VI. Bij de Sibaoe-dajaks.
Reading edition
»Zijt gij mannen van den stam der Sibaoe’s?” vroeg Kees.
»Ja, heer!” antwoordde een der Dajaks.
»Gelukkig, dan zijn we eindelijk aan ons doel!” riep Kees uit.
»Waar komt u vandaan?” vroegen de Sibaoe’s, want de plotselinge verschijning dezer drie mannen had de grootste verbazing bij hen opgewekt.
»Wij zijn van den Goenoeng Lawit gekomen,” zei Marti en wees achter zich naar de hooge bergtoppen.
Deze mededeeling werd door de Sibaoe’s met zichtbare teekenen van ongeloof ontvangen. Hun houding en hun blik werden wantrouwend.
»Hebt ge niets voor ons te eten?” vroeg Kees, die hoopte eindelijk zijn honger te kunnen stillen.
De beide Dajaks haalden uit hun manden wat gekookte rijst, die ze altijd op hun zwerftochten in een potje meevoeren. Met graagte aten de drie uitgehongerde mannen het hun verstrekte voedsel. De Dajaks zagen met verwondering toe. Ze begrepen, dat deze menschen honger geleden hadden.
Toen de maaltijd in letterlijken zin verslonden was, vroegen ze aan Kees:
»Wat komt u hier zoeken?”
»Ik ben een man van de Kompenie. Dit is mijn helper en dat is een koopman, die hier handel wil drijven.”
Ofschoon in dien tijd het gouvernement zich nog niet veel met de zaken van het binnenland bemoeide, wist Kees toch wel, dat de Dajaks hem misschien zouden ontzien, als ze in hem een dienaar van de »Kompenie” zagen.
»Wat wil de Kompenie hier dan?” vroegen de Dajaks nog steeds wantrouwig.
Kees achtte het niet raadzaam, iets van zijn eigenlijk plan te laten blijken. Hij moest het vertrouwen der Dajaks zien te winnen. Daarom bedacht hij een voorwendsel.
»Ik kom hier naar steenkool zoeken. Als er hier veel steenkool in den grond zit, wil de Kompenie het er uit halen. Dan kunnen de Dajaks veel geld verdienen.”
De Sibaoe’s kenden het gebruik van steenkool voor hun eigen wapensmederijen en hadden misschien wel eens gehoord, dat de blanken ook voor andere doeleinden veel steenkool noodig hadden. Ze knikten met het hoofd en zeiden:
»Er is hier wel steenkool, maar niet zoo heel veel.”
»Dat wil ik nu juist onderzoeken,” zei Kees. »Ik heb geleerd te zien, of er diep onder den grond ook nog steenkool zit.”
»De witte menschen moeten heel knap zijn. Ik heb hooren vertellen, dat er in Koetjing (de hoofdplaats van Serawak) een vaartuig is, dat door vuur in beweging wordt gebracht. Is dat zoo?” vroeg een der Sibaoe’s.
»Ja, dat is zoo. Zulke schepen hebben wij. Daarvoor juist hebben we steenkool noodig,” zei Kees.
Marti en Amat hadden stil naar het gesprek geluisterd. De eerste keek vol bewondering zijn meester aan; hij had nooit gedacht, dat deze zoo mooi liegen kon. De Maleier daarentegen vertrok geen spier van zijn gelaat. Het scheen, alsof dat alles hem niets aanging.
Nu begon Kees op zijn beurt zijn nieuwe kennissen te ondervragen over het land en zijn bewoners.
De twee Dajaks waren uit een dorp, Oelak genaamd. Zij bevonden zich nu op de jacht en waren volgens hun zeggen twee dagen loopens van hun woonplaats verwijderd.
Het gesprek vlotte heel goed, ofschoon de Sibaoe’s in hun taal enkele afwijkende woorden bezaten, waarvan Kees niet dadelijk de beteekenis begreep.
»Is Oelak het voornaamste dorp?” vroeg hij.
»Neen, heer, het grootste dorp ligt verder naar het Oosten en heet Metoedjoe. Daar woont het voornaamste hoofd van onzen stam, Senawa genaamd.”
»Hoever is dat Metoedjoe hier vandaan?”
»Vier dagen, heer.”
»Welnu, ik wilde gaarne eerst naar Metoedjoe gaan, om met Senawa te spreken en van hem te hooren, of ik hier veilig ben. Ik heb wat zout en tabak voor hem meegebracht, om te toonen, dat ik als een goed vriend in dit land kom,” zei Kees.
De Dajaks zwegen en wachtten af, wat hij verder te zeggen zou hebben.
»Ik zal jelui goed beloonen, als je me naar Metoedjoe brengt,” ging hij voort.
Na kort onderling beraad zei een der Dajaks:
»We zullen onze jacht opgeven en u naar Senawa geleiden, doch dan zult u ons zeker ruim beloonen?”
Kees bevestigde zijn belofte en spoedig was men, nu met zijn vijven, op weg.
Tegen den avond bereikte men een afdakje, dat pas gemaakt scheen. Inderdaad was het de plaats, waar de beide jagers den vorigen nacht hadden doorgebracht. Ook nu gaven ze den wensch te kennen, daar te overnachten. Kees, die zich vrijwel uitgeput gevoelde, kon daar niets tegen in brengen.
Hij bepaalde evenwel, dat ze met hun drieën om de beurt de wacht zouden houden. Hij vertrouwde zijn nieuwe vrienden toch niet al te best.
Toen de beurt aan Kees was, om te waken, bleef de Maleier Amat, dien hij had afgelost, nog eenige oogenblikken met hem praten.
»Het is misschien brutaal, heer, maar ik zou toch gaarne weten, waarom u eigenlijk naar dit land is getrokken. U heeft dien Dajaks verteld, dat u steenkool komt zoeken, maar dat kan toch de waarheid niet zijn. Hoe zou men die steenkool hier vandaan naar de beneden streken moeten transporteeren? Dat schijnt mij ondoenlijk.”
»Amat, ik ben niet van plan, om je te vertellen, wat ik precies ga doen. Dat gaat niemand iets aan. Waarom wil je dat weten? Jij hebt nu toch je zin. Je bent bij de Sibaoe’s en nu kun je trachten, je amuletten te verkoopen.”
»Ik heb er reeds twee verkocht, heer,” zei de slimme Maleier en Kees hoorde hem zachtjes lachen.
»Jij bent een bijdehante rakker, Amat,” lachte Kees nu ook.
»Ik ben een handelaar, heer, en ik mag mijn gelegenheid om te verkoopen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Maar ik wil hier niet altijd blijven en hoop dit land ook weer te verlaten. Omdat ik graag weer met u terug ging, vroeg ik u, wat u ging doen. Als u dat misschien niet kunt zeggen, is het evenwel toch wel mogelijk, dat u kunt zeggen, wanneer u teruggaat.”
»Daar weet ik nog niets van. Ik moet in dit land iets onderzoeken, maar moet eerst nog informeeren, waar ik precies moet zijn. Als ik dat weet, kan ik ongeveer zeggen, hoelang mijn verblijf bij de Sibaoe’s zal duren.”
»Zoudt u het mij dan willen zeggen?”
»Zeker, maar reken er op, dat ik hier slechts zoo kort mogelijk blijf.”
»Dat is goed, heer, ik zelf wensch ook niet zoolang te blijven.”
»Je bent er zeker niet geheel van overtuigd, dat je amuletten afdoende werken,” lachte Kees.
»Misschien, heer!” zei de Maleier droogjes. Daarna legde hij zich ter ruste. Kees was alleen, tot zijn wachttijd om was en Marti hem weer afloste.
De nacht ging zonder eenige stoornis voorbij, waardoor het vertrouwen in de Sibaoe’s wat beter werd.
Verfrischt en versterkt, opgewekt door het vooruitzicht, spoedig weer eens onder een dak te zullen slapen, stapten de drie reizigers den volgenden morgen vroolijk en vlug achter de Dajaks aan.
Toch schoten ze dien dag niet zoo heel veel op. Er vielen hevige regens, die de kleine riviertjes spoedig sterk deden wassen.
Dankbaar mochten ze zijn, dat ze niet meer in het hooggebergte waren. Zonder twijfel zouden ze daar onder deze omstandigheden in de waterloopen zijn omgekomen.
Van slapen kwam dien nacht niet veel; de stortregen plaste zonder ophouden neer en de grond was doorweekt. Veel moeite hadden ze om een vuurtje aan te leggen voor het bereiden van hun maaltijd.
Den volgenden morgen trokken ze over een verlaten ladang met een paar vervallen huisjes er op. Menschen troffen ze er niet aan. Enkele uren later passeerden ze een uitgestrekte ladang met een grooter huis er op. Een tiental mannen kwamen te voorschijn, die, nieuwsgierig, weldra het kleine gezelschap omringden.
Het waren forsch gebouwde menschen, slechts gekleed met een tjawat en zwaar bewapend. Enkelen hadden een geweer, de anderen zware lansen en schilden. De groote oorlogsparangs waren versierd met bosjes menschenhaar.
Kees voelde zich niet erg op zijn gemak tusschen dit troepje Dajaks, dat er zoo krijgszuchtig uitzag. Doch hij begreep, dat vrees hier een slechte raadgeefster was. Groote koelbloedigheid en onverschrokkenheid was hier dringend geboden. Toch voelde hij tersluiks eens naar zijn revolver en keek tevens zijn geweer eens na.
Marti en Amat bleven zoo dicht mogelijk bij Kees en beschouwden de Dajaks met een gemengd gevoel van vrees en nieuwsgierigheid.
De Sibaoe’s waren een zeer vrijmoedig slag menschen, die Kees,—daar ze nooit een blanke gezien hadden,—met de grootste opmerkzaamheid bekeken. Vooral zijn schoenen trokken hun bizondere belangstelling.
Intusschen vertelden de twee gidsen de geschiedenis van hunne ontmoeting. Het verhaal van de tocht over den Goenoeng Lawit werd ook thans met ongeloof en wantrouwen ontvangen.
Blijkbaar heerschte onder deze menschen dezelfde vrees voor dat gebergte als onder de Kenjaoe’s. Maar ook kwam Kees tot de overtuiging dat de Sibaoe’s zonder eenigen twijfel ergens in ’t Noorden een goeden weg kenden.
Na eenigen tijd konden ze weer op weg gaan. Enkele der Sibaoe’s hadden zich bij hen aangesloten.
Dien dag bereikten ze nog het dorp Oelak. Het was een groot huis, gelegen op een uitgestrekt ladang-veld. Om het huis was een stevige heining van boomstammen.
In dit dorp werden de vreemdelingen vrij goed ontvangen, ofschoon ze aanvankelijk wel met argwanende oogen werden opgenomen.
Uit alles bleek, dat men hier nog met onvervalschte koppensnellers te doen had. Overal aan de palen hingen rottan mandjes met gedroogde of gerookte menschenschedels erin en de zware parangs der krijgers waren kwistig met bosjes haar versierd. Nu Kees en zijn reisgezellen eenmaal in het huis ontvangen waren, konden ze zich daar voorloopig veilig voelen. Het is bij de Dajaks geen gewoonte het gastrecht te schenden.
Alvorens zijn reis voort te zetten, besloot Kees een dag rust te houden in Oelak, ten einde van alle vermoeienissen en ontberingen te bekomen. Hij benutte dien tijd vooral door eens te praten met de Sibaoe’s. Hij wilde gaarne een en ander van het land weten en vorschte naar alles, wat hem eenigszins op het spoor kon brengen van den begeerden schat. Amat trachtte amuletten te verkoopen, wat hem heel goed gelukte.
Kees slaagde er in, door voorzichtige vragen, ongemerkt te vernemen, dat er werkelijk een Soengei Tekoeng bestond, en verder, dat deze rivier op ongeveer vijf dagen ten Noorden van het dorp Metoedjoe lag.
De wetenschap, dat de gezochte rivier werkelijk bestond, stemde hem zeer opgewekt. Uit verschillende opmerkingen, welke hij opving, leidde hij af, dat zijn oude makker met juistheid de plaats beschreven had, waar de diamanten verborgen waren. Kees herkreeg zijn oorspronkelijke luchthartigheid. De gevaren waren tot dusverre overwonnen; het grootste leed scheen wel geleden. De gedachten aan zijn toekomstige rijkdommen drongen zich weer sterker op den voorgrond. De paleizen zijner droomen verhieven zich weer in ongerepte pracht tot aan de wolken. Zoo spoedig mogelijk wilde hij voortgaan, handelen, rijk worden!
Zijn plannen waren, meende hij, rijpelijk overdacht. In het dorp Metoedjoe zou hij een gids zoeken, die hem naar de Soengei Tekoeng zou brengen. Hij zou, als hij een eind deze rivier opgevaren was, Marti met dien man achter laten en geheel alleen de diamanten gaan halen.
Maar vooraf moest hij Metoedjoe zien te bereiken en vriendschap sluiten met den invloedrijken Senawa.
In den vroegen morgen van den volgenden dag ging het gezelschap alweer op marsch, geleid door de beide Dajaksche jagers.
Een tweetal dagen liepen ze door zonder gebeurtenissen van eenig belang te beleven. Toen bereikten ze het groote dorp Metoedjoe, waar ze het Sibaoe-hoofd Senawa aantroffen.
Metoedjoe bestond uit twee zeer groote huizen. Deze waren verbonden door een paar halve boomstammen, welke als brug dienst deden.
Ook hier zag Kees vele onmiskenbare teekenen van gehouden sneltochten. Zelfs viel het hem op, dat verscheidene der koppen nog vrij versch waren.
De mannen waren meestal zwaar gewapend en voorzien van zeer groote schilden, die met kunstige figuren waren versierd. Ook droegen vele Sibaoe’s een zoogenaamde soelauw. Dat is een soort van vest, vervaardigd van geklopte boomschors, dienst doende als harnas tegen pijlen en lansen. Dit primitieve harnas dragen de Dajaks bij hun mengajaoe-tochten. Er waren zeer veel strijdbare mannen in het dorp en allen zagen er zeer krijgszuchtig uit. Verscheidene hunner hadden de hoofddeksels versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel. Daaruit leidde Kees af, dat ze pas van een sneltocht teruggekeerd waren, of dat ze er zich op voorbereidden.
Toch was de ontvangst in Metoedjoe vrij goed en Senawa nam de geschenken van Kees, bestaande uit tabak en zout, goedgunstig aan.
Toen hij evenwel vernam, dat Kees iemand van de Kompenie was, begon hij bevreesd te worden, dat het vrije leven der Sibaoe’s aan banden gelegd zou worden. Hij wist wel, dat het Nederlandsche Gouvernement geen sneltochten zou dulden. En nu begon hij argwaan te krijgen, dat de komst van dezen blanke een voorbode was van de inmenging der Kompenie in de zaken der Sibaoe’s. Hoe zouden de Sibaoe’s dan aan koppen kunnen komen, als teeken van hun dapperheid en om hun huizen te sieren? Hoe zouden ze in het volgende leven, na hun dood, kunnen bestaan, als hun gesnelde vijanden hen niet als slaven dienden?
Het was voor den Dajak een ernstige zaak. Deze blanke man met zijn reisgezellen moest zoo spoedig mogelijk het vrije land der Sibaoe’s verlaten. Zoo overlegde Senawa in stilte.
Kees gaf den wensch te kennen, hem alleen te spreken over een zeer belangrijke zaak, en beloofde hem nog wat zout en tabak voor zijn moeite. Weldra zaten beide in de kleine lawang van Senawa, zonder verder gezelschap, druk te praten.
»Ik kom zoeken naar steenkool, Senawa!”
»Dat heb ik gehoord, heer, maar er is hier niet veel in de buurt. U zult tevergeefs zoeken. Wij zelf hebben veel moeite, om de voor onze wapensmederij benoodigde steenkool te vinden. Meestal gebruiken wij houtskool.”
»Hier dichtbij is misschien niet veel, Senawa, dat is mogelijk. Maar ik weet een plek, waar veel steenkool in den grond moet zitten, en daar wilde ik eens gaan onderzoeken.”
»Waar is dat dan, heer?”
»Aan de Soengei Tekoeng.”
De Dajak zeide niets, doch kuchte eens.

Weldra zaten beiden in de kleine ladang.
»Weet je die rivier?” vroeg Kees.
»Zeker, heer, het is een zijrivier van de Soengei Pejang, die weer een tak is van de Soengei Sibaoe.”
»Nu, daar wil ik heen; zoek een man, die mij daar heen kan brengen,” vervolgde Kees, die moeite had zijn vreugde niet te laten blijken.
De Dajak kuchte weer. Hij scheen iets te willen zeggen, doch wachtte af.
»Wat is er, Senawa? Je hebt nog iets te vragen.”
»Ja, heer,” zei de Dajak aarzelend. »Een paar oogsten geleden was hier ook een blanke, die naar de Tekoeng wilde. Hij heeft daar eenigen tijd gezocht en is toen plotseling gevlucht. Weet u daar iets van?”
»Neen, daar heb ik niets van gehoord,” loog Kees.
»Waarom vluchtte hij?”
»Dat weet ik niet, heer,” zei de Dajak en terwijl hij loerend naar Kees zag, vervolgde hij:
»De menschen zeiden, dat hij glinsterende steenen zocht. Dat brengt ongeluk.”
»Zoo, nu daar weet ik niets van, Senawa. Zoek jij nu maar een goeden gids en een paar dragers voor mij. Dan zal ik je goed beloonen, als ik de steenkool gevonden heb,” zei Kees, van zijn mat opstaande.
»Nog één vraag, heer,” zei Senawa, ook oprijzend.
»Wat gebeurt er, als u veel steenkool vindt? Komen er dan meer menschen van de Kompenie? En soldaten?”
Een oogenblik wist Kees niet, wat hij antwoorden moest. Hij begreep, dat het Senawa niet aangenaam kon zijn, als hij zijn vrijheid van handelen moest verliezen. Weldra vond hij er iets op.
»Misschien nog één of twee blanken en verder zouden de Dajaks veel geld kunnen verdienen door te werken. Soldaten komen er zeker niet.”
De Dajak scheen eenigszins gerustgesteld. Hij zeide althans:
»Ik zal een paar menschen voor u zoeken, heer.”
»Goed, Senawa, denk aan de belooning.”
Kees verliet de lawang en weldra trad ook Senawa naar buiten.
Toen het vertrek verlaten was, kwam in de aangrenzende lawang met de uiterste behoedzaamheid een man langs een paal naar beneden glijden. Hij kwam van het zoldertje, de rijstbergplaats, welke zich boven de vertrekken bevond.
Het was Amat, de Maleier!
»Nu weet ik het geheim,” fluisterde hij, »den naam van die rivier heb ik toen dien avond te Pontianak niet goed kunnen verstaan. Nu weet ik het en nu zijn de diamanten voor mij.”
Voorzichtig keek hij, alvorens de lawang te verlaten door een spleet. Er was geen onraad en de deur openend stapte hij zoo vlug mogelijk naar buiten.
Reeds den volgenden dag kwam Senawa aan Kees mededeelen, dat hij een gids en een drager had gevonden, die bereid waren hem van dienst te zijn. De tocht zou, naar hij beweerde, vier of vijf dagen duren. Na een dag of tien zou Kees, mits zijne onderzoekingen niet te lang duurden, weer terug kunnen zijn.
Kees verzekerde, dat hij niet veel tijd noodig had om tot een vaststaand resultaat te komen.
»Het is het beste, dat u morgen reeds op weg gaat, heer,” zei Senawa.
Kees verwonderde zich over dien haast en vroeg:
»Waarom morgen al? Ik wilde nog een rustdag hebben.”
»Het regent elken dag, heer. Als u langer wacht, zal het moeilijk worden, de rivieren op te varen wegens de groote stroomsnelheid. Bovendien staan de oeverstreken door de vele regens vaak geheel onder water.”
>»Dan is het inderdaad beter, morgen te vertrekken. Dank voor je goeden raad, Senawa. Stuur die twee menschen maar dadelijk bij mij.”
»Ja, heer,” zei de Dajak en verwijderde zich.
Kees zocht Marti op en deelde hem zijn voornemen mede. Eenige oogenblikken later verscheen ook Amat en zeide:
»Ik hoor dat u verder gaat, heer. Vindt u goed, dat ik hier blijf? Ik verkoop hier veel amuletten en wilde nog wel eenige dagen in dit dorp blijven. Wanneer komt u terug? Als u ’t goed vindt, zou ik daarop willen wachten, om me dan weer bij u aan te sluiten.”
»Dat is goed, Amat. Ik denk, dat ik over een dag of tien terug ben. Dan verlaat ik dit land zoo spoedig mogelijk en kun je weer mee reizen.”
»Heel goed, heer,” antwoordde de Maleier en na een onderdanige buiging gemaakt te hebben, ging hij zijns weegs.
Kees tuurde hem na met nadenkend gelaat en mompelde nog eens, wat hij zichzelf reeds meermalen had afgevraagd:
»Ik moet dien kerel meer hebben gezien. Maar waar? waar?”
Veel tijd om daarover na te denken, had hij echter niet, want hij moest alles nog regelen voor het vertrek.
Hij kocht voldoende rijst voor vier mannen om tien dagen van te leven. Toen ging hij naar de pangkalan, die ongeveer een uur van het dorp verwijderd was, om een geschikt vaartuig uit te zoeken.
Weldra had hij tusschen de talrijke djaloers er één gevonden, die hem hecht en sterk leek. Daarna ging hij met den eigenaar onderhandelen over den huurprijs.
Nu waren de voorbereidende maatregelen getroffen en kon men met gerustheid den volgenden dag tegemoet zien.