← Table of contents
Onder de koppensnellers op Borneo

IX. De groote sneltocht.

Reading edition

Geheel verkwikt en bezield met nieuwen moed en vertrouwen gingen ze weer op reis. De rivier was veel rustiger en ze konden dus flink vorderen, zonder voortdurend door allerlei hindernissen in spanning te verkeeren.

De Westelijke oever werd steeds lager. Hier en daar begon hij zelfs moerassig te worden. De Oostelijke daarentegen bleef heuvelachtig. Eindelijk besloot Kees aan wal te gaan, om te trachten over land de Kenjaoe-dajaks te bereiken.

Weldra waren ze op het pad. Vooraf dienden ze zich goed te oriënteeren. Daartoe beklommen ze een der hoogere heuvels. Van den top hadden ze een vrij goed uitzicht. In het Noorden verhieven zich de onherbergzame ketens van het Lawit-gebergte. De aanblik van de grijze rotsmassa’s deed de mannen nog huiveren. Naar het Noord-Westen zag Kees lagere, schoon nog vrij hooge toppen. Daartusschen door besloot Kees zijn weg te nemen.

Spoedig bevonden ze zich weer in de wildernis. Een pad was er natuurlijk niet, zoodat ze zich vaak met de parang een doortocht moesten banen. Ze vorderden dan ook zeer langzaam. Hun voedsel was wat gekookte rijst van den vorigen dag, die echter al zuur begon te worden.

De eerste nacht ging zonder wederwaardigheden voorbij. Den volgenden dag bereikten zij den voet der bergen, tusschen welke ze door wilden trekken. Hun voedsel bestond nu uit wat plantenwortels. Met een hongerige maag moesten ze zich des avonds neerleggen om te slapen.

Den derden dag gebruikten ze om het gebergte over te steken. Toen ze het hoogste punt van het zadel tusschen twee bergtoppen bereikt hadden, zagen ze een uitgestrekte, met oerwoud bedekte heuvelstreek voor zich: vermoedelijk het land der Kenjaoe-dajaks.

Een klein waterloopje vloeide van de bergen af. Ze besloten dit te volgen. Misschien lei aan de zoomen in de diepte een dorp. Weer moesten ze zich vergenoegen met wat plantenwortels, die ze in het bosch vonden.

Op den vierden dag bereikten ze eindelijk een huisje.

Van de bewoners vernamen ze, dat ze zich werkelijk weer in het land der Kenjaoe-dajaks bevonden en zelfs vrij dicht bij het dorp Tapang. Volgens deze menschen konden ze daar den volgenden avond wel zijn.

De twee vermoeide en uitgehongerde zwervers genoten gastvrij onderdak en konden zich nu weer eenigszins herstellen van de geleden ontberingen. Toch reisden ze den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk af, om zoo mogelijk denzelfden dag nog het huis van Petinggi Datoek te kunnen bereiken.

Het was reeds avond en geheel donker, toen ze te Tapang aankwamen. Zoo waren ze dus weer terug op het punt van uitgang.

Maar hun toestand was geheel anders! Toen vol goeden moed en vertrouwen op het welslagen van hun plannen. Nu echter uitgehongerde vluchtelingen! Alles was hun tegengeloopen. Meermalen hadden ze in het dreigendste doodsgevaar verkeerd. Het was een onbegrijpelijk wonder, dat ze nog leefden.

Nauwelijks waren ze het huis binnengetreden, of ze werden omringd door een groot aantal der bewoners, die hen bestormden met vragen omtrent henzelf en de Kenjaoe’s, die met hen waren meegetrokken.

Petinggi Datoek had de grootste moeite om de ongeduldige menschen tot stilte en afwachting te dwingen. Eerst moesten Kees en Marti zich te goed doen aan een grooten schotel rijst. Daarna begon Kees, omringd door de aandachtig luisterende Dajaks, het droevig verhaal van al hun lotgevallen.

Toen hij beschreef, hoe de eene Kenjaoe van de rotsen was gestort, klonken er uit de rijen de luisteraars uitroepen van schrik en medelijden. Voor alles stond het vast, dat de antoe’s der bergen zich hadden gewroken op de overmoedige menschen, die zich op hun terrein hadden gewaagd.

Daarna vertelde Kees, hoe de beide andere Dajaks hem verlaten hadden. Ook deze mededeeling verwekte groot opzien en ontsteltenis.

»Ze zijn niet teruggekeerd, heer!” zei Petinggi Datoek.

»De antoe’s hebben ook hen naar beneden geworpen,” verklaarde een oud man met groote stelligheid. Een huivering van ontzetting voer door de rijen.

»Ze komen misschien nog wel terug, de weg is ver en zeer moeilijk,” zei Kees bemoedigend, ofschoon hij het zelf niet geloofde.

Daarop ging hij verder met zijn verhaal. De ontvangst bij de Sibaoe’s; zijn ontmoeting met Senawa; het verraad van Amat; de vlucht over de rivier. Dat alles werd aangehoord met levendige belangstelling. Groote bewondering had men voor Kees, die zich had durven wagen tusschen de vijanden, die ze zoozeer haatten en vreesden.

Ten slotte vertelde Kees het door Marti afgeluisterde gesprek. Toen sprongen allen vol schrik en ontzetting op. De mannen grepen onwillekeurig naar de wapenen; de vrouwen snelden gillend naar de lawangs, inderhaast de kinderen meesleurend. Het was een opschudding, alsof de gehate vijand reeds in de onmiddellijke nabijheid was.

Ook Petinggi Datoek was zijn hoofd kwijt en riep maar:

»We moeten vluchten! Maak u zoo snel mogelijk gereed, om te vertrekken.”

Kees trachtte olie op deze golven van onrust te gieten.

»Laat ons eerst eens rustig nadenken en plannen beramen. Het is al nacht en ge kunt nu niet met al die vrouwen en kinderen de wildernis in vluchten. Er is nog tijd genoeg. Al zouden de Sibaoe’s dadelijk na mijn vertrek op weg zijn gegaan, dan kunnen ze naar mijn idee toch eerst over een dag of vijf hier zijn. Indien ze tenminste over den Goenoeng Lawit komen. Waar wilt ge nu heen vluchten?”

»Naar een plek in de wildernis, die zeer moeilijk te vinden is, heer. Dáár bouwen we hutjes en afdaken en blijven er zoolang wonen, tot de Sibaoe’s ons land weer verlaten hebben,” sprak Petinggi Datoek na eenig overleg.

»En moeten de bewoners der andere dorpen dan niet gewaarschuwd worden?”

»Zeker, heer, morgenochtend zend ik boodschappers uit. Maar ik vrees, dat het bericht voor de menschen, die veraf wonen, te laat zal komen.”

»Wat gebeurt er dan met hen?” vroeg Marti.

»Misschien niets; maar anders worden ze aangevallen door de Sibaoe’s en gedood. De invallers verbranden de huizen en nemen de koppen mede als zegeteekenen.”

»Maar als je nu vlucht, dan zullen ze toch ook de huizen verbranden, de ladangs verwoesten en de varkens dooden of stelen,” zei Kees.

»Ja heer, dat zullen ze zeker doen!” antwoordde Petinggi Datoek met een zucht.

»Waarom roep je dan niet liever alle mannen bijeen en tracht ze te verslaan?”

»Wij kunnen niet vechten tegen de Sibaoe’s, heer. Zij hebben sterke antoe’s, die hen helpen,” antwoordde de Dajak met groote overtuiging.

Kees haalde de schouders op en zweeg verder. Hij keek toe, hoe de beangstigde Dajaks bij het slechte licht van walmende harstoortsen hun benoodigdheden inpakten, om zich gereed te maken voor een langdurig verblijf in de schuilpaatsen in het bosch.

Den geheelen nacht was ieder druk bezig met het gereedmaken en verdeelen der vrachten.

Kees merkte op, dat er onder de mannen heel wat waren, die de vlucht afkeurden. Deze hadden het beter gevonden, dat men de vrouwen en kinderen in veiligheid bracht, om daarna een gevecht met de Sibaoe’s aan te gaan.

De groote meerderheid echter vond het met Petinggi Datoek beter, een veilig oord op te zoeken.

Kees vroeg vergunning, zich met Marti bij hen aan te sluiten. Onder deze omstandigheden zag hij er tegen op, alleen het land door te trekken. Petinggi Datoek, die hem zeer dankbaar was voor de waarschuwing, stond hem gaarne toe, mede te gaan naar de schuilplaats.

Bij het krieken van den ochtend toog de geheele bevolking van Tapang op reis. Allen liepen achter elkaar. Vooral de vrouwen waren zwaar bepakt; de mannen droegen hun wapens.

Volgens Petinggi Datoek zou de tocht met vrouwen en kinderen wel drie dagen duren. Kreeg men onderweg echter slechte voorteekenen, dan konden er nog wel eenige dagen bij komen.

Men trok in noordwestelijke richting. Een gebaand pad was er niet. Toch stapte Petinggi Datoek, die de menigte leidde, met de grootste zekerheid voort.

Aan het einde van dien dag kampeerde men in het bosch onder kleine afdaken. Daar het regende, leden de vrouwen en vooral de kinderen veel ellende. Kees kon den ganschen nacht niet slapen, door het droef gehuil der allerkleinsten. Als de stakkers zoo nog eenige dagen en nachten aan allerlei ontberingen werden blootgesteld, zouden er verscheidene sterven van koude en ellende.

Eerst den derden dag bereikte men, na veel ongemakken te hebben doorgestaan, het doel van de reis: de Boekit Seloewa, een alleenstaanden berg met zware wouden begroeid.

Hier zouden de vluchtelingen verblijf houden, tot alle gevaar geweken was. Ook de bewoners der andere dorpen zouden zich hier verzamelen.

Na aankomst waren weldra alle Dajaks bezig afdaken en eenvoudige hutjes te bouwen, waar men den eersten nacht kon slapen. Later zou men deze primitieve woninkjes wat verbeteren.

Reeds den volgenden dag kwamen er meer vluchtelingen opdagen uit de in de nabijheid gelegen dorpen en huizen.

De toestand in het kamp was niet te best. Ieder stelde middelen in het werk, om de tijdelijke woning zoo goed mogelijk te maken. Het bleven echter noodwoninkjes en de menschen hadden veel last van koude en vocht. Na een paar dagen waren er veel zieke vrouwen en kinderen; en reeds waren er een paar kleintjes gestorven.

Nog een paar dagen later kwamen er eenige vluchtelingen in het kamp aan, die in een der noordelijkste dorpen thuis hoorden. Deze verhaalden, hoe eenige dagen te voren hun huis plotseling in het holle van den nacht overvallen was door een sterke bende Sibaoe-dajaks. Zij waren ouder gewoonte als uit de lucht komen vallen en hadden een gruwelijke slachting aangericht onder de bewoners van het dorp. Slechts enkele der mannen hadden kunnen ontkomen. Deze waren op hun overhaaste vlucht één der boodschappers van Petinggi Datoek tegengekomen, die hen gezegd had, dat allen zich moesten verzamelen op den Boekit Seloewa.

In ademlooze spanning had een dicht opeengedrongen menigte Kenjaoe’s het verhaal van hun stamgenooten aangehoord. Groote angst maakte zich van allen meester en kreten van schrik en ontsteltenis klonken door de lucht.

Het kostte Petinggi Datoek eenige moeite, de menschen duidelijk te maken, dat er voor het kamp voorloopig nog geen gevaar was.

Den volgenden morgen heerschte er weer groote opgewondenheid. Alle Dajaks verzamelden zich en schenen opnieuw aan hevigen angst ten prooi. Kees spoedde zich er heen. Eén der boodschappers bleek teruggekeerd en had nadere berichten meegebracht.

Kreten van haat en woede stegen op uit de rijen der toeluisterende Dajaks.

De boodschapper vervolgde:

»Ik durfde niet lang op die gevaarlijke plaats vertoeven en heb me zoo snel mogelijk verwijderd. Onderweg heb ik zooveel mogelijk onze lieden gewaarschuwd.”

Kees drong naar voren en vroeg:

»Hebt ge ook kunnen zien, hoeveel Sibaoe’s er ongeveer waren?”

»Mij docht zoowat honderd, heer. Misschien wel meer, maar zeker niet minder.”

»En waren er velen met geweren bewapend?”

»Ja, heer, de meesten hadden geweren.”

Kees vroeg niet meer en verwijderde zich. Hij bemerkte wel, dat er, onder den indruk van dit nieuwe verhaal, groote verslagenheid heerschte. De mannen stonden in groepen bijeen en waren in druk gesprek.

Eenige oogenblikken later besprak Kees de zaak met Marti.

»Het is me onbegrijpelijk, hoe de Kenjaoe’s zoo bevreesd kunnen zijn voor de Sibaoe’s. Volgens de berichten moet de bende der Sibaoe’s ruim honderd man sterk zijn en ik tel hier onder de Kenjaoe’s minstens honderd en vijftig flinke, strijdbare mannen.”

»Ze zijn bang voor de tooverijen der Sibaoe’s, heer,” zei Marti.

»Ik geloof niets van al die verhalen. De een maakt den ander met zijn sprookjes bang.”

»Maar u ziet toch zelf, dat de Sibaoe’s op onverklaarbare wijze in dit land komen. Daar moet toch tooverij achter schuilen.”

»Onverklaarbaar is het tot dusverre zeker; maar van die tooverij geloof ik geen zier. Mijn gevoelen is, dat de Sibaoe’s een geheimen doortocht door ’t gebergte kennen; een weg, die heel wat gemakkelijker is dan die, welken wij gevolgd hebben.”

Marti zweeg. Al was hij een volgeling van Mohammed geworden, als gewezen Dajak kon hij het geloof aan tooverij en de hulp der antoe’s nooit geheel van zich afzetten. Kees hernam:

»Het is jammer, dat ze hier zoo bang zijn voor die Sibaoe’s. Als ze durfden, zouden ze hun vijanden best kunnen verslaan en het land uitjagen.—Ja, daar moet ik eens over nadenken en er met Petinggi Datoek over spreken. Misschien kan ik er hem toe krijgen, die Sibaoe’s te lijf te gaan.”

Marti keek verschrikt op en zei:

»Laat ons liever een middel bedenken, om uit dit vervloekte land weg te komen, heer. Waarom u nu weer in nieuwe avonturen te begeven! Vindt u het dan nòg niet genoeg?”

»Ik kan die ellende hier niet langer aanzien, Marti. Vrouwen en kinderen sterven weg als ratten en muizen. Als dat nog lang zoo duurt, blijft er geen in leven. Bovendien weet ik, dat verscheidene mannen er net zoo over denken als ik. Maar ze durven het niet uit te spreken, uit vrees voor die oude, bedachtzame mannen, die liever maar afwachten.... al maar afwachten.”

»U moet het natuurlijk weten. Ik voor mij zou gaarne hier vandaan gaan. We hebben onzen plicht ten opzichte van de Kenjaoe’s gedaan. Ik heb, vóór we onzen tocht aanvingen, gedroomd van bloed en vuur. U weet, dat alles is uitgekomen.... en het kan nog erger worden!”

»Wees niet zoo bijgeloovig, Marti.”

Marti antwoordde niet, doch Kees zag wel, dat de brave inlander gekrenkt was, dat er zoo weinig waarde aan zijn droomen werd gehecht.

Kees liet zijn denkbeeld niet los en zon op een plan, dat hij aan de Dajaks zou kunnen voorstellen.

Eindelijk had hij een besluit genomen.

die mistroostig onder zijn hutje zat
die mistroostig onder zijn hutje zat

die mistroostig onder zijn hutje zat

Hij ging Petinggi Datoek opzoeken, die mistroostig onder zijn hutje zat bij zijn zieke vrouw.

»Petinggi, kom eens hier, ik moet met je praten!”

De geroepene stond op en verwijderde zich met Kees.

Marti was zijn heer op eenigen afstand gevolgd en zag nu, hoe zich tusschen Kees en den Dajak een druk gesprek ontspon.

Van het gesprokene kon hij door den afstand niets verstaan. Wel zag hij Kees druk gesticuleeren. Hij zag ook, hoe de Dajak dan weer krachtig met het hoofd schudde. Toch hield Kees vol. Eindelijk was het merkbaar, dat Petinggi zich gewonnen gaf. Toen verwijderde Petinggi zich weer.

Nu kwam Kees naar Marti toe en zei:

»Het heeft moeite gekost, maar hij zal nu de mannen bijeenroepen voor een vergadering, om de zaak te bespreken. Ik vertrouw, dat ik de groote meerderheid op mijn hand krijg. Ga maar mee, dan kun je alles hooren.”

»Goed, heer!” zei Marti onderworpen.

Zuchtend volgde hij zijn heer, zich bekommerd afvragend, in welke narigheden deze zich nu weer begeven zou.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings