M.H. VAN CAMPEN (continued 4)
Reading edition
Het flapuiterig-jongensachtige komt ook treffend uit—al bereikt het daar, insteê van een hoogte van kluchtigheid, een laagte van gemeenheid —in zijn beschuldiging, dat ik "in hetzelfde artikel" (cursiveering van v. V.) waarin ik Scharten verweet, dat hij "de Telegraaf" "in 't gevlei kwam", Querido "kritiekloos had opgehemeld", Querido, "die redacteur van Stad en Land is". Welnu, de lezer oordeele: na mij zoo ongeveer een ongeluk te hebben gezocht, heb ik in genoemd artikel dit zinnetje gevonden (iets anders over Q. stáát er eenvoudig niet, dàt moet 't dus zijn): "Ge (de Zionisten) verdedigdet slechts twee menschen—van wel zeer ongelijke beteekenis, maar beiden slechts menschen." Waarmede ik dus onder meer zeggen wilde, dat ik Querido boven mij zelf plaatste. Er prijs op stellend—wie zou zich na zoo'n afstraffing niet beteren!—zoo "eerlijk als een scheerspiegel" te zijn, zeg ik, ofschoon nu mijzelf "ophemelend", even onverstoorbaar en koel als waarmee ik al 't andere zeg, nu dìt: als criticus en stylist beschouw ik mij geenszins als de mindere van Is. Querido, máár: hoeveel keer zou ik wel aan "granaatschok" moeten hebben geleden, om zóó stapeldol te worden, dat ik niet zou inzien, als menschenschepper en episch verbeelder zoo oneindig ver beneden hem te staan, dat zelfs dit te verklàren reeds belachelijk ware, omdat eenvoudig èlke vergelijking onmogelijk blijkt? En wanneer ik dan deze "ophemeling" op zoo weinig ophemelende wijze "debiteer", als ik in 't boven geciteerde zinnetje heb gedaan, dan komt dit ongegeneerde bengeltje en vergelijkt mij met Scharten, die bij zijn allereerste optreden in De Telegraaf dat blad "het geweten van Holland" noemde—èn ziet dus (o wonder!) trots zijn eigen kleinheid dit groote feit òver 't hoofd, dat: Scharten pas tot de ontdekking van der Telegraaf voortreffelijkheid kwam, op den eigen oogenblik, dat hij medewerker werd aan dat blad, en ik daarentegen tot de ontdekking van Querido's hooge waarde als scheppend kunstenaar was gekomen èn die had kenbaar gemaakt, lange, lange jaren vóór zelfs van het bestaan van Stad en Land sprake was. Komaan, vrienden, een stukje literatuurgeschiedenis en 'n paar data voor de variatie. Querido heeft over mij zijn eerste critiek in 1908 geschreven—men kan haar herdrukt vinden in zijn tweeden bundel Letterkundig Leven—. Daarna nog twee, niet gebundelde, over mijn latere boeken. Alle drie verschenen in het Handelsblad. En alle drie behooren tot het innigst-liefdevolle, het zoetst-lyrische, en het waarachtigst-bewonderende dat hij ooit geschreven heeft, terwijl vooral de eerste—over mijn eersten critischen bundel—altijd voor mij één schittering van synthetische mensch-doorgronding en -herschepping, èn scherp-ontledend—bijv. invloedend-aanwijzend—critisch oordeel is gebleven. Onnoodig te zeggen, dat hij in geen enkel opzicht van mij afhankelijk was!! Onnoodig reeds, omdat voor ieder, die innerlijk zien en hooren kan, deze stukken stràlen en luiden van echtheid. Dit wat hèm betreft; nu wat mìj aangaat. Mijn eerste studie over hem verscheen in 1911 in De Ploeg. Zij werd mij in de pen gegeven, zoowel door een heftige verontwaardiging, over de wijze waarop deze man in De Telegraaf was verguisd, als door een diepe bewondering voor zijn gaven als criticus, in welke hoedanigheid hij immers juist was aangevallen. Er leek toen toch waarlijk weinig voordeel aan, om zijn verdediging op te nemen! Wie stortte toen niet zijn gallige "geestigheid" over hem uit.—Daarna schreef ik over hem in De Gids, over een critischen bundel; in De Boekzaal over "De Jordaan".—Tijd en plaats hebben nimmer mijn critisch oordeel beïnvloed. Ook mijn bewòndering heb ik niet getemperd, omdat ik in dìt blad schreef, zoo min als mijn afkeuring, in een ander; en ook het omgekeerde heb ik niet gedaan. Het boek en het boek alleen, ònafhankelijk van de plaats mijner critiek, bepaalde mijne afkeuring en bewondering, èn hunne mate. En het zou mij al zéér makkelijk vallen dit te bewijzen, zoowel met mijn Querido-besprekingen in "Stad en Land" als met die daarbuiten.—Genoeg. Het is duidelijk na dit alles, niet waar, dat ik in. 1911 Is. Querido "ophemelde", omdat ik in 1917 medewerker werd van Stad en Land. En het is even duidelijk, dat dit hetzelfde is als toen Scharten in Maart 1916 "De Telegraaf" "het geweten van Holland" noemde, terwijl hij in ... Maart 1916 medewerker werd van dat blad! Schààm U, meneer van Vriesland, om dèze clowneske zotheid vooral, als ge het schamen nog niet hebt verleerd. Gij moogt dan nog wel den geest van een knaap bezitten: als ge den leeftijd hebt van een jongen man, stelt men U in het maatschappelijk leven verantwoordelijk als een man....—Maar mijn God ... hòe kon ik dàt zeggen ... ik ellendeling! Hij ìs immers niet meer verantwoordelijk nà dat ongeluk met die bom.... Al wat ik daar schreef, is immers maar een verhandeling over het jongensachtige, dat wàs....
Het jongensachtige dat wàs, en nog zoo echt wild en onbesuisd aan den dag trad: ook in de bestrijding van den lof, dien ik den vertaler van Le Feu toekende. In dat de-klok-hooren-luiden-en-niet-weten-waar-de-klepel-hangt. In dat dooreenhaspelen van verschillend-soortige waarden en het verwarren van ten eenenmale verschillende plans van beschouwing met elkaar. Een boek kan linguistisch-accuraat vertaald zijn en de vertaling kan, aesthetisch-critisch gesproken, een prul zijn. En omgekeerd: een boek kan linguistisch niet zéér nauwkeurig zijn overgezet, en de vertaling kan een meesterstuk wezen. Mij, kunst-critisch beoordeelaar, raakt de linguistische juistheid der overzetting precies in die mate, niet minder maar ook niet meer, als zij de kunst-waarde beïnvloed heeft. Heeft zij die kunstwaarde benadeeld, dan laak ik haar; is dat niet het geval, dan laat zij mij volmaakt onverschillig. Ik ontken ten nadrukkelijkste, dat de door van Vriesland aangewezen onnauwkeurigheden de kunstwaarde van de Rosa's vertaling hebben geschaad. En ik blijf als mijn meening handhaven, dat hij zijn kunstenaarsaanleg en meesterschap-als-vertaler prachtig heeft getoond door: zijn voortreffelijke transpositie uit het Fransch, van stemmingen en het dialogistisch leven; door: het geven ook, telkens en telkens weer, van aequivalenten in onze taal, juist voor die scherp-beeldende woorden—ik heb een enkel voorbeeld in mijn critiek gegeven—in het vinden waarvan Barbusse zoo heeft uitgemunt. Dat ik overigens met mijne bepaling van de betrekkelijke waarde der linguistische accuratesse niet alleen sta, wordt wel door niets beter dan door de houding van de Meester jegens deze overzetting, bewezen. Hij zegt: "Wij voor ons hebben den vertaler bewonderd". Hij noemt de Roza "een uitmuntend kenner ook van het spreek-Fransch". En terwijl toch volkomen uitgesloten is, dat hìj, ongetwijfeld een van de beste Franschkenners in ons land, die onnauwkeurigheden niet zou hebben bemerkt. Maar ook hij, kunstbeoordeelaar evenals ik, zal die foutjes volmaakt onbelangrijk voor de bepaling van de kunstwaarde der vertaling hebben geacht, en die derhalve, alweer als ik—zooals van zelf spreekt: hun bestaan daarmee volstrekt niet ontkennend—aan de als linguisten poseerende vlooienzoekers ter apige vondst en oppeuzeling hebben overgelaten.—En nu ... zou ik mij nu, na zooveel zelfbedwang te hebben getoond, nog boos maken, omdat onze overigens zoo lòslippige kwant ook 'ns voor de verandering de lippen stìjf op elkaar hield geklemd toen-ie ze had behooren te openen om te vertellen, dat ik niet slechts op de voordeelen maar tevens op de nadeelen van "het gebruik van 't vocabulaire der Burks" heb gewezen? Ja ... gij lezers houdt wel van zoo iets, maar gij hebt makkelijk praten ... gòtbewareme.... En als 'k 'm nou in m'n drift 'ns 'n ongelukkige slag gaf? Wat dan?... Dan zou ik immers m'n heele leven 't gevoel houden, dat Herodes na den kindermoord van Bethlehem moet hebben gehad....
En nu het pathologische? vraagt ge. Jawel, dat komt. Maar ik had nu toch wel veel liever een medisch hoogleeraar in plaats van een schrijver willen wezen. Dan had ik den ongelukkige, vóor ik mijn college aanving, met een verpleger de zaal uitgestuurd. Want àls-ie nou 'ns begrijpt wat ik zeg, dan moet dat toch averechts op zijn—hoewel trouwens onwaarschijnlijke—genezing inwerken. Maar in Godes naam, vooruit maar, het belang der gemeenschap gaat nu eenmaal boven dat van het individu. Daar zijn wij 't, bij uitzondering, in dèzen tijd toch wel allemaal over eens, niet waar....—Onze patiënt dan heeft het volgende zinnetje neergeschreven: "Ik bedoel van Campen (die, o jammer, in dit beschaafd gezelschapsspelletje zijn kunstproza opgaf om kritieken te leveren".) Nou ... wie doet je wat!... Het "beschaafd gezelschapsspelletje" waarvan hier sprake is, dat is Stad en Land, en daarin—zoo meent onze patiënt—heb ik dus mijn kunstproza opgegeven, om kritieken te leveren! Welnu, luister: ik schrijf niet pas kritieken, sinds ik medewerker werd aan Stad en Land, ik schrijf er sinds 1903! En ik heb het schrijven van mijn "kunstproza" niet opgegeven in 1917 maar in 1908...! En ziehier nu, kort en bondig, de bladen en tijdschriften, waarin ik gedurende al die jaren critische opstellen en essais heb gepubliceerd: De Kroniek (van Tak), De Amsterdammer, Het Volk, De Boekzaal, De Ploeg, De Gids en De Nieuwe Gids. Dat zijn, niet waar, nu niet bepaald obscure blaadjes? En ofschoon heel het literair ontwikkeld publiek dus moet weten, dat ik sedert jaren aan critiek-schrijven doe, deze dichter, prozaist en collega in de critiek weet het dus niet. Let wel: hij weet 't niet. Maar ach, maar ach, hij wist 't natuurlijk wel. Alleen: de granaatschok heeft klaarblijkelijk zijn geheugen vrijwel volkomen vernietigd. Gij zult het mij wel willen toestemmen: deze omstandigheid maakt hem reeds tot een interessant psychiatrisch geval, maar als een psychiatrisch unicum schat gij hem pas zoodra ge 't volgende verneemt. Onze patiënt had tot vriend en leeraar een reeds ietwat bedaagd en hoogst eerbiedwaardig geleerde en kunstenaar. Nu geviel het eene keer, dat deze man een boek schreef en ik dat vrij uitvoerig recenseerde. En toen nu mijne kritieken weer eens werden gebundeld, nam ik ook die erin op. Onze patiënt—die, gelijk ik U reeds zei, in zijn helderen tijd een aardige jongen was—bracht, naar ik later vernam, mijn bundel naar zijn geliefden leeraar en vriend, en deze, die mijn critiek op zijn werk nooit gelezen had, was daar toen buitengemeen mede verheugd, en hoogstaand man als hij is, aanvaardde hij naast mijn lof ook mijn in de critiek vervatte, niet geringe blaam en noemde mij den besten criticus des tijds én: een man van hooge eerlijkheid. En dat nu dìt gebeuren, waarin hij zelf een rol speelde, en dat op zijn jeugdig gemoed toch een diepen indruk moet hebben gemaakt, thans zóó spóórloos uit het brein van dezen beklagenswaardigen lijder blijkt vervluchtigd, zoodat hij 1° niet meer wist, hoe ik reeds lang geleden critieken heb geschreven, en 2° trots de hem bekende meening zijns geliefden leeraars, mijn eerlijkheid heeft aangerand, dàt, nietwaar, stempelt zijn geval tot een, waarvan men hoogstens de weerga in dat van die geleerde Russische dame kan vinden, die op een morgen ontwakend, tot zelfs haar moedertaal vergeten was, en die men voortaan als ware ze een kind, in alles behulpzaam moest zijn. Helaas, ook in dit laatste ziet gij maar al te wel de treffende overeenkomst der symptomen. Heb ik ook dezen jongen man reeds thans niet meer dan eens op het kinderstoeltje gezet?...—
Maar "pathologisch" of "jongensachtig", dat zijn maar de onderscheidingen der analyse. Stijgt nu langs het pad van mijn geestelijk gehoor en gezicht tot de hoogte der stralende synthese op. Onderken in zijn wezen de ééne zielshouding, in zijn uiting de ééne zielskreet.... Toen hij geknield lag voor den Mosgroenen Troon.... Beluister wat hij toen zeide: "O, opperst en onvolprezen Heer der Nieuwe Groene, ik heb mij ganschelijk U gegeven. Ik heb mij vernederd tot er niets meer aan mij te vernederen was. Ik heb mij ijlings tot Uw dienst gespoed, en eens de gelegenheid mij door Uwe genade gegeven, Uw heiligen dienaar Scharten de voeten gezalfd, maar van Campen, den booze, vernietigd. Neem dit in welbehagen aan. Het is waar: ik heb het verbod van het afleggen van valsch getuigenis overtreden, toen ik het voorstelde, alsof deze verworpene zijn arbeid uit kliekgeest had verricht, want van de honderden regels, waaruit dat opstel bestaat, spreken slechts een tiental over den vertaler, maar nochtans bedenk wel, o Heer der Groene Scharen, de nietigheid van dit verbod: is het niet slechts uitgegaan van den God der "Joodsche querulanten"?... Ja, ik heb mij zoo gebogen in 't stof en gedompeld in 't slijk, dat ik, mijn zij 't kort verledentje als een verrotte en leege huls achter mij werpend, in een hetzerig zinnetje het heb doen voorkomen, alsof deze "kliek" slechts uit een natúúrlijk "het Uilenburgsch idioom" sprekend kringetje Ghettojoden bestond. Mocht Gij dan ook Uwe ooren niet sluiten, mijn God, voor mijn Haarlemmerdijksch-antisemietische grap en vergeet haar verdienste niet: Jozep Loopuit heb ik hem genoemd... bah! zoo'n Jiddische naam ... Jozep, "Uilenburgsch"-dik, heb ik 'm nagesmoust uit m'n kelder ... Heer, ik heb mij zelf gebròken in Uw dienst; nu kan ik niet meer, laat het genoeg zijn. Mag Uw knecht thans ingaan tot uw vrede?"...
En zìe, zìe nù ook, hoe zich het troostend wonder voltrok. De duister-dreigende, ondoorvorschbare nacht-gewelven boven den troon—herziet ge 't wel?—werden van uchtendlicht doorschoten. Als een bloemige dageraad verscheen de borst des gods, en gelijk het aanschijn eens halsketens, gelijk het aanschijn van Charivari daaraan hangende, beukelaar helm en zwaard en inktkoker en vergrootglas, straalde het in vurige gedaanten, en de verschijning des Charivari's, dreigend gebliksemd hebbende, verwisselde hare gestaltenis, veranderend genaderijk in gouden engelenkopjes, liefde-hartjes en strikjes. Tóen sprak een Stem van boven de stralingen: "Nademaal, Mijn Zoon, gij U om mijnentwil zoozeer bevuild hebt, wasch Ik U af. Nademaal gij U-zelf hebt verworpen, richt Ik U op. Gìj hebt veel geleden, Mìjn vertroosting zal rijkelijk zijn. Zie, Ik geef U naam en macht in Mijn Huis. Elke twéé maanden zult gij op het Perkament der Zaligen één héél stukkie mogen schrijven van ¾ kolom, en het zal velen tot gerief en uitkomst in hun meest benauwde oogenblikken verstrekken, en de zegeningen van Psalm 150, dewelke ook genaamd wordt Koef-Noen, zullen uw loon zijn. Maar weet, Mijn zoon, en verkondig het alomme, het einde der dagen van De Nieuwe Groene is nabij, ja het is haastiglijk te komen. En het zal te dien tijde geschieden als Mijne vijanden den mond wijd zullen opensperren en uitbreken in gejuich, dat Ik een nieuwe Tent-van-Wiessing maken zal, hoedanig geen Kleerekoper ooit heeft aanschouwd noch een Hahn geteekend. En Ik zal de Salon-Bolsjewieken roepen, mitsgaders de "Bleeke-Broeder-Fransje's" en zij zullen Stad en Land omkeeren te vuur en te zwaard en ook van de paleizen der van Hamels en van Eedens geen steen op den anderen laten. En Ik zal roepen tot den lande Blaricum, Mijn Woon, en het graf zal de Heilige Aestheten teruggeven, die daar hebben geleefd en gewerkt; zij die de nimmer gekamde haren tot over den van extase-vuur gebruinden nek hebben gedragen; en zij die met bloote beenen liepen vanwege de dreiging des gaten-vallens in de kousen, bij den zevenvuldigen knieval voor Mijner Muzen troon, en om de moeiten des stoppens; en zij die van wege hun bezworen onthouding in vijf en twintig jaar geen druppel water op hun lijf hebben gehad. En ik zal ook tot mij vergaderen de verfijnden, hen die met welriekende geuren zijn overdauwd, die in de Lichtstad hebben gewoond, en daar tot de Zuivere Inzichten zijnde gekomen, voor eeuwig de Onvergankelijke Waarheid hebben bevestigd, dat niet, gelijk de Vijand de Rosa lasterde, een cocotte een ketel is, maar dat cocottes (lieve) kippetjes zijn. En zie, ik zal de Salon-Bolsjewieken doen neerzitten bij de "Bleeke-Broeder-Fransje's", maar de Ongewasschen Stinkers zal ik scheiden van de Geurenden, opdat niet hunne neuzen hun een verderf der zaligheid zullen zijn. Edoch, gezamenlijk zullen zij juichen voor Mijn Aangezicht. En gij, mijn Knecht, gij nu-droevig-in-uw-hemd-staande, hul U thans in de lichtglanzen van dit Mijn heerlijk woord: In deze Nieuwe-Tent-van-Wiessing zult gij een der ópperste onsterfelijken en zaligen zijn...."—
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Mijne vrienden, het doet mij leed, U zoo te hebben moeten teleurstellen, gij hadt natuurlijk op zoo'n ouwerwetsch "scherp" polemiekje van mij gehoopt. Het spijt mij, ik kón niet hard zijn tegen mijn gevoel in. Bant mij deswege niet uit deez' knusse kliek. Een andermaal beter, ik belóóf 't: als 't gaat tegen een geestelijk-volwassene, èn die bij zijn volle verstand is.
30 Nov.—1 Dec. '18.
Noot:
CARRY VAN BRUGGEN: OM DE KINDEREN
Jodin in de diepste gronden van haar wezen—'t geen allerminst zeggen wil: in haar bewustzijn—; een kind van het ras, dat, zeker in zijn eigen taal en bloeitijdperk, geen bladzijde literaire kunst heeft geschapen, welke niet leeraarde of vermaande, niet aanviel of verdedigde; een ras van lyrici bovenal—is Mevr. van Bruggen een van de meest-begaafde en zielvolste schrijfsters van ons land gebleken, èn kon zij er nochtans niet in slagen, een roman te maken, welke met het beste werk harer kunstzusters op één lijn kan worden gesteld. Een geest tè rijk, een hart tè groot, omdat zijn zelfbeheersching te gering is. Een ziel te hartstochtelijk, om zich onder discipline te bukken, en die daarom ook zienderoogen verarmde, afkoelend-inkromp, zich niet meer geven kon in àl haar schoonheid, toen eens gelouterder kunstbegrip en vaster wil, zich in haar openbarend, haar die discipline opdrongen. Een menigte van begaafdheden is 't in haar; begaafdheden die, in 't elkaar-verdringen voor de poorten van het woord, elkander verminken. Het rusteloos betoogen der essayiste gunt vaak der romancière de bezinningsstilte voor het beelden niet. De haat en de liefde van de opstandige rooft telkens de epische auteur de rust, die boven opstand èn berusting beide is. Dàn gaat de geesteshouding van den epicus in die van de opstandige, van den apostel teloor. De eerste leeft mede met zijn schepselen, de laatsten worden geleefd mèt hunne mede-creaturen. Dàn, in zùlk strijdrumoer, door zùlke vlagen van den strijdbaren, dóórdrijvenden wil, worden de deuren der diepste onbewustheid als door een storm dichtgeslagen: het schoonste woord blijft ongezegd, de schoonste verschijning in 't ongekende donker gevangen. Dit haar boek is zeer wel in twee gedeelten te splitsen. Het eene: waarin het persoonlijk-rhythme van den vrede en harmonie heerscht: het is dat deel waar de figuren verblijven, die de schrijfster liefheeft; of waarin de natuur wordt gebeeld, ja zelfs waarin al datgene leeft, waarvoor zij noch persoonlijke liefde noch afkeer heeft. Dat deel is schoon en zoet En om even het wellicht allerbeste daaruit te noemen: Emilie's droom—dat bezit een voortreffelijkheid, waarvoor ik de diepste bewondering heb. Maar dan is daar helaas ook dat andere deel: het bagno der gehaten, waarin het persoonlijk-rhythme van den innerlijken onvrede en der disharmonie overheerscht—daar wordt het werk een ruzie-, een kijf- en een roddel-boek. Het is het noodlot—maar het zeer wel ontkoombare—van de joodsche profeten- of apostelen-natuur, die een roman schrijft. Want: het is het noodlot van hem, die van het onpersoonlijke toornen tegen ideeën, zeden, en volkeren tot het boos-zijn op individuen vervalt. En de romanschrijver lokt den profeet en apostel voortdurend in dien strik, want het is de levenstaak van den romanschrijver zich met het scheppen van individuen en der zich vervlechtende kleine, individueele lotgevallen bezig te houden. Maar dat, in 't algemeen gesproken, aan dit noodlot, aan dien strik, te ontkomen valt, is buiten kijf. Te vaak is dit ook door werk in onze taal bewezen, dan dat hieraan zelfs een schijn van twijfel zou kunnen bestaan. En zoo nu Mevr. van Bruggen er nièt aan ontkomt, dan mag dat wel allerminst een reden zijn om het vèle en zèer schoone in haar arbeid te miskennen, maar het mag ons zeker wèl aanleiding geven een opmerking te maken, die er zich nochtans, in het bewustzijn dat prikkels een sterke áántrekkingskracht voor verzenen hebben, wel voor wenscht te hoeden een raad te zijn. Het is deze: het geven van veel meditatie der figuren—en welke eindelóóze meditaties geeft deze schrijfster!—en van psychologische ontleding, versterkt natuurlijk de analytische vermogens, en dat zijn in hun diepste wezen de middelen van strijd en de krachten van ontbinding; het plasticeerend-beelden der figuren daarentegen versterkt de synthetiseerende vermogens, en dat zijn de krachten van het vredige, het harmonische en het in-stand-houdende. Het zou derhalve voor de hand liggen, dat een schrijfster als mevr. v. B., wier werk lijdt onder een tekort van de laatste en een te veel van de eerste, en die bovendien zulk een prachtigen aanleg voor het plasticeerend beelden heeft, zou pogen aan dièn aanleg héél haar psychisch wezen tot vrediger sfeer en zuiver-stille aandacht omhoog te heffen.... Nochtans, hoever is zij daarvan in dit werk verwijderd! Onder den drang van haar hekellust, wordt zij soms op het moment-zelf dat zij dien aanleg gehoorzaamt, hem reeds ontrouw. Dezelfde kunstenares, die buitengemeen-fraaie natuurbeschrijvingen geeft; die de liefdevolle beelding van een Ard Hettema vormde, schrijft in hetzelfde boek dit stuiversblad-novellezinnetje: "een bejaard, kort heertje, bestaande uit[1] zomersch lichtgrijs ruitjespak, grijzend puntbaardje en glanzende bruine schoenen". En niettemin zoudt ge u vergissen, als ge hier ook den "humor" van het stuiversblad achter vermoedde—deze schrijfster is er verre van, dergelijke geestelooze flauwiteiten neer te kladden—neen, het is niet anders dan de haat tegen, de hekellust ten opzichte van het haar antipathieke type: meneer Scheffelaar, dien zij hier uitviert. Indièn die drang en zijn gevolgen eens kwamen te vervallen, wel, laat mij ook dit er van zeggen, we zouden er misschièn ook iets bij verliezen. Allereerst: zeer geestige spot; dan: zekere uitmuntend-venijnige analysen in figuren-meditaties en daarbuiten. Maar toch, néén, we zouden immers dit alles niet hoèven te missen, het zou hoogstwaarschijnlijk niet verdwijnen maar wel van een hooger en fijner natuur worden. Nu zijn toch, in de analysen en meditaties, de heel-subtiele, de opperst-fijne plaatsen zeldzaam—ik kon er slechts een vier of vijftal noteeren—nù is de schrijfster zelfs nog niet allen vreemden invloed te boven: er zijn bijna-"sensitivistische" gedeelten in de beschrijving van Frans' wandeling, die mij duidelijk op van Deyssel geïnspireerd lijken en ook iets van zijn eigenaardige geserreerdheid vertoonen. Dàn echter, in die stiller en zuiverder atmosfeer, zou dat heel-subtiele, dat opperst-fijne vaker openbloeien; dàn, in die rustige en zielsdiepe bezinning geen vreemde invloed ongezien meer kunnen binnensluipen; en dan zou het ook, bij deze rijk-scheppende natuur, allicht wemelen gaan van waarachtig-dichterlijke schoonheden als deze: "sleepte hij zijn stok bij den greep achter zich aan, een spoor van zijïge ritselingen, als volgden hem vogels op den voet." En hoeveel beter zou de beelding van het kinderleven ook worden, een genre, waarvoor onze schrijfster reeks zoo menigmaal aanleg heeft getoond—het kinderleven dat in dit boek niet in de schàduw zelfs, van bijv. Ina Boudier's scheppingen kan staan. Want waar het beelding is, levend bewegen, is 't meestal zóó "humor"-rijk, zóó vettig-van-'n-traan-en-'n-lach.... "De twee kleine meisjes protesteerden tegen dit stellen van een premie op valsch zingen". Foei, foei, Mevrouw, U die hier in de sfeer van het kinderleven behoorde te zijn. U die hier in hun ziel moest leven, en daaruit spreken, ù schrijft hièr van: "protesteeren" en "het stellen van een premie"? Zoo zouden wij, niet-scheppenden, dat zacht-grappig vertellen, wij, die deze sfeer van buiten-af liefjes waardeeren of beminnen....—En hoeveel te eer zouden dan ook de toevalligheden in de compositie verdwijnen.... Komaan, hopen wij dat, in de toekomst, de opstandelinge niet meer der romancière dien innerlijken vrede en harmonische rust zal rooven, waarzònder het werk der laatste, trotsch al hare gaven, toch immer slechts tweederangs blijven zou.—
Dec. '18.
A.B. KLEEREKOPER: OPROERIGE KRABBELS
Men zou, hing dat uitsluitend van de waarde van dit werkje-zelf af, met vrij groote zekerheid hebben kunnen voorspellen, dat met de publicatie daarvan een nieuwe aera in onze vaderlandsche journalistiek zal aanbreken—een aera, waarin geestigheid, distinctie en populariteit elkander nièt dooden. Maar helaas, wij weten 't nu allen wel, dat er deeg is, waartegen èlke gist onmachtig blijkt. En fijngemalen slaapbollen zijn in dit opzicht ietwat nòg onoverwinnelijker dan zelfs Posthuma's rijstemeel. Bovendien: in dit land van commodelaadjes, vakjes, etiquetjes, secten en specialiteiten, druischt het ongetwijfeld tegen de eerbiedwaardigste separatistische tradities in, dat een bijzonder geestig journalist tevens een distinctievol stylist is. Moresco, dien ik mij als de schrijver van "Rustpunten" in De Nieuwe Courant herinner, was, vóór Kleerekoper, de eenige, die dien gruwel van overdaad bedreef, en zelfs Barbarossa, gelukkig bezitter van een natuurlijk-wellende en rijke geestigheid, is dan ook zoo bescheiden niet de geringste nuance van stylistische schoonheid of distinctie te vertoonen. En zoo zullen wij maar goed doen met alle gedachten aan een Kleerekoperiaansch journalistiek tijdvak uit ons te bannen, en integendeel te verklaren: dit werk is niet alleen een unicum in zijn vereeniging van spiritueele losheid met compositorische hechtheid en distinctievollen stijl, maar helaas, het zal dit ook blijven. En: een unicum niet slechts in de journalistiek, maar ook in de literatuur. Het ware dan ook 't schromelijk onrecht doen, indien ik, ter oorzake van het feit, dat zijn inhoud voor 't eerst als vluchtig dagbladwerk verscheen, er de hoogere literaire qualiteiten in zou miskennen. Ai, welk een fanatiek sektariër zou ik zelf dan moeten zijn! Veeleer dient met nadruk gezegd, dat de allerbeste uit deze selectie van in Het Volk verschenen Oproerige Krabbels een nieuw soort prazagedichtjes vormen: prozagedichtjes van satyriek vernuft en niet zelden ook van meer liefde-doordrenkte sentimenten. Acht ge, met van Deyssel, die eigenaardige, van vreugde om de eigen vermogens schitterende, psychische zekerheid, een onmiskenbaar blijk van de aanwezigheid van literaire kunst, welnu, doorlees dan maar het heele werkje, en erken, dat ge maar uiterst weinig hebt kunnen vinden, waarin die zekerheid en vreugde niet waren. Of vraagt ge naar scheppende verbeelding, bewonder dan eens Klokkepraat—zie eens in wat luttelen omvang, hier een aan zin en beeld rijk sociaal sprookje werd neergeschreven. Wenscht ge compositie—ach, spreekt het niet van zelf, dat bij dezen "man van de pointe", zooals ik hem onlangs te dezer plaatse noemde[1]; bij dezen man, die zijn stralendst-openvonkelende uitmuntendheden tot éen verrassing in de laatste regels bewaart, de compositie meestal volmaakt is? Let eens goed op dat onvolprezen Vóór de tent van Wiessing, of op het prachtige Steven-Mulders-buurtje: hoe dat in elkaar zit; hoe ge dat alles uit des auteurs geest ziét opgroeien en in bloei staan, snel, zeker, en rijp, als het wonderplantje van een Indischen fakir. Maar kijk, daar hebt ge 't nu al—ik màg mij feitelijk niet laten verleiden, enkele stukjes te noemen; want hoe vele, niet minder uitmuntend dan deze, sla ik dan over en wek daardoor den schijn, als waren de genoemde min of meer uitzondering. En daar is geen kwestie van! Onthoud dat maar, want straks doe ik 't natuurlijk tòch weer!...—Doch wat de geestigheid betreft, die kostbare, gansch-natuurlijke, overal-bloeiende, ja dáárvan is waarachtig "het eind niet te zien"; dáárbij zou het pure dwaasheid zijn iets anders dan héél het werk als voorbeeld te noemen. Wònderen van geest heb ik in de Krabbels gevonden. Hier is datzelfde, zij 't op zooveel nederiger plan, dat Julius Campe in Heine opmerkte: het bliksemvlug omscheppen van een waargenomen ding tot een spiritueel-kleurige fonkeling van de eigen ziel; het vooral slagvaardig, maar ook liefdevurig reageeren, op het leven, op àl het gebeuren om hem heen. Hier uitte zich dan ook een geest, die nauw verwant is aan Heine, en voor wien deze geen voorbeeld ter min of meer onoorspronkelijke navolging, maar wèl zeer duidelijk een soort van fontaine de jouvence blijkt te zijn, waaraan hij, diep teugend, zich telkenmale mag verjongen. En ook de stem van dien anderen verwant, van Multatuli, maar in een andere sfeer dan die der satyre, meent ge nu en dan te hooren. Er is meer dan een stukje—bijv. ook dat fraaie De opdracht van den H. Antonius—waarin, tot vaagheid verruischend in de wegduisterend-diepe gangen van stemmingen en gevoel, ge een stembuiging van den verteller van het zeeziekte-verhaal in de Ideeën gelooft te herkennen. Want waarlijk, niet slechts waar de satyre het grondsentiment zijner stukjes vormt, munt de Krabbelaar uit. En zou al de dagelijksche lezer van zijn werk in Het Volk niet zonder grond kunnen beweren, dat hij over het algemeen veel beter slaagt in zijn hekelend werk dan in dat, waarin hij sentimenten van bewondering en liefde heeft te verwoorden—dan immers wordt hij wel eens, door het te bewust aanzetten en opschroeven van het gevoel, zoetelijk en raakt "ernaast"—er is één sfeer, waar hij ook diè sentimenten feilloos in hun ongesmukte waarachtigheid en derhalve waarachtige schoonheid weet te uiten. Dat is de sfeer van het kind. Waar en hoe ook het kind in zijn werk verschijnt, wordt dat laatste verinnigd en geheiligd. Fééstelijk wordt het bijna immer, ook al is het treurig; blond wordt 't, al is het donker; er is dan niets, dat niet zacht-warm is—de zon is opgegaan! Tot zelfs het koud-flitsende staal van zijn scherpsten spot geeft dan een af schijn als ware 't blond en warm goud; o zeker, het is ook dan nog wel een degen, maar het is tot een kostbaren spèldegen, een sièrdegentje gemaakt, om 't z'n jongen prinsjes aan den gordelriem te gespen. Want niets is goed genoeg voor hen. Dàn is deze schrijver het aller-àllerechtst; het kind is de goede genius van zijn menschelijkheid en scheppende kracht en het gevoel voor hèn is de bron van zijn innigste en meest ware leven. Bijna altijd voert het hem naar een climax zijner vermogens, nu van dit, straks van een ander. Sòms is het zijn psychische zekerheid en zelfgevoel, welke door dat sentiment hun climax bereiken: lees Den Boozen Schook, waarin, na die voortreffelijke mengeling van beheerscht-joligen spot en vreugdige kinderliefde, hij in een verrassend-geestige wending eindigt met: "und nennt man die besten Namen, So wird auch der Meine genannt." Een ander maal maakt het hem tot een gemarteld ziener en beelder van obsedeerende verschrikking: De Eeuw van het Kind. Dan weer—De Zonden der Ouders—doet het zijn vonkend-donkere teederheid tot het witte licht van het hartstochtelijk-innige openstralen. De Jiddische innigheid, die de Hebreeuwsch-strenge ijveraars-ziel der Joden in het lijden der diaspora won; die zoeter straling der oogen, die glans van meegevoel op het beeld-strenge oude heldengelaat—ook in zìjn schriftuur leeft zij naast het vaak Bijbelsch-statige. Maar genoeg—'schoon ik u over nog zooveel moois zou kunnen spreken, laat dit voldoende zijn. Want de vriend des schrijvers, die voor de keuze dezer stukjes op 'n paar uitzonderingen na verantwoordelijk is en dat kiezen uit zooveel schoonen overvloed een boeiend en prettig werk vond, meent zich thans zeker niet te mogen onttrekken aan het minder prettige van het ondergaan eener metamorphose in: "den vriend die feilen toont", en heeft de thans nog beschikbare ruimte daarvoor noodig. Gelukkig intusschen, dat het maar één feil is! Beste Oproerling, zoo zou ik hem dan kort en bondig willen zeggen, wees zoo oproerig als je wilt, maar: betreed niet, de Opperhoogheid van Ons, Literaire Critici, aanrandend, Ons Gebied! Je oordeel, dat je Marcellus Emants, dien "Meester van de Hollandsche psychologische roman", gelijk, herinner ik mij wel, Scharten hem noemde, èn méér dan dat: dien baanbreker nog vóór de tachtigers, deed plaatsen—in De tent van Wiessing—onder een mediocriteiten-allegaartje, dat oordeel getuigt meer van vrijmoedigheid dan van juisten blik. En nu lòs van dit geval gesproken—want als literair-critische faux pas staat 't wèl in je bundel, maar niet in je Het Volk-krabbels alleen—: als je in een kunstenaar den politieken tegenstander bestrijd, blijf dan van zijn kunstenaarsschap àf. De literaire critiek is een schoone zaak, en de politiek eveneens, maar het gebeurde thans waarlijk niet voor de eerste maal, dat de verbinding van twee schóóne zaken één léélijke te voorschijn bracht.—
Jan. '19.
Noot:
JOOST MENDES: HET GESLACHT DER SANTELJANO'S
Eerste deel: De Verweerde Jaren
Ziehier nu eens een werk, waaraan, in elk geval, de gerechtvaardigheid van Scharten's uiting: dat hij den genialen Querido geen enkelen niet-genialen navolger toewenschte, ware te toetsen. Want het moge een van den voorafgeganen storm onafhankelijk windje uit denzelfden hoek zijn, dan wel het na-zuchten van den storm; het moge niet dan het gevolg van een zelfde milieu, engere verwantschap, of wel degelijk ondergane invloed wezen—zeker is, dat ge hier op menige plaats veel van Querido's eigenaardigheden zonder Querido's grootheid ontmoet. Deze eigenschap maakt het boek niet ongenietelijk, noch zelfs stemt zij den lezer kregel, maar ze wekt een gevoel van spijtigheid in hem. Spijtigheid om het feit, dat het den auteur, die zich klaarblijkelijk van wat hier dreigde wèl bewust was, toch niet mocht gelukken, zijn zelf-controle zóó streng, zijn handhaven van het ònverwant, of ònbeïnvloed-individueele zóó krachtig te maken, dat mocht het al onvermijdelijk zijn, dat ge hier telkens een Echo hoort, ge toch evenzeer merkt, dat de Narcis der zelfstandige schoonheid haar versmaadt! Het gevolg dier verwantschap of van dien invloed—ìk geloof: bèide zijn oorzaak,—toont zich vooral in de taal. Hier een overmaat en vooral een heftigheid, schoon volstrekt niet in die mate dan toch van dezelfde soort, als in de vroegere werken van Querido, maar zonder dat, gelijk daar, de natuurlijke noodzakelijkheid ons duidelijk wordt. Het lijkt mij hier, op sommige momenten, meer een laten glippen uit zwakte, dan een opstapelen uit kracht, en ik zou dan ook nù het verschijnsel geenszins op dezelfde wijze kunnen verklaren als ik het destijds, over Querido schrijvend, heb gedaan[1], noch in dezen schrijver zekere loslippigheden mogen verontschuldigen, die men een grooten, nu eenmaal door zijn scheppingsdrang respijtloos voortgedreven menschenschepper vergeeft. Bovendien: in die vroegere werken, waarvan ik zooeven sprak, heeft zeer zeker Querido muren, duistere, blinde muren van woorden opgestapeld, zoodat ge u wel eens weg-verloren afvroegt: Wat voor 'n bouwsel is dat? Waar sta, waarheen ga ik in dit donker? Tòt—daar bloeide plots een lamplicht, hoog en vast aan ijzeren arm uit den steen zich heffend en warm goudelend over het duister vlak: één beeldend woord zóó licht, dat het de zwartheid der anderen verblondde. Maar helaas, waar hièr de muur er is—het is gelukkig allerminst een Chineesche, die heel het rijk omsluit—daar is ze ook lantarenlóós. Het dunkt mij vreemd, dat deze schrijver dit niet heeft kunnen vermijden; hij lijkt mij toch allerminst een geniaal-voortgestootene, doch veeleer een zich beheerschend talentvolle en bezonnene van nature te zijn, die de dingen omendeom bekijkt, en dan, hij moge verrukt zijn of afkeerig, waarlijk wel zelfbeheersching genoeg heeft, en zich in voldoende mate haasteloos voelt, om ze zonder harden smak op hun plaats te zetten. Reeds in den aanvang van dit boekje voelt men diè natuur. Hoe systematisch—de compositie mede is voortreffelijk door die systematiek—is De Stad bekeken. Tot daar plots het geluid-van-dat-geordend-sobere op blz. 16 breekt: "Maar kakelend roddelen konde ze", enz. De àndere Mendes maakt reeds even zijn opwachting.—Het verheuglijke en voortreffelijke echter in het boek is, dat juist daar waar het òverwant- en ònbeïnvloed-individueele aan den dag treedt, het zoo goed blijkt. Dat bewijst onloochenbaar een sterke en vaste kern van eigen aanleg. Toonen de talrijke psychologische fijnheden van een zeldzame doordringingskracht dit aan, ook in vele beschrijvingen, en vooral in de uitmuntende dialogisatie komt het uit, terwijl ook wel degelijk tot dien eigen ònbeïnvloede kern het zeer concis en scherp op 't leven betrappend beelden van houdingen en bewegingen behoort: hoe voortreffelijk is mede daardoor het hoofdstuk Het Hooge Feest geworden, hoe uitstekend de ruzie-scène in De Kelder met die figuren van Jonas, de grootmoeder-heerscheres, Mordechai, Sam Piza. En dan daarneven het stille, bijna-onbewuste, als in poppig-glazige zwak-verwonderde staring doorgebrachte leven van het moedertje Lea! Hoe uitmuntend is dat alles voelbaar en zichtbaar gemaakt. Een uitmuntendheid, waarin allicht ook de figuren van Daan, Ko en Lot zouden hebben gedeeld, indien zich niet vaak dáár een eigenaardige zoetelijke woordenstreeling, een knuffelende vertroeteling door den auteur, in de plaats van een "objectief"-scherpe beelding hadde gesteld. Zoo werd dan dit eerste deeltje van een klaarblijkelijk nogal uitgebreiden arbeid belangrijk, niet slechts door wat het belooft, maar reeds aan rijpe kunst ons schenkt. En het zou wijs van auteur en uitgever beiden zijn geweest, indien zij, indachtig aan het feit, dat men onvermijdelijk door heel de geaardheid van het werk-zelf tot een vergelijking met Querido's machtig genie zou worden gedwongen, daarnevens niet nog den lezer, als 't ware met alle geweld, tot een vergelijking met een buitenlandschen groote op den koop toe hadden genoodzaakt! De geheele wijze van uitgeven toch, in acht "deelen",—dit aan het adres van den uitgever die tevens de uitgever van "Jean-Christophe" is—maar bovenal de "dichterlijke" en allegorische titels—dit aan het adres van den auteur—waarbij ons zelfs een duidelijke vingerwijzing naar "La Révolte": "De Revolte dagen", (welk een opzettelijk want overigens onmogelijk jargon!) niet werd gespaard, kunnen slechts een herinnering aan Rolland's meesterwerk, ook en vooral aan de eerste prachtige deelen, wakker roepen, die dit boekje ten eenenmale doet vergrauwen. Hetgeen men moet betreuren, want de groote deugden welke het in zijn soort eigen zijn, geven aanleiding tot een aesthetisch genot en een warme waardeering, waarvan het jammer is, dat zij door althans gansch onnoodig veroorzaakt vergelijken en herinneren worden gedrukt.[2]
Maart '19.
Noten:
II DIDACTISCH
PIT-TAH, DE GRIJZE WOLF
I
Inleiding
Niets is wellicht beter in staat ons van het bestaan van een feilen, schoon vaak onbewusten hoogmoed in ons menschen te overtuigen, dan na te gaan hoe in den loop der eeuwen de menschheid de dieren heeft gezien en vooral hoe die visie op de dierenwereld zich in literaire kunst heeft geuit. Van het Pancatantra, het oeroud Indisch Sanskrit-werk af, tot, over den Griek Aesopus—die zelf, naar de geleerden zeggen, een fabel is!—, de verschillende oude behandelingen van de Reinaert-sage—waarbij zich sedert kort de voortreffelijke bewerking door Streuvels heeft gevoegd—, tot ook, eenige eeuwen later den genialen en gracieusen Franschman La Fontaine, om nu maar de allerberoemdsten, werken en schrijvers, te noemen, is de dierenwereld nimmer om zich-zelfs-wil in literaire kunst gebeeld. Zeer zeker ging al dezen schrijvers het eigenaardige van het dier-leven niet onopgemerkt voorbij, maar dat leven zagen zij niet als een schoon en stroom, machtig, diep en hunner aandacht ten volle waardig, ook al hadden zij er nooit de spiegeling van der menschheid gelaat in gezien, maar zij achtten dien integendeel juist dáárom alléén hunne bestudeering waard, òmdat zij tot de menschen konden zeggen: Buig u over dezen stroom en ge zult er àl uwe bewegingen, uw gelaat en al zijn wisselingen in weerkaatst zien: de oogenglans uwer vreugde, de wringing en de hette uwer hartstochten; de deemoedige plooi uwer huichelachtigheid; het brandend staren uwer wanhoop; ja zelfs een enkel maal de vervoering uwer ziel, uw adeldom. Het dier had dus alleen belang voor hen, voor zoover het als acteur te gebruiken viel, wien een menschelijke rol kon worden toebedeeld. Hun dier-psychologie, zoo er al een enkel maal sprake is van iets, dat dien naam verdient, zou men met den naam van handboeken-psychologie kunnen bestempelen, d.w.z. een psychologie van algemeen-vaststaande en aangenomen normen, waaraan elk waarlijk levend inzicht van den individueelen kunstenaar ontbreekt, waarin bijvoorbeeld de leeuw nu eenmaal voor goed de moedige en toch ietwat dupeachtige koning en de vos de onverbeterlijke en buitengewoon sluwe misdadiger is. De dieren van het dierenepos en den dierenfabel zijn dan ook, voor zoover tenminste nog die handboeken-psychologie in toepassing is gebracht, te vergelijken met de figuren van het schaakspel: zooals die figuren hunne eens en voor altijd onwrikbaar vaststaande krachten en eigenschappen hebben, die hunne handelingen bepalen: de koning slechts één pas naar alle richtingen mag gaan, het paard den driesprong maakt en de wijsheid des raadsheers hem voor eeuwig overtuigd heeft, dat schuinsmarcheeren het beste voor hem is,—zóó ook hebben al die dieren, en vooral de hoofdpersonen, 'n paar ruw getraceerde en als 't ware wisselinglooze en versteende eigenschappen, die van zulk een aard zijn, dat zij hen geschikt maken, symbolen van het menschelijke te zijn.
En evenzeer nu als door het samen- en tegenspel der schaakstukken geheelen van schoonheid kunnen ontstaan, die noch overtroffen worden door de schoonste gewrochten der schilderkunst noch door die der muziek of der literatuur, zoo zijn ook door spel en tegenspel dezer als 't ware psychologisch-kunstmatige en niet naar de doorgronde-werkelijkheid gebeelde dierfiguren, tafereelen van tot schoonheid gestegen schalkheid, satyre, wijsgeerig en mensch-kundig inzicht ontstaan, die voor geen andere werken van letterkunde onder hebben te doen. Maar toch kan men, althans ik, bij het beschouwen van zulken arbeid het gevoel niet onderdrukken, alsof hier een of andere tekortkoming schuilt, eenig onrecht is geschied, eenig misbruik is gemaakt. Want heeft men bij het schaakspel met niets anders dan doodhouten klossen te doen, die geen enkele geestelijke eigenschap uit zich-zelf bezitten, en in de handen van den speler slechts tot symbolen van schoonheid kunnen worden, doordat eens de uitvinder van het spel hun zekere eigenschappen heeft toegedacht—bij het dier-epos en den fabel heeft men met levende wezens te doen, die als elk natuurwezen krachten en eigenschappen van zich-zelf bezitten welke een zooveel mogelijk objectieve en getrouwe afbeelding overwaard zijn; wezens die het allerminst verdienen slechts als kapstok van de menschelijke deugden en ondeugden te worden gebruikt! En iets anders hebben de bovengenoemde schrijvers, gelijk ik reeds zooeven deed opmerken, toch feitelijk niet gedaan. Het was reeds mooi, als ze van zulk een handboeken-psychologie gebruik maakten. Meestal schijnen ze de dieren als 'n soort van ledepoppen te hebben beschouwd, wien men geheel willekeurig elken stand kon laten aannemen, elke beweging kon laten maken, die men verkoos, zoodat ze dan ook fabels dichtten, waarin van het dier waarlijk niets anders dan de naam aanwezig is.[2] Ongetwijfeld is echter in de fabelen van La Fontaine de liefde tot de natuur en het dier-zelf in veel grootere mate aanwezig dan in de zooeven genoemde. Het wemelt in zijn werk van ware juweelen. Zijn gracieuse verzen in een heerlijk Fransch, zijn fijne feestigheid ook, hebben in niet weinig gevallen den oorspronkelijken fabel, aan Aesopus en andere bronnen ontleend, verfraaid en tot ééne ongerepte zuiverheid en flonkering van beminnelijke en dikwijls allergeestigste, dan weer diepgevoelde wijsheid gemaakt, maar het zijn natuurlijk fabelen en leerdichten gebleven—het dierleven is er uitsluitend als spiegel der menschheid. En ook met het dierenepos, met de Reinaertsage is het niet anders. En als Dr. Doorenbos dan ook zegt: "Bij de gewone fabel is de les, die men uit de dierenwereld trekken kan, de hoofdzaak; zij is een bijzondere vorm van de didactische poëzie. In de Germaansche dieren-sage is het verhaal zelve de hoofdzaak. De sprookjes zelve zijn vermakelijk, de dieren spelen er de eerste rol in, de menschen staan er op den achtergrond. Wil men er lessen uit trekken, wil men er een satire in vinden, dat is het voornaamste niet. Het gedicht moet om den inhoud zelven belang inboezemen",—dan kan ik wel toegeven, dat dit alles naar den letter juist is, maar ik moet daarbij voegen: naar den geest allerminst. Want: de dieren spelen er wel de eerste rol in, maar die dieren denken en handelen met menschelijk verstand, die dieren zijn verkapte menschen, zijn menschen in een dierenhuid gestoken, gelijk in Rostand's Chantecler—Zoo was het dan aan onzen tijd voorbehouden, een dierenepos, een dierenroman als dit voortreffelijk Pittah voort te brengen, waarin waarlijk het dier met liefde om zijns-zelfswil wordt beschouwd; een dierenverhaal, dat ons den schrijver doet zien, zóó verzonken in de contemplatie van het dierleven, dat dit op het allereerste plan van het werk staat, en de menschen er slechts in optreden voor zoover zij invloed hebben op geest of lichaam van het dier.—Zich zekerheid te verschaffen omtrent de oorzaken van het feit, dat dergelijk werk niet vóór onze dagen geboren werd, ware dunkt mij moeilijk. Was het wellicht juist de reïncarnatie- en evolutieleer van het oude Indië, die trots den daaruit voortspruitenden eerbied voor het leven van het dier, dit toch beschouwde als een in 'n te laag stadium van ontwikkeling verkeerend wezen, dan dat het om zijns zelfs wil der volle kunstenaarsaandacht waardig kon zijn? Maakte ook in het Westen, en nog wel op veel minder edele wijze, de religieuse wereldbeschouwing den afstand tusschen mensch en dier daartoe te groot? Of was het aan den anderen kant wellicht de desolate toestand van de huidige maatschappij, die den klaarblijkelijk kinderlijk-naïeven, reinen en uiterst gevoeligen geest van 'n Jack London zich deed keeren naar het dier? Wie zal op dit alles een zèker antwoord kunnen geven.... Mij zij het voldoende hier het feit te hebben geconstateerd en op zijn belangrijkheid te hebben gewezen. Want als wij hier vaststellen dat met een werk als dat van Jack London een nieuwe aera in het dier-epos aanbrak, dan stellen wij tevens dit belangrijke feit vast: dat voor den mensch een nieuwe mogelijkheid van zeer verrijkend geestelijk genieten, een nieuwe mogelijkheid ook van groei van het heilig eenheidsgevoel werd geboren.—
II
Als oud globe-trotter in de literatuurwereld geloof ik, dat het beste wat ge nu kunt doen, vóór ge dit zéér vreemde hoogland gaat bereizen, is, schoon ge niet zonder gids zult zijn, U een weinigje op de kaart te oriënteeren: laat mij U iets van den inhoud van ons boek vertellen. In Alaska, in den wintertijd, een noordpoolwereld vol van de verschrikkingen van ijs, sneeuwstormen en duisternis, zijn twee mannen op reis in een hondenslede. Zij vervoeren een reeds gekist lijk van een overleden kameraad naar Fort M'Gurry. Door de wolven achtervolgd, zien zij den eenen trekhond na den anderen, door een wolvin verlokt, verdwijnen, of liever: zij zien des morgens, dat hij 's nachts verdwenen is. Ten einde raad besluit een der mannen, op het oogenblik, dat hij weer een hond, nu nog wel bij dag, door de wolvin ziet weglokken naar de hongerige wolventroep, gewapend met zijn geweer de slede te verlaten, om den hond, die niet naar zijn roep hoort, terug te halen. Maar het is te laat: die is reeds door de wolven omringd, en hij zelf, als hij, in een uiterste poging om het dier te bevrijden, zich onder de uitgevaste bende waagt, wordt, nadat hij zijn munitie heeft verschoten, door het roofgedierte verslonden. De andere man blijft nu in een hopeloozen toestand, ten slotte van al zijn honden beroofd, alleen achter. Maar ziedaar: op het punt van zich nu maar moedeloos gewonnen te geven—hij kan zich onmogelijk langer op de been houden van de slaap—met niets dan een smeulend en uitgaand vuur tusschen de wolven en zich zelf, wordt hij door een over de bevroren rivier naderend reisgezelschap ontdekt en bevrijd. Het was waarlijk hoog tijd: het laatste wat hij zag, vóór hij in slaap viel, was de wolvin, die, vlak bij hem, hem droefgeestig met een van honger kwijlende bek begeerig zat te bestaren, als ware hij een brok voedsel, dat wel van haar hoorde, maar dat zij om de eene of andere reden toch nog niet kon gaan eten!—Dit is de—zeer verkort weergegeven—inhoud van het Eerste Deel. Die der volgende wordt gevormd door het verhaal, hoe de nu met de troepgenooten weggevluchte wolvin, die, eigenlijk evenzeer hond als wolvin van afstamming, een uit 'n Indianenkamp weggeloopen trekdier is, wordt bevrucht, en Pittah den wolf-hondelijken held van het boek ter wereld brengt; hoe diens leven, vol van wreede avonturen, verloopt en hij ten slotte, na door bestiale woestelingen tot een duivel van haat en ontembare wildheid te zijn gemaakt, onder den invloed van een edelen meester allengskens een wezen van hartstochtelijke liefde en onwankelbare trouw wordt.—De lezer zal allicht hebben opgemerkt, dat ik den inhoud van het eerste boek, hoe verkort ook, toch veel uitvoeriger heb weergegeven dan die van het geheele overige werk. Ik deed dit, omdat ik die eerste hoofdstukken natuurlijk het eerst zal behandelen èn er nog al veel over te vertellen valt....—Of ge nù al de hééle kaart afkijkt en U al de détails van heel de te doortrekken streek in het hoofd prent, dat geeft niets, ge zoudt het dan toch later nog eens willen overdoen. Zoodat ... nu steek ik de kaart weer in mijn zak en word de oppermachtige berggids!... Vrienden, reikt mij dan het koord van uw aandacht, laat mij jelui aan mij vastbinden ....—
Leelijkheid en Schoonheid in het "Eerste Deel"
Er zijn van die critici, die, evenals de vrijgrage jongelui op 'n bal, alleen de schoonheden ten enthousiasten dans voeren en de leelijkerds maar laten zitten achteraf, maar ik behoor niet tot hen: ik vraag de muurbloemen ook! Uit 'n soort van vrienden-welwillendheid of zuiver-menschelijk medelijden, denkt ge? Helaas, helaas, hoe kent ge mij, boosaardig monster, dan slecht! Ik vraag ze, ik vráág ze, deze leelijkerds op de feestbals der literatuur—maar ik durf het bijna niet te biechten!—uit de geniepige overweging: Jullie zijt zoo zot geweest hier te komen, welnu, dan ook vooruit met je onder het volle licht der kronen!...—
En vrienden, laat mij 't maar bekennen: er zit in deze scherts meer ernst dan een scherts wellicht te herbergen betaamt. Ik háát het leelijke en àls ik het naar voren breng, geschiedt dat waarlijk niet ter verzachting der geringschatting, die het verdient, maar om die des te scherper te doen treffen....—Als men buitenlanders onze letterkunde wel eens met de hunne hoort vergelijken, dan blijkt wel dìt hun grootste bezwaar tegen ònze literatuur, dat het in hàre werken gebeelde leven zoo weinig-beteekenend, zoo grauw-alledaagsch, zoo klein-burgerlijk, zoo weinig-bewogen is. Ik herinner mij levendig, dat eenige jaren geleden een mij onbekende Russische taalleeraar en journalist mij om een onderhoud verzocht. Hij noodigde mij uit hem eenige Hollandsche romans en novellenbundels te noemen, die hij met gegronde hoop op succes in 't Russisch zou kunnen vertalen. Ik noemde hem wat ik te noemen wist. Maar hij kende dat alles reeds, vond het echter allemaal, te pueriel, te zeurderig, te alledaagsch en vooral te klein. Er is daar iets van aan. Maar hoe zou het anders? Hoe kan uit een klein en burgerlijk maatschappijtje als het onze, een heroïsche literatuur, vooral van maatschappelijk-hoogeren aard, ontstaan?[3] Slechts met Querido, zei mijn Rus weer, met dien ware voor zijn doel iets te beginnen, maar och, dat kon ook niet, want die was weer te locaal!...—Er is daar iets van aan, zei ik zooeven, jawel, maar van iets anders is nog veel meer aan: onze letterkunde moge in onze samenleving slechts een armen voedingsbodem bezitten, zij wist en weet te woekeren met dat armelijk bezit. Onze hedendaagsche literatuur streeft, in 't algemeen genomen, in verfijning en nauwkeurigheid van beeldende woordaanwending de buitenlandsche op zij en meestal te boven.—Neem nu dit boek van een in zijn soort toch eersterangs schrijver als Jack London. In dit Eerste Deel, alleen reeds op de 3 eerste bladzijden: "Donkere pijnboomen grijnsden aan weerszijden van de bevroren rivier." Een "grijnzenden afgrond" is al een ondeugdelijk en ongevoeld spraakbeeld, maar het is oud en versleten en juist omdat deze uitdrukking oud en versleten is van het overmatig gebruik, glijdt onze geest er zoo makkelijk In en neemt genoegen met het gatige vod, zooals een slecht zittende oude jas ons veelal nog behagelijker is dan een prachtig getailleerde nieuwe. Maar wat nou zoo iets kersversch als "een grijnzend pijnwoud" voor een ding is, in dàt begrip daar komt onze geest, althans de mijne, nièt in en zal er wel evenmin ooit in komen....—"Maar niettemin waren zij mannen, die dit land van eenzaamheid en stilte doortrokken, nietige avonturiers op kolossaal avontuur uit, hun krachten metend met een wereld even verwijderd en vreemd en levenloos als de eeuwige ruimte." Is het mij al een raadsel, hoe men iets materieels "verwijderd" kan noemen, terwijl men erin is, al evenmin werd mij geopenbaard, hoe men, "zijn krachten kan meten met een wereld die levenloos is." Immers "zijn krachten meten met" beteekent altijd: "een strijd aangaan met" en nu is er misschien wel niets in de heele wereld, waarvan men niet zeggen kan, dat men er een strijd mee wil aangaan, behalve juist het levenlooze! Want iemand, die zegt tegen iets te strijden, moet zich noodzakelijk dat iets als levend in eenigen letterlijken of overdrachtelijken zin hebben voorgesteld, en niet als levenloos. Aan het levenlooze kan men slechts "zijn krachten beproeven", dat wil zeggen door eenige erop te verrichten handeling, niet: door strijd ertegen. Natuurlijk, wij begrijpen wel wat hier wordt bedoeld. "Verwijderd" is hier onzin geworden, alleen doordat er elke nadere bepaling aan ontbreekt, bijv.: "verwijderd van de bewoonde wereld," en als ge door "levenloos" heen "passief" leest, dan is de zaak in orde al is de volzin dan vreeselijk leelijk en wordt het beeld van die "eeuwige ruimte" nog beroerder dan het nu is. En bovendien: "àls dìt" en "àls dàt," jawel! maar literatuur behoort geen ruimte te laten voor dergelijke "alsen." Zij juist moet weten te zeggen, precies te zeggen wàt zij bedoelt.—"....toen een flauwe, verre kreet zich in de stille lucht verhief.... Hij had een kermende, verdoemde geest kunnen geweest zijn...."—Een kreet, die een geest had kunnen geweest zijn? Arme Satan, wat een nieuwe last bij al z'n oude moeiten: ik zie hem al alle kreten, die zijn heetgestookten hel ontstijgen, wantrouwend achternaloopen: of ze geen ontsnappende zielen zijn; een gevallen aartsengel tot een smokkelaarsspeurenden grenswachter geworden.... Ajai!—Maar komaan, genoeg hiervan, ge denkt nu al, dat ik "vlooien zoek" en—ge hebt gelijk, máár: het zijn vlooien van de springerigste soort en juist omdat ze zoo klein zijn, de gevaarlijkste dragers van de taalverknoeiïngspest. Ik vang ze, om jullie voor die barre ziekte te bewaren. En dus, bedillers!...
Laat mij intusschen dit stukje niet beëindigen, zonder nog dit te hebben gezegd: ik ben er vrij zeker van, al las ik het oorspronkelijke werk niet, dat men deze en dergelijke slordigheden niet der vertaling mag verwijten. Een Hollandsche vertaalster, die zoo voortreffelijk dialoog en stemming weet te geven, wie dus klaarblijkelijk de hoogere gevoeligheid niet ontbreekt, diè, dunkt mij, zal toch ook wel niet geheel gesloten zijn gebleven voor de lessen der hervormers van '80. Maar integendeel, zoo mogen wij zonder al te groote vrijmoedigheid vermoeden, zijn 't fouten van het origineel-zelf, want juist zulke fouten als een man van veel-produceerende genialiteit gelijk London ze maakt. Het valt zoo licht te begrijpen: de scheppingsdrang drijft hem voort, hij ziet visioen na visioen ... hij heeft zoo geen tijd ... in Amerika zal hij er zelden om op de vingers getikt zijn ... en zoo gebeuren dan die dingsigheden. Het is trouwens een verschijnsel, dat men bij veel grooten—en veel-grooteren dan London!—kan waarnemen en uit gedeeltelijk dezelfde oorzaak verklaren: het hevige voortstuwen van den scheppingsdrang. En—nu genoeg van het leelijke, keeren we ons tot de schoonheid.—
Zie eens allereerst dit:
Vóór de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man, wiens werktijd voorbij was—een man dien de wildernis had overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of verzetten. De wildernis houdt[4] niet van beweging. Leven beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch—den mensch, die het meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen tot ophouden[5] van beweging.
De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende bespiegeling, zij is het ook—en hier gemoeten wij de eigenlijke kunst-schoonheid—als zekere levendigheid van den geest, die er, op bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende bespiegeling te vertastbaren en aanschouwelijk te maken. Op bijzondere wijze: louter, door contrasteering; door bij middel van het bewegelijke der beschrijving des te feller het aan-beweging-vijandige van het beschrevene te doen gevoelen, en door de levendigheid der beelding de doodschheid van het gebeelde. Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer, gelijk in naturalistisch werk, slechts de dingen-zelf, zooals zij door den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in de allereerste plaats, de overwegingen getoond, die door de dingen in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't ware door die overwegingen heen aanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de voorkeur verdient—de "objectieve" of de binnen-zekere-grenzen-subjectieve. Dat de laatste vooral door het knoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht, en men mede daardoor de, nog wel verkeerd want al te volstrekt opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode—zooals ook een London ze, naar zijn aard gevariëerd, toepast—uiteraard en dus ook in haar allerbeste applicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste daarvan kan men noemen: 1° de geringere sterkte van sommige in den lezer gewekte stemmingsaandoeningen, die door het aanschouwen der louter in en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen, wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2° De onvermijdelijke splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is—een deugd!—wel degelijk ten slotte als onrust, d.i. iets onaangenaams zal voelen. Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijd beeldend- èn bespiegelend-spreken en vooral: als 't ware den schepper in zijn werkplaats te zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode, wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London ongetwijfeld niet tot diens knieën, het valt op, dat de Amerikaan zijn rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van "drogen" èn gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humor vormt. Dìckens hàd dien zuiveren "drogen" en gevoeligen—schoon soms ietwat sentimenteelen—humor, en dan nog onvergelijkelijk rijk omgloeid door verrukkelijke stemmingsatmosfeeren van goudelende duisternissen, een clairobscur van sterrig vonkelenden avondhemel. Kipling heeft, hoewel oneindig zwakker, dien humor eveneens, máár—met een dosis en een soort van pocherige gewikstheid in sommige zijner producten, welke die voor een niet-imperialistischen en niet-chauvinistischen lezer al te zwaar verteerbaar maakt; in G.K. Chesterton heeft diezelfde humor, zich verfijnend, zijn hoogtepunt bereikt in het vuurwerk-knetterend en vonkenspattend paradoxale, en onze London eindelijk heeft iets van alle drie: het blufferig-gewikste uit zich bij hem langs een omweg op eene beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier, waarover ik in het volgende artikel zal spreken; de naar het paradoxale neigende geestigheid doet zich kond, zoowel in een drang om zijn beeldingen een woord-puntig en met het gebeelde contrasteerend karakter te geven, als ook wellicht in een schoone, zuiver-artistieke "voorliefde voor het verduidelijken zijner voorstellingen door inconventioneele, of althans zelf-hérvonden, en in den nieuwen samenhang inconventioneel wòrdende vergelijkingen; en den "drogen" humor, uit de koele Engelsche zelfbeheersching geboren, toont hij vooral in den toon zijner dialogen.
Ziehier een staaltje van zijn "beeldvorming," zijn scheppen van vergelijkingen:
Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest, zooals de vele atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker. Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit hen—als sap uit de druiven—al het vuur en de opgewondenheid, al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten.
Hier bevinden zich na elkaar in één klein stukje een inconventioneel en een vrijwel "afgezaagd" beeld. Het inconventioneele en zéér treffende beeld is dat van de "vele atmosfeeren"; het afgezaagde dat van "als sap uit de druiven." Van den wijn uit dié druiven geperst, is Noach al dronken geworden! Maar oud als de vergelijking is, vinden wij haar toch schoon, omdat zij—zie het derde cursief—in eene lentekleurigheid van frissche gedachten uitrankt, want inderdaad: zulk een vergelijking is wel als een heel oude stam, maar tevens als zulk een waaraan de scheppende ziel van een nieuwe lente groenende knoppen doet botten. Met een echt-rethorisch beeld is dat nóóit het geval; daar bloesemt niets uit; dat is maar het droge hout, dat een auteur zelf levert, om er de doodkist voor zijn werk van te timmeren....—
Ten slotte nu een kort voorbeeld van den "drogen"-humorrijken dialoog. (Nadat in vorige nachten reeds een paar honden door een wolvin zijn weggelokt, heeft Bill ze nu zoodanig aan stokken en riemen vastgelegd, dat ze niet kunnen wegloopen, en daarbij met nadruk verzekerd, dat hij den volgenden dag geen koffie zou drinken, zoo er toch een verdwenen zou zijn.)
's Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed, begeleid door het gesnurk van zijn kameraad.
"Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."
Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn bereik naast Henri.
"Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"
Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte.
"Je krijgt geen koffie, Bill."
"Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig.
"Ja."
"Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?"
"Neen."
Een kleur van drift kwam in Bills gezicht.
"Dan zou ik wel eens willen weten...."
"Spanker is weg."
Mij dunkt, zelfs in dit kleine stukje zult ge hebben gemerkt, wat ik bedoelde met dien drogen humor in den toon van den dialoog. En nu eindigen wij meteen voor dezen keer. De volgende maal over: het compositorisch-zonderlinge van het Eerste Deel in het geheel van het werk en de oorzaak daarvan, in verband met zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur.—
III
Het compositorisch-zonderlinge van het "Eerste Deel", in verband met zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur.
Sluit de oogen en verbeeld je eens fel en heftig, dat ge Sancho Panza zijt. Het zal je, dunkt mij, niet moeielijk vallen, want, ten eerste, hebt ge ongetwijfeld wel eens den onsterfelijken Don Quichot, het meesterwerk van Cervantes, gelezen, en ten tweede: als ik niet zeker wist, dat ge de schildknaap eens edelen en drakenbekampenden ridders zijt, dan sprak ik niet eens tot je, want ik vond je geen knip voor den neus waard! Je kijkt me verbaasd aan: "ik de schildknaap eens drakenbekampenden ridders?" Maar ik antwoord je kalmpjes weder: ja zeker, jongelief, want dien je dan soms het socialisme niet? Dat je met zwarte handen en gezicht alle dagen voor de schijf zit, dat is maar nietswaardige en onwerkelijke schijn, zooals ook de dwaasheid en de "droevige figuur" van Don Quichot maar voorbijgaande schijn waren; maar dat je ziel in rood en hemelsblauw gekleed gaat gelijk het een schildknaap van den Dagenden Tijd betaamt, dat is, mag ik vertrouwen, de werkelijkheid, zooals ook de adeldom en de haat tegen onderdrukking, gemeenheid en roof, in Don Quichot de werkelijkheid waren.—Sluit de oogen, herhaal ik dus met hypnotischen nadruk; ik zèg je, je bènt Sancho Panza, je zit voor den rijkgedekten tafel op het door je-zelf bestadhouderd eiland, je tast toe ... ai! wat is dat?! Nauwelijks heb je 'n hapje gegeten, nauwelijks heb je gedacht: wat smaakt dat eten heerlijk, of de schotel wordt je uit de handen gegrist ....—Open nu weer je oogen, beveel ik, en ga Pittah lezen; je hebt de eerste drie hoofdstukken van het boek genoten—één hapje van den schotel gegeten—je vind ze prettig, gezellig en boeiend, en ... ziedaar ... wèg is plots het verhaal van Harry en Fort M'Gurry! Je vork, gretig omlaag prikkend, vindt een heel ander gerecht....—Welnu, beste vrienden, met deze modernisatie van Sancho's spijtig avontuur is meteen het compositorisch-zonderlinge van Pittah's "Eerste Deel" aangewezen, de diepe breuk in de samenstelling van het boek blootgelegd. Laat mij pogen dit alles nu even door bewijsvoering te verduidelijken. De eerste drie hoofdstukken verhalen van de lotgevallen en de daden van menschen en dieren, en vele van de latere hoofdstukken doen hetzelfde, maar de eerste drie doen het op een heel andere manier dan de latere. In de eerste drie is de verhaaltrant zóó, dat wij, zooals we tot nu toe bij de lezing van alle mogelijke werken gewend waren, nagenoeg heel onze belangstelling mòesten concentreeren op de menschen en slechts een klein overschotje dier belangstelling op de dieren; in de latere is precies het tegenovergestelde het geval. Aanvankelijk denken wij een verhaal over zekere menschen te gaan lezen, waarin, gelijk in zoovele boeken, die reisbeschrijvingen of jachtverhalen bevatten, de dieren wel een vrij gewichtige rol vervullen, maar de hoofdrol allerminst; hebben wij echter het "Eerste Deel" achter den rug, dan merken we plots dat "de rollen zijn omgekeerd." Of sterker en nog meer naar waarheid gezegd: eerst zijn de dieren het decor en de menschen de spelers, later zijn de dieren de spelers en de menschen het decor. En met zulk eene geringschatting wordt van dan af het menschelijk materiaal door den auteur beschouwd, dat hij de menschfiguren ook daar waar zij als spelers optraden, achteraf als décor behandelt, zoodat je tot je hevige verwondering—die dan ook helaas de lezing van het boek overleeft en als iets hinderlijks met je schoonste herinneringen er aan blijft vermengd—nooit meer één syllabe hoort van Harry of de mannen, die hem redden. Ah! denk je spijtig en gekwetst: voor het verdere verloop van het spel is het kasteel Weedon-Scott[6] noodig, nu wordt in de pauze de brug-Harry door de tooneelknechts op rollen weggeschoven en achter de coulissen gebracht ....—En het gezicht dezer plots openscheurende breuk tusschen het "Eerste Deel" en de latere hoofdstukken schokt den aanschouwer zoo hevig, dat onze hongerige Sancho Panza nauwelijks meer verbaasd en ontstemd kan zijn geweest, toen hem voor zijn neus zijn bord werd weggekaapt. Maar deze ééne oorzaak van ontstemming in den lezer is in werkelijkheid door drie factoren gevormd. Ten eerste: het gevoel, alsof men drie hoofdstukken lang voor de mal is gehouden, 't geen niet zoo heel kort voor een "gijntje" is! Ten tweede: de omstandigheid dat breuklooze eenheid in den voedingsbodem elk aesthetisch genotsgevoel zijn voornaamste voedsel en kracht geeft, verbrokkeling daarentegen van dien bodem het verschrompelen doet. Ten derde: dat de mensch in den lezer het nooit verdraagt, de menschelijkheid in een boek achteruitgeschoven te zien voor iets anders. Desnoods heeft hij er vrede mee, dat zij van den aanvang af, vóór zijn aandacht in het geding kwam, aan iets anders ondergeschikt werd gemaakt, mits dat andere hem dan maar hevig boeit; maar hare vernedering onder zijne oogen, in zijn bijzijn duldt hij niet. Eens zijne belangstelling gewekt door menschelijkheid op een zeker plan van het werk, eischt hij onverbiddelijk, dat die menschelijkheid minstens op dàt plan gehandhaafd blijft en zeker vergeeft hij niet, dat, zooals hier met Harry e.s. gebeurt, zij wordt weggebezemd en weggespoeld naar een ondergrondsch gootje. Want gebeurt dit wel, dan vindt hij den schrijver ook een beetje kinderachtig, dat is: niet ernstig en met slechts weinig verantwoordelijkheidsgevoel, en tevens acht hij zijn daad een gevolg van een tekortkoming in zijn talent. Waarmee hij gelijk heeft, ook hier. En daarmede ben ik van zelf aan het punt gekomen, waarop het mij mogelijk is, te doen wat ik in mijn vorig artikel beloofde: te spreken over "zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur" en over de "beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier," waarop zich bij hem "het blufferig-gewikste langs een omweg uit." Welnu: London is—te oordeelen ook naar andere werken, die ik van hem las, De Zeewolf en Elam Harnish[7]—nooit een werkelijk en groot menschenschepper geweest. En houdt men dit in het oog, dan begrijpt men tevens, hoe hij tot zoo zonderlinge en foutieve compositie als de door mij gewraakte kwam. Want ware hij waarlijk een groot menschenschepper geweest, dan had hij ook die wijd-omvattende, onpersoonlijke menschheidsliefde moeten bezitten, die voor zulk een volstrekt onmisbaar is, en hàdde hij die liefde bezeten, dan zou hij ook nooit het element menschelijkheid in zijn werk op zoo onbewust-geringschattende wijze hebben kunnen behandelen als hij deed.—Maar na dit te hebben gezegd, zie ik wel aan jelui jong-open schildknapen-gezichten, dat je 't nog heelemaal niet met mij eens zijt en in je zelf denkt: "En die prachtig-machtige figuren van Wolf Larsen en Elam Harnish, die u-zelf daar noemde, meneer v.C?" En ik antwoord: beste vrienden, juist aan die twee figuren zie ik, dat hij geen menschenschepper is; dat hij niet zoo zeer een beminnaar van menschelijkheid is als wel een beminnaar van ééne menschelijke eigenschap, die der kracht, der geestelijke en lichamelijke kracht. Hij schept geen grooten mensch, maar hij personifieert groote kracht, zulk eene die zoo groot is, dat zij heroïsche afmetingen heeft aangenomen. De capaciteit aldus eene eigenschap te personifieeren, is geen geringe; zij vooronderstelt in den bezitter-zelf heroïsche kracht. Alleen: het is de kracht van den grooten menschenschepper niet, want deze doet met alle of vele eigenschappen der menschelijke ziel, wat gene slechts met een enkele doet. De menschenschepper van heroïeken aanleg schept een Mensch, die toch een mensch is, d.w.z. een veel-zijdigen Mensch, gelijk ook elke wiensch immers voor den liefdevollen begrijper veelzijdig zal blijken; een geniaal schrijver van heroïeken aanleg, die echter geen menschenschepper is, als London, schept daarentegen een eewzijdige personificatie. Een Balzac schept Menschen, een London goden—goden, dat wil immers ook zeggen: volstrekt- of relatief-eenzijdige personificaties van menschelijke of natuur-krachten—en wat het aardige en kenschetsende is: onmiddellijk, van hun geboorte af, worden die goden zìjn afgoden tevens! En ziedaar: nu heeft ons meteen ons eigen pad naar het "omwegje" geleid, waarop "het blufferig-gewikste zich op beminnelijke en naïeve wijze bij London uit." Naïef en beminnelijk—zeker: London is, niet zoo grof, voor eigen persoonlijke kracht te knielen; evenmin zoo dwaas, de kracht, gewikstheid en onoverwinnelijkheid en al dergelijk fraais juist het volk, waarvan hij een zoon is, bij uitsluiting van alle andere naties toe te kennen. Neen, hij heeft de beminnelijke en kinderlijke naïveteit van den primitieven en godenscheppenden mensch. Hij vindt kracht en ietwat blufferig vertoon ervan nu eenmaal verrukkelijk—ook in het booze, en hij schept zich een waarlijk vorstelijken Duivel: Wolf Larsen, en knielt voor hem. Hij vindt kracht, gepaard aan een soort van heroïsche, bovenmenschelijke gewikstheid nu eenmaal pràchtig—ook in het goede, en hij schept zich een snelvoetigen handelsgod, een Mercurius, met de vuisten en de gewelddadigheid van een Mars—maar hoe deze twee dan ook in werkelijkheid één zijn, heeft ons niets zoo goed als dèze tijd geleerd!—: Elam Harnish. Hij vindt kracht mooi—ook in der dieren sfeer, en ziedaar: hij schept Pit-tah, den Heroischen Hond! Maar zoo werd wat zijn zwakheid in dit boek is tevens zijn sterkte erin: wijl hij geen groot en werkelijk menschenschepper is, was hij in staat zóó beslist en voor zoo langen tijd zijn blik van de menschen af te wenden, en omdat hij een verheerlijker van de kracht is, spoorde dit mede hem aan zoo liefdevol het dier te bezien, dat hij gevoelde tot haar levend Beeld te kunnen maken.—En nu ten slotte: dat hij knielt voor alle drie, èn voor Larsen èn voor Harnish, èn voor Pittah niet minder, en ze bewonderend zit te bekijken dag na dag en van den ochtend tot den avond, dáárin kunt ge een bewijs te meer zien, zoo ge dit nog behoeft, dat zijn eigenlijke aard niet die eens menschenscheppers is. Die is minnaar maar tevens beheerscher van zijn wereld. Hij leeft wel er in, maar tevens er boven. Ook London heeft zijn wereld lief en leeft erin, maar haar beheerscher voelt hij zich niet. Hij is er niet "tevens boven," maar integendeel: er tevens beneden: hij kijkt er tegen op.—Hiermede meen ik nu mijn tweevoudige belofte te hebben vervuld. En een echt "verkwistende diamantbewerker" als ik nu eenmaal ben, ga ik, na mijn eenen schuld te hebben afgelost, onmiddellijk een tweeden aan: in nog een of twee artikelen zullen wij het nu verder onverdeeld-prachtige Pittah, naar ik mag hopen weder genietend bezien.
IV
De soort en hoedanigheden der psychologie. De dramatiek.
Gelijk London als schepper van eenzijdige personificaties als ware 't een overgangsvorm vertegenwoordigt tusschen den van allen figuur-scheppenden aanleg ontblooten schrijveren den grooten menschenschepper, zoo blijkt ook in verreweg het grootste deel van zijn zielkundigen arbeid in ons boek, zijne psychologie tot wat men eene tusschensoort zou kunnen noemen te behooren. Men kan namelijk m.i. alle in literair figuurscheppend kunstwerk voorkomende psychologie naar hare herkomst in drie groepen verdeelen; met andere woorden: er blijkt ons, dat psychologisch begrijpen op drie hoofdwijzen mogelijk is. Die, welke wij de eerste wijze zullen heeten, omdat zij de schoonste en machtigste want meest omvattende is, is de intuïtieve: het begrijpen uit het onbewuste; het begrijpen zonder bewuste poging daartoe; de ontvangenis van het inzicht als een geschonken openbaring. Deze wijze van psychologisch doorgronden, zij moge als intermitteerende gave ook geen enkelen der kleinere kunstenaars onbekend zijn, is toch, als eene geheel het werk karakteriseerende eigenschap, slechts bij de allergrootsten te vinden. Zoo mocht dan ook Balzac haar de zijne noemen, en ik spreek u juist van hem, eerder dan van een zijner evenknieën, omdat niet alleen uit zijn wèrk blijkt, dat bij op dèze wijze psychologisch-begreep, maar hij ook heeft medegedeeld, dat en hoe hij 't vermogen daartoe bezat. Ik doel hier op eenige weinige, maar veel van hetgeen ik hier zei practisch toelichtende woorden uit zijn Facino Cane, en 't zij mij veroorloofd de vertaling daarvan even uit mijn eersten bundel Over Literatuur over te schrijven:
Bij mij was het opmerken intuïtief geworden,[8] het drong door tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.
Noemde ik deze wijze de schoonste en machtigste, de daaraan tegengestelde is niet slechts haar contrast, omdat zij de minst machtige van de drie is, maar vooral wijl zij die van het bewust-begrijpen is, het eindelijk-bereiken van het inzicht na vele wel-bewuste pogingen daartoe, en dus niet de ontvangenis van het inzicht maar de verovering ervan. Bij de eerste is zien en begrijpen één—hoe goed teekent Balzac het plotse en wonderlijke gebeuren ervan als hij zegt: "zooals de derwisch lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak"—bij de tweede ontstaat het begrijpen pas uit een min of meer langdurig denkproces; bij de eerste wordt de psycholoog degeen dien hij begrijpt: hij begrijpt dien ander uit dien ander-zelf; bij de laatste vergelijkt de psycholoog dengeen, dien hij wil begrijpen, met zichzelf en begrijpt dien ander—natuurlijk veel minder volkomen—uit zich-zelf. En nu is het zeer opmerkelijk te zien, hoe ook hier weer de wijze, welke tusschen deze beide ligt, die van London is: hij doet als eerste van een zekere reeks psychologische inzichten vaak eene intuïtieve vondst, maar dan houdt weer voor een wijl alle intuïtie bij hem op en op dien eenen intuïtieven grondslag bouwt hij dan vervolgens, aldoor klaarblijkelijk puttend uit vergelijking met eigen psychische werkingen en uit wat hem van elders uit de zielkundige behandeling van een soortgelijk onderwerp bekend is, zijne verdere inzichten op, en dat soms in een betoogachtigen trant, die levendig herinnert aan de werkwijze der wijsgeerige logica: daar als premisse: het axioma; hier als premisse: het intuïtieve inzicht.—
Zoo is het psychologisch doorgronden, dat het jonge wolfje den ingang van het hol als "een muur van witheid" ziet,[9] een geniale en intuïtieve vondst, maar bijna al het overige wat, in verband daarmede en buiten dat verband, over het zich ontwikkelende bewustzijn van het jonge wolfje wordt vertèld, is een naar de sfeer van het dierleven overgebracht stuk psychisch menschenleven, zooals men zich dat altijd heeft voorgesteld te zijn in de allereerste maanden, de zuigelingmaanden, der ontwikkeling. Er treft hier niets als een geniale vondst, die je een schok van bewondering zou geven, maar men wordt eene koele schoonheid van geleidelijke ontplooiing gewaar, waarin men zich kalm vermeit. En zoodra men terdege zijne gevoelens ontleedt, dan merkt men, dat men wel bij eene vondst, als die van den "muur van witheid," het trillende en emotionneerende mooi der intuïtieve psychologie heeft ontmoet—bewonderenswaardig èn door haar adelaargelijke, bliksemsnelle manier van ontdekken èn door wat zij ontdekt—maar bij al dat andere niet anders heeft genoten dan de strakke schoonheid van het logisch denken, en wel die bepaalde soort ervan, welke men het logisch hèr-denken zou kunnen noemen, dat niet schoon is door het vreemde, het nieuwe, het bijzondere van wat het vindt, maar louter door zijn wezen van logisch-denken-zelf; zooals voor een dalbewoner, die met een verrekijker gewapend, een bergbestijger naoogt, die bergbestijger niet schoon is door de schoonheid van den berg dien hij bestijgt, maar door het menschelijk mooi van moed, lenigheid, spierkracht, en zekerheid, dat tot zijn wezen behoort en zich toont in zijn gang en houding. En als ge nu eens goed en duidelijk het onderscheid wilt voelen—ik hóóp althans, dat ge 't zult kùnnen—tusschen het schokkende, overstelpende schoon der intuïtief-psychologische vondst en het kalme, zich geleidelijk ontplooiende mooi der logische redenatie, die een psychologisch verhandelinkje ten beste geeft, dan moet ge even het einde van blz. 48 en het begin van 49 lezen. Ziehier (het wolfje staat—op het punt van in zijns moeders afwezigheid het hol te verlaten—in den "muur van witheid", in den uitgang):
Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en vreesaanjagend gegrom. Uit kleinheid en angst daagde hij de heele, wijde wereld dreigend uit.
Hebt ge goed op dit stukje, hebt ge vooral goed op den door mij gecursiveerden zin gelet? Op dat levende en levendige psychologisch besef èn besef van verhouding? Trof u niet die laatste zin vooral, als eene schitterende vondst, èn in doorgronding èn in zegging...?—Lees nu even verder, een enkelen regel maar:
Er gebeurde niets.
Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen. Hij vergat ook bang te zijn. Vrees was tegelijk door Groei overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had aangenomen.[10]
Dit laatste, niet waar, is louter het koeler mooi van het scherpzinnig logisch-psychologisch verhandelen; de toon is interessant-doceerend en gij-zelf komt in een staat van leerling-gewillig mooi-vinden. Deze regels zijn dan ook voortzetting en slot van het een bladzij vroeger gehouden betoogje: hoe "instinct en wet gehoorzaamheid van hem eischen," maar "de Groei, ongehoorzaamheid," zijn moeder en Vrees hem terughouden van den "witten muur" en Groei daarentegen hem erheen drijft. En toch, door uw koeler mooivinden heen voelt ge een warmer genot aanluwen: ja, ziet ge, zooals ik reeds zei, ge hebt wel die ontleding der eerste ontwikkelingsverschijnselen van het bewustzijn al zoo dikwijls gehoord, maar wat ge nooit hadt gehoord of gelezen, is wat de schrijver hier ermee doet: die ontleding toepassen op het bewustzijn van het dier. Dit nieuwe, dit gewaagde en geslaagde nieuwe is het dat er die warmer, die inniger bekoring aan geeft. Onze kunstenaar modelleert hier het kostbare en zware kleed van oude logische schoonheid tot het verrukkelijk past om de statuur van een nieuwen drager: een nieuw gegeven....—Anders gezegd: de belichtende zon is helaas niet uit zijn scheppershanden gekomen, maar de nieuwe vruchtvariëteit, die ge ziet rijpen in 't licht, dankt wel degelijk aan zijn hovenierschap haar ontstaan....—
Maar dan: heel dat koel docent- en verhandelaarsachtige verliest London, zoodra hij gelegenheid krijgt zijne waarlijk-geweldige dramatische kracht in 't spel te brengen; dan vergeet hij alles wat door anderen geleerd is omtrent mensch- of dier-psychologie. Hij wordt de geniale ontdekker en de stralend-levende beelder. Zie hem de sexueele liefde dramatisch behandelen: het gevecht tusschen de drie mannetjes-wolven om het wijfje. Hoe is hier alles leven en waarachtigheid, in dien hoogen zin, dat het leven er zich in een nieuwer en smetteloozer glans van waarheid ont-dekt; hoe krijgt hier het vluchtig, hartstochtelijk en spannend moment een aspect van statig eeuwigheidsleven, doordat de diepste grond der sentimenten wordt gezien. Hier wordt niet geredeneerd, niet verhandeld; elke observatie van den auteur is raak, want intuïtief en bliksem-hel door hem zelf gezien, zóó gezien, dat in het uiterlijkheidsleven het innerlijk ligt onthuld. Het is de waarlijk-lèvende, schèppende psychologie, die geen spraak behoeft, omdat zij zichzelf beeldt; die geen logische denkmanier heeft van noode, omdat zij de spontane logica, de logiek van het natuurleven-zèlf is....
Zie eens den ouden wolf in zijn ervaringswijsheid gebruik maken van het oogenblik, dat zijn nog overgebleven jonge mededinger hem onachtzaam de onbeschermde bocht van zijn hals toewendt, om in één scheurenden ruk den grooten slagader door te bijten; zie de wolvin, gevleid door het haar huldigende doodelijke minnespel "lachend" zitten toekijken op het besneeuwde veld.... En is het u niet bij die en de vele dergelijke tooneelen of op de u woest voorbij gezwaaide toorts der dramatiek nu waarlijk de vlam der psychologie de verre duisters doorschicht?
Let ook op de dramatiek der ouder- en kinder-liefde: de moeder roovend de jongen uit het hol van de lynx, om in den tijd van hongersnood haar nog overlevend wolfje te voeden; het gevecht met de lynx; of Pittah na 'n jaar zijn moeder weer ontmoetend: hij springt haar vroolijk tegemoet, zij—een wolfmoeder vergeet haar jongen van een vorig jaar—herkent hem niet meer en haalt hem vinnig den kop open. Lees, bij het allereerste ontstaan van het jacht-instinct bij het jonge wolfje, zijn avonturen op den eersten dag: na en nog midden-in al het docentachtige, geleerde verhandelen over de eerste ontwikkelingsgang in het diertje, wordt door de dramatische spanning van het door den kunstenaar London gebeelde gebeuren, ook de kunstenaar in den psycholoog London gewekt: het vecht en moord-genot in volle hevigheid van trillend leven in de ziel van het wolfje voelt ge na: als hij het nest met de jonge vogels vindt, ze verslindt en daarna den kamp met het moeder-sneeuwhoen onderstaat; zijn schrik en zijn begrijpen van wat dit ook hem te leeren heeft, als hij een "gevederde pijl", een havik, ziet neerschieten, het sneeuwhoen grijpen en met het angstkrijschende dier in de klauwen opwaarts vliegen; met nog op het einde dier magnifieke eerste-dag-episode, die scène van moederliefde, als de wolvin haar kind, dat dreigt door een wezel te worden doodgebeten, nog net bijtijds redt.—Bedenk ook wat een prachtig-gave dramatiek en dus ook dramatisch zich uiten de psychologie aan den dag treedt in dat tooneel tusschen den ouden wolf Eénoog, verscholen achter pijnboomen, de lynx en het stekelvarken:
Een half uur verliep—een uur—en er gebeurde niets. De stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen zijn, de lynx van marmer; en de oude Eénoog had een dood dier kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.
Eénoog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn ondoordringbare wapenrusting—geen kwaad vermoedende.
Of let eens op heel dat hartstocht- en conflict-volle leven van Pittah te midden der hem vijandige jonge honden in het Indianenkamp, en later onder de tyrannie van den half-krankzinnigen, gedegenereerden "Mooien Smit." Het is geen toeval dat juist de dramatiek in dit boek den levenden en oorspronkelijken dierpsycholoog London pas in zijn volle kracht doet verschijnen. Handeling van het dier lijkt ons immers wel de eenige toegangspoort, waardoor wij tot zijn ziel kunnen geraken, en wanneer die handeling culmineert in het conflict, staat die poort wel het wijdst open. En dus, zoodra we dit bedenken, vergeven we onzen schrijver graag, dat waar de felle, aan conflicten rijke handeling nog ontbreekt, hij meer logische redeneeringspsychologie dan levende, intuïtieve zielkunde geeft. We vergeven hem, maar—vergeten daarom nog niet, dat de mèèst geniale intuïtie geenerlei toegangspoort van noode heeft....—.
V
De "groote lijn" in het werk.
Is London's verdienste als psycholoog en dramatisch beelder van het dierleven dus groot, hij zou er geen aanspraak op kunnen maken, de grondlegger, en naast St. Mars, Chisholm e.a. een der meest beteekenende schrijvers van het moderne dier-epos te zijn, indien hij niet waarlijk in Pit-tah een dier-epos hadde gegeven; indien hij niet naast en doorheen de détails, ook de groote lijn in het oog hadde gehouden en, niet tevreden met losse en, zooals de Engelschman ze noemt: thrilling sketches uit het dierleven, een weloverwogen en, die eene fout welke wij vroeger hebben opgemerkt daargelaten, uitstekend gecomponeerd geheel had geschapen, dat opgang, middaghoogte en neergang van een leven omsluit; een geheel, dat ook—en dit bedoel ik vooral met "de groote lijn"—de geboorte, de stijging en den climax eener bepaalde gedachten- en voorstellingengroep bevat. De gedachten-en voorstellingengroep namelijk: hoe een natuurlijk-woest maar toch ook met liefdevollen aanleg begiftigd dier, door de mishandeling der menschen en omstandigheden tot een wezen van ònnatuurlijken en duivelschen haat vergroeit en hoe dan weer de psychische verwrongenheid van datzelfde dier zich effent, recht en opbloeit, onder den weldoenden invloed van goede menschen en gunstige omstandigheden. Hierdoor heeft het boek een dieperen geestelijken achtergrond gekregen, en men zal nimmermeer in verbeelding de vele kleurige en boeiende tooneelen kunnen herzien, die zich afspelen vóór dien achtergrond, zonder zich dien zelf als het allerschoonste te herinneren. Want daar was, achter al dat wisselend en fel gebeur, een in den aanvang nog ijl-wazig en vaag vertoonen, een vertoonen, dat zich verduidelijkte al meer en meer, zoo dat het was, of elk tooneel, elke figuur, als in bevallig spel, vóór te verdwijnen een lichtje neerzette en achter liet, tot op het eind dat ijl-wazige en vage in den glans van al die lichtjes hel-verklaard stond, en wij opgetogen begrepen wat het ons wilde zeggen, neen wat het ons meer dan gezègd, wat het ons in en door al die tooneelen had gebeeld: zich-zelf; want dóór heel dat gebeuren bleek het nu voor onze oogen stillekens te zijn gegroeid, in heel dat gebeuren zich langzamerhand te hebben verwerkelijkt, zoodat wij eindelijk zagen wàt het is: de voorstelling, hoe en waardoor de liefde ook in het meest hatende wezen dringt, hoe en waardoor zij dit vervormt tot iets van zich-zelf, en het daarmee meteen al het hoogst voor hem bereikbare geluk brengt.—
Dit karakter van ons boek: een verhaal van de overwinning der liefde te zijn, staat weliswaar in niet-prettige tegenstelling tot het, betrekkelijkerwijs gesproken, kleine menschscheppend talent en den geringen ernst, waarmede de figuur is gebeeld—de mijn-expert Weedon Scott—die voor Pittah de personificatie dier zijn haat overwinnende liefde is. Het is dan ook misschien wel het moeilijkste dat er bestaat: de liefde, zelfs maar eenigszins, te personifieeren, zonder een tikje zoetelijk te worden—de figuur van "Mooien Smit," den duivel van Pittah's hel, is dan ook beter geslaagd—maar omdat deze minder gelukte menschbeelding voorkomt in een dierverhaal, en het dier- en natuur-verhaal in onze meer-onbewuste verbeelding aan het sprookje is verwant, waarin wij, zooals van zelf spreekt, 't nooit zoo nauw met de levenswaarheid der menschkarakters hebben genomen, oefent deze omstandigheid zoo min als de slecht-romantische toevalligheid van de Jim Hall-episode op het einde, een bepaald-storenden invloed uit; en op stuk van zaak verhóógen déze tekortkomingen misschien nog wel de bekoring van het verhaal, die immers over 't algemeen aan het kinderlijk-aanvallige der naïveteit niet vreemd is.—En hiermee zij dan de behandeling van Pittah de grijze Wolf beëindigd.
Noten:
BEATRIJS
Inleiding
I
Welk een enorme sprong! Van Pittah, de grijze Wolf, naar—de sproke van Beatrijs.... Van den modernen Amerikaan uit het land van fabelachtige weelde en den ongebreidelden levenshonger der felle aarde-genieters, naar den middeleeuwschen smachter-naar-God, den hemel-verwachter en -verlanger, den sobere van zeden en behoeften; van den dichter van het dier-epos naar dien van het God-verheerlijkend dicht. De afstand moge hem het grootst lijken, die gewend is de dingen louter naar hun uiterlijk te waardeeren, toch: wat 'n sprong! En ik wil je allen wel zeggen, dat ik hem 'n twintig jaar geleden niet zou hebben gewaagd, bevreesd als ik zou zijn geweest, dat ik, na mijne heldendaad mij omwendend, mijn heele mij zoo dierbare gezelschap van volgelingen zou hebben gezien, zich wringend van 't lachen aan de overzijde van den oversprongen afgrond, en, in stede van mij te volgen, mij uitjouwend om mijn malle daad. "Wie heette jou te springen, jij nar," zoo zouden mijne geliefde vakbroeders en -zusters mij ongetwijfeld achterna-gehoond hebben, "wie heette jou te springen van uit ons moderne goed-beloopbaar landje, òns landje-van-Multatuli-Büchner-kracht-en-stof-Dageraads-atheïsme, enz. enz. enz., naar dat ongelukkige strookje drijfzand van middeleeuwsch bijgeloof, waar je je dood om kan gieren als je 'r alleen maar 'an denkt; dien dommen tijd, toen ze zoo niks wisten en aan God en den duivel, aan spoken en heksen geloofden. Dag! We groeten je, veramuseer je in je eentje!" ....—En nòg, nù, nà die twintig jaar, en terwijl het plàt- en stòm-materialistisch getij zoo heerlijk aan het verloopen is, nòg zou ik geaarzeld hebben; want, moge er al eene enorme verbetering zijn ontstaan, woont niet nog altijd de arbeider aan den zelfkant van het geestelijk leven? Welk een storm moet niet zelfs heden ten dage in het centrum opsteken, wil hij daar aan dien uitersten zoom, een vleugje voelen tegen het hoofd! Maar, lieve vrienden en vriendinnen, schoon ik derhalve wel weet, dat velen uwer nog altijd veel te vol van eene zonderlinge levenszekerheid zijn; dat het leven hen nog immer al te raadselloos is, en dat hunne zekerheid òf door eene naïeve onwetendheid wordt gedragen, òf door de, overigens natuurlijke, pratheid op het jonge bezit van wat uitsluitend practisch-maatschappelijke kennis wordt gestut, wat kennis, die vaak—en hoe kan 't anders na zoo zorgelijke jeugd!—zoo weinig om het lijf heeft, dat ze zich heel het leven precies zoo naakt, zoo open en duidelijk denkt als zichzelf—ofschoon ik dit alles wel weet ... daar werd me een boekje gezonden met de vraag: "Zou je dat niet eens willen behandelen in Het Jonge Leven?" Ik bekeek het boekje en toen, onmiddellijk, werd mij de verzoeking al te groot: òf ik 't wilde, en hoe graag! En bovendien: ik bekeek ook den breeden rug van den zender en bedacht plots met gnuivend genoegen, dat die best de helft zou kunnen dragen van mijne misdaad, te spreken over mystiek, middeleeuwsch godsgeloof en een middelnederlandsch gedicht. En zoo besloot ik, u met dit alles—schoon niet dan betrekkelijk vluchtig—op het lijf te vallen. Hoe het boekje heette, ja dat weet ge nu al; uw nieuwsgierig gezicht geldt natuurlijk den breeden rug.... Welnu ... maar sjt! hoor ... die rug was van Henri Polak....—
Noot:
II
Bijna immer wanneer de menschelijke geest een van zijne hoogste en felste helderziendheden bereikt, ontkomt hij niet aan eene verblinding. Die verblinding en helderziendheid bestaan dan gelijktijdig met elkaar. Hij is als een hemel die blind wordt aan zijn zonneoog als zijn sterren-oogen gaan glanzen. Men spreekt van de eenzijdigheid sommiger genieën; over de zedeloosheid, het heenloopen over, en vertreden van alles—behalve hun kunst—van sommige groote kunstenaars; maar dat eenzijdige en die zede- en gewetenloosheid, zij zijn van niets anders het gevolg dan van die verblinding welke hunne helderziendheid begeleidt. Men bewondert de groote mannen, van wie men zegt, dat zij hun gansche leven lang heel hun wilskracht, heel hun kunnen op één machtig doel concentreerden en door niets daarbuiten zich lieten afleiden, máár—denkt men dan werkelijk, dat iets hen had kùnnen afleiden? Begrijpt men dan niet, dat deze helderzienden van, en daardoor geboeiden door, dit ééne, blind waren voor al 't andere? En ook elke tijd—voor zoover hij niet middelmatig was—vertoont, als complex-van-geestelijkheid beschouwd, die helderziendheid-èn-verblinding. De negentiende eeuw, die eeuw van wetenschappelijke stofvergoding, die tijd van weergalooze ontdekkingen op het gebied der exacte wetenschappen en techniek: hàre helderziendheid in de analyse werd vergezeld van blindheid voor de allerhoogste synthese: al te gelukkig slagend in de ontleding—en niettemin voor hoe klein een deel zelfs daar!—van het stoffelijk samenstel der wereld, had zij bijna volkomen het innerlijk en innig-ziend gezicht op den Eenenden Grond van 't Al verloren. Vandaar indertijd—als drab van toch heel kostbaren wijn—uw vergoding van sommige Multatulianismen, ùw ontkenning van alles wat ge niet stoffelijk zaagt bestaan.—Anders, neen juist het tegenovergestelde, de middeleeuwen, waarheen ons huidig onderwerp ons voert. Daar bestond juist de helderziendheid in het onderkennen van den Eenenden Grònd, die tevens de innerlijke Hèmel van de menschenziel is, en de blindheid openbaarde zich, in de geringschatting van, ja de minachting voor het aardsche-als-zoodanig, het uiterlijke en vooral: het innerlijk-aardsche. Groote daden vlamden op uit dien tijd, die het kenmerk van dèze helderziendheid-en-blindheid droegen: de kruistochten, trots al hunne ontaarding; de kruistochten, ònzaliger maar toch wel degelijk ook zaliger nagedachtenis, mengsel van afgrijselijke bestialiteit en duivelsche wreedheid, maar ook van een in onzen tijd bijna ondenkbare godsliefde als zij waren. En zoete gedachten bloeiden op uit dien tijd ... ach neen, het zijn geen gedàchten, het is een voelen, dat zwijmelt van liefde; het is een wierook, die maar één vat ontstijgen kan: de reinste ziel. De groote Jan van Ruusbroec bouwt er zijn cathedralen van proza, zijne tuinen van proza—vergoddelijkt-geziene natuurbeelden—vàn én er om heen, en de "hemellawerke" Hildewijch weeft er droomig en vurig-in-haar-droom, haar zoete, stil-gestemde, wazig-glorende zangen van, ziet er, als scherp omlijnde vlamfiguren uit een wemelend vuur, ook haar visioenen aan ontstijgen.[2] Beiden spreken van, leven in en voor de "minne"; voor beiden is het leven: liefde: tot God; liefde, die vaak door vreeselijken strijd—als is dit niet bij Ruusbroec het geval—en uitputtende worstelingen heen, God als 't ware noopt zich in de Hem lievende ziel te verwerkelijken, zoodat zij één wordt met Hem, zoo niet "in naturen" dan toch "in minnen"[3]; beiden spreken dezelfde taal, het woord dier zoete erkentenis van 's menschen wordende goddelijkheid, waarvan alle volken eens de waarachtigheid hebben gevoeld. Het is één gevoel, dat van de Indische Gîta, van den Hebreeuwschen Sjirha-Sjirim, van Ruusbroec en van Hildewijch. Het is het gevoel der mystiek in zijn hoogste potentie. Hoe begrijpt men dan ook, dat deze twee Grooten en Schoonen juist door den Sjirha-Sjirim, het Lied-der-Liederen, zoo werden verrukt.—
Het is het levensgevoel der mystiek, wat deze allen gemeen hebben, zei ik. En tevens duidde ik vluchtig aan, hoè dat levensgevoel zich aan de voelers-zelve en door hun werken aan ons openbaarde. Maar zoo ge mij zoudt zeggen, dat ge daaraan niet genoeg hebt en eene zuivere en scherp-omlijnde definitie begeert, wel dan zou ik U moeten antwoorden, dat ge een dwaas verlangen uit en ik wel een heel erg ijdele poseur en droogstoppel zou moeten wezen, om aan dat verlangen toe te geven. Een dergelijke definitie zou slechts den naam, niet het wezen definieeren, en zij heeft groote kans, juist omdat hier het wezen zoo hoog en ver aan zijn naam is ontgroeid, den weetgierige op een dwaalspoor te brengen. Ja, zelfs al de etymologie van het woord, die terugvoert naar een Grieksch, dat zooveel als ingewijde in een geheim-symbolischen gods-dienst beteekent, zou u onmiddellijk aan de-hemel-mag-weten welken hokuspokus en toovenaarachtige ritualiën doen denken. En nochtans—hoe ver is de mystiek, waarvan we hier spreken, van dergelijke dingen verwijderd. Indien ik al met nog ièts mijn woorden van zooeven op dezen oogenblik kan verduidelijken, dan, dunkt mij, kan het alleen dit zijn: de mystieke levensstaat is: te leven in zulk een allerzuiverste en allerinnigste liefde tot God, dat de aldus in volle overgave lievende mensch zieh zijn eigen wezen voelt ontglippen en verloren gaan in het wezen Gods, en, in stede dus van zich-zelf langer te voelen of te kennen, God kent. Dit is de Mystiek, dit is de mystiek van het Lied-der-Liederen, van Ruusbroec en van Hildewijch.... En voor thans zij er hier genoeg van gezegd. Want konden ook deze weinige woorden moeielijk gemist worden ter inleiding van de bespreking en het begrijpelijk maken van het religieus gevoel, waaruit de wonder-teere en zoete sproke van Beatrijs is opgebloeid, toch zijn diè mystiek en dat religieus voelen, ofschoon men, en terecht, ook dat van mystischen aard acht, niet één. Maar de eerste verhoudt zich hier tot het laatste, zooals een ding zich tot het vermogen om dat ding te beelden verhoudt, of een daad tot het vermogen om van die daad te verhalen. Immers: de beelder van een ding en de verhaler van een daad, moeten wel, verondersteld dat hunne beelding en hun verhaal goed zijn, een zeer diep en klaar inzicht in de natuur van dat ding en die daad hebben, maar daarom bezitten zij-zelf de eigenschappen van dat ding nog niet, en daarom zijn zijzelf nog niet in staat die daad te doen. En zoo nu, dunkt mij precies, de verhouding tusschen Ruusbroec en Hildewijch eenerzijds en den onbekenden dichter der Beatrijs anderzijds. De eersten zijn mystieken en hun werk is, in zijn hoogst bereiken, een mystiek-gebeuren—dat is dus eene versmelting in liefde van de menschenziel in God—; de laatste is een aanschouwer en doorproever van een mystiek gebeuren en zijn werk is een beelding daarvan, en goed beschouwd is het zelfs dit niet zuiver, maar beeldt het voornamelijk een gevolg van een in een mensch ten deele zelfs verleden en verwelkte mystieke liefde, zij het een allerschoonst en heerlijk gevolg: een "mirakel," waarin een incarnatie van het Goddelijke, de "soete en suivere Maghet" voor een zwak geworden en in haar Godsliefde te kort schietende non, den last opneemt en het werk verricht, door haar van zich geworpen en verlaten ....—Maar dan ook juist daarom: omdat dit dicht—dat tot de schoonste nalatenschap der middeleeuwen behoort—niet uit het allerhoogste mystieke levensgevoel-zelf is geschreven, doch er niet meer dan een reine nà-klank van is, leek het mij ook als uw eerste in-leiding in die meest verheven sfeer der middeleeuwsche letterkunde niet al te zwaar. Waarbij nog dìt komt: in de Beatrijs wordt vooral dàt moment in het mystieke gebeuren gebeeld, waarop, zooals ik reeds zooeven aanduidde, de liefde van een mensch tot het Goddelijke verflauwt, en het Goddelijke, in overgroote genade, uit eigen onbegrensde liefdeschat de ontstane leegte vult, en welnu: dàt moment juist vindt zoo diepen weerklank in het hart van ons: moderne menschen. De pure en standvastige zielen van Ruusbroec en Hildewijch staan ver van ons ... maar het vallen-en-opstaan van Beatrijs, het vallen-en-opstaan, dàt is het ònze. In Beatrijs ontmoeten de heilige en zondaar elkaar ... in wien onzer doen zij dit niet? Het is dan ook daarom een algemeen menschelijk verhaal, deze vertelling van de non, die heimelijk haar klooster verlaat, om de stem harer aardsche liefde te volgen; die later in de laagste ontucht leven zal en voor wie in hare afwezigheid de "Fonteyne boven alle wiven" Maria, in de gedaante der ontrouwe, veertien jaar lang dier dagelijksche taak waarneemt, zoodat hare zonde "bedekt wordt voor der menschen oogen" en zij later, zat van aardsche vreugde en leed, weer, onverdacht van elke smet, tot haar oude klooster inkeeren kan en een heilig leven hervatten. Het is een verhaal van háár, maar óók—van u en mij; van háár tijd maar ook van de ònze. Het is een ééuwig verhaal....—Luister! luister even, hoe het als ware 't de schoonst denkbare verluchting is van dat troostrijk woord, dat vier eeuwen later de groote Milton neerschreef: