Het Kasteel van IJsselsteyn.
Reading edition

Het kasteel te Ysselsteyn.
Het was dan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels, die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt hebben willen ondervragen, indien ge ook maar half verzekerd waart geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.
Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn—zoo hy Holland bewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen van Brederode; zoo hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen van het Kasteel te IJsselsteyn—en ik vrees niet, dat hy, van daar wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.
Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.
Heer Gijsbrecht (de Derde) van Aemstel, die in 1251 overleed, had, behalven eene dochter Badeloch, die met Herman van Woerden gehuwd was, nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht, hem opvolgde, de jongste, Willem, Proost van St. Jan was, en de middelste, Aernout of Arent, wellicht verstandig zou hebben gedaan, indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam, Janne, of Joanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267 legde hy den grondslag tot de latere Heerlijkheid IJsselsteyn. Hy pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel, eenige goederen aan den IJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich toen reeds met de Leck vereenigde. Het voornaamste daarvan was het oude Eyteren of Heteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een burch of stein, dien hy IJsselsteyn noemde, welke naam, vervolgends op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van het Graafschap Holland, als in die van het Bisdom Utrecht, byna even spoedig vermaard als bekend werd.
Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in ’s Graven hechtenis hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht ontslagen zijn. Wy vinden Aernout ten minste in de voorhelft dier zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid: Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond en vijf zalmen verhoogd werd.
Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. Vrouwe Joanna (die door Grave Jan in het tijdelijk bezit harer weduwgoederen bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste, Heer van Benscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering tegen Floris den Vijfde verkregen heeft, en de oudste, Gijsbrecht, als tweede Heer van IJsselsteyn optrad.
Gijsbrecht van IJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich op den 25en Oktober, 1294, benevens tien andere voorname Utrechtsche Edelen, met Graaf Floris, om dezen, ware ’t nood, te dienen tegen elk zijner vijanden, den Bisschop van Utrecht daar buiten gesloten. Hy heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan den moord. Dat hy met den Heer van Zuylen zich voegde by Loef van Cleve en de Hollandsche benden, die de moordenaars op Cronenburch belegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn broeder Benscoep toch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen moest. En schoon Arent van Benscoep geen beter lot verdiende dan Willem van Zaenden—ter wille van Gijsbrechts broederhart is het ons toch lief, dat Loef van Cleve den verrader nog heeft kunnen behoeden, en Gijsbrecht hem in veiligheid te Kervenheym wist.
Maar weldra werd gijsbrechts toestand zelf hachelijk. Wolfaert van Borssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijken Jan den Eerste, de bondbreukigheid van Bisschop Willem van Mechelen bemerkende, begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met het slot van Ameide, door Dirc van Herlaer by overeenkomst daartoe afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, was Gijsbrecht van IJsselsteyn.
Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zocht Wolfaert nu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen, Hubrecht van Vyanen en diens verwanten, op aanstoken uit Holland; en werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon men hem naar het Kasteel van Culemborch bracht, en aldaar in hechtenis hield—dat van IJsselsteyn was daarom nog niet gewonnen: Bertrade, of Baerte, van Heuckelom, Gijsbrechts gemalin, was een kloekhartige vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht weigerde als hy ’t zelf had gedaan. Dat men hem geen leed zou doen, daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht van Vyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het op den IJsselsteyn gebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd een Wolfaert van Borssele haar zou hebben overgeleverd, indien Vyanen niet in Gijsbrecht den borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.
Borssele deed ’s Graven banier voor het Kasteel planten, en het dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave, op den forschen toon van stormtuig en staal:
Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken Van rij tot rij in ’t rond gehoord, En onder luid gejubel breken De benden op en rukken voort. Als golven die het strand beklimmen, Door barsche winden voortgestuwd, Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen En werpgesteente paart en huwt Zich aan ’t gedrang. ’t Klaroengeschetter En ’t rofflen van de holle trom Dreunt samen met het staalgekletter En krijten van den strijdbren drom.
De hooge trans—de borstweer—’t kraakt Van steenen, ’t werptuig uitgebraakt. De stormram beukt de poort. Het rijs, in bergen aangebracht, Bevloert welras de diepe gracht, En stijgt er tot den boord. De ladders worden saamgetast, En hechten aan den muur zich vast; De strijders dringen voort, En klautren op, met sterke hand, En klemmen zich met knie en tand Aan stijl en sporten vast. En stuift een dichte pijlenregen Uit schietgat en kanteel hun tegen— Het aantal groeit en wast.
En ’t scherp en gierend strijdgeluid Galmt boven gil en jammer uit, Al valt er menig een. En dondert ook een raatlend heir Van keien langs de wallen nêer En morselt hoofd en leên; En storten krakend, splintrend daar De ladders op en door elkaâr, De klimmers onder een, Verplet, verbrijzeld of verwond— Wie kan, verrijst weêr van den grond, Ten nieuwen storm gereed. En steeds vergroot zich weêr ’t getal Dat opstijgt naar kanteel en wal, Met luider oorlogskreet.
Maar Bertrade stond (om met Vondel te spreken) als eene heldin op de haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een verdediger dooden—zy maakten geen bres in de muren, die niet werd gedekt met trouwe in ’t staal gehulde borsten, tot dat de opening weer gevuld was.
Nogmaals beproefde Wolfaert den weg der onderhandeling, maar met geen beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar eerst toestond met Gijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken, opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list achter zochten, of dat zy Gijsbrecht genoeg kenden om van zijn raad geene verandering te wachten—hare voorwaarde werd niet aangenomen, en—schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw bestreed!—er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.
Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechts zeventien weerbare mannen op ’t kasteel—en in welken toestand nog!—Zoo de vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor zich en de ingenoten.
Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest, waarmeê Wolfaert dien voorslag ontfing. Dat Hubrecht van Vyanen, die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was het van Borssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien harden eisch beraadslaagd.—»De helft die aan my komt, zal die vrij zijn en van alles kwijtgescholden?” vroeg Bertrade.—»Dat zal zy,” andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood, die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover ’s Graven leger binnentrok. Hubrecht van Vyanen sloot zijn kind ongedeerd in de armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed hem op het rad leggen. Bertrade moest aanvankelijk hare burchtzaten naar Dordrecht volgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarin Wolfaerts gemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.
De verachtelijke Baljuw van Zuid-Holland, Aloud, Wolfaerts oogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die ten leven—het ander een Leuvenschen die ter dood wees. Aloud maakte Bertrade met dat doel bekend.—»Nu zie, minnelijke Vrouwe!” sprak hy: »wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben ’t lijf verbeurd; wien de Hollandsche komt, zullen het behouden.”—
Baljuw Aloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen; zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid verraden, want—nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal, naast den beul—zult ge dan sterven als acht van dézen: met het bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...
Maar niemant voorzag dit nu nog; Aloud allerminst. Het lot besliste, hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen; de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de andere volgde Bertrade naar Heuckelom, indien ten minste dit bericht meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:
Dandre dedemen doe ghevaen.
waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:
Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!—
Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring, door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd op Duveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand weder in bezit nam, is onbekend. Stoke meldt alleen in twee regels den uitslag, niet de handeling van het feit, en zingt, als nam hy de slotwoorden van een volkslied over,
En Ghisebrecht is op IJselsteine, Dat sine hadde geweest te voren.
Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13en Juni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen, en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) van IJsselsteyn, van Merlo, en van Marnedijc, met de tienden en visscherij, tegen 126 pond ’s jaars.
In Augustus daarop stierf graaf Jan de Tweede, en bekwam de dappere en edelmoedige Willem de Derde den stoel van Holland. Gijsbrecht haastte zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder geslagen: op den 11en Augustus 1305, by eene dagvaart te ’s Gravenhage tegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, ’s Graven lieve en getrouwe mannen” genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn oudste zoon, Aernout, in ’t huwelijk trad met ’s Graven nicht Maria, bastert-dochter van Bisschop Gwy van Avennes, ontfing Gijsbrecht-zelf het kasteel van IJsselsteyn met de 32 morgen lands waar ’t op stond, een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht te IJsselsteyn, 7.5 hoeven in ’t Geyn, 60 morgen lands te Rypikerwaert, 44 morgen te Benscoep, 75 te Polsbroec, 18 te Hoenscoep, en 12 te Bloclant, in rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten onder den eersten Gijsbrecht vermeld, benevens die op blz. 118 voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.
Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner van Eyteren had die plaats verlaten, en zich onder den IJsselsteyn neêrgezet; zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte begon te gevoelen aan eene kerk. Heer Gijsbrecht verplaatste daarom, met toestemming van Bisschop Gwy, en onder erkenning van het recht der Kanunniken van St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk van Eyteren naar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt, schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.
In 1326 verkocht de Heer van Cuyk al zijne eigendommen in het Sticht aan Graaf Willem, en deze bevestigde het volgende jaar Heer Gijsbrecht in het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche leenen ontstaan.
In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoon Herbarn, Ridder, Heer van den Bussche, door eene noodlottige gebeurtenis te verliezen. Herbarn was met Johan van den Zande in oneenigheid geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des Heeren van den Zande geweest te zijn, want in den zoen, tusschen de aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten van Johan opgelegd om een altaar en vicary te stichten in de kerk van IJsselsteyn, met opdracht van het begevingsrecht aan Herbarns zoon Gijsbrecht en diens nazaten, en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig grooten tornois, op de Maria-kerk te Utrecht, voor het doen van zielmissen ten behoeve van Heer Herbarn.
De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te vergeefs; en in Holland was Aernouts aanzien zoo gestegen, dat hy, met Heer Jan van Drongelen en de stad Dordrecht, in 1358 gemachtigd werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van Hertog Aelbrecht.
Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschen Eduard, des Hertogen broeder van Gelre, en Hertoge Aelbrecht; tusschen Hertog Aelbrecht en Jan, den Heere van Arckel; tusschen den Heer van Arckel en Jan, Heer van Polanen en van de Leck. Ook schijnt er tusschen hem en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn: toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk te IJsselsteyn schonk, en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen bloedverwant en Baanderheer.”
Ook hunnen oudsten zoon en opvolger, Aernout, behoeft hier slechts herinnerd te worden. Als Heer van Egmond en IJsselsteyn bewees hy, in 1380, Bisschop Floris van Wevelichoven groote diensten by den oorlog met den overmoedigen Ridder Everaert van Essen, en het beleg van diens kasteel van Eerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in 1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van Heer Willem van Rees, Krijgsoverste van Bisschop Aernout van Hoorn, veel geleden had.
Heer Aernout stierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste, Jan, Heer van Egmond werd, terwijl de tweede, Willem, in het bezit van IJsselsteyn geraakte.
»De Heer van Egmond en Heer Willem zijn broeder zouden rijden uit IJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden, en blijven uit den lande van Holland en Zeeland, en daar niet weder in komen, ten zij by wille en meêweten van Hertoge Willem. En de Heer van Egmond zou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen, dat hy had aan den huize en aan der stede van IJsselsteyn, en aan der Heerlijkheid, tot ’s Hertogen Willems behoef. En de Hertog zou jaarlijks doen uitreiken aan den Heer van Egmond, hem en den zijnen, ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan Heere Willem, zijnen broeder van IJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder, Vrouwe Jolande van Linningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht.”
De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en tilbare have de stad en het kasteel van IJsselsteyn, die onmiddellijk overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen.”
Den 31en Mei, 1417, stierf Willem de Zesde te Bouchain—en toen bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich niet gebonden achtten om hem te houden.
Naauwlijks was den Egmonders de doodsmare ter oore gekomen, of zy verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê Heer Willem naar IJsselsteyn toog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen, die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de Hertogin Jacoba bewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang, of hy kreeg vaste hoop op ontzet.
Jan van Montfoort en Walraven van Brederode, de natuurlijke vijanden van IJsselsteyn en Egmond, vernamen niet zoodra der broederen feit, en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te winnen. Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk naar Utrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde den Raad voor, om zich het belang van Jacoba in deze aan te trekken, hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegen IJsselsteyn op te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen van Utrecht, om het te kunnen weerstaan: IJsselsteyn was hun te lang een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.
Toen Montfoort hunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar ’t kasteel, om den slotvoogd by te springen, maar—het vaandel van den trans woei hun eene slechte tijding tegen: Heer Willem had in dien tusschentijd mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.
Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde niet lang, of ook Brederode kwam met de zijnen aan, en sloeg zich by hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en de poorters van Amersfoort verschenen en zich by hen voegden, werd het inderdaad een insluitings-leger, waarover IJsselsteyn zich wel verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:—hy had geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien mocht, en zijn broeder van Egmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen vloeken op »Jan met de bellen.”—hy vermocht toch geen gantsch leger te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt; de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,” werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige plaatsen geen boogschot ver meer was.
Een deel der stede-bannelingen van Utrecht, met den Domdeken Herman van Lochorst, Johan van den Spiegel, en eenige vijanden van het sticht, hadden zich intusschen by Heer Willem gevoegd, en waren de bezetting van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een nieuwen bondgenoot in Jan van Beieren, die, als mede zorg schijnende te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.
Heer Willems kans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan—en hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van Heer Jan van Heynsbergen gevoerd, duurde kort, want het was als overmacht tegen onmacht.
En veertien dagen na den aanvang van ’t beleg trokken de broeders, met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang, waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden, ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid tot Nyendam, van waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen moesten zoeken.
De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking van Jacoba gesteld, met uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.
Toen de Hertoginne kort daarna in Holland kwam, herinnerden de Stichtschen Montfoort aan zijne belofte omtrent de vernieling van IJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst van Brederode het daarheen te brengen, dat Jacoba, die nog weinig blik in ’s Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare goedkeuring schonk. Vervolgends kwam Heer Walraven op Sint Pieter en Pauwels daarna te Utrecht, en nam een hoop volks van daar met zich naar IJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich der baldadige poorters van Utrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten—zonder er zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, na alle steen tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was het IJsselsteyn van 1417 het Egmond van 1315 gelijk geworden.
Heer Willem van Egmond van IJsselsteyn overleed op den 31en December 1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter, Belia, gehuwd met Berthout van Rietwijc, en een zoon, Aernout van IJsselsteyn genoemd, die in den echt trad met Barbara van Borssele, en in wien wy den schraapzieken Slotvoogd van Woerden hervinden, wiens vrekkige aart het der kloekheid van Johan van Montfoort zoo gemakkelijk maakte, om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.
Na Heer Willems dood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg, de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenoot Willem, tweede zoon van den vurigen Jan van Egmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den krijgshaften »Jan met de Bellen” hebben leeren kennen.
Willem van Egmond was reeds door zijn ouderen broeder, Hertog Aernout van Gelder, beschonken met de goederen van Willem van Buren, in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer van Buren, Leerdam, Schonerwoert en Haestrecht, en des lands van Mechelen. In den slag met Hertog Gerhard van Berg, 10 November, 1444, die vooral door de lafhartigheid van Geraert van Culenborch verloren ging, toonde Willem van Egmond een ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich, door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijand Willem van Buren, sints 1430 Veldheer van den Hertog van Berg, was gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol jaar krijgsgevangen, en Hertog Aernouts geldelijke toestand had het betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toon Buren hem op den 13 November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelastte zich over acht maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stad Berchem te begeven, er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn tollenaar Koenraed van Boelendorp, en niet van daar te vertrekken buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.
Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds, maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voor Egmond en Gelder beiden. Hertog Aernout nam daarop zijne maatregelen, en de loskooping volgde eerstdaags.
Toen de laaghartige Adolf, Hertog Aernouts zoon, in verbond met zijne onnatuurlijke moeder Catherine van Cleve en een deel verraderlijke Edelen, zijn vader in 1465 te Grave gevangen nam, deed hy ook den niets kwaads vermoedenden Frederic van Egmond, Heer Willems zoon, in hechtenis nemen. Vergeefs trachtte Heer Willem, die ter goeder trouw maar al te dikwijls Adolfs voorspraak by diens vader was geweest, thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zou hy, die de vaderlijke weldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben voor de weldaden van den oom!
Het duurde zelfs niet lang, of Adolf, die de wederspannigheid der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef, liet al diens leenen in Gelderland aanslaan, en viel hem met allerlei betichtingen lastig. Graaf Vincent van Meurs, Heer Willems schoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toen Willem te Arnhem kwam om zich te verandwoorden, en daartoe met Vincent naar ’s Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op aan drong, om te weten hoe het dan toch met Heer Willems zaak gaan moest, voer Adolf toornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche goudgulden—tenzij hy de inkomsten van den tol te IJsseloord zal betalen, of dien tol laten varen.”
Toen de Graaf dit woord overbracht, sprak Willem met bitterheid: »Zie, dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my thands ook van mijne inkomsten te berooven.”—En nadat hy den Grave gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy zich netelig in ’t zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld, naar zijn Slot van Baer, waar hy zich terstond maatregelen nam, om Hertog Jan van Cleve, de stede Wageningen, en eenige anderen, met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid van Adolf bekend te maken.
Jonkheer Frederic was intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt, en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunne volgers gewapend, en zich by het leger des Hertogen van Cleve gevoegd hadden, van waar zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten, en zelfs Arnhem verrasten.
Na den vrede van Gent, 1469, begon de roekelooze Adolf weder de oude treken tegen zijnen oom. Heer Willem, evenzeer verontwaardigd als verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar Hertog Karel van Borgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden verwisseld: Adolf in hechtenis geraakte, en Aernout op vrije voeten kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen van IJsseloort en Arnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel van Buren, geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel te Grave, waar hy, na zijn afstand van het Hertogdom aan Karel, gewoonlijk verblijf hield en ook, op den 23en Februari 1473, overleed.
By het verzet der Gelderschen tegen Hertog Karel, sloot Heer Willem zich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen en hunne wapenknechten zelf in ’t Hertooglijk heir, waar hy groote diensten bewees, en in het beleg van Nymegen, 1473, zijne tenten opsloeg aan de overzijde van de Waal in ’t dorp Lent, aan de zijde van zijn ouden vriend den Hertog van Cleve, met wien hy de overmoedige stad zeer in de engte bracht. Hertog Karel toonde hoezeer hy de diensten en bekwaamheden van Willem op prijs stelde, en stelde hem, na de onderwerping van Gelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.
De dood van Karel den Stoute, 5 Januari 1477, bracht Willem in ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, en Catharyne van Gelre, op verlangen van heur geslaakten broeder Adolf (kort daarna echter voor Doornic gesneuveld) als Voogdesse aannamen. In de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide jongere zonen Frederic en Willem door de poorters van Nymegen gevangen, en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over het Valkhof in hechtenis gehouden.
Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan de Catrynepoort buiten Utrecht, het rooven van vee uit de landerijen aan den Rijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy deed uitschudden en naar IJsselsteyn voeren, dat door hem reeds onder Karel den Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt was geworden. Een inval der Montfoorters onder Jan van Middachten werd door den IJsselsteynschen Bevelhebber Lambrecht Myllinck gekeerd. In de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarby Middachten met negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd, terwijl Myllinck, zijn behaald voordeel vervolgende, de landen van Montfoort en Utrecht met vuur en staal verwoestte. Eene onderneming der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het kasteel Oudegein, aan de vereeniging van Lec en IJssel gelegen, en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters van IJsselsteyn langs den vaartschen Rijn legden, wanneer zy den voorraad, die van tijd tot tijd naar het blokhuis aan de Vaart werd gevoerd, wilden onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had, werd het sein gegeven aan het kasteel Vronesteyn en aan de Vaart, en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder voort. Te vergeefs mochten die van IJsselsteyn zich een poos afmatten, wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht, en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag, 16 Juni 1482, overvielen zy den Oudegein, verjoegen de bezetting, plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit verlies grooten last, want van nu aan legden Heer Frederics mannen hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.
De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den verdrukten Kennemer van 885 klagen:
»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,—op de velden Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis—hoe zelden Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord! Ach! ’t land brengt doornen meest en ruige distlen voort!”—
Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt—en zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482, ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er het leven by verloren.
De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.
Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou kunnen overmeesteren—maar toen het er nu op aan kwam om dien storm te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst gewonnen ware, »want,” zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om steden te bestormen.”
En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken, zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts 4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.
De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben—een spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan van Montfoort thands besluiten kon.
En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.
Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de stad inruimden.
Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:
Wech, Uytersen met uw tuten en blasen, Doet uyt twee leuwen en set twee hasen, Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt, Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.
Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien nog ligt.
Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in eene herberg »de Sleutel” samenkomende, vonden daar in de dienstboden gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, ter stad uit gebannen.
Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.
De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te doen begraven.
Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den Graven-tytel voerden.
Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende houding draagt, deed oprichten.
Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer, kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn, zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over, die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.
In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken, ’t geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte land van ’t Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.
Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven, staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt, aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511, tot het opbreken van ’t beleg. In die zelfde maand overviel hy, in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200 ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes, die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.
Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd, schoon ’t ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten, stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens belang handelde.
Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks in Friesland te erkennen en aan te nemen.
De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom den koolstruik tot ridder geslagen had!
Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen verkrijgen.
Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539, nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna (die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga.
Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen—zonder echter daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever,” sprak hy: »wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn.”—
Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit Engeland in een gezantschap van ’s Keizers wege was te rug gekeerd, oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel (Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.
Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige huivering bevangt hen—Maximiliaen van Egmond, geheel in ’t harnas gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.
Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het lichaam reeds verlaten.
Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest, met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.
Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554, en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven Filips van Hohenlo werd.
Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van 1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, »dat de meeste part het weder-komen vergaten”; de overige helden spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt.”
De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel en stad, zonder eenigen weêrstand, in ’s vijands handen overgegaan, en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen uit Utrecht.
Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare herinnering van de edele Vorstin.
Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen, en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek werd gebracht.
Nu moest het, dàn als hospitaal—dàn als kazerne dienen, en speelde de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der Duin van Maasdam heur verblijf vestigde.
Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in 1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten, wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.
Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas »Oud-Nederland,” en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 N. el dikte heeft.
De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde klooster te onderhouden.” De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.
Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men met den dichter spreken:
Wel, zeker, wie ’t herdenken mint Van lang voorleden, schooner dagen— Wie een weemoedig-zoet behagen In de eeuwig groene Erinring vindt, Heeft slechts die muren te ondervragen, Die ’t merk van koninklijke pracht, Van oude—eilaas! verlamde—kracht— In reuzenschrift aan ’t voorhoofd dragen.
o, Fluisterstem van dat Voorleden, Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord, Die, als een zangrig harpaccoord, Ter helft geraden, half gehoord, Den avondwandlaar langs gegleden, De stilte van den bouwval stoort! Hoe woei mij dàar de Erinring tegen Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht, Van Riddereer en Riddermagt, Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!
Dan rijst voor mijn verwonderd oog Op nieuw het burggewelf omhoog, Zoo als ’et prijkte in vroeger dagen; Dan krijgt die slotpoort als weleer Zijn ijzren vleugeldeuren weêr; Dán wappert van den hoogen toren Op nieuw de slanke baanrol uit; Dan is ’t, of ’t avondzonnegloren Op ’t blankgeslepen borstschild stuit, En blikkert op de stormhelmetten, En ’t flikkrend staal der krijgsgenetten, Die zich verdringen in het krijt En joken naar den strijd!
Dán treedt een sleep die hallen binnen Van Edelvrouwen, jonk en schoon, Van Ridders, vurig in ’t beminnen, Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen, En Minstreels, die den zang beginnen Voor Vrouwengunst en Minneloon!
Waar is uw luister heêngevaren, En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?
Gij spreekt de vreeselijke taal Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven, Van korten Bloei en langzaam Sterven; Gij zingt het slepend grafgezang Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!
Doch neen, geen Dood! De geest blijft leven, Die, eens dier stichting ingedreven, Nog scheemrig in den bouwval gloort.— Want wat des menschen vinding stichtte, Want wat de kracht zijns wils verrigtte, De daad die is duurt altoos voort!