XIV. De terugkeer der overwinnaars.
Reading edition
Enkele dagen later was de heele bala der Kenjaoe’s weer in het eigen land teruggekeerd. Er heerschte een opgewekte stemming. Kees was in de wolken met zijn schat. Ook begon hij er naar te verlangen, het gevaarlijk leven in de wildernis, dat hij vroeger met zooveel verlangen gezocht had, vaarwel te zeggen. De Dajaks waren in hun schik met hun rijken buit aan koppen; zij verblijdden zich in ’t vooruitzicht der groote feesten, die ze weldra zouden geven.
Eenige boodschappers werden vooruitgezonden. Ze moesten de thuisgeblevenen al vast waarschuwen, om alles voor de festiviteiten in orde te brengen.
»U blijft toch, heer, om onze groote feesten mee te vieren?” vroeg Petinggi Datoek.
»Het was mijn plan, zoo spoedig mogelijk naar de benedenlanden af te zakken en dan naar mijn land terug te keeren,” antwoordde Kees.
»Zooals u wilt, heer!” zei de Dajak teleurgesteld.
»Zouden de Kenjaoe’s gaarne zien, dat ik een paar dagen bleef?” informeerde Kees vriendelijk.
»Ja, heer. Zij vinden, dat u niet alleen de gevaren, maar ook de vreugde met ons moet deelen.”
»Nu dan, het is goed! Ik zal nog eenige dagen in Tapang blijven om de feesten te zien.”
»Dat is goed gesproken, heer!” Verheugd verwijderde de Dajak zich, om de heuglijke tijding aan de anderen mede te deelen.
Eindelijk kwam de bala in Tapang aan.
Kees stond verstomd over de groote toebereidselen, die men voor het feest gemaakt had. Van heinde en ver waren de Kenjaoe’s toegestroomd. Om het eigenlijke dorp waren vele tientallen van afdakjes en hutjes opgebouwd voor de talloos velen, die in het huis zelf geen onderdak meer konden krijgen.
Zoodra de bala in ’t gezicht kwam, snelden al de menschen onder luidruchtig gejuich naar de overwinnaars toe, die met triomfkreten werden binnengehaald.
Weldra nam het feest een aanvang. De hoofden van de gesnelde Sibaoe’s werden op staken gezet. De thuisgeblevenen verzamelden zich om deze lugubere gedenkteekenen van den roem en staarden ze vol bewondering aan.
Men verkeerde in opgewonden stemming. Vrouwen zoowel als mannen dronken groote hoeveelheden toewak. Enorme porties rijst werden gekookt; vele varkens geslacht, om met hun vleesch den feestdisch te verrijken. Want een Dajak, die feest viert, moet in de eerste plaats kunnen eten en drinken.
Een belangrijke plaats vervulden ook de godsdienstige ceremoniën. Men moest de antoe’s beloonen voor hun onwaardeerbare hulp. Tal van kippen werden gedood en het bloed dezer dieren aan de antoe’s geofferd. Ook de koppen der Sibaoe’s, op staken rondgedragen, vervulden bij deze heidensche plechtigheden een gewichtige rol.
Eindelijk was de rijst op en de toewakpotten waren leeg. Toen gingen de menschen uit de andere dorpen weer naar hun woonsteden terug. De gewone toestand heerschte weer in Tapang.
Nu de kalmte weergekeerd was, wilde Kees nog enkele dagen rust nemen, om zich voor te bereiden voor de thuisreis.
»Blijft u toch nog eenigen tijd, heer!” noodde Petinggi Datoek. Hij koesterde groote dankbaarheid voor Kees en zou wel altijd zoo’n goeden raadsman bij zich willen houden.
»Petinggi, je begrijpt wel, dat ik er naar verlang, om mijn eigen land en mijn familie weer te zien.”
»Ja, heer; dat begrijp ik. En als het inderdaad uw vaste voornemen is, om te gaan, dan mogen we u niet weerhouden.”
Het speet den Dajak, maar hij wilde nu niet langer aandringen.
Op zekeren morgen gingen Kees en Marti, vergezeld van een groot aantal Tapangers, op weg naar de pangkalan, ten einde zich daar in te schepen voor de terugreis.
Bij de aanlegplaats gekomen, vonden ze hun djaloer nog in goeden staat. Ze brachten hun zaken in het bootje. Daarna wilden ze afscheid nemen van hun vrienden, die ze nooit weer zouden zien.
Maar de meeste Kenjaoe’s wilden nog geen afscheid nemen.
»Wij zullen u een eindweegs vergezellen, heer!”
Ontroerd door deze hartelijkheid stapten Kees en Marti in hun bootje. De Kenjaoe’s bemanden de andere booten en weldra zette de heele flottielje zich in beweging onder toejuiching van hen, die achter bleven.
Twee dagen begeleidden de trouwe Kenjaoe’s de beide reizigers. Toen verklaarden ze, terug te moeten gaan.
Opnieuw begon het afscheid nemen. Opnieuw voelden Kees en Marti, dat het zwaar viel, van deze ruwe, maar trouwhartige zonen der wildernis te moeten scheiden.
Onder een donderend afscheidsgejuich der Kenjaoe’s roeiden ze eindelijk met hun beiden weg.
Snel voeren ze stroomafwaarts. In weinige minuten hadden ze hun vrienden ver achter zich gelaten. Geruimen tijd zwegen ze, in gepeins verzonken over de vriendelijkheid en de dankbaarheid der Kenjaoe’s.
Marti verbrak het eerst de stilte.
»Het zijn toch bijna menschen, heer!”
»Maar Marti; het zìjn menschen! Brave menschen met heel veel goede eigenschappen.”
»Ja, heer; maar dat koppensnellen bevalt mij toch niet meer.”
»Dat zullen zij ook wel afleeren. Hun hart is goed en trouw. Als ze wat beschaafder worden, gaat die onmenschelijke gewoonte er ook wel uit. Nu weten ze immers nog niet beter.”
»Dat geloof ik ook wel, heer.”
»De Kenjaoe’s zijn heel goed voor ons geweest. Zij hebben ons als hun beste vrienden behandeld.”
»Ja, heer! maar die Sibaoe’s zijn toch nog echte, gemeene moordenaars.”
En deze meening hield Marti.