet.... Maar ga Gij maar onverdroten verdroten voort ook dáár te branden ... wellicht, wellicht ... wie weet ... komen er eenigen tot een aanvang van zelfkennis bij uw eenzaam lichtje ... ik zal wel uw glans-blije kandelaar zijn ... ja, was dit mijn gesprek met U niet, als dat wat de vlam en de blaker samen voeren in de been en weer bevende sprankeling tusschen het glim-beschenen koper en het stralende licht?...—
Dit was mijn gesprek met den dichter, gij waart het onderwerp, vrienden, zooals ge ziet. Beloon het met nog een weinig aandacht voor zijn slotwoord....—
Beatrijs is nu moederziel alleen in den stillen nacht kloosterwaarts getogen. Zij komt aan in denzelfden boomgaard, waar ze haar wereldschen tocht begon. Zoodra zij zich binnen de muren bevindt—de poort vond zij geopend—dankt zij Maria innig. Zij vindt alles op zijn plaats, haar kleeren en schoenen; de sleutels van de sacristie vindt zij terug voor het Onze-Lieve-Vrouwe-beeld, waar zij ze veertien jaar geleden had gehangen; zij ziet hoe alles wel verzorgd is, de lampen branden overal in de kerk; en nadat ze nu de gebedenboeken elk op zijn plaats heeft gelegd, bidt zij nog tot Maria, of Die haar en hare kinderen, die zij in zoo zwaar verdriet in het huis van een vreemde moest achterlaten, voor alle kwaad mocht behoeden. En ... maar neen, het volgende is te stemmingsvol in het oorspronkelijk dicht, dan dat ik 't U niet weer even zou overschrijven:
Bin dien1) was die nacht tegaen [1) Intusschen] Dat dorloy1) begonste slaen, [1) uurwerk] Daermen middernacht bi kinde1) [1) kende] Si nam dat clocseel1) biden1) inde1) [1) 1) 1) het klokketouw bij het eind] Ende luude1) metten so wel te tide,2) [1) luidde de metten 2) op den juisten tijd] Dat sijt1) hoerden in allen siden.2) [1) zij het 2) overal] Die boven opten1) dormter2) laghen [1) op de 2) slaapzaal] Die quamen alle sonder traghen1) [1) te talmen] Van den dormter ghemene.1) [1) te zamen] Sine1) wisten hier af groot no2) clene. [1) Zij 2) noch] Si bleef inden cloester haren tijt Sonder lachter1) ende verwijt; [1) schande] Maria hadde ghedient voer1) hare [1) voor] Ghelijc of sijt1) selve ware. [1) zij het] Dus was die sonderse1) bekeert [1) zondares] Maria te love, die men eert, Der maghet1) van hemelrike, [1) maagd] Die altoes ghetrouwelike Haren vrient staet1) in1) staden1) [1) 1) 1) bijstaat] Alsi1) in node2) sijn verladen.3) [1) Als die 2) door nood 3) zijn bezwaard]
En let nu eens op, hoe verrukkelijk eenvoudig, hoe schoon naïef, onze dichter, in mijn eerste cursief, nu verder vertelt:
Deze joffrouwe, daer1) ik af las1) [1) 1) waarvan ik vertelde] Es1) nonne alsi te voren was. [1) Is] Nu en willic vergheten niet Haer tweer1) kindere, die sie liet [1) twee] Ter weduwenhuus1) in groter noet2). [) In het huis der weduwe 2) nood] Si en hadden ghelt noch broet.1) [1) brood] Ic en can U niet vermonden,1) [1) verhalen] Doe1) si haer2) moeder niet en vonden, [1) Toen 2) hun] Wat groter rouwe datsi dreven. Die weduwe ghincker1) sitten1) neven1) [1) 1) 1) ging naast ze zitten] Si hadder op ontfermenisse1) [1) Zy had medelijden met hen] Si seide: "Ic wille toter1) abdisse1) [1) 1) naar de abdis] Gaen met desen .ij.1) kinden, [1) twee] God sal hare int1) herte sinden 2) [1) in het 1) zenden, d.w.z.: God zal de gedachte in haar opwekken.] Dat si hen goet sal doen."
De brave vrouw, in het klooster gekomen, vindt inderdaad de abdis onmiddellijk bereid, naar het verhaal van haar zonderling wedervaren te luisteren: hoe deze kinderen door een onbekende vrouw die met hen 's nachts bij haar onderdak had gevonden, verlaten zijn. De abdis belooft haar voor hen te zullen zorgen: de vrouw moet ze maar in haar huis houden, maar kan alles wat zij noodig hebben, dagelijks van het klooster laten halen. Beatrijs, die, zooals van zelf spreekt, dit alles verneemt, voelt zich gelukkig, dat ook dit ten goede is geschikt en zij niet langer met zorg en angst aan hare kinderen hoeft te denken. Maar—zij lijdt zeer hevig onder iets anders:
Menech suchten ende beven Hadsi1) nacht ende dach; [1) had zij] Want haer die rouwe1) int herte2), lach3) [1) berouw 2) in het hart 3) lag] Van haren quaden sonden, Die si niet en dorste1) vermonden2) [1) durfde 2) vertellen, mondeling openbaren] Ghenen mensche, no1) ontdecken, [1) noch] No in dichten1) oeck vertrecken.1) [1) 1) Noch op schrift te openbaren] No in dichten1) oeck vertrecken.1) [1) 1) Noch op schrift te openbaren]
Het is ongetwijfeld waar, dat, naar men heeft gezegd, de dichter, reeds door zoo zwaren nadruk te leggen op de behoefte van Beatrijs om een ander deelgenoot van haar geestelijken nood te maken, de onmisbaarheid van de biecht heeft willen aantoonen, en, daar in zijn tijd de biechtverplichting door de geloovigen niet bijster stipt zou zijn nagekomen, de menschen heeft willen aansporen, vooral door het geen verder in zijn gedicht volgt, dat wel te doen. Maar daarom schijnt het mij ook niet overbodig, hieraan toe te voegen, dat deze "tendentieuze" invoeging niet alleen zijn dichtwerk niet heeft geschaad, maar het zelfs aanmerkelijk ten goede is gekomen—waarvan zoo dadelijk het bewijs —'t geen dan ook niet anders kon. Indien—om 't zeer kort te zeggen en hier geen literair-aestetische theorieën aan te snijden, welke al te zwaar verteerbaar zouden kunnen blijken—indien een zekere levensbeschouwing zoo door een mensch is doorleefd en geasssimileerd, dat zij als 't ware tot vleesch en bloed van zijn wezen is geworden, dan vloeit het belijden, het verdedigen en dus in zekeren zin: propageeren daarvan, van zelf en natuurlijk uit zijn wezen voort; dan is dat voor dien mensch niets anders, dan zelfverweer en zelfbestendiging, en doet het zich, zoo hij kunstenaar is, even van zelf en vaak onbewuster wijze in zijn werk gelden, als de rhythmiek van zijn ademhaling, als, kortom, àl zijne eigenschappen van geest en gemoed, die sterk genoeg zijn, om hunne scheppende aequivalenten aan te kunnen trekken. En niet het uitvieren maar juist het onderdrukken van den daarmede verbonden scheppenden drang zou dan een kunstbedervende tendenz, van de lagere persoonlijkheid, in het werk brengen!—Een dergelijke tot bloed en vleesch geworden levensbeschouwing nu was voor onzen dichter ongetwijfeld de religieus-katholieke, en derhalve een pleidooi voor het instituut van de biecht eene even zuiver natuurlijke uiting van zijn wezen, als zijn ademhaling. Gelijk die ademhaling in de persoonlijke-rhythmiek der verzen, kwam die levensbeschouwing in de scheppende groepeering der verhaal-feiten en de psycholiek voor den dag! En: daar diezelfde levensbeschouwing zoo een bijzonder-sterk en diep-wortelend deel van zijn wezen was, kwam haar zich-naar-voren-dringen zelfs het werk ten gòede, gelijk ik zei; verwekte zij die eigenaardige vurig-scherpe doordringings- en verbeeldings-macht, die een schepper hooger schoon dan ooit doet baren. Ik zei: "waarvan zoo dadelijk het bewijs." Ziehier:
Hierna quam op enen dach Een abt, diese te visenteerne1) plach1) [1) 1) gewoon was te bezoeken] Eenwerf 1) binnen den jare, [1) een maal] Om te vernemene oft daer ware Enech lachterlike gherochte,1) [1) Een schandelijk gerucht] Daersi blame af hebben mochten.1) [1) Dat hen in opspraak zou kunnen brengen] Sdages1) als hire2) comen was [1) Den dag 2) dat hij] Lach1) die sonderse2) ende las [1) Lag 2) de zondares] Inden coer1) haer ghebet, [1) Koor] In groter twivelingen1) met.2) [1) Tweestrijd 2) mede, bovendien] Die duvel becorese1) metter scame [1) bracht haar in verzoeking] Dat si haer sondelike1) blame [1) zondige] Vore den abt niet en soudebringen. Alsi lach1) inder bedinghen2) [1) lag 2) gebed] Sach1) si hoe dat neven haer leet2) [1) zag 2) voorbijging] Een jonghelinc met witten ghecleet; Hi droech in sinen arm al bloet1) [1) bloot] Een kint, dat dochte1) haar wesen1) doet,1) [1) 1) 1) naar zy dacht, dood was] Die jonghelinc warp1) op ende neder [1) wierp] Enen appel ende vinken1) weder [1) ving hem] Vor tkint, ende maecte spel. Dit versach die nonne wel, Daer si in haer ghebede lach,1) [1) lag] Si seide: "Vrient, oft wesen mach Ende of ghi comen sijt van Gode, Soe1) manic2) U bi sinen gheboden [1) Zoo 2) bezweer ik] Dat ghi mi segt ende niet en heelt1) [1) verheelt] Waerom ghi voer dat kint speelt Metten sconen appel roet1) [1) rood] Ende het leit in uwen arm doet:1) [1) dood] U spel en helpt hem niet een1) haer."1) [1) 1) geen zier] —"Seker, nonne ghi segt waer: En weet niet van minen spele, Weder1) luttel nochte1) vele: [1) Noch 1) noch] Hets1) doet2) en hoert3) no4) en siet. [1) Het is 2)dood 3) hoort 4) noch] Al des ghelike1) en weet God niet [1) Welnu evenmin] Dat ghi leest1) ende vast; [1) bidt] Dat en helpt U niet een bast1) [1) Dat alles is van volstrekt geen waarde]. Mets al verloren pine1) [1) moeite] Dat ghi neemt discipline1) [1) Dat ge U kastijdt] Ghi sijt in sonden soe1) versmoert1) [1) zoo versmoord] Dat God U beden niet en hoert1) [1) hoort] Boven in sijn rike. Ic rade U: haestelike1) [1) haastiglijk] Gaet ten abt uwen vader Ende verteelt hem algader U sonden al sonder lieghen. Laet U den duvel niet bedrieghen. Die abt sal U absolveeren1) [1) absolutie geven] Van den sonden die U deren; Eest1) dat ghise2) niet en wilt spreken [1) Mocht het zijn 2) gij ze] God salse swaerlike an U wreken."
De vier regels van mijn eerste cursief heb ik aldus laten zetten, om U opmerkzaam te maken tegelijkertijd èn op de aansporing tot nakoming der biechtverplichting, die daarin ligt, èn op de voortreffelijke psychologiek van onzen dichter, maar het tweede cursief bedoelt uw aandacht te trekken naar die prachtige allegorische voorstelling van den jongeling, die voor een in zijn armen liggend dood kind met een appel speelt. Die voorstelling is ook plastisch zoo voortreffelijk—en met hoe eenvoudige middelen is dit bereikt—dat ik het gelijk een van ouderdom kleur-verdiept schilderij voor mij zie. Het is overigens een echt-middeleeuwsch, ingewikkeld-symbolisch tafereel. Voel eens de tijdsverwantschap ervan—in de laatste cursieven van het volgend citaat—met een sonnet van den wereldgrooten en nog heden ten dage in de ziel zijns volks levenden Dante Alighieri. (In de voortreffelijke vertaling van Van Suchtelen—uit Het Nieuwe Leven—):
Elk edel hart, dat juist der liefde gloed,[4] Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen— Opdat het mij zijn meening moog verhalen— In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet! Reeds henen was dra 't derde deel gespoed Der uren waarin alle sterren stralen, Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen, Zoo, dat herinnering nog mij beven doet. Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen Droegen mijn hart, en in zijn armen had Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed; Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde, Zag ic hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at.... En klagend vlood hij als in bitter leed.
In mijn derde cursief—in het Beatrijs-citaat, wel te verstaan—vindt ge de verklaring van de symbolische voorstelling. Het is alles niet dan zuiver schoon en zuiver natuurlijk: Beatrijs is een arm ongelukkig menschenkind, dat de wroegende herinnering aan hare zonde een ander openbaren moet. En de jongeling, de engel ... wel wat zou wel natuurlijker voor een engel uit den katholieken hemel kùnnen zijn, dan een dergelijke ongelukkige op de biecht te wijzen: niet minder eene werkelijke verlossing dan een verplichting voor haar?—Beatrijs overwint dan haar schaamte en biecht den abt haar misdrijf en miraculeuze redding; deze geeft haar absolutie en zegt dan (en let nu eens op hoe voortreffelijk-compositorisch ook, dit gedicht is opgebouwd!):
Hi seide: "Ic sal in een sermoen1) [1) preek] U biechte openbare seggen, Ende dat soe1) wiselike2) beleggen,3) [1) Zoo 2) wijselijk 3) daarheen leiden] Dat ghi ende U kinder mede Nemmermeer1) te ghere stede2) [1) nooit 2) in geen enkel opzicht] Ghen lachter1) en selt2) ghecrigen,2) [1) schande 2) 2) zult oploopen] Het ware onrecht soudement1) swigen, [1) zou men het] Die scone miracle, die ons here Dede doer siere moeder ere.1) [1) Deed ter eere zijner Moeder] Ic saelt1) orconden2) over al; [1) zal het 2) verkondigen] Ic hope datter nog bi sal Menech sondare bekeren Ende onserlieven vrouwen eren."
Ik heette U erop te letten, hoe in mijn citaat iets voortreffelijk-compositorisch voor den dag zou treden. En natuurlijk—gij zaagt het reeds in mijn cursief. De vraag zoude immers geblèven zijn—een gewichtige vraag voor onzen dichter, voor wien het schrijven van dit gedicht, niet "slechts" het scheppen van een kunstwerk was, maar veel meer dan dat: het verheerlijken der heilige Moeder-Maagd—hoe werd dit mirakel ooit bekend aan anderen, hoe kòn 't aan anderen bekend zijn geworden, waar het toch juist uitteraard een geheim tusschen de Goddelijke en de begenadigde vrouw was? En ziedaar de oplossing: de psychologische en religieuze noodzakelijkheid van de biecht voor Beatrijs, èn een biechtvader, die het zóó weet te plooien, dat hij, zonder het biechtgeheim te schenden, toch der wereld de troostende en stichtende wetenschap van het mirakel schenken kan. Mooier het-een-uit-het-ander-gegroeid had het waarlijk niet gekund!—het naïef schoone slot:
Hi—de abt, v.C.—deet verstaan den covende,1) [1) klooster] Eer hi thuuswaert1) weder wende, [1 huiswaarts] Hoe1) ere1) nonnen was gesciet; [1) wat eene] Maer sine wisten niet Wie si was; het bleef verholen. Die abt voer1) Gode volen2) [1) reed heen 2) God bevolen] Der nonnen kinder nam hi beide Ende vorese1) in sein gheleide. [1) voerde hen mede] Grau abijt1) dedi hen an, [1) Het grauwe kleed] Ende si werden goede man. Haer moeder hiet Beatrijs. Loef Gode ende prijs, Ende Maria, die God soghede1) [1) zoogde] Ende dese scone miracle toghede.1) [1) toonde, d.i.: deed gebeuren] Si halp1) haer uut alre2) noet.2) [1) hielp 2) 2) al haar nood] Nu bidden wi alle, cleine ende groet,1) [1) groot] Die dese miracle horen lesen, Dat Maria moete wesen Ons vorsprake int soete dal, Daer God die werelt doemen1) sal [1) oordeelen] Amen.
Prachtig niet waar, dat door mij gecursiveerde: in de eerste twee regels: de evocatie van dien biddenden kring, "klein en groot"—ziè jelui 't wel?—als zoo'n prentje, een miniatuurtje van een primitieve in een antiek brevier? En hóórt ge wel, die berustende donkere, als knielend-afwachtende orgelmuziek der drie laatste regels?...—Welnu, loonde het genot de moeite niet?... Ja, zoo gaat 't nu eenmaal: nù spijt 't U allicht dat de duikklok, waarin wij ter diepte der tijdzee onderdoken, reeds wordt opgehaald.... Wij naderen de oppervlakte weer, de lucht van ònzen tijd zullen wij daar onmiddellijk inademen .... Maar in elk geval, onze kostbare parelen en vreemde planten hebben wij toch uit de diepte meegevoerd....—En terwijl wij Boutens' "Beatrijs" gaan lezen, zullen wij zien ... nu en dan, en vergelijkend ... naar die parelen en naar die planten....—
Noot:
IV
P.C. Boutens' Beatrijs
Als een mensch zich-zelven moe wordt; als hij een afkeer van zichzelf krijgt; als al datgene wat tot dan zijn trots, zijn geluk, zijn hoogste doel was, hem plots een ledigheid, een grauwte, een vertwijfeling en een doellóósheid blijkt; als al datgene wat hem als zijn leven-zelf was, hem als hèt levenlooze verschijnt—dàn, indien hij sterk en jong is en nog niet het passieve van den uitgeleefde en welhaast-stervende heeft, dan wendt hij zich meerendeels om troost, om een nieuw ideaal, tot het tegengestelde van het oude, van alles wat hij vroeger zoo diep heeft liefgehad. En gelijk de menschen, zóó de tijd, ja: méér dan de menschen aldus de tijd, want betrekkelijk zelden schijnt deze—ofschoon ook dat wel eens gebeurt—te sterven, d.w.z.: breekt abrupt af en wordt opgevolgd door een, die een ander is dan hij, met als uitvaart-en geboortklok-bronzen-donder een stormend luien als van de Fransche revolutie tusschen beide in. En als zulk een tijd, zooals ik reeds zei: schìjnt te sterven, welnu en inderdaad, dan is 't ook niet meer dan schijn. Het was maar dat geweldig klokken-gebimbam, dat die illusie bij ons wekte. Is dat verklonken, is de revolutie voorbij, dan blijkt wel de tijd toch niet te zijn opgevolgd door een ander, maar hij zelf is 't, die voortleeft, hij de onder een nieuwen schijn nog in zoo òverveel òude, hij die is gegroeid, opgebloeid, òf als gekrompen, als verminkt—hij dezèlfde. Ons geloof in revoluties, als—versta wel:—het als-bij-tooverslag-alles-veranderende, is mede, dunkt mij, in ons ontstaan, door ons onbewust verwarren van wat in ons-zelf noodzakelijk en goed is met dat wat voor de menschheid het goede mag heeten. De menschenziel heeft, als al het individueele leven, dat zij om zich heen ziet, den dood noodig, voor haar eigen ontwikkeling—en zoo zij dit nog niet inziet, dan begrijpt zij toch: voor de ontwikkeling van haar soort—den dood: dat is haar revolutie, en derhalve concludeeren wij onbewust: ook dat sociaal en cultureel geheel, dat we "een tijd" noemen, heeft dien dood: die revolutie van noode. Maar zooals ik reeds zei: óók zelfs die schijn-dood ontbreekt bij den tijd bijna geheel, en als hij zich-zelf moe geworden is, als hij een afkeer van zich-zelf krijgt, dan wendt ook hij zich om troost en verheffing naar een nieuw ideaal, en al de niet-uitgeleefden, al de niet welhaast stervenden, allen, die werkelijk geestelijk leven in zich hebben, wenden zich en zoeken mèt hem.... Op de wijde levenszee wapperen en keeren dan al die duizenden kleinere en grootere vaantjes, in dien dwingenden wentelstorm des tijds, waarvan te nauwer nood één opperst-wijs en veelwetend menschenkind kan berekenen, waaruit hij ontstond en waaròm hij juist dàn opstak.... En evenwel, al die menschen, die zich wenden mèt de wending des tijds, doen dat niet met het zelfde verlangen, dezelfde hoop. Zij hebben vaak één schoonheid gemeen—anders dan het enkele individu, van persóónlijke onlust bevangen—: dat hunne zielen, niet-egoistisch, open stonden voor de nooden van den tijd, dat die de hunne zijn geworden; diè schoonheid hebben zij gemeen, maar niet hetzelfde inzicht in: hòe die nooden zijn te verhelpen. De proletariërs, hatend het oude, dat hun niets dan druk en ellende heeft gebracht, waarin zij geen schoonheid kunnen ontdekken, omdat het hùn nooit als zacht en schoon verscheen, en de anderen er zich wel ter dege voor hebben behoed den misdeelden te zeggen, hoe schoon het voor de gelukkigen was—de Proletariers willen liefst volkomen afrekening daarmede, zij keeren zich tot een visioen, dat is zooals nog niets was. Hing het van hun wil alleen af, zij namen slechts dàt mee van het oude, waarvan zij voelen, dat het 't oude-zelf vijandig is. Zoo werd datzelfde beunhazig, Multatuliaansch filosofisch-materialisme, waarover ik vroeger sprak, intuïtief door hen zoo geestdriftig omhelsd, omdat het een machtig vijand van den kerk-dwang en de kerk-verdomming was, den dwang en verdomming, die het taaist, het huichelachtigst en het langst het proletariaat zullen pogen te knechten. Intuïtief namen zij het mede, geestdriftig als ware dat-zelf hun doel; maar langzamerhand, als zij verstandelijk gaan begrijpen, als zij logisch gaan dènken, dan blijkt dit "doel" hun maar een middel tot het echte doel te zijn, ja: slechts een middeltje, een dat op de koop toe zóó, zonder verbetering, niet is te gebruiken. En ook die verbetering, die veredeling waren wij zoo gelukkig zich te zien voltrekken: in den geest van de besten hunner verandert die onbekookte "filosofie" in een drang, om nauwkeurig met de werkelijkheidsfeiten rekening te houden, om empirisch te werk te gaan—de phrase, het geschetter verachten zij. Groote winst ongetwijfeld, al blijft hun vaak en lang het nadeel van een onoverwinnelijken weerzin tegen alle speculatieve en zich met het bovenzinnelijke moeiende ideologieën. Hun geluksvisioen toetsen zij aan de werkelijkheid, voortdurend, dag aan dag en uur aan uur, en als zij iets hebben gemaakt, dat op een deeltje van hun ideaal wel lijkt, maar het niet is, dan zeggen ze: "neen 't is het niet, het deugt niet." Al dwingt hun de werkelijkheid het minst-kwade van twee kwaden te kiezen—zij hèbben een klaren blik gewonnen en die heeft hun geleerd een hekel aan surrogaten te hebben.—Anders de bourgeoisie in den kenterenden tijd: diegenen onder haar—op enkele zéér sterk-geestelijke, met het proletariaat medetrekkenden na—die van het heden àf willen, omdat het hen onbevredigd laat, omdat zij er zich door voelen besmeurd; hun verlangen gaat, nu zij iets anders willen, niet naar iets geheel-nieuws—daarvoor zijn zij aan dat oude, dat hun zooveel geluk en schoonheid heeft gebracht, te zeer verknocht—maar het gaat naar het goede en schoone van het oude (het liefst zéér oude: vèr vóór hun heden), 't welk ze, uit het oude geheel gesneden, tot iets nieuws willen fatsoeneeren, dat de distinctievolle bekoring van het voorbije toch niet mist. Hun geest, door afstamming en cultuur vaak, bewust of onbewust, reactionnair en retrogade, acht het heden, dat hem niet bevredigt, niet een verdere ontwikkeling zooals zij gaan moest, van het verleden, en waarvan de nadeelen en gebreken wéér door een verdere ontwikkeling in de toekomst zullen moeten opgeheven worden, maar hij acht dat heden een verbastering van dat verleden en wil dáárheen terug. Zien de socioloog en de politicus de uitwerking dezer geestesgesteldheid in het economisch en staatkundig leven, de letterkundige ziet haar niet minder sterk in de literatuur, maar het niet geringe voordeel, dat den laatstgenoemde boven de eersten te beurt valt is dat hij vaak een toch zeer zeker schoone uitwerking ziet, en de socioloog en politicus zelden of nooit iets anders dan een leelijke. En van dat wedervaren van den literator, ga ik u nu een voorbeeld geven, want de geest van Boutens als dichter van de Beatrijs, is een van die retrogade en naar het héél oude verleden tastende geesten, en als zoodanig heeft zijn aard zich volledig èn ook in zeer treffende schoonheid in dit zijn werk geuit. Duidelijk aantoonbaar, ziet men hem in dit gedicht naar het oude grijpen, en een schoon, hem passend deel daaruit snijden en tot iets nieuws fatsoeneeren. Immers aldus zit de zaak in elkaar—en nu moet ge eens extra goed opletten, want ik geef u nu als 't ware het program voor, de samenvatting der vergelijkende analyse, welke volgen zal—: de middeleeuwsche mirakelenverzameling, waarvan de Beatrijs-legende deel uitmaakt, was een compilatie van verhalen aan wier historische waarachtigheid de schrijver-zelf zoowel als het overgroote meerendeel zijner middeleeuwsche lezers even zeker geloofden, als gij, bijvoorbeeld, aan het bestaan van uw lichaam. En onder hen, die onze legende hoorden of lazen, behoorde ook de dichter van de Sproke van Beatrijs, waarmede gij in mijn vorige artikelen hebt kennis gemaakt. En zooals nu al zijn tijdgenooten, die het verhaal hadden gelezen, er vast in geloofden en er hun godsvrucht door voelden gesterkt en geheven, zóó precies, zóó en niet anders geloofde ook hij en voelde er zijn godsvrucht door gesterkt; maar: omdat hij een dichter van nature was, gebeurde in hem nog iets meerders: uit zijn gestegen religieus gevoel voelde hij een schoon dichtwerk opzingen en hij schreef die zang op, wellicht in vreugde om de schoonheid-zelf, die hij voelde te geven, maar zeker verheugd, omdat hij dit reine offer op het altaar van zijn God kon leggen. Anders Boutens—ik voel mij er zeker van: als men Boutens zou vragen: "Gelooft gij er waarlijk aan, dat een houten beeld door de Moeder Gods in een haar tijdelijk dienend lichaam werd veranderd (zóó is de in zijn Beatrijs op zich-zelf zeer schoon-gevonden voorstelling), om voor een het klooster ontweken non de dagelijksche taak waar te nemen?" hij zou moeten antwoorden: "Daar geloof ik niets van", en zelfs: "Van de historiciteit van het heele mirakel geloof ik niets." En dat, als men hem dan opnieuw zou vragen: "Wat gelooft ge dan daaromtrent eigenlijk wel, want uw fraai gedicht blijkt mij toch zekerlijk in religieus gevoel gedrenkt en er gansch van doortrokken?" hij allicht dit wederwoord zou geven: "Als ge mij dat zóó vraagt, kan ik u niet antwoorden; mijn religieus gevoel is wel diep, maar zal, omdat het toch mijn hééle zijn niet vult—het verband ervan met mijn rede bijvoorbeeld is uiterst los—den schijn van een uiterste en vervluchtigende vaagheid niet kunnen ontkomen, zoodra ik het in preciese, redelijke begripstermen, in plaats van in beeldende voorstellingen, zou willen kenbaar maken. Ik denk eigenlijk, dat mijn algemeen religieus geloof meer een soort van neo-katholiek, vaag mysticisme, een hijgen-naar-geloof is, dan geloof-zelf.... Deze tijd, ziet ge, stoot mij af; nu strek ik mijn verlangende handen uit naar de middeleeuwen, en naar het kostbaarste en allerheerlijkste dat deze bezaten: hun eerlijk, eenvoudig, kinderlijk en hart-diep, onwrikbaar Godsgeloof en ik zeg mij: de bijzondere vorm van hun godsgeloof, die kinderlijke vorm, kan de mijne niet zijn, maar het daarin brandende sentiment moet toch wel sterk verwant, ja gelijksoortig aan het mijne zijn, en dàt mòet ik nu eenmaal, ook als dichter, uiten ... dàt is mijn lèven.... O, kon ik, zoo sprak ik tot mijzelf, al ware 't maar één hunner oude vormen van mijn sentiment vol maken en doen blozen, want om gansch nieuwe vormen, niet vage maar tastbare, te scheppen, daarvoor schijnt, helaas en helaas, mijn religieus sentiment weer niet stèrk genoeg te zijn...."—Zóó, denk ik, zou Dr. Boutens kunnen antwoorden, en dat ik goede redenen heb, aldus te denken, hoop ik u zoo aanstonds door mijn analyse te bewijzen. Nu eerst dit nog: wat, dit alles nu eenmaal zoo zijnde, gebeuren moest, gebeurde. Vorm en inhoud in de kunst, als in de natuur, zijn één. En precies zóó stevig-tastbaar of onwezenlijk-vaag zal de vorm zijn, als de ziel, het sentiment, dat zich erin belichaamt, stevig-tastbaar of onwezenlijk-vaag is. Zoo concreet-stevig, zoo tastbaar als het religieuse sentiment van onzen middeleeuwer was, zoo concreet-stevig, zoo aarde-leven-vol werd zijn Sproke, en zoo abstract-vaag als het religieus sentiment van Boutens is, zoo abstract-vaag, zoo buiten-het-aarde-leven-staande werd zijn Beatrijs.—Daar was in de middeleeuwen een zuiver-blanke, maar grove schotel van gering aardewerk; daarop lag het Brood-des-Levens; die schotel ging den kring rond, en die van het Brood aten, vonden ook, in hun verheerlijkende ziening, den schòtel schoon. Maar onder hen zat een kunstenaar aan, en zijn hart drong hem, om dien schotel, die zóó heiligen last droeg, met zijn innigste kunst te versieren. En de etenden vonden den nu versierden schotel wel schooner dan hij was, maar toch: onvergelijkelijk schooner en beter en heerlijker nog: het Brood-des-Levens dat hij droeg....—Zes eeuwen later staat weder een kunstenaar op; hij vindt de antieke schaal, dier kleuren en beelden schijnen onder het licht van dezen tijd verwelkt. Toch verstáát hij het sentiment van hem, die eens ze schilderde. Welnu, ook zijn hart dringt hem bij dezen schoonen aanblik: hij zal een dergelijke maken en beschilderen die met zijne verbeelding der zelfde tafereelen.... Nu is zij gereed.... Maar waar is het Brood-des-Levens, dat op de oude lag?.... Hij bezit 't niet.... Waar trouwens de kring der etenden, die het onder innerlijk gebed in heilig genieten zouden nuttigen?.... In deze tijden eet men niet dit Brood. Men vréét het brood der schamelheid en der rampen, of het brood der rotte weelde, uit de gore hondenhokken en van de decadent-broze "eierschaal"-bordjes van het kapitalisme. In deze tijden ìs ook zùlk een schotel geen gebruiksvoorwerp meer.... die is, ofschoon van modern maaksel, tè antiek, haha, die is tè snoepig-mooi.... dat is 'n wàndbord,dat hangt men aan den muur.... En zóó kwàm hij dan ook te hangen; in het literaire salonnetje van meneer A., in 't geurig boudoirtje van Mevrouw B., en overal in de doddige werkkamertjes van de hoogere-burgertjes en gymnasiastjes Dela, Rie en Loes, waar-ie 't zoo verrukkelijk "doet" naast 't portret van dien dirigent met den interessànten kop, op wien nu lètterlijk iedereen verliefd is....—Helaas ... armoede-in-rijkdom van een groot dichter, te zwak voor zìjn tijd, te zwak voor een vroègeren, en alleen sterk in zijn dróóm.... Nu neem ik dat wandbord in mijn hand, want ik wil het met u van nabij bekijken; ik wil pogen waar te maken, wat ik heb beweerd.
Aldus is het verhaal in Boutens' Beatrijs: Een zeer reine en volmaakt aan God en Maria overgegeven non leidt in een klooster een begenadigd leven. Ze is een ideëele figuur van zieleschoonheid, welke, als in haar volmaakt-natuurlijken vorm, zich in lichaamsschoon heeft gehuld. Zij is een dier van God-gezegenden, voor wie de menschenharten zich dadelijk openen, door wier aanblik de vreugde hooger bloeit, het leed al wordt gelenigd, terwijl zij-zelf, als ze anderer smart verlicht, door die mede te helpen dragen in haar liefderijke zorgen, dit uit zóó puur-ingeboren, natuurlijke aandrift doet, dat die in haar gekomen smart haar niet drùkt en vertroebelt. Voelen de andere nonnen te leven in een "donkre dal van smart" en bidden zij Maria, dat Zij daarin een glimp van genade moge zenden, bij haar is 't anders.... Maar kom, maak gij zelf nu maar eens kennis met de zuivere, stille verzen van dezen dichter, met zijn waarlijk-verrukkelijke stem:
Maar of zij vastte of zong of bad, Haar was of heur leven zelf bewoog In de straten van Gods lichte stad En onder Moeders oog. Zoo was haar doen één zuivre vreugd: Een orgel dat speelt zacht en ver Zijn hymnen aan Maria's deugd: O Hemels Deur, o Morgenster!
Maar helaas, het klare vijvervlak dier blije ziel blìjft niet zoo rimpelloos en onbewogen. Eens op een ochtend uitgegaan, om pijn te verzachten, een ongelukkige te troosten—de dichter verhaalt dit op deze schoone wijze, waarvan ik het meest opmerkelijke cursiveer:
En eens op een ochtend in den Mei Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep, Langs akker en blanke huizenrij, Toen alles sliep.
—eens alzoo op een ochtend uitgegaan:
En buiten het dorp aan der wegen sprong Kwam door den morgen haar temoet Een stem die met den leeuwrik zong. Een ridder goed.
Bij het eerste hooren, bij de eerste aanschouwing, treft die stem haar reeds zoo diep in 't hart, overstelpt die aanblik haar zoozeer, dat:
Zij kon niet hooren wat hij sprak— Was het een vraag, was het een groet?— Het was als zong de wind door den tak: Ik min u goed.
Niets dan dit vervulde haar gewaarworden. En daar zij hem aanzag, zag zij ook niet zijn schóónheid, maar slechts:
......in oogen brandend klaar Smart die zij niet verstond.
In het klooster weergekeerd, hóórt zij niets dan diezelfde zoete stem, niet anders dan diezelfde onverstane woorden-als-een-lied; vòelt zij niet anders dan dien "gouden pijn," één zoete foltering. En echter—maar let tevens eens op het diepe wijsheidsschoon van de door mij gecursiveerde regels—:
Geen van haar zustren speurde haar leed, Geen van haar zustren sprak ze ervan, Omdat die zelve ziet en weet, Alleen vertroosten kan.
Dit is, tot het einde, de korte inhoud van wat men den "eersten zang" van het gedicht zou kunnen noemen.
En verder gaat nu het klare verhaal aldus:
In de stille hal aan den witten wand Stond een aloude Lieve-Vrouw In strakke plooi en steilen stand Van donker-eiken rouw. Die was de vertrouwde van Beatrijs, En alles wat zij deed en dacht, Verhaalde zij haar in woord en gepeis Voor iedren nacht.
Als zij de poort 's avonds heeft gesloten, heeft zij het gevoel, of ze, voor het beeld van Maria staande, als een kind aan moeders schoot staat en Moeder voor zich alleen heeft. Het strak-houten beeld schijnt voor haar een heimelijk en teeder leven te krijgen. Den avond na dien dag, waarop zij den ridder heeft ontmoet, blijft zij zeer lang aan "Moeders voet" geknield, maar zoo zegt, vooral in het door mij gecursiveerde gedeelte zeer fraai, de dichter:
Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom, Maar haar diepste hart bleef ongerust, Als het hart van het kind dat in den droom Zijn doode moeder kust.
Zij staat op, treedt naar de poort, maar sluit die niet en gaat den buitennacht in, om in de donker-overhuivende eenzaamheid omtrent zich-zelf tot klaarheid te komen....
Toen door haar wondzeer harte sneed, Als een pijl die door de klaarte schoot, Van een verdoolde meeuw de kreet? Van ziel in nood? Smartelijk sloot haar zachte mond; Zij week door d'engen duistren kier Terug tot waar Maria stond: Moeder, ik moet van hier.
Ik heb in elk dezer beide strophen een regel gecursiveerd, om op tweeërlei verschil in opvatting tusschen Boutens en den middeleeuwschen dichter al vast de aandacht te vestigen. Zooals Beatrijs bij de eerste ontmoeting met den ridder reeds, "zag in oogen brandend klaar smart die zij niet verstond," zoo meent zij nu de kreet van een "ziel in nood" te hooren. Hier niet de frissche, geestelijke-èn-zinnelijke liefde van de middeleeuwsche non, die, door "den duvel" met "vleescheliker sonde becord", haren, even als zij hartstochtelijk-verliefden, minnaar toch zich roept; maar hier het romantische bleeke-plaatjes-nonnetje; hier het decadent-moderne vrouwtje, dat dóór het medelijden met het leed van den zoo smachtend op haar verliefde, pas tot de lièfde komt: de minnares-in-verpleegsterscostuum! Hier ook niet de langzame ontwikkeling van het gevoel, de jaren door, tot het 't overheerschende alvermogende wordt, maar hier de verliefdheid-op-'t-eerste-gezicht, zoodat dan ook hier "de zoete Beatrijs" tegelijkertijd kinderlijker, heilig naïef èn in oneindig mindere mate martelares èn zondares is, dan die van den middeleeuwschen dichter, die, nog afgezien van al het andere, al vast het kloosterleven is ingetreden met een aardsche en onverwonnen liefde in 't hart, waartegen zij zelfpijnigend heeft gestreden. En dat in oneindig mindere mate martelares- en zondares-zijn—waardoor zij voor ons tevens heel wat aan mede voelbare menschelijkheid inboet!—accentueert zich ook in het verschil tusschen de beide soorten zekerheid ten opzichte van de te plegen zondige liefdedaad, welke beiden Beatrijs-figuren respectievelijk eigen is. De zekerheid van de middeleeuwsche Beatrijs is die van eene die er gewis van is hare zedelijke nederlaag te moeten erkennen; die er zeker van is, haar hartstocht te mòeten gehoorzamen en haar heiligsten plicht te moeten verzaken; de zekerheid daarentegen van Bouten's Beatrijs is die van eene die voelt dat een afschijning van de zuivere caritas: het hooger-menschelijke medegevoel met hem die lijdt, haar lager-menschelijke liefde heiligt. Háár zekerheid is die van eene, wie de onoverwinnelijke drang tot het vervullen van een làgeren plicht, de verzaking van een hóógeren oplegt. Niet de hartstocht trekt haar dus van den plicht en de deugd af, maar de plicht van den plicht en de làgere deugd van de hóógere deugd. De middeleeuwsche Beatrijs zegt met dezelfde vastbesloten zekerheid:
Ic moet leiden een ander leven, Dit abijt moetic begheven.
als de moderne Beatrijs zegt:
Moeder, ik moet van hier.
maar de middeleeuwsche voelt 't heel zeker tevens:
Dat mi die crancheit sal doen dolen.[5]
en bidt tot Maria:
Soe moetie kinnen minen noet, (nood) Ende mine mesdaet mi vergheven; Ic moet in swaren sonden sneven!
terwijl de moderne Beatrijs in haar diepste hart er wel degelijk zeer verzekerd van is, dat ook Maria wel het edele in hare zonde zal erkennen en haar nimmer voor goed verwerpen en uit hare genade en goddelijke liefde verbannen zal, weshalve zij dan ook, op het punt van het klooster heimelijk te verlaten en na haar nonnengewaad te hebben uitgetrokken, rustig kan zijn en zeggen:
En als een kind dat troost, zoo teer, Glimlachte zij beslist: Ik moet— ik kom weêr.
Zoodat de dichter dan ook met het volste recht mag verhalen:
Zoo toog die zoete Beatrijs, Rustig en recht als een die weet, Haar nachtelijke onzeekre reis Naar 't hart dat om haar leed.
Kort samengevat kan men derhalve de moderne Beatrijs—vooral als men let op het laatst door mij geciteerde couplet—karakteriseeren als de in een soort van trance verkeerende heilige, wier aardsche liefde geen treden uit het gebied harer goddelijke liefde beteekent, maar slechts een grover-verstoffelijkte incarnatie van de laatste is: vandaar haar stil-blije "glimlach"; vandaar haar gansch niet wijkend gevoel van eenheid en betrekkelijke gelijkheid met Maria, die zij—waarlijk in overheerlijke en verrukkelijke naïveteit, voor welker beelding onze dichter den hoogsten lof verdient—vóór haar vertrek nog meent te moeten troosten, als een kind dat zijne moeder verlaat! Vandaar haar rustige en "wetende" zekerheid, als die van een, die door God-zelf wordt geleid; eene innerlijke verzekerdheid, zóó groot, dat bij haar vertrek: (let op het eerste cursief):
Zij zag niet om, een vlotte schijn Verdween zij in de duistre pracht Van 't diep en goudelend gordijn Der verre nacht.
En vandaar eveneens, bij het afscheid, haar aldus-zien van Onze-Lieve-Vrouwe:
En bijna blij Stond zij nog eens aan Moeders voet: Vaarwel, Maria gebenedijd— Maria keek bezorgden groet, Maar geen verwijt.
Doch hebt gij nu al ongetwijfeld mede mogen opmerken in de citaten, dat sommige schoonheden—zooals bijv. die in de twee laatst-aangehaalde coupletten gecursiveerde—van den allereersten rang zijn, dit neemt toch niet weg, dat, gelijk ik reeds aanduidde, voor onze diepst-medevoelende menschelijkheid de middeleeuwsche dichter reeds nu het pleit heeft gewonnen: zijn vertwijfelende, door liefde-hartstocht gezweepte, zijn den hemel voor de aarde verlatende Beatrijs is een mensch als wij, volop een zuster van ons; maar Boutens' Beatrijs is als een zuster, zij het weliswaar een nederiger, nièt van òns maar van die heilige vrouw, die op haar tocht, ondernomen om Jezus te aanschouwen, aan een water komt, en als de veerlieden haar weigeren over te zetten zoo ze hen niet met haar lichaam ter wille is, daarin toestemt, omdat naast haar begeerte Jezus, die incarnatie der Godheid, te aanschouwen, en naast haar eigen diep-innerlijke geestelijke reinheid, die ontwijding van haar lichaam haar iets uiterst gerings lijkt. Want evenals die heilige vrouw midden die aardsche ontwijding en langs een slijkerigen aardschen weg toch van uit den hemel tot den hemel ging: van den Jezus-in-haar-ziel tot den stoffelijken Jezus, en dien in werkelijkheid geen oogenblik verliet, zóó ook Beatrijs; haar drang tot vertroosting der lijdende menschelijke liefde houdt klaarblijkelijk voor haar gevoel geen oogenblik op, een dienen der goddelijke liefde te zijn, en haar lichte smart bij het vertrek is vertwijfeling noch zonde-besef, het is slechts de blije smart van de zich-opofferende, die weet een hoogen luister, zij 't tijdelijk, met een minderen te verruilen. Maar schoon dit alles en zijn ware beteekenis ten volle erkennend, mag men toch al evenmin Boutens óók den lof onthouden, dat de beelding van de kinderlijk-naieve, en heilige Beatrijs klaarblijkelijk met groot meesterschap en overeenkomstig zijn oorspronkelijke conceptie is doorgevoerd en volgehouden. En ook de aard van een mirakel-verhaal heeft zijn gedicht tot hiertoe behouden—al is de vertroosting voor den gewonen mensch, welke van de middeleeuwsche versie uitging, vrij volledig verloren gegaan. Want dat een zoo zuivere en heilige wordt begenadigd—welke troost brengt dit feit aan een armzalig zondig menschenkind? En overigens: "tot hiertoe" zei ik—zooals wij later zullen zien, komt er verderop meer dan één trek in voor, die zijn gedicht tot het peil van de, zij het verfijnde en dichterlijk-schoone, edelaardig-romantische ballade heeft neergedrukt..—
De volgende zang opent dan met deze schitterende vondst:
Ineens, als viel een ster, zoo stond De donkre hal vol van verlichten geur Maria's oog en wang en mond Won gloed en kleur! Zij zette 't kindeke van haar arm, Zij sloeg den mantel van om haar leên; Als een menschkind zoo bloot en arm Stond zij op 't kille steen.
Ik zal er wel niet op behoeven te wijzen hoè bekoorlijk van sprookjes-schoonheid, dit veranderen van het houten beeld in de levende Maria is; noch hoe schoon de vergelijkingen zijn: "als viel een ster"; "verlichte geur"; of hoe suggestief-beeldend dat 't kindeken-van-haar-arm-afzetten is; dan wel hoe breed en wijd, in die eenvoudige woorden: dat "Maria als een menschkind zoo bloot en arm op 't kille steen stond," heel de Christus-tragiek zelve: menschwording, lijden, eenzaamheid en armoede, ter wille der menschheid, voor ons opdoemt.—En waar ik mij overigens toch zooveel mogelijk met aanhalen dien te beperken—gij moet dan ook vooral zèlf het zeer makkelijk leesbare gedicht lezen—zal ik maar even navertellen dat de verdere inhoud van het begin dezer zang is, dat de Heilige Maagd nu de gedaante van Beatrijs aanneemt, haar kleeren aantrekt en haar dienst aanvaardt. Maar na dit gedaan te hebben, moet ik u alweer onmiddellijk doen opmerken, dat zoo schoon als deze vondst van onzen dichter nu ook zij, en in hoe zuivere verzen verwerkt, toch ditzelfde gedeelte tevens een aanmerkelijke compositorische zwakte van het gedicht aan het licht brengt. Zooals mét het elimineeren van het bewust zondares-zijn uit de Beatrijs-figuur, tevens noodwendig het sterkste dramatische conflict, dat "tusschen den zondaar en den heilige," zooals ik 't noemde, uit het gedicht moest verdwijnen; zóó verdwijnt ook hier, nu de lezer, onmiddellijk reeds bij het vertrek van Beatrijs weet, hoezeer Maria haar genadig is en wàt Zij voor haar doen gaat, elke benieuwdheid naar haar verder lot of naar waarin het mirakel nu eigenlijk bestaat! Terwijl wij door den middeleeuwschen dichter langzaam, door de donker-kronkelende gangen van Beatrijs' smartelijk leven, naar de plots openlichtende klaarte van het reddende wonder worden geleid, en wij daardoor mede-lijden met haar leed, en haar eindelijk heil niet kennen, vóór zij zelve het kent, weten wij dit laatste bij Boutens nog vóór zij-zelve 't weet!—Ongetwijfeld: er komen nog zeer veel fraaie détails, waarvan ik nu slechts noem, dat er den volgenden ochtend schrik en droefenis in het klooster zijn, omdat het eiken beeld van Maria is verdwenen, 't geen de dichter—let vooral op het zeer-lieve der beide laatste door mij gecursiveerde regels—aldus vertelt:
Heur hooge nis in de hal stond blind, Heur voetstuk leeg; Alleen het kleine Christus-kind Zat daar en zweeg.
Maar al dergelijke kostbaarheidjes kunnen het feit niet doen vergeten, dat de opzet van het gedicht: Beatrijs als een min of meer in trance verkeerende heilige voor te stellen, in plaats van als een zondig menschenkind, alle diepere en fellere menschelijkheid heeft doen teloor gaan, en er dan ook onvermijdelijk oorzaak van moest worden, dat het mirakel verhaal veranderde in een romantische ballade, waarin alle zin voor de werkelijkheid ten eenenmale zoek is. Van den tijd, verhopen tusschen vertrek uit en terugkomst van Beatrijs in het klooster, waarvan de middeleeuwsche dichter ons zoo veel en zoo warm-menschelijk wist te verhalen, vinden wij in dit gedicht niets: alles blijft in dezelfde vage trance-sfeer. Op een goeden dag komt Beatrijs, zooals zij eerst tot de innerlijke zekerheid kwam, dat ze 't klooster verlàten moest, nu tot de zekerheid, dat zij er weer in moet terùgkeeren. Dat is alles.—Die terugkomst op zich-zelve is weer wonderschoon van beelding. Laat mij een paar van die prachtige verzen voor u aanhalen:
De sombre poort week open wijd Bij d'eersten klop. Daar stond Beatrijs roereloos gewijd Met bleeken mond. Want de hal hing vol van wonder licht Als rozegeur in puren brand, Dat straalde van Moeders aangezicht Op zoldering en wand. Want de hal was vervuld van licht geluid Als veler waatren ver gerucht. Zij hoorde den klank van veêl en luit Op de doorzongen lucht. Zoo stond onnoozele Beatrijs Verheerlijkt met Maria mee. Eén ademtocht. Der heemlen wijs Verging in 't lied der zee. Zij zag hoe Moeder beurde en leid', Eer licht en lied verzwond, Heur vingeren gebenedijd Aan benedijden mond.
Ja, dit alles is voorzeker verrukkelijk mooi. Maar als de dichter ons dan verder verhaalt, dat, na nog wat jaren levens, Beatrijs
.... doofde en stierf: in stille kerk Sliep ze in Maria's tijdlijk kleed. Een andere zuster deed het werk Dat eens Maria deed. Doch weinig zonnen stegen, en Daar kwam een pelgrim, moede en grijs, Die vroeg den laatsten zegen en Zijn graf naast Beatrijs. Hij deed zijn sober kort verhaal Dat telde de jaren van Mei tot Mei, Voor al de zustren in de zaal. En toen verstonden zij.
Als de dichter, zeg ik, dàt verhaalt, dan waardeeren wij wel weer den fraaien vondst, waardoor hij het biechten van Beatrijs verving, maar wij voelen tevens, dat wij nu ook met dien "pelgrim, moede en grijs," eerst recht midden in de edelaardig-romantische ballade zijn aangeland, hetgeen dan ook onafwendbaar was, want zooals de middeleeuwsche dichter ons door zijn van leven-blakende realistische beschrijvingen langzaam voerde naar zìjne oplossing, puur-menschelijk in het kader van zijn tijd, en ons den man niet spaarde, die zijn lief in den steek laat; de verlaten vrouw niet, die van ontucht leven moet; en over al dat aardsche de heerlijkheid van het wonder en Beatrijs' visioenen liet stralen; zóó moesten wij ook wel na het vage sprookje van Boutens, en na in plaats van den mensch Beatrijs de kinderlijk-pure en heilige Beatrijs te hebben gevonden, belanden bij den vromen, grijzen en moeden pelgrim van alle edelaardig-romantische ballades. Dat ten slotte Boutens' Beatrijs, ongelijk de middeleeuwsche, geen kinderen heeft, is dan ook volkomen in den haak: niet alleen reeds dat rechtgeaarde ballade-minnaressen nóóit kinderen krijgen, maar ik ben er zeker van, dat ook het decadent moderne vrouwtje, 't geen zooals ik reeds opmerkte, Beatrijs óók is, en dat uit des dichters ziel in haar figuur is overgefladderd, tegen kinderen-krijgen ernstig bezwaar zou hebben gehad!...—Maar, zal ongetwijfeld menigeen zeggen: is het feit, dat dit verhaal ex voto is geschreven en aan "Charlie en Elsje" opgedragen, niet voldoende verklaring en—zoo ge die noodig mocht achten—verontschuldiging voor zijn gemis aan werkelijkheidszin; voor zijn gebrek aan menschelijkheid; voor zijn ontstentenis van bijna alles waarin de middeleeuwsche dichter zoozeer heeft uitgemunt; voor, ten slotte: zijn herabwürdigung van het mirakelverhaal tot een sprookje?—Daarop behoort dan echter m.i. met de meeste beslistheid een ontkennend antwoord te worden gegeven. Men houde niet wat slechts gevolg is voor oorzaak. Niet omdat hij kinderen nu eenmaal beloofd had, dit gedicht voor ze te schrijven, werd des dichters geest zóó, dat hij dat kòn; maar omdat zijn geest zóó was, dat hij 't zóó kon en mòest schrijven, kon hij dat ook dien kinderen beloven. Zeer wel denkbaar is het geval, dat hij slechts een Beatrijs van deze soort ware gaan schrijven, omdat hij 't nu eenmaal kinderen had beloofd, en 't dus daarom in zekeren voor kinderen verstaanbaren stijl moest dichten, maar dàn ware zijn gedicht onherroepelijk een prul geworden. Dat 't dit niet werd, en integendeel een fraai kunstwerk, bewijst dat zijn belofte en zijn voor-kinderen-schrijven overeenkwamen met waartoe zijn scheppende kracht hier in staat was en waartoe zij was geaard, zoodat dan ook dit "ex voto" en de opdracht "Voor Charlie en Elsje", van de meest volslagen onwaarde ter verklaring of "verontschuldiging" zijn.—En hiermede zij nu de bespreking van Bouten's Beatrijs beëindigd. Immers, ik meen, naast veel anders, ook te hebben aangetoond, van hoe een buiten-het-aarde-leven-staande sprokige vaagheid dit gedicht is; maar wat deze eigenschap op haar beurt weer bewijst, dat kunt gij in mijn vorig opstel vinden. Thans nog een enkel artikel over de Navertelling van R.J. Spitz.
Noot:
V.
Beatrijs, naverteld door R.J. Spitz
De heer Spitz heeft ongetwijfeld een voortreffelijk werk gedaan, met de Middelnederlandsche Beatrijs "na te vertellen," d.w.z.: behoudens enkele uitlatingen en wijzigingen, waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen —te vertalen. Maar die voortreffelijkheid zie ik vooral daarin, dat zijn arbeid wellicht menigeen zal aansporen het oorspronkelijke te gaan lezen, met behulp van zijn overzetting, waardoor het voor ongeoefenden zoo lastige en vervelende naslaan van een woordenboek kan worden vermeden. Want—en hierop lette men wel:—zoude zijn werk sommige lezers er toe brengen zich met dat werk alléén tevreden te stellen, dan is m.i. de verdienste van dezen vertaler in een schuld, en geen geringen, verkeerd. Een schuld, niet jegens die lezers, die allicht toch nooit op de gedachte zouden zijn gekomen, het oorspronkelijke te lezen, maar jegens den ouden dichter, wiens werk zulke lezers zich nu misschien verbeelden zóó te hebben leeren kennen, dat zij het in zijn ware en diepste wezen konden beluisteren, terwijl dit absoluut niet het geval is. De vertaling is, in den min of meer luchtigen zin, waarin journalistische critiek zulk eene qualificatie pleegt cadeau te doen, een goède vertaling; maar de literaire kunst-critiek, of hij die hàre middelen gebruikt, om nog onervarenen wat kunstgevoel bij te brengen, en hetgeen zij daarvan bezitten zuiver te houden—diè kan zulk eene overzetting eenige ernstige bedenkingen niet sparen. Wat mij betreft: vooral deze twee dingen vielen mij in de vertaling en in den vertaler op: 1 °. dat zij geen kunstwerk is en hij geen noemenswaardige kunstenaarsgaven bezit; 2°. dat zij beiden te fatsoenlijk zijn. En zij het, dat men mijne bevoegdheid van literair criticus in twijfel zou mogen trekken, wel niemand zal mij het recht ontzeggen, te beoordeelen waar het "te" der fatsoenlijkheid begint, want bedenkt: heb ik niet meer dan een kwarteeuw op klooverswinkels gewerkt en vormden diè niet immer de hoogeschool van het fatsoen?... Zoodat ik dan ook dáármee begin!
De eerste maal dan, dat de heer Spitz, bij het maken zijner vertaling een aanval van te-groote-fatsoenlijkheid kreeg, was bij de passage, waar, terwijl Beatrijs en haar minnaar, den morgen na de nachtelijke vlucht uit het klooster, het bosch en bloemenveld voorbij rijden, de minnaar aan het woord is. Dan luidt de vertaling aldus:
"Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk zijn zal."
Hier heeft nml. de heer Spitz het vers:
Laet ons spelen der minnen spel
verdonkeremaand.
En de tweede aanval overviel hem—en als literair arts fluister ik ù, die 't toch weten moét, in: twéé zulke aanvallen, zóó kort na elkaar ... dat is bepaald gevaarlijk ...—als Beatrijs antwoordt. Dan aldus de vertaling:
"Wàt zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge, door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen. Als we eenmaal in de eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt ge doen wat ge nu verlangt. Er is groote droefheid in mij om wat ge van mij gevraagd hebt.
Hier is het door mij gecursiveerde gedeelte een verfatsoenlijking van:
Alsic bi u ben al naect Op een bedde wel ghemaeckt, Soe doet al dat u ghenoecht, Endedat uwer herten voeght;...
De heer Spitz heeft, toen hij aan deze beide flauwten, die tegelijkertijd flauwiteiten waren, toegaf, en zich niet als een kerel op de been hield, verscheidene dingen uit het oog verloren, welke hij beter erin hadde gehouden.
1°. Door dien eenen versregel uit het voorstel van den minnaar te laten vervallen en toch Beatrijs haar bulder-antwoord te laten geven, wordt het vóórstel, in zijn juisten zin, pas verstaanbaar door de weigering ervan! En zal het tevens gebeuren, dat de lezer verontwaardigd uitroept: "Wel, dat is me 'n lieve zus, dat onschuldige nonnetje, diè het 't achter de mouwen; die snapt werachies nog eerder wat die jongen van haar wou dan ik 't deed!", zoodat: de heer Spits wel erg fatsoenlijk is gebleven, máár: Beatrijs ònfatsoenlijk heeft gemaakt!
2°. Dat een ontvluchte non—en dan nog wel eene met het gevoel en het bewustzijn van Beatrijs!—tot haar minnaar spreekt van "het echtelijk slaapvertrek," dat hen zou wachten, is een onbetaalbare zotheid. Maar bovendien: men vergelijke eens vooral de beide laatste regels in het citaat uit het origineel, met dat: "dan moogt ge doen wat ge nu verlangt." In de eerste voelt ge de levenswarme kuischheid van de vrouw, die, zelve véél meer liefdevol dan zinnelijk, uit liefde den man het te-veel aan zinnelijkheid in zijn liefde vergeeft, omdat zij begrijpt: dat is nu eenmaal des mans—en hem toegeeflijk-belovend berustigt; in de woorden der vertaling daarentegen voelt ge: de pruimenmondjes-preutschheid van de woord-kuische. Dit laatste wordt namelijk veroorzaakt doordat de regel: "Ende dat uwer herten voeght" niet juist is overgezet, waardoor de voorstelling der gemoedsliefde—opluwend in het origineel uit het woord herten—hier heelemaal niet bij Beatrijs schijnt te bestaan en zij alléén de aanstaande grof-zinnelijke daad schijnt te zien, waarmee ze dan tevens natuurlijk het overheerschend-zinnelijke van haar eigen voelen verraadt! En overigens: had de heer Spitz niet kunnen en moeten begrijpen, dat hij, door dat "middeleeuwsch-ruwe" moderniseerend te "beschaven," iets van het tijd-eigenaardige uit het gedicht wegsneed en hiermede allicht zijn levensduur bekortte, want dit is toch wel één van de oorzaken—zij het een zeer bijkomstige—van het voortleven van een kunstwerk uit vroeger tijd: dat de begeerte naar de allerfijnst-intieme èn psychologische kennis van dien tijd er door bevredigd kàn worden, soms, als nergens anders?... Ach, wij menschen!... wij klagen over "den tand des tijds," en laten ons-zelf als valsche tanden—en hòe valsch!—in zijn kaken zetten, om zijn knaagvermogen te verhoogen!...
"Maar," werpt ge mij tegen, "behoort dàt allemaal onder de rubriek "te fatsoenlijk" thuis; kan men het niet evengoed onder het hoofd: "Tekort aan kunstenaarschap" rangschikken?" En inderdaad, mijne geachte jonge vrienden, die tot mijn matelooze verrassing nog niet door deze verhandeling in-slaap-verveeld zijt—als ge mìj vraagt: ik weet 't zelf niet.... Daar zijn van die grensgevallen.... Maar komaan, laat ons niet twisten over een naam! Ziehier nog zoo'n grensgeval: de heer Spitz schijnt nu eenmaal een onuitroeibaren haat tegen "zoogen" te hebben. Waar hier met geen mogelijkheid eenig fatsoenlijkheids-begrip in 't spel kan zijn, ben ik geneigd te vragen: heeft hij een agentuur van zuigflesschen, of de vertegenwoordiging van 't een of ander kindermeel, dat hij met het wóórd "zoogen" wellicht ook de dààd uit de wereld wil helpen? Het blijft gissen. Maar ongetwijfeld is 't een ònschuldig genoegen, dat men zich verschaft, wanneer men "die God soghede" met "Gods Moeder" vertaalt. Edoch, deze "zoogen"-haat wordt een bepaald duivelskwaad, als men "diene soghede" overzet met: "die hem de moederborst reikte." Hier is het geen grensgeval meer; hier zijn we zèker en middenin bij het gebrek aan fijn taalgevoel, bij het tekort-aan-artisticiteit aangeland. Het is natuurlijk een goedkoope aardigheid, om den vertaler te vragen, of dat "aanreiken" hier, waar het toch een god gold, op een zilver dan wel een goud presenteerblaadje geschiedde; maar die goedkoope aardigheid welt dan ook vanzelf naar de lippen, als weerslag op de àllergoedkoopste want tot den laatsten draad toe afgedragen en nietswaardige rhetoriek der vertaling, hier. "Muziek lokt van een ziel muziek weer los," zong Gorter. En hier hei-je daarvan nou 'ns 'n verrukkelijk voorbeeld!—Is het ook niet evenzeer rhetorisch, als men dit stuk, met dien prachtigen door mij gecursiveerden regel:
Daar die voghele hadden feest. Si maeckten soe groot gescal, Dat ment hoerde overal ...
vertaalt met: "waar de vogels luide en jubelend hun lied zongen"? (daarbij op den koop toe—ik zei toch: rhetorica is niet duur!—den mooisten regel totaal verdonkeremanend!) Neen, onze vertaler heeft nergene het fijne gevoel eens kunstenaars gehad, noch waar hij liet vervallen, noch waar hij toevoegde. Ai, zou ik den heer Spitz willen zeggen, het "gij zult er niet aan toevoegen en er niet van afnemen," dat is ook voor de vertalers van de groote dichters geschreven!—Nòg een voorbeeld van "eraf nemen." Als de heer Spitz schrijft:
Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde. Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.
dan kapt hij tusschen: "veel gelegen zijn" en: "De jongeling las" dezen versregel weg:
Die bode ghinc daer de jonghelinc was
en ook vóór: "las" de woorden: "Hi nam." En dat alles had hij volstrekt nièt mogen doen. Hij heeft waarschijnlijk gedacht: die oude dichter had te veel den tijd, wat is-ie breedsprakig. Mis, waarde Heer. Met dat in-stukken-hakken-der-handeling, in dat verlangzaamde tempo—dat uit die "breedsprakigheid" is ontstaan—is de plechtigheid en het gewicht van dit voor Beatrijs supreeme levensmoment, dat over heel haar toekomst beslist, gebeeld: tot plasticeerenden klank en rhythme geworden!