VIII. De vervolging.
Reading edition
Weer klonken de kreten, die hen zoo hadden doen schrikken. Daar zagen ze eensklaps om een bocht der rivier achter zich een tweetal booten, ieder met een zestal Dajaks bemand, snel op zich afkomen.
Kees stiet een verwensching uit.
»Roeien, Marti! Anders gaat onze kop er af!”
Maar het roeien hielp niet veel. Ze hadden hun handen vol met sturen. Toch naderden de Dajaks nu niet dichter. Waar zaten ze nu? Hadden ze zich aan den oever begeven? Waanden ze zich zeker van hun prooi en zouden ze deze door het bosch heen den pas afsnijden?
Neen, ze waren toch nog op de rivier. Af en toe kreeg men ze in ’t vizier. Meestentijds waren ze door het dichte bosch aan ’t oog onttrokken. Beangstigend was die herhaalde onzichtbaarheid der vervolgers! Steeds vreesden de beide mannen dan in een hinderlaag te vallen.
Eindelijk zei Kees: »Als ze zich weer vertoonen zal ik schieten, Marti.” En hij maakte zijn geweer in orde.
»Ze hebben zelf ook een geweer, heer.”
»Jawel, maar het mijne draagt veel verder en schiet veel zuiverder. Als ik er een paar neergelegd heb, geven ze misschien de jacht op.”
Toen ze kort daarop weer een bocht omvoeren, hoorden ze het geschreeuw opnieuw achter zich. Toen de vervolgers weer te voorschijn kwamen, was de afstand veel kleiner geworden.
Kees maakte toebereidselen om te schieten. Terwijl hij met zijn geweer bezig was, keek Marti achterom en bemerkte, dat een der Dajaks in de voorste boot eveneens van plan was te schieten.
»Schiet, heer!” riep hij angstig.
Kees mikte en gaf vuur.
»Geraakt!” juichte Marti, die het roeien een oogenblik gestaakt had, om de uitwerking te zien.
De Dajak sprong plotseling hoog op, liet zijn geweer vallen en tuimelde in de rivier. Onmiddellijk werd hij door den stroom gegrepen en verdween in het schuimende water.
Oogenblikkelijk hielden de anderen op met roeien en verborgen zich onder de afhangende takken van den oever.
Zouden ze de vervolging opgeven?
De beide vluchtelingen hoopten in ieder geval weer een voorsprong te krijgen. Ze roeiden zoo krachtig mogelijk, doch het ging niet te best. Ze waren doodmoe. Bovendien werden ze telkens opgehouden door boomstammen, die de rivier bijna over de geheele breedte versperden.
Geen van beiden wist van uur of tijd. Het ging om hun leven! Ze roeiden, roeiden....
Spreken deden ze niet. Af en toe wisselden ze kort en beslist een enkele opmerking of waarschuwing betreffende hindernissen in den stroom. Ze roeiden maar! De eenige mogelijkheid om het veege leven te redden!
Eensklaps herinnerde Kees zich een opmerking van Jan Verveer. Een nieuwe angst greep hem aan.
»Er moet in deze rivier ergens een waterval zijn! Zouden we daar al dicht bij zijn? Zouden we er met dezen waterstand overheen komen?”
»De oevers zien er hier nog niet naar uit, heer. Het aangrenzende land is vrij laag. Als de bodem hoog en rotsachtig wordt, moeten we scherp uitkijken. Dan moeten we de boot over land langs den waterval sleepen en een eind benedenwaarts weer te water gaan. We kunnen er onmogelijk door heen sturen; de stroom is te woest en te sterk gezwollen.”
Kees was het geheel met Marti eens. Hij zweeg, om nu weer al zijn aandacht aan het besturen van de djaloer te wijden.
Eenige oogenblikken verliepen.
Daar hoorden ze plotseling weer het moordzuchtig geschreeuw hunner vervolgers. Deze hadden dus de jacht niet opgegeven. Omziende bemerkten ze, dat de Dajaks hun weer dicht op de hielen zaten.
»Schiet, heer!”
»Even geduld,” antwoordde Kees. »De afstand is nog te groot. Ik wil geheel zeker zijn van mijn schot. Elke treffer maakt indruk op die duivels!”
Ze bepaalden er zich voorloopig toe, de Dajaks goed in ’t oog te houden, ten einde van elk gunstig oogenblik een goed gebruik te kunnen maken.
Maar de djaloers der Dajaks bleven voortdurend op denzelfden afstand. Wat beteekende dat? Welke duivelsche list school daarachter? Al weer een martelende onzekerheid! Bijna wenschte Kees, dat ze maar liever tot den aanval overgingen. Dan wist hij, waaraan hij zich te houden had! Dan kon hij handelen!
Op een gegeven oogenblik constateerde Marti, dat de oevers weer wat hooger werden. Kees zag, dat het lage land blijkbaar overging in heuvelland. De oevers waren niet meer overstroomd, doch staken duidelijk boven het water uit. Scherp teekende de rivier zich af. Nu behoefden ze niet meer bevreesd te zijn, dat de Dajaks door het ondergeloopen bosch met hun djaloers een bocht zouden kunnen afsnijden.
Steeds hooger werden de oevers. Hier en daar vertoonden ze vrij steile rotswanden. De rivier werd smaller, de stroom sterker. Een nieuw gevaar! De boot zou verpletterd worden, wanneer zij door den krachtigen stroom tegen de steenachtige oevers geslingerd werd.
De booten van de Dajaks bleven intusschen denzelfden afstand bewaren. Nu en dan klonken een paar schelle kreten door de lucht. De kerels schenen een satanisch genot te hebben in de jacht. Ze martelden hun prooi, waarvan ze zich zeker waanden.
»Ze zullen wachten tot den nacht. Dan besluipen ze ons, als we aan wal zijn,” zei Kees. »Zouden we niet dóór kunnen roeien?”
»Neen, heer! dat is onmogelijk! Er is geen maan en we zouden in het duister stellig tegen de rotsen geslingerd worden. We hebben nù al de grootste moeite om de boot in den stroom te houden. Er komen waarschijnlijk ook nog riams. En dan die waterval! Neen, dat is onmogelijk!”
»Dan vrees ik, dat ze den nacht afwachten. Wat zouden ze anders in hun schild voeren?”
»We kunnen ten minste niet gaan slapen, heer, en moeten duchtig de wacht houden. Bij het minste verdachte geluid moeten we schieten. Dan blijven ze misschien op een afstand.”
Weer roeiden ze geruimen tijd voort en keken ten slotte bijna niet meer om naar hun vervolgers, die toch niet naderbij kwamen.
Plotseling echter werden ze opgeschrikt door een woedend gehuil en gebrul, dat veel sterker klonk dan te voren. Ze keken om. Daar zagen ze, dat nog een vijftal grootere djaloers zich bij de vervolgers had aangesloten. Naar schatting waren er nu wel een zestigtal vijanden!
»We zijn verloren!” riep Marti geheel moedeloos. Hij scheen den wedstrijd te willen opgeven.
»Roeien!” gilde Kees. De angst gaf hem vernieuwde kracht.
»Vergeefsch, heer!” zei Marti somber. »In elke boot zitten acht of tien roeiers. Zij vorderen veel sneller dan wij. En u kunt ze toch niet allemaal neerschieten. Wij zijn reddeloos verloren!”
»Die duivels hebben op versterking gewacht!” siste Kees woedend tusschen zijn tanden. »Nu durven ze wel!”
Hij gaf de revolver aan Marti.
»Hier is de revolver! Er zitten zes patronen op! Je kunt er zes neerschieten, voor ze je grijpen! Ik voor mij zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen!”
»Ze zullen ons snellen, heer!” jammerde Marti.
»Wat kan mij dat schelen, als ik toch dood ben!” gromde Kees nijdig terug.
»Maar ik kom zonder hoofd niet in den hemel van Allah!”
»Daar kom je toch niet in, als je zoo bang bent. Allah houdt niet van lafaards!” dreigde Kees.
Deze woorden maakten eenigen indruk op de ziel van den Mohammedaan. Dan zou hij maar trachten, zonder hoofd in zijn hemel te komen door dapper te vechten.
Al korter werd de afstand tusschen de beide partijen. Het triomfantelijk geschreeuw van de Dajaks klonk de beide vluchtelingen tergend in de ooren.
Ontzettend was de spanning, waarin ze verkeerden. Ze vergaten op te merken, dat de rivier nog smaller, de oevers nog steiler en rotsachtiger werden.
Daar.... plotseling!.... vlak voor zich zag Kees een witte streep over de geheele breedte van de rivier. Schuim was het! Daar ziedde het water met onweerstaanbare kracht tegen de uit de bedding omhoogstekende rotsen aan.
»De waterval!” gilde hij.
Marti keek onverschillig op en zei met doffe berusting: »Nu verdrinken we. Dat is tenminste beter dan gesneld te worden door dat ontuig.”
Een oogenblik flitste het Kees door zijn brein, om aan land te gaan en de boot over den wal heen te sleepen. Maar dan vielen ze in de handen der Sibaoe’s. Dan maar liever te gronde gaan in het woeste water van de rivier. Beter dat de natuur hen tot zich nam, dan dat die menschelijke duivels hen vermoordden.
»Houd je vast, Marti! Let op! Stuur rechtuit!.... Daar gaan wij....!”
Als of een onzichtbare reuzenhand plotseling het ranke vaartuigje had aangegrepen schoot het voorwaarts, pijlsnel voorwaarts door het woedende water. Sturen was ondoenlijk! Doodsbleek, de oogen star gericht op den waterval, wachtten ze het noodlot af. Krampachtig klemden ze hun handen om de randen van de boot!
Daar waren ze op de plek! Kees sloot de oogen, bereid zich in de armen van den dood te werpen. Donderend loeide het water tegen de rotsen. Een ondeelbaar oogenblik bevonden ze zich in een wolk van rillend schuim. Op hetzelfde oogenblik werden ze met boot en al opgeheven. Toen smakten ze neer in de diepte....
Snel als de gedachte was de djaloer onverlet over de rotsen heen geschoten en gleed voorwaarts in het lagere gedeelte van de rivier. De mannen zaten versuft te kijken, nog altijd de handen om de boorden geklemd.
Kees herkreeg het eerst zijn bezinning. De djaloer stond vol water.
»Hoozen, Marti!”
Marti ontwaakte nu ook uit zijn verdooving.
Ze hadden nog juist den tijd het water uit te hoozen, anders zou de boot zijn gezonken.
Terwijl ze hier mee bezig waren, herinnerden ze zich plotseling hun vervolgers. Ze wendden de oogen naar den waterval, die nog goed zichtbaar was. Daar zagen ze, wat er met de Dajaks gebeurde....
In het vuur der vervolging, zich zeker wanende van hun prooi, hadden deze blijkbaar niet op de rivier gelet. Daardoor waren ze veel dichter bij de waterval gekomen, dan ze gedacht hadden.
Eensklaps zagen ze het bootje van Kees en Marti tusschen de steenen door in den ziedenden stroom verdwijnen. Nu eerst beseften ze hun eigen gevaarlijken toestand. Ze stelden krachtige pogingen in ’t werk, om den oever te bereiken. Te laat! De sterke stroom had de djaloers dicht opeen gedreven. De vrij lange vaartuigen hadden nu geen voldoende ruimte, om zich naar willekeur te bewegen. Machteloos stormden ze voorwaarts.
Een der booten werd dwars in den stroom gesleurd.

Werden ze tegen de rotsen verpletterd.
Onmiddellijk daarna zagen Kees en Marti met ontzetting, hoe de djaloers hunner vijanden wild door elkaar werden geworpen. Met reuzenkracht werden ze tegen de rotsen verpletterd. Gelijk een zaaier het koren strooit, zoo werden de roeiers eruit geslingerd.
Een oogenblik klonken vreeselijke doodskreten door de lucht. Toen waren de Dajaks spoorloos verdwenen in de wielende draaikolken beneden den waterval.
Alles was beslist. Slechts enkele seconden waren voor dit vreeselijk drama noodig geweest. Geen geluid werd meer vernomen dan het donderend geraas van het neerstortend water.
Ademloos hadden Kees en Marti toegezien. Toen werd het hoog tijd, dat ze weer aan hun eigen toestand dachten. De boot begon bedenkelijk in den stroom te draaien. Wee hunner, wanneer het vaartuig dwars in de rivier kwam te liggen!
Sprakeloos en bleek van de geweldige gemoedsbeweging, waaraan ze ten prooi waren geweest, togen ze aan het werk. Geruimen tijd later, toen ze de boot weer geheel in hun macht hadden en geregeld verder voeren op het nu betrekkelijk nog al kalme water, zei Marti:
»We zijn gered. Geloofd zij Allah! Hij heeft ons geholpen.”
»Ja,” zei Kees met een hartgrondigen zucht, »ik geloof nu ook, dat we gered zijn.”
»Ze zijn allen dood,” vervolgde Marti.
Zwijgend roeiden zij nog een tijdje verder.
Toen kwam de ontspanning en voelden ze, dat ze nu van uitputting niet meer konden.
»We zullen aan den volgenden hoek aanleggen, Marti, ik ben doodop.”
Marti knikte bevestigend met het hoofd, doch scheen te lusteloos om een woord te zeggen.
»Onze vijanden zijn nu dood. Het is noodig, dat we rust en voedsel krijgen,” vervolgde Kees. Onwillekeurig keek hij nog eens achter zich. De schrik zat er nog in. Het was alsof zijn beangste verbeelding nog een nagalm hoorde van de dreigende kreten der vervolgers. Maar de rivier lag verlaten en stil en voerde haar prooi mee, misschien ver, ver weg—naar de zee.
Intusschen was de hoek weldra bereikt. Kees stuurde de boot naar den wal, die hier zandig en heuvelachtig was. Meer landwaarts in verhieven zich vrij hooge heuvels, met zware bosschen begroeid.
Het duurde maar kort, en beide mannen lagen languit onder de schaduw der boomen en zonken weg in een zwaren, diepen slaap.
Na een paar uur ontwaakte Kees. Hij bemerkte, dat de avond reeds begon te vallen. De plek leek hem zeer geschikt om er meteen maar te overnachten.
Hij wekte Marti en droeg hem op, rijst te koken.
Een oogenblik later kwam Marti met een bedrukt gezicht naar hem toe en zei:
»Heer, al onze rijst is nat geworden. Morgen zal alles bedorven zijn. Het beste is, dat ik voor morgen ook maar kook. Dan hebben we dien dag ten minste eten. Maar hoe het dan verder moet, weet ik niet.”
»Dan moeten we maar weer een paar dagen honger lijden. Ik hoop echter, dat we spoedig menschen zullen ontmoeten.”
»Als het dan maar geen koppensnellers zijn, heer; daar heb ik mijn bekomst van.”
»Dat moeten we afwachten! Maar Sibaoe-dajaks zullen het in ieder geval niet zijn.”
Terwijl Marti kookte, ging Kees op verkenning uit. Hij beklom één der hoogere heuvels. Op den top gekomen, ontwaarde hij in ’t Noorden hooge bergketens. Naar het Westen en Oosten bespeurde hij ook bergland, doch in het Zuiden waren geen bergtoppen te zien. Hij begreep, dat de rivier zich hier een weg gebaand had door de zuidelijke uitloopers van het gebergte. Daar de rivier naar het Zuiden stroomde, had men het gebergte dus geheel achter den rug. Bevredigd daalde hij den heuvel weer af. Alleen de vraag, hoe aan voedsel te komen, als ze niet spoedig bewoonde oorden bereikten, stemde hem minder gerust.
Bij zijn terugkomst deelde hij aan Marti zijn bevindingen mede. Nu overlegden ze, hoe verder te handelen.
Het eenvoudigste was, de rivier slechts af te varen. Doch Kees herinnerde zich, dat zijn vriend Verveer, de diamantzoeker, hem indertijd had gewaarschuwd voor uitgestrekte en in hooge mate ongezonde moerassen. Deze streken wilde hij dus liefst vermijden.
»We kunnen in ieder geval doorvaren, zoolang de oevers nog heuvelachtig zijn en dan zien,” besloot Kees.
»Komen we nog bij de Kenjaoe’s terug, heer?” vroeg Marti aarzelend.
»Ik denk het niet. Waarom zouden we daarheen gaan? Het lijkt mij het verstandigst, zoo gauw mogelijk naar huis te gaan. De diamanten zijn toch verloren. Die zullen wel in bezit komen van den verrader, Amat. Ik hoop, dat de Sibaoe’s hem snappen en zijn kop afslaan.”
»Misschien konden we hier vandaan gemakkelijk bij de Kenjaoe’s komen. Als we in hun land zijn, weten we den weg naar huis.”
»Daar is wel iets van aan!” zei Kees nadenkend.
»En dan is er nog iets, heer,” ging Marti verlegen voort. Hij had blijkbaar nog iets op ’t hart. »Ik heb u niet alles verteld, wat ik heb afgeluisterd.”
»Spreek duidelijk, Marti,” zei Kees streng.
»Vergeef me, heer, dat ik u iets verzweeg. Ik was zoo bang... ik dacht alleen aan de gevaren, die òns bedreigden.... Ik dacht.... ik meende....”
»Spreek niet langer in raadselen. Zeg, wat je weet!” beval Kees.
»Allah heeft ons gered, vandaag!” zei Marti plechtig.... »Ik geloof, dat ik alles zeggen moet, om anderen ook te redden.”
»Anderen? Wat anderen? Wie dan toch?”
»De Kenjaoe-dajaks, heer!”
»Zijn de Kenjaoe’s dan in gevaar?” vroeg Kees met steeds toenemende verbazing.
»Ja, heer! Toen ik het gesprek der Dajaks afluisterde, bleek me, dat Senawa behalve met ons, ook met anderen wilde afrekenen. Het was noodzakelijk ons zoo spoedig mogelijk te doen verdwijnen met het oog op de andere plannen.”
»En welke plannen dan?”
»Is het u niet opgevallen, dat er in ’t huis van Senawa zooveel mannen waren? Veel meer dan er woonden! Hebt u er wel aandacht aan geschonken, dat allen zwaar bewapend waren en soelauw-baadjes droegen? Dat alles wijst er op, dat ze een sneltocht zullen ondernemen. En uit hetgeen ik opving, kon ik opmaken, dat de voorgenomen mengajaoe-tocht gemunt was op de Kenjaoe’s.”
»Arme kerels!” riep Kees medelijdend uit.
»Maar waarom heb je dat niet eerder gezegd, Marti?”
»Ik vreesde, dat u dan pogingen zou doen, om Petinggi Datoek te waarschuwen en daar ik van alle avonturen genoeg had, zag ik daartegen op,” bekende Marti verlegen.
»En wat wou je nu?” vroeg Kees.
»Zooals ik u reeds zei, heer; Allah heeft ons gered. Ik heb er over nagedacht en nu geloof ik, dat onze redding een vingerwijzing van Allah is, om die arme Kenjaoe’s te waarschuwen. Daarom wilde ik toch gaarne naar hun land terug. Zou dat hier vandaan niet mogelijk zijn?”
»Ik denk het wel! Het ligt ten Noordwesten van de streek, waar we nu zijn. Als we morgen nog een eind de rivier afzakken en dan naar het Noord-Westen loopen, zullen we er wel kunnen komen. Mijn eenige zorg is het gebrek aan rijst. Bovendien weet ik niet hoelang de tocht moet duren....
Maar ik vind toch ook, dat we Petinggi Datoek moeten waarschuwen; dat is onze plicht! De Kenjaoe’s hebben ons vriendelijk ontvangen en flink geholpen. Wij mogen hen niet in den steek laten.”
Marti betuigde zijn ingenomenheid met dit besluit.
»En nu gaan we slapen,” zei Kees. »Gevaar zal hier wel niet zijn; we zullen dus maar geen wacht houden.”
Voor de zooveelste maal spreidden ze hun leger van bladeren en legden zich neer onder het zware loover van het oerwoud. Bijna onmiddellijk sliepen ze in en zonken ze weg in de diepten, waar geen droomen zijn.
Zoo rustten ze den ganschen nacht, ongestoord, tot de zonsopgang van den komenden nieuwen dag.