Het Kasteel van Montfoort.
Reading edition

Het slot te Montfoort.
Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone uit den huize van der Goude.
Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer helder licht ons voor het oog.
»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is ’t er zeer holbollig in het Bisdom toegegaan. De regeering van ’t gemeenebeste is tenemaal t’onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt, die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest.”
Trouwens—er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten van het eerste steunde—om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich, het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.
Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel, en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan—maar hier had de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in ’t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang, en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken, waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng, tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic”; en zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort.
In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland, en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te hebben, sloeg den weg in naar Montfoort.
Zag fier van de transen langs d’ Yssel-boord rond:
want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.
Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296 Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste, zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.
De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op ’t hoogst Heer Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland, en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene wijze, den Edelman waardig.
De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon ’t niet blijkt, dat een van beide zich daarover verklaard heeft.
Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde,” gaf evenwel aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen, die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen, tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.
Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye, Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen, Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.
In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor de poëzy der sage, die dus luidt:
Een dochter van Holland. —»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,” »Wy zoeken Holland weer.” Zoo sprak in ’t hof van Engeland Graaf Willems Edele Gezant, Volyvrig voor zijn Heer.
Maar ijlings trad, met biddend oog, Een jonker hem ter zij. Die droeg in ’t oog een vurig hart; Een wapen, wit en rood en zwart, Gestikt op zijn kleedij.
—»Ter wille van uw Edelvrouw »Die gy in ’t hart vereert— »Twee enkle dagen nog getoefd,” Zoo bad hy: »schoon ’t mijn ziel bedroeft— »En dan—naar gy begeert.”
—»Die bede zy u toegestaan »Mijn Jonker van Montfoort!”— En ijlings was de Jonker heen, Te paard, en voort, en gants alleen; Men wist niet naar wat oord.—
Aan Medways blaauwen waterstroom Daar rijst een landkasteel. Daar staart een Jonkvrouw van den trans. Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans, Als ducht zy ’t lot niet veel.
Nu wuift zy snel ten toren af, Met hoog-gebloosd gelaat: Een ruiter nadert, gants verhit... Zijn wapen, zwart en rood en wit, Gestikt op zijn gewaad.
Hy stijgt van ’t paard—en ijlings op, En zy daalt ijlings neer. Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart, En zy, van zoete vreugd verward, Zy stelt zich niet te weer.
Hy sprak: »Een tijding droef—en blij: »Ras keer ik naar mijn land. »Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd! »Van wat geslacht den naam gy draagt, »En ’k spoed my om uw hand.”
Zy bloost—zy siddert—zy ontzet— Zy slaakt een droeve kreet; Zy meldt met diepe droefenis: »Ik weet niet wie mijn moeder is, »Noch hoe mijn vader heet!....”
—»Ik ben van onbetwijfeld bloed!” Zoo borst hy angstig uit: »Mijn vader is een Hooge Heer.... »Toch, Ellen! toch—ik zie u weêr, »En als mijn dierbre bruid!”—
Straks joeg een strijdros langs den weg Die recht naar Londen gaat. Zijn Ruiter reed met rustloos hart; Een wapen, wit en rood en zwart, Gestikt op zijn gewaad.
En later reed er, eer de schaaûw Nog heenkroop naar het oost, Een droeve Jonkvrouw langs die baan. Toch blonk er door zoo menig traan Een stille hoop van troost.
Zy wisselde in de ruime stad Met niemant woord of taal; Maar waar ’t arduin paleisbordes ’t Blazoen droeg van de Rijks-princes, Daar steeg zy uit het zaal.
Zy vroeg geen lijftrawant den weg, Geen knaap of kamervrouw: Zy ging er tot in ’t rijk klozet, En boog zich neêr, als ten gebed, Alleen met de Edelvrouw,
Zy bad met woorden uit de ziel, Maar diepe eerbiedenis: »O zeg, Mevrouwe! hoog van staat, »Die my steeds gunstig gade slaat, »Zeg wie mijn vader is?”
De Rijksprinces verschoot van blos, En siddrend boog ze saâm: »Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my... »Wat weet ik wie uw vader zij? »Wie noemde me ooit zijn naam?”—
En zichtbaar greep het Ellen aan Met zielsontroerenis; En dieper, dieper boog ze neêr, En schreide, en smeekte naamloos teêr: »Zeg wie mijn vader is.”—
Dat brak het hart der Rijksprinces: Zy snikte op schellen toon: »Weet!...” maar toen duizelig en dof: »Aan Hollands machtig Gravenhof »Daar draagt hy-zelf de kroon!...”
En Ellen brak in jubel uit, En viel haar aan de borst. —»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God: »Dat spelt me een eindloos zoeter lot »Dan ik ooit hopen dorst.
»Neem nu mijn droef en blij vaarwel: »Ik trek naar ander oord; »En zoo gy ooit my wederziet, »Dan is ’t in Hollands rijksgebied, »En Vrouwe van Montfoort!”
Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk; Maar zy verhief zich ras: »Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart... »Maar wat dan...” en zy kreet van smart: »Zoo ik... uw moeder was?...”
En Ellen trad versteend te rug: »Mevrouw! wat zegt ge my? »Gy, die steeds aan mijn eigen haard »My goedig—maar als vreemde waart, »Myn moeder, moeder gy?”—
Toen kromp het moederhart in een: »U afstaan!...” rilde zy: »Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr: »Al kostte ’t my mijn rang, mijn eer— »Kies tusschen hem en my!...”
—»Ik heb... gekozen...” sprak zy zacht (Van smart bestierf heur stem): »Mijn moeder... heeft my... nooit bemind: »Zy was een vreemde voor heur kind. »Mevrouwe!... ik ga met hem.”—
Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf? De Jonker van Montfoort. —»Al wat ik Uw Genade breng, »Wanneer ze ’t my in gunst geheng, »Dat is een luttel woord:
»Een groete van de Rijksprinces, »Een vorstelijke groet; »Daarby een bede, koen en stout: »Een Jonkvrouw, twintig jaren oud, »Die drukt ze u op ’t gemoed.—”
Graaf Willem sloot zijn kind aan ’t hart, Geroerd en blij te moê: »Nu spreek, mijn dochter! gul en rond: »Ik zie, een beê zweeft om uw mond; »’k Zweer u verhooring toe.”
Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad Na ’s Graven plechtig woord? Daar gingen luttel weken om, Toen was zy bruid; de bruidegom Was Sweder van Montfoort.
Maar wie, wie schepen flux daarna In ’t heimlijk zich aan boord, En houden koers naar ’t Britsche strand? Het wapen, schittrend aan het want, Is ’t wapen van Montfoort.
Men vraagt, met hoofsche plechtigheid, Der Rijksprinces gehoor; Maar als geheel den gang bewust, Treedt de Edelvrouw van Hollands kust Heur eedlen gade voor.
Zy knielde voor de Rijksprinces, Wel kinderlijk gezind: »Doof niet aan ’t Hof uw gloriekrans, »Maar, moeder! wees in ’t heimlijk thands »Gelukkig met uw kind!”
Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen, Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden, Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude, rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd, eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde manlicken, om den seghe te vercryghen.” Maar de moedige Bisschop gaf het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.
In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen, zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd.
De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met niemant, wie ’t ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.
Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield—het blijkt niet, dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan zijn voorgevallen.
Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die gaarne te willen geven—mits zijn schuld uit het onderzoek blijken zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en den meesten van den lande.” En daar hem zulks niet werd toegestaan, verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men hem opzettelijk zijn recht onthield.
Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende Haestrecht, weder die Ysel langens,” gelijk dit van ouds Stichtsch eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, Leenmannen en Steden van ’t Sticht met den Burchtgraaf te breken; en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:
Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden worden.
Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn »lieven, geminden Heer”, en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387.” Nogtans verklaarde hy, en wel, zonderling genoeg, tevens in ’t volle kapittel, by zijn eed en ridderschap, dat hy ’t alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends des Ridders sterke bewoordingen in ’t kapittel.—»Daarmeê neem ik geen vrede,” sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht niet benadeelen:—omdat allen, die hierover moeten zitten, niet tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in ’t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest.”
Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort, door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd, daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.
Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in ’t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, ’t zij nu dat deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, ter strengere handhaving van zijn gezach—hy liet zich eindelijk door bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het Burchtgraafschap te beleenen, maar—op de zelfde voorwaarden, waarop Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze, en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van gewelde” te zullen laten.
Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter in ’t gelijk stelde.
De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:
By een inval van die van Oudewater in ’t Sticht, trok Lodewijc in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke, toen Heer Lodewijc met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten ’t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren.”
Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten, Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende, die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht.
Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven, wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.
Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te onterven.
De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen vader te dwingen. Gants in ’t heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden, poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken” gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach,” dan heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, het gezach over ’t Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder zich aan de gemaakte bepalingen te storen.
In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden, sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen, Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde, zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in ’t bezit zijner met hem in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield, na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.
En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.
Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in ’t heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam—en, in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch, Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers den toegang. De Utrechtenaars, door ’t gerucht en de kreten thands gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die van Utrecht niet in den rug gevallen—de Bisschoppelijken hadden de stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning, maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.
Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen, wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456 by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven, om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen.
Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke, thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was, begrepen syn.” Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen, met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, eene som van 10 rijnsguldens (ƒ 13.) en 14 stuivers beliepen.
Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving van den Burchtgraaf, ’tgeen den Raad in groote ongelegenheid en tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam tot handdadigheid; het staal besliste—de Burchtgraaf verdreef zijn tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.
Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het kwam versterken:—de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid in het voeren van den boog:—beide dorpen werden overvallen, en de gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf, die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig Heer.—Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf had geen beter bondgenoot kunnen kiezen.
De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck, stout, vroom man” noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester bleven. De Bisschop, in ’t onzekere over den afloop, had intusschen den Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen, dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd, die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd.
Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te moeten gaan—en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief, spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra hy echter in ’t zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy gelukkig naby de boomgaarden was, van ’t paard sprong, en dwars door ’t geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad, maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen.
De gelegenheid daartoe kwam.
Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam, dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde, maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt.
De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein, en verklaarden hem hun gevangene. ’s Morgens zagen de omwoners van het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen en overmeesterd geworden.
De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten swaren goet of creech.”
Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden.
De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen, gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort, het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in ’t geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren, poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte verwoestingen aan. In ’t begin van Juli werd tot den storm besloten, en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm—maar die niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring; zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van ’Tsoorle, wiens broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen.
De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal zouden moeten overgaan—maar hoe lang zouden zy ’t nog volhouden, aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten.”
En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor ’t overige deed hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag.
Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en trekken kon.
Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters denken kan.
Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven.
De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512, maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen.
Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het Burchtgraafschap bestuurde.
De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in 1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde, om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet.
Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter, Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort, en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem, die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte.
Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz.
Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht, voor eene som van 225,000 gulden.
Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient.
Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten, enz. Vervolgends:
De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-, en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en bedieningen. Verder:
Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard in de stad, voor de poorten van ’t kasteel; twee boomgaarden, waarvan de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen, mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten, met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater; de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort; alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden, en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132 gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën, tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven, Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief, dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve, genaamd: de Huizinge van Montfoort.
Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve van dien,” was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl kunnen weeren?
Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht wapperen—niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte, hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt.
Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius, dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan, en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken, besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,—de knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen; de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant overgebleven—niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken.
Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen; en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op; zoo wisselen de tijden van gelaat—en de geschiedenis van het Kasteel der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool.