Onze deugden zijn meestal niets dan verkapte ondeugden.
Daniel François Scheurleer translation
I.
Hetgeen wij voor deugd aanzien is dikwijls niets dan een samenloop van verschillende handelingen en van verschillende belangen, die de fortuin of onze ijver weten te regelen; en het is niet altijd uit dapperheid en uit kuischheid dat mannen dapper en vrouwen kuisch zijn.
II.
De eigenliefde is de grootste van alle vleiers.
III.
Welke ontdekkingen men in het land der eigenliefde ook heeft gemaakt, er blijven nog heel wat onbekende landstreken over.
IV.
Eigenliefde is handiger dan de handigste mensch ter wereld.
V.
De duur onzer hartstochten hangt evenmin van ons af als de duur van ons leven.
VI.
Hartstocht maakt dikwijls een zot van den verstandigsten mensch en de zotsten verstandig.
VII.
Groote en schitterende daden, die het oog verblinden, worden door politici voorgesteld als de uitkomsten van groote plannen, terwijl zij gewoonlijk de uitwerking zijn van humeur en hartstochten. Zoo was de oorlog tusschen Augustus en Antonius, dien men toeschrijft aan de eerzucht om zich meesters van de wereld te maken, misschien louter een uitwerking van jaloezie.
VIII.
Hartstochten zijn de eenige redenaars, die altijd overtuigen. Zij zijn als het ware een kracht der natuur, waarvan de regels onfeilbaar zijn, en de eenvoudigste man met hartstocht overtuigt beter dan de welsprekendste, die er van ontbloot is.
IX.
Hartstochten hebben een kant van onrechtvaardigheid en eigenbelang, die het gevaarlijk maakt ze te volgen en waarvoor men zich moet hoeden, zelfs wanneer zij zoo redelijk mogelijk schijnen.
X.
Er is in het menschelijk hart een voortdurende aanwas van hartstochten, dusdanig dat de ondergang van den eenen bijkans altijd de opkomst van een anderen te weeg brengt.
XI.
Hartstochten brengen vaak andere voort, die aan hen tegenovergesteld zijn: gierigheid verwekt soms verkwisting en verkwisting gierigheid; dikwijls is men standvastig uit zwakte en onverschrokken uit bedeesdheid.
XII.
Hoe veel moeite men zich ook geve om zijn hartstochten met den schijn van vroomheid en eer te bedekken, zij blijven altijd achter die sluiers zichtbaar.
XIII.
Onze eigenliefde duldt bezwaarlijker de veroordeeling van onzen smaak dan van onze meeningen.
XIV.
De menschen zijn niet alleen geneigd de herinnering te verliezen aan weldaden en onrecht: zij haten zelfs degenen, die hen verplicht hebben en houden op te haten wie hen beleedigd hebben. De inspanning om het goede te beloonen en zich te wreken wegens het kwade schijnt hun een last, waaraan zij moeite hebben zich te onderwerpen.
XV.
De genade van vorsten is vaak niets dan politiek om de genegenheid der volken te winnen.
XVI.
Die genadigheid, die men voor een deugd laat gelden, bewijst men nu eens uit ijdelheid, soms uit gemakzucht, dikwijls uit vrees, en bijna altijd uit alle drie te zamen.
XVII.
De gematigdheid der gelukkige menschen komt voort uit de kalmte, die de goede fortuin aan hun gemoedsstemming geeft.
XVIII.
Gematigdheid is een vrees te worden benijd en veracht, zoo als zij verdienen, die verblind worden door hun geluk; zij is een ijdele pronkerij van onze geestkracht, en ten slotte is gematigdheid der hoogstgeplaatste menschen een verlangen grooter te schijnen dan hun goed gesternte.
XIX.
Wij zijn allen sterk genoeg om andermans rampen te dragen.
XX.
De onaandoenlijkheid der wijzen is niet anders dan de kunst van de stormen in hun hart op te sluiten.
XXI.
Ter dood veroordeelden vertoonen somtijds een onaandoenlijkheid en verachting van den dood, die slechts vrees is om hem in het aangezicht te zien; zoodat men kan zeggen dat die onaandoenlijkheid en doodsverachting voor hun geest zijn wat de blinddoek voor hunne oogen is.
XXII.
De philosophie overwint gemakkelijk verleden en toekomstige rampen, maar de tegenwoordige blijven haar de baas.
XXIII.
Weinigen kennen den dood: men aanvaardt hem gewoonlijk niet uit vastberadenheid maar uit domheid en uit gewoonte, en de meeste menschen sterven omdat er niets tegen te doen is.
XXIV.
Wanneer groote mannen zich laten nederdrukken door den langen duur hunner tegenspoeden, toonen zij dat zij die slechts droegen door de kracht hunner eerzucht en niet door die hunner ziel, en dat, op een groote ijdelheid na, helden gelijk zijn aan andere menschen.
XXV.
Men moet grooter deugden bezitten om voorspoed dan om tegenspoed te verdragen.
XXVI.
De zon en den dood kan men niet strak aanzien.
XXVII.
Men pocht soms op hartstochten, zelfs de misdadigste, maar de afgunst, een bedeesde en schuwe hartstocht, wil men nimmer toegeven te bezitten.
XXVIII.
Jaloezie is in zeker opzicht rechtmatig en verstandig, daar zij er slechts naar streeft iets te bewaren, dat ons werkelijk of naar onze meening toebehoort; afgunst daarentegen is een razernij, die het geluk van anderen niet dulden kan.
XXIX.
Het kwade, dat wij doen, bezorgt ons niet zoo veel vervolging en haat als onze goede hoedanigheden.
XXX.
Wij hebben meer kracht dan goeden wil; en het is vaak alleen om ons tegenover ons zelf vrij te pleiten, dat wij dingen onmogelijk achten.
XXXI.
Indien wij zelf geen gebreken hadden, zouden wij er niet zooveel behagen in scheppen die bij anderen op te merken.
XXXII.
Jaloezie groeit door twijfel en klimt tot razernij of eindigt zoodra twijfel in zekerheid verandert.
XXXIII.
De hoogmoed weet altijd zijn schade in te halen en verliest niets, zelfs wanneer hij van de ijdelheid afstand doet.
XXXIV.
Indien wij zelf geen trots bezaten zouden wij ons over dien van anderen niet beklagen.
XXXV.
De trots is bij alle menschen gelijk; er is slechts verschil in de middelen en manieren hem te uiten.
XXXVI.
Het schijnt dat de natuur, die zoo kunstig de organen van ons lichaam heeft samengesteld om ons gelukkig te maken, ons ook den hoogmoed heeft geschonken om ons de smart te besparen onze onvolmaaktheden te leeren kennen.
XXXVII.
Meer dan de goedheid heeft de hoogmoed aandeel in de vermaningen, die wij richten tot hen die fouten maken, en wij berispen hen niet zoo zeer om hen te verbeteren als om hen te overtuigen, dat wij er vrij van zijn.
XXXVIII.
Wij beloven naar mate van onze hoop, en wij houden onze beloften naar mate van onze vrees.
XXXIX.
Het eigenbelang spreekt alle soorten van talen en speelt elke rol, zelfs die van belangeloosheid.
XL.
Het eigenbelang, dat den een verblindt, maakt den ander helderziend.
XLI.
Wie zich te veel met kleinigheden inlaat wordt gewoonlijk ongeschikt voor groote dingen.
XLII.
Wij hebben geen voldoende kracht om ons verstand geheel te volgen.
XLIII.
De mensch gelooft dikwijls te leiden terwijl hij zelf geleid wordt, en terwijl hij met zijn verstand naar zeker doel streeft, sleept zijn hart hem ongemerkt naar een ander.
XLIV.
Men behoort niet te spreken van kracht of zwakheid van den geest; zij zijn in werkelijkheid goede of slechte aanleg onzer lichamelijke organen.
XLV.
De grillen van ons humeur zijn nog grilliger dan die van de fortuin.
XLVI.
De gehechtheid aan of de onverschilligheid tegenover het leven, door de philosophen betoond, was niets dan eene neiging hunner eigenliefde, waarover men evenmin kan twisten als over den smaak der tong of de keuze der kleuren.
XLVII.
Ons humeur bepaalt de waarde van alles wat de fortuin ons schenkt.
XLVIII.
Het geluk hangt af van den smaak, niet van de dingen; en gelukkig maakt het bezit van wat men gaarne heeft, niet van hetgeen anderen begeeren.
XLIX.
Men is nooit zoo gelukkig of zoo ongelukkig als men zich inbeeldt.
L.
Zij, die zich verdienstelijk achten, stellen er een eer in ongelukkig te zijn, ten einde anderen en zich zelf te overtuigen, dat zij met het noodlot kampen.
LI.
Niets moet de ingenomenheid met ons zelf zoo zeer verminderen als te zien dat wij heden afkeuren wat wij voorheen goedkeurden.
LII.
Hoe verschillend het lot der menschen ook moge schijnen, er is niettemin een zekere vereffening van goed en kwaad, die het verschil wegvaagt.
LIII.
Hoe groote voordeelen de natuur ook schenken moge, het is niet alleen zij, die helden maakt; het geluk moet medewerken.
LIV.
De verachting der rijkdommen was bij de philosophen een verborgen verlangen om hun verdienste te wreken op de onrechtvaardigheid van het lot, door datgene te verachten wat het hun onthield; het was een geheim om zich te beschermen tegen de vernedering van de armoede. Het was een omweg om tot het aanzien te geraken, dat zij door rijkdommen niet konden bereiken.
LV.
De haat tegen gunstelingen is niets anders dan verzotheid op gunst. De ontstemming deze niet te bezitten wordt vertroost en verzacht door de minachting, die men betoont voor hen die haar bezitten en wij weigeren hun onzen eerbied, niet bij machte zijnde hun datgene te ontnemen, wat hun dien van iedereen verschaft.
LVI.
Ten einde in de hooge wereld te komen, geeft men zich alle mogelijke moeite het te doen voorkomen alsof men er reeds thuis behoort.
LVII.
Ofschoon de menschen zich laten voorstaan op hun groote daden zijn deze dikwijls niet de uitwerking van groote plannen, maar van het toeval.
LVIII.
Het schijnt dat onze daden gelukkige of ongelukkige gesternten hebben, waaraan zij een groot deel van den lof en de blaam, die men haar geeft, te danken hebben.
LIX.
Geen gebeurtenis zoo ongelukkig of verstandige menschen trekken er eenig voordeel uit. Geen is er zoo gelukkig of onverstandigen weten haar nog op hun eigen nadeel te laten uitloopen.
LX.
De fortuin stiert alles ten voordeele van hen, die zij begunstigt.
LXI.
Het geluk en het ongeluk der menschen hangt niet minder van hun humeur dan van de fortuin af.
LXII.
Oprechtheid is openhartigheid. Men vindt haar bij zeer enkelen, en die, welke men gewoonlijk ziet, is slechts een verfijnde geveinsdheid, om het vertrouwen van anderen te winnen.
LXIII.
De afkeer van liegen is dikwijls slechts een onmerkbare eerzucht, om aan onze beweringen gewicht bij te zetten en aan onze woorden een heiligen eerbied te verschaffen.
LXIV.
De waarheid doet in de wereld niet zoo veel goed, als haar schijn kwaad sticht.
LXV.
De voorzichtigheid overstelpt men met lof; toch vrijwaart zij ons niet voor het geringste nadeel.
LXVI.
Een verstandig man moet zijne belangen regelen en hen leiden, elk in de juiste volgorde; deze wordt dikwijls door onze begeerlijkheid verstoord, omdat zij ons zoo veel tegelijker tijd doet naloopen, dat wij, de minst belangrijke te zeer begeerende, de belangrijkere misloopen.
LXVII.
Bevalligheid is voor het lichaam wat gezond verstand voor den geest is.
LXVIII.
Het is moeilijk de liefde te omschrijven: wat men er van kan zeggen is, dat zij zich, in de ziel, openbaart als een hartstocht tot heerschen; in den geest als sympathie; en in het lichaam als een verholen, teedere begeerte na vele heimelijkheden te bezitten wat men bemint.
LXIX.
Indien er eene liefde bestaat, rein en vrij van inmenging onzer andere hartstochten, dan is het die, welke binnen ons hart verborgen is en die wij zelf niet kennen.
LXX.
Er bestaat geen vermomming, die langen tijd de liefde kan verbergen die er is, of haar kan voorwenden, waar zij niet is.
LXXI.
Er zijn bijna geen menschen, die zich niet schamen elkander bemind te hebben, wanneer zij elkander niet meer beminnen.
LXXII.
Indien men de liefde beoordeelt naar het meerendeel harer uitwerkingen, vindt men meer gelijkenis op haat dan op vriendschap.
LXXIII.
Men kan vrouwen vinden, die nimmer een liefdes-avontuur hadden, maar het is moeilijk er een aantetreffen, die er slechts één heeft doorleefd.
LXXIV.
Er is slechts één soort liefde, maar er bestaan duizend verschillende namaaksels.
LXXV.
De liefde kan, evenmin als het vuur, voortbestaan zonder onafgebroken aangewakkerd te worden en zij houdt op zoodra er niets meer te hopen of te vreezen overblijft.
LXXVI.
Met de ware liefde is het gesteld als met de geestverschijningen: een ieder spreekt er van, maar weinigen hebben haar gezien.
LXXVII.
De liefde leent haar naam aan een onmetelijk aantal verhoudingen, die men haar toeschrijft en waaraan zij even min deel heeft als de Doge aan hetgeen te Venetië gebeurt.
LXXVIII.
De liefde tot de gerechtigheid is bij de meeste menschen niets dan vrees om onrechtvaardigheden te ondergaan.
LXXIX.
Zwijgen is de beste partij voor hem, die niet zeker van zich zelf is.
LXXX.
Wat ons in onze vriendschappen zoo veranderlijk maakt is de omstandigheid, dat het moeilijk valt de hoedanigheden der ziel, en gemakkelijk die van het verstand te leeren kennen.
LXXXI.
Wij kunnen niets beminnen dan met betrekking tot ons zelf en wij doen niets dan onzen zin en onzen smaak volgen, wanneer wij onze vrienden boven ons zelf verkiezen. Niettemin is het alleen door die voorkeur dat vriendschap waar en volkomen kan zijn.
LXXXII.
De verzoening met onze vijanden is niets dan een verlangen onzen toestand te verbeteren, een oorlogsmoeheid, en een vrees voor tegenslag.
LXXXIII.
Wat de menschen vriendschap hebben genoemd is niets dan een overeenkomst, een wederkeerig ontzien van belangen, en een uitwisseling van goede diensten; het is ten slotte niets dan een handel, waarbij het eigenbelang altijd iets denkt te winnen.
LXXXIV.
Het is smadelijker zijn vrienden te wantrouwen dan door hen te worden bedrogen.
LXXXV.
Wij maken ons vaak wijs lieden te beminnen, machtiger dan wij, en toch is het bloot eigenbelang, dat onze vriendschap doet ontstaan. Wij geven ons niet aan hen om het goede, dat wij hun willen bewijzen, maar om hetgeen wij verwachten te ontvangen.
LXXXVI.
Ons wantrouwen rechtvaardigt het bedrog van anderen.
LXXXVII.
De menschen zouden niet lang in gemeenschap blijven leven, wanneer zij niet elkanders slachtoffers waren.
LXXXVIII.
De eigenliefde verkleint of vergroot in ons oog de goede hoedanigheden onzer vrienden naar mate van de voldoening, die wij van hen smaken; en wij beoordeelen hun verdienste naar de wijze, waarop zij zich tegenover ons gedragen.
LXXXIX.
Ieder klaagt over zijn geheugen, niemand over zijn verstand.
XC.
In het maatschappelijk verkeer behagen wij vaker door onze gebreken, dan door onze goede eigenschappen.
XCI.
De grootste eerzucht vermijdt zorgvuldig zich als zoodanig kenbaar te maken, wanneer zij op de volstrekte onmogelijkheid stuit om tot haar doel te geraken.
XCII.
Door iemand, vervuld van zijn eigen verdienste, de oogen te openen bewijst men hem een even slechten dienst als men aan dien gek te Athene bewees, die geloofde, dat alle binnenkomende schepen hem toebehoorden.
XCIII.
Grijsaards geven gaarne wijze lessen als troost dat zij niet meer in staat zijn slechte voorbeelden te geven.
XCIV.
Een groote naam, in stede van te verheffen, drukt hem ter neder, die niet sterk genoeg is hem hoog te houden.
XCV.
Het bewijs van buitengewone verdienste is te zien, dat de hevigste benijders haar moeten prijzen.
XCVI.
Een ondankbare is soms minder schuld aan die ondankbaarheid, dan hij, die de weldaad bewees.
XCVII.
Men vergist zich door te meenen dat verstand en oordeel twee verschillende zaken zijn: het oordeel is niets dan de grootheid van het licht in het verstand; dat licht dringt tot op den bodem der dingen door, merkt op al wat het moet opmerken en neemt ook waar wat schijnbaar niet zichtbaar is. Dus moet men toegeven dat het de sterkte van het licht in het verstand is, die alle aan het oordeel toegeschreven werkingen te weeg brengt.
XCVIII.
Ieder spreekt in goeden zin van zijn hart, en niemand durft dit van zijn verstand te doen.
XCIX.
De fijnheid van den geest bestaat in het denken aan smaakvolle en kiesche dingen.
C.
De hoffelijkheid van den geest bestaat in het op aangename wijze zeggen van vriendelijke dingen.
CI.
Het gebeurt dikwijls dat dingen zich volkomener voor onzen geest opdoen, dan deze met veel kunst zou kunnen tot stand brengen.
CII.
Het verstand is altijd het slachtoffer van het hart.
CIII.
Allen, die hun verstand kennen, kennen niet hun hart.
CIV.
Menschen en zaken hebben hun gezichtspunt: er zijn er, die men van nabij moet bezien, om er goed over te kunnen oordeelen, en anderen, die men nooit beter beoordeelt dan op een afstand.
CV.
Niet hij is verstandig, die het verstandige toevallig vindt, maar hij, die het kent, onderscheidt en er smaak in vindt.
CVI.
Om iets goed te kennen moet men er de kleinste onderdeelen van kennen en, daar deze bijna oneindig zijn, blijft onze kennis altijd oppervlakkig en onvolkomen.
CVII.
Het is een soort coquetterie te laten merken, dat men er vrij van is.
CVIII.
Het verstand vermag niet lang de rol van het hart te spelen.
CIX.
De jeugd verandert van smaak door de vurigheid van het bloed, en de ouderdom behoudt den zijnen door de macht der gewoonte.
CX.
Men is met niets zoo vrijgevig als met raad.
CXI.
Hoe vuriger men bemint, hoe lichter de liefde in haat omslaat.
CXII.
De gebreken van het verstand vermeerderen bij het ouder worden even als die van het gelaat.
CXIII.
Er zijn goede huwelijken maar geen kostelijke.
CXIV.
Men is ontroostbaar over het bedrog van vijanden en het verraad van vrienden en is vaak voldaan door zich zelf bedrogen te hebben.
CXV.
Het is even gemakkelijk zich zelf te bedriegen zonder het te bemerken, als moeilijk anderen te bedriegen, zonder dat zij het gewaar worden.
CXVI.
Niets is minder oprecht dan de wijze, waarop men raad vraagt en geeft: wie er om vraagt schijnt een eerbiedige vereering te hebben voor de gevoelens van zijn vriend, ofschoon hij er slechts aan denkt de zijne door hem te laten goedkeuren en hem aansprakelijk te maken voor zijn gedrag; en wie den raad geeft, beloont het in hem gestelde vertrouwen door vurigen en belangeloozen ijver, ofschoon hij meestal in den door hem gegeven raad slechts zijn eigen belang of roem zoekt.
CXVII.
De meest verfijnde slimheid is goed te kunnen voorwenden in den val te zijn geloopen, die voor ons was opgesteld; en men wordt nimmer gemakkelijker bedrogen, dan wanneer men meent anderen te bedriegen.
CXVIII.
Het voornemen nimmer te bedriegen stelt er ons aan bloot dikwijls bedrogen te worden.
CXIX.
Wij zijn zoo zeer gewend ons tegenover anderen te vermommen dat wij ons ten slotte tegenover ons zelf vermommen.
CXX.
Men komt vaker tot verraad uit zwakheid dan door een vooropgezet plan om te verraden.
CXXI.
Men doet dikwijls goed om ongestraft kwaad te kunnen doen.
CXXII.
Indien wij aan onze hartstochten weerstand bieden is dit meer door hun zwakte dan door onze kracht.
CXXIII.
Men zou weinig vreugde smaken indien men zich nimmer vleide.
CXXIV.
De handigsten geven zich gedurende hun geheele leven den schijn slimmigheden aftekeuren, ten einde er zich zelf van te bedienen bij gewichtige gelegenheden of gevallen van groot belang.
CXXV.
Het geregeld gebruik van slimmigheden is een kenteeken van een kleinen geest, en het gebeurt bijna altijd dat hij, die er zich van bedient, om zich aan ééne zijde te dekken, zich aan een andere bloot geeft.
CXXVI.
List en verraad zijn alleen het gevolg van gebrek aan bekwaamheid.
CXXVII.
Het ware middel om bedrogen te worden is zich slimmer te achten dan anderen.
CXXVIII.
Overdreven gevoeligheid is een valsche kieschheid en de ware kieschheid is een gezonde gevoeligheid.
CXXIX.
Soms is een grofheid voldoende om zich door een slim mensch niet te laten beetnemen.
CXXX.
Zwakheid is het eenige gebrek, dat men niet kan verbeteren.
CXXXI.
Het geringste kwaad van vrouwen, die zich aan de galanterie hebben overgegeven, is de galanterie.
CXXXII.
Het is gemakkelijker wijs voor anderen te zijn, dan voor zich zelf.
CXXXIII.
De eenige goede copieën zijn die, welke het belachelijke van de slechte origineelen toonen.
CXXXIV.
Men is nooit zoo belachelijk door de eigenaardigheden, die men bezit, als door die, welke men zich den schijn geeft te bezitten.
CXXXV.
Men is soms even zeer in tegenspraak met zich zelf als met anderen.
CXXXVI.
Er zijn lieden, die nooit verliefd zouden zijn geweest als zij nooit van liefde hadden hooren spreken.
CXXXVII.
Men spreekt weinig indien de ijdelheid er niet toe aanzet.
CXXXVIII.
Liever spreekt men kwaad dan in het geheel niet van zich zelf.
CXXXIX.
Een der redenen, waarom men zoo weinig menschen vindt, die verstandig en aangenaam zijn in hunne gesprekken, is dat er bijna niemand is, die niet meer denkt aan hetgeen hij wil zeggen, dan aan het geven van een juist antwoord op hetgeen men hem zegt. De knapsten en beleefdsten vergenoegen zich met het opzetten van een aandachtig gelaat, terwijl men op hetzelfde oogenblik in hun oogen en in hun geest ziet, dat zij niet zijn bij hetgeen men hun zegt en haast hebben terugtekeeren tot wat zij willen zeggen, in stede van te overwegen, dat het een slecht middel is zich anderen aangenaam te maken of hen te overtuigen, wanneer men zich zóó zeer inspant zich zelf te behagen, en dat de kunst goed te luisteren en goed te antwoorden een der grootste volmaaktheden is, die men in een gesprek kan tentoonspreiden.
CXL.
Een man van verstand zou dikwijls verlegen zitten zonder het gezelschap van dwazen.
CXLI.
Wij roemen er dikwijls op ons niet te vervelen en wij zijn zóó trotsch, dat wij ons niet in een vervelend gezelschap willen bevinden.
CXLII.
Terwijl het in den aard ligt van groote geesten met weinig woorden veel te zeggen, hebben daarentegen de kleine geesten de gave van veel te spreken en niets te zeggen.
CXLIII.
Het is veeleer de waardeering onzer eigen gevoelens, die ons de goede hoedanigheden van anderen doet overdrijven, dan de waardeering hunner verdienste; en wij willen lof oogsten, terwijl het den schijn heeft dat wij dien toezwaaien.
CXLIV.
Men prijst ongaarne en men prijst niemand zonder eigenbelang. Lof is een behendige vleierij, heimelijk en fijn, die op verschillende wijze bevredigt wie hem toekent en wie hem ontvangt: de een aanvaart hem als een belooning voor verdienste, de ander geeft hem om zijn rechtvaardigheid en doorzicht te toonen.
CXLV.
Wij kiezen dikwijls vergiftigde loftuitingen, die, als terugslag, in hen, die wij prijzen, gebreken naar voren brengen, welke wij op andere wijze niet zouden durven onthullen.
CXLVI.
In den regel prijst men alleen om geprezen te worden.
CXLVII.
Weinig menschen zijn wijs genoeg om een hun nuttige afkeuring te verkiezen boven lof, die hen schaadt.
CXLVIII.
Er zijn verwijten, die lof, en loftuitingen, die kwaadsprekerij bevatten.
CXLIX.
Het afwijzen van lof is een verlangen om twee maal geprezen te worden.
CL.
Het verlangen den lof te verdienen, dien men ons toezwaait, versterkt onze deugd; de lof, dien men het verstand, den moed en de schoonheid toekent, draagt er toe bij die te verhoogen.
CLI.
Het is moeilijker zich door anderen niet te laten beheerschen, dan anderen te beheerschen.
CLII.
Indien wij ons zelf niet vleiden zou de vleierij van anderen ons niet kunnen schaden.
CLIII.
De natuur schept de verdienste; de fortuin brengt haar in werking.
CLIV.
De fortuin verbetert in ons verschillende gebreken, die het verstand niet zou kunnen verbeteren.
CLV.
Er zijn menschen van verdienste, die afstootend werken, en andere, die, ondanks hunne gebreken, aantrekken.
CLVI.
Er zijn menschen, wier eenige verdienste daarin bestaat met voordeel dwaasheden te zeggen en te doen, en die alles zouden bederven indien zij hun gedragslijn veranderden.
CLVII.
De roem van groote mannen moet altijd worden afgemeten naar de middelen, waarvan zij zich hebben bediend om hem te verwerven.
CLVIII.
Vleierij is valsch geld, dat alleen koers heeft door onze ijdelheid.
CLIX.
Het is niet voldoende groote hoedanigheden te bezitten; men moet er een richtig gebruik van weten te maken.
CLX.
Hoe verblindend een daad moge zijn, zij mag niet voor groot doorgaan indien zij niet het gevolg is van een groot opgezet plan.
CLXI.
Er moet een zekere verhouding zijn tusschen daden en plannen, indien men er alle gevolgen uit wil halen, die er uit te halen zijn.
CLXII.
De kunst, middelmatige hoedanigheden goed naar voren te brengen, brengt de achting op een dwaalspoor en geeft dikwijls meer naam dan de werkelijke verdienste.
CLXIII.
Er zijn tallooze handelingen, die belachelijk schijnen en waarvan de verborgen redenen zeer wijs en deugdelijk zijn.
CLXIV.
Het is gemakkelijker de ambten, die men niet heeft, waardig te schijnen, dan die, welke men bekleedt.
CLXV.
Onze verdienste bezorgt ons de achting der eerlijke lieden en onze geluksster die van het publiek.
CLXVI.
De wereld beloont vaker den schijn van verdienste dan de verdienste zelf.
CLXVII.
Gierigheid is eerder het tegenovergestelde van zuinigheid dan vrijgevigheid.
CLXVIII.
De hoop, hoe bedriegelijk zij ook is, leidt ons ten minste langs een aangenamen weg tot het levenseinde.
CLXIX.
Terwijl luiheid en bedeesdheid ons aan onzen plicht houden, krijgt onze deugd er dikwijls al de eer van.
CLXX.
Het is moeilijk te beoordeelen of een rein, oprecht en eerlijk gedrag een uitwerking van rechtschapenheid of van handigheid is.
CLXXI.
Deugden verliezen zich in eigenbelang als rivieren in de zee.
CLXXII.
Wanneer men de verschillende gevolgen van verveling goed beziet, dan vindt men, dat zij nog meer plichten doet verzuimen dan eigenbelang.
CLXXIII.
Er zijn verschillende soorten van nieuwsgierigheid: de eene uit eigenbelang, die er ons toe brengt te willen vernemen wat ons van nut zou kunnen zijn; de andere uit hoogmoed, die ontstaat uit het verlangen te weten wat anderen onbekend is.
CLXXIV.
Het is beter ons verstand te gebruiken om de ongelukken te dragen, die ons overkomen, dan om het bezig te houden met die, welke in aantocht zijn.
CLXXV.
De standvastigheid in de liefde is eene doorloopende onstandvastigheid, waardoor ons hart zich achtereenvolgens hecht aan alle de eigenschappen van den persoon, dien wij liefhebben, gevende dan eens den voorkeur aan deze, dan weer aan gene: zoodat deze standvastigheid slechts een onstandvastigheid is, beperkt tot en opgesloten in het zelfde voorwerp.
CLXXVI.
Er zijn twee soorten standvastigheid in de liefde: de eene ontstaat doordat men in den beminden persoon steeds nieuwe eigenschappen tot beminnen vindt, en de andere omdat men er eer in stelt standvastig te zijn.
CLXXVII.
Bestendigheid verdient noch lof, noch blaam, want zij is slechts het voortduren van neigingen en gevoelens, die men zich zelf ontnemen, noch geven kan.
CLXXVIII.
Wat ons nieuwe kennissen doet liefhebben is niet zoo zeer de moeheid, die wij ten opzichte der oude gevoelen, of het genoegen van verandering, als wel de ontstemming niet voldoende bewonderd te worden door hen, die ons te goed kennen, en de hoop dit meer te zullen worden gedaan door hen, die ons niet zoo goed kennen.
CLXXIX.
Wij beklagen ons soms lichtvaardig over onze vrienden, om bij voorbaat onze lichtvaardigheid te rechtvaardigen.
CLXXX.
Ons berouw is niet zoo zeer het betreuren van het kwaad, dat wij deden, dan wel vrees voor de gevolgen, die er voor ons uit kunnen ontstaan.
CLXXXI.
Er is een onbestendigheid, die ontstaat door lichtvaardigheid van het verstand of door zijn zwakte, die het toegankelijk maakt voor alle meeningen van anderen, en er is er een andere, die eerder te verontschuldigen is, die het gevolg is van oververzadiging.
CLXXXII.
De ondeugden behooren tot de samenstelling der deugden, zooals de vergiften tot de samenstelling der geneesmiddelen: de voorzichtigheid brengt ze bijeen en matigt ze, en bedient er zich met goed gevolg van tegen de kwalen van het menschelijk leven.
CLXXXIII.
Men moet ter eere van de deugd erkennen dat de grootste rampen der menschen die zijn, waarin zij vervallen door misdaden.
CLXXXIV.
Wij bekennen onze fouten om door onze openhartigheid het nadeel te herstellen, dat zij ons bij anderen doen.
CLXXXV.
Er zijn helden zoowel in het goede als in het kwade.
CLXXXVI.
Men veracht niet allen, die ondeugden bezitten, maar hen, aan wie elke deugd ontbreekt.
CLXXXVII.
De naam van de deugd dient het eigenbelang even goed als de ondeugden.
CLXXXVIII.
De gezondheid der ziel is niet zekerder dan die van het lichaam; en hoe ver verwijderd men moge schijnen van hartstochten, men loopt niet minder gevaar er door te worden medegesleept, dan ziek te worden, wanneer men gezond is.
CLXXXIX.
Het lijkt er naar alsof de natuur bij elken mensch bij zijn geboorte grenzen aan zijn deugden en ondeugden heeft afgebakend.
CXC.
Slechts groote menschen mogen groote gebreken hebben.
CXCI.
Men kan zeggen dat de ondeugden ons op onzen levensweg opwachten als gastheeren bij wie men achtereenvolgens moet inwonen; en ik twijfel of de ervaring ons ze zou doen ontloopen als het ons vergund werd den zelfden weg twee maal te bewandelen.
CXCII.
Wanneer de ondeugden ons verlaten vleien wij ons met den waan, dat wij haar hadden verlaten.
CXCIII.
Er zijn instortingen bij de ziekten der ziel zooals bij die van het lichaam; hetgeen wij voor genezing aanzien is meestal slechts een opschorting of een verandering van kwaal.
CXCIV.
De gebreken der ziel zijn als de verwondingen van het lichaam; met hoeveel zorg men tracht ze te genezen, er blijven altijd litteekens en elk oogenblik loopen zij gevaar weder open te breken.
CXCV.
Wat ons dikwijls belet ons aan één enkele ondeugd overtegeven, is het feit dat wij er meerdere hebben.
CXCVI.
Wij vergeten spoedig onze fouten indien niemand dan wij die kent.
CXCVII.
Er zijn menschen van wie men nooit iets kwaads zou gelooven zonder het te hebben gezien; maar er zijn er geen van wie het ons bevreemden zou, indien wij het zien.
CXCVIII.
Wij verheffen den roem van sommigen om dien van anderen omlaag te halen en soms zou men Condé en Turenne minder prijzen indien men niet op hen beiden wilde afgeven.
CXCIX.
Het verlangen bekwaam te schijnen verhindert dikwijls het te worden.
CC.
De deugd zou niet ver komen indien de ijdelheid haar geen gezelschap hield.
CCI.
Wie gelooft in zich zelf zoo veel te kunnen vinden dat hij buiten iedereen kan, vergist zich schromelijk; maar wie gelooft, dat men niet buiten hem kan, vergist zich noch erger.
CCII.
Schijnbaar eerlijke heden zijn zij, die hun gebreken voor anderen en zich zelf verbergen; echt eerlijke zijn zij, die ze zeer goed kennen en er voor uitkomen.
CCIII.
De waarlijk welopgevoede man laat zich op niets voorstaan.
CCIV.
De terughoudendheid der vrouwen is een opschik en een blanketsel, die zij aan haar schoonheid toevoegen.
CCV.
De deugdzaamheid der vrouwen is dikwijls haar gehecht zijn aan haar naam en haar rust.
CCVI.
Hij is de werkelijk rechtschapen mensch, die wenscht altijd blootgesteld te zijn aan de blikken der rechtschapen menschen.
CCVII.
De dwaasheid volgt ons in alle tijdperken des levens. Wanneer iemand wijs schijnt, dan is dit alleen omdat zijn dwaasheden evenredig zijn aan zijn leeftijd en zijn vermogen.
CCVIII.
Er zijn onnoozele lieden, die zich kennen en handig hun onnoozelheid gebruiken.
CCIX.
Wie zonder dwaasheid leeft is niet zoo wijs, als hij wel denkt.
CCX.
Met den leeftijd wordt men dwazer en wijzer.
CCXI.
Er zijn menschen, die op volksdeuntjes gelijken, die men slechts gedurende eenigen tijd zingt.
CCXII.
De meeste menschen beoordeelen hunne medemenschen slechts naar den opgang, dien zij maken, of naar hun fortuin.
CCXIII.
Zucht naar roem, vrees voor schande, het plan fortuin te maken, verlangen naar een gemakkelijker en aangenamer leven en lust anderen omlaag te drukken, zijn dikwijls de oorzaken van den bij de menschheid zoo hoog aangeschreven moed.
CCXIV.
Dapperheid is bij gewone soldaten een gevaarlijk handwerk, dat zij gekozen hebben om hun brood te verdienen.
CCCXV.
Volmaakte dapperheid en volslagen lafheid, zijn twee uitersten, waartoe men zelden geraakt. De afstand tusschen haar is groot en omvat alle soorten moed: tusschen haar is niet minder verschil dan tusschen aangezichten en humeuren. Er zijn lieden, die in het begin van den slag gevaar trotseeren en die in het verder verloop door den duur gemakkelijk verflauwen en ontmoedigd worden; er zijn er die tevreden zijn indien zij aan de gebruikelijke eer hebben voldaan, en die niet verder gaan. Men ziet er, die niet altijd even goed hun vrees meester zijn; anderen laten zich soms medeslepen door algemeenen schrik, weer anderen vallen aan omdat zij niet durven achterblijven. Er zijn er wier moed, aan kleine gevaren gewoon, hen voorbereidt zich aan grootere bloot te stellen. Er zijn er, die niet opzien tegen degenstooten, en die bang zijn voor musketschoten; weer anderen zijn rustig tegenover musketschoten en zijn bevreesd voor degenstooten. Al die soorten moed hebben dit gemeen dat de nacht, die vreesachtigheid vergroot, en goede en slechte daden verhult, vrijheid geeft zich te ontzien. Er is een nog algemeenere soort zich te sparen: niemand doet in zekere omstandigheid, wat hij zou doen, wist hij vooruit er van terug te zullen komen. Zoo is het duidelijk dat vrees voor den dood iets van de dapperheid afdoet.
CCXVI.
Ware dapperheid bestaat daarin zonder getuigen iets te doen, dat men in staat zou zijn ten aanschouwe van een ieder te verrichten.
CCXVII.
Onversaagdheid is een buitengewone kracht, die de ziel verheft boven beroeringen, verwarringen en aandoeningen, welke het aanschouwen van groote gevaren in haar zouden kunnen verwekken, en het is door deze kracht, dat helden een rustig evenwicht bewaren en het vrije gebruik van hun verstand in de meest ontstellende en verschrikkelijke omstandigheden doet behouden.
CCXVIII.
Huichelarij is een eerbewijs van de ondeugd aan de deugd.
CCXIX.
De meeste menschen stellen zich in den oorlog voldoende bloot om hun eer te redden, maar weinigen willen zich altijd zóó ver bloot stellen als noodig is om het doel te bereiken, waarvoor zij zich blootstellen.
CCXX.
IJdelheid, schaamte en vooral temperament zijn dikwijls de dapperheid der mannen en de deugd der vrouwen.
CCXXI.
Men wil zijn leven niet verliezen en men wil roem oogsten: vandaar dat de dapperen meer vaardigheid en handigheid bezitten om den dood te ontgaan dan slimmerds om hun bezit te bewaren.
CCXXII.
Er zijn weinig menschen, die bij de eerste nadering van den ouderdom niet deden blijken op welke wijze hun lichaam en geest zullen verzwakken.
CCXXIII.
Het gaat met de dankbaarheid als met de goede trouw der kooplieden: zij onderhoudt het maatschappelijk verkeer en wij betalen niet omdat het rechtvaardig is ons van dien plicht te kwijten, maar om des te gemakkelijker lieden te vinden, die ons borgen.
CCXXIV.
Al degenen, die de plichten der dankbaarheid vervullen, kunnen zich daarom nog niet vleien dankbaar te zijn.
CCXXV.
Dat men zich verrekent ten opzichte der dankbaarheid, die men van verleende gunsten verwacht, komt daar van daan dat de hoogmoed van den schenker en die van den ontvanger het niet eens kunnen worden over den prijs der weldaad.
CCXXVI.
Overdreven haast bij het afdoen van zijn schuld wegens een verplichting is een soort ondankbaarheid.
CCXXVII.
Gelukkige menschen beteren zich zelden; zij meenen altijd gelijk te hebben als de fortuin hun slecht gedrag steunt.
CCXXVIII.
Hoogmoed wil niet schuldig zijn en eigenliefde wil niet betalen.
CCXXIX.
Het goede, dat wij van iemand ondervonden hebben, eischt dat wij dit bij het kwaad, dat hij ons doet, in aanmerking nemen.
CCXXX.
Niets zoo aanstekelijk als het voorbeeld, en wij verrichten nimmer aanmerkelijk goeds of kwaads, dat geen navolging vindt. Wij doen de goede daden na uit wedijver en de slechte uit de boosaardigheid onzer natuur, die de schaamte gevangen hield en het voorbeeld in vrijheid stelt.
CCXXXI.
Het is een groote dwaasheid alleen de wijsheid in pacht te willen hebben.
CCXXXII.
Welke voorwendsels wij ook aan onze droefheid geven, dikwijls zijn slechts eigenbelang en ijdelheid er de oorzaak van.
CCXXXIII.
In droefheid zijn verschillende soorten huichelarij verborgen; nu eens, onder voorwendsel van het verlies van een dierbare persoon te betreuren, beweenen wij ons zelf; wij betreuren de goede meening, die de overledene van ons had; wij betreuren de vermindering van ons vermogen, van ons genoegen, van ons aanzien. Zoodoende hebben de dooden de eer der tranen, die slechts voor de levenden vloeien. Ik zeg dat het een soort huichelarij is, omdat men met dat soort droefheid zich zelf bedriegt. Er is een ander soort huichelarij, dat niet zoo onschuldig is, omdat zij zich aan de geheele wereld opdringt: namelijk de droefheid van zekere personen, die naar den roem verlangen van een schoone en onsterfelijke droefheid. Nadat de tijd, die alles overwint, die smart, welke zij inderdaad leden, heeft doen ophouden, gaan zij voort met hun geween, hun klagen en hun zuchten; zij geven zich het voorkomen van rouwdragenden, en trachten door al hun daden de overtuiging te vestigen, dat hun smart slechts met hun leven zal eindigen. Deze treurige en vermoeiende ijdelheid vindt men gewoonlijk bij eerzuchtige vrouwen: daar haar geslacht haar alle wegen, die tot roem leiden afsluit, pogen zij zich beroemd te maken door een ontroostbare droefheid. Er is nog een ander soort tranen, die uit kleine bronnen voortkomen en gemakkelijk opdrogen: men huilt om den naam te hebben teergevoelig te zijn; men huilt om beklaagd te worden; men huilt om beweend te worden; eindelijk huilt men om de schande te voorkomen van niet te huilen.
CCXXXIV.
Het is vaker door hoogmoed dan door gebrek aan inzicht dat men zich met zooveel hardnekkigheid verzet tegen de meest gangbare meeningen: men vindt de eerste plaatsen in de goede partij bezet en men wil niet de laatste.
CCXXXV.
Wij troosten ons gemakkelijk over de tegenspoeden onzer vrienden, indien die helpen om onze genegenheid jegens hen te toonen.
CCXXXVI.
Het schijnt dat de eigenliefde zich door de goedhartigheid laat misleiden, en dat zij zich vergeet wanneer wij ten dienste van anderen werken. Intusschen is dit de zekerste weg om tot zijn doel te geraken; het is leenen met woeker, onder voorwendsel van te geven; ten slotte is het elkeen op een slimme wijze onbemerkt voor zich te winnen.
CCXXXVII.
Niemand verdient den lof van een goed hart te bezitten, indien hij niet de kracht bezit kwaad te kunnen zijn: elke andere goedheid is meestal niets dan luiheid of gebrek aan wilskracht.
CCXXXVIII.
Het is niet zoo bedenkelijk den meesten menschen kwaad te doen, als hun te veel goedheid te bewijzen.
CCXXXIX.
Niets vleit onzen hoogmoed zoo zeer als het vertrouwen der grooten, omdat wij het aanzien als het gevolg van onze verdienste, zonder te bedenken dat het meestal het gevolg is van ijdelheid of van onmacht om het geheim te bewaren.
CCXL.
Men kan zeggen; dat de bekoorlijkheid, los van de schoonheid, een symetrie is, waarvan men de regels niet kent, en een geheim verband tusschen de trekken onderling, en van de trekken met de kleuren, en met het geheele voorkomen.
CCXLI.
Behaagzucht is de grondslag van het gemoed der vrouwen, maar allen brengen haar niet in praktijk, omdat de coquetterie van sommigen in bedwang wordt gehouden door vrees of door het verstand.
CCXLII.
Men valt anderen dikwijls lastig, wanneer men denkt hen nooit lastig te kunnen zijn.
CCXLIII.
Er zijn weinig dingen uit zich zelf onmogelijk, en de doorzettingskracht ontbreekt ons eerder dan de middelen.
CCXLIV.
Het toppunt van schranderheid is de waarde der dingen goed te kennen.
CCXLV.
Het getuigt van groote handigheid zijn handigheid goed te kunnen verbergen.
CCXLVI.
Hetgeen edelmoedigheid schijnt is dikwijls slechts verborgen eerzucht, die kleine belangen minacht, ten einde zich met grootere bezig te houden.
CCXLVII.
Bij de meeste menschen is trouw niets dan een uitvinding der eigenliefde om vertrouwen te wekken; het is een middel om ons boven anderen te verheffen, en in het vertrouwen te worden genomen voor de gewichtigste dingen.
CCXLVIII.
Grootmoedigheid minacht alles om alles te verwerven.
CCXLIX.
Er is niet minder welsprekendheid in den toon der stem, in de oogen en in de persoonlijke houding, dan in de keuze der woorden.
CCL.
De ware welsprekendheid bestaat in het zeggen van alles wat noodig en van niets te zeggen dan wat noodig is.
CCLI.
Er zijn personen wien hunne gebreken goed staan en anderen wien hunne goede eigenschappen ontsieren.
CCLII.
Het is even gewoon smaken te zien veranderen, als ongewoon neigingen zich te zien wijzigen.
CCLIII.
Belang brengt alle soorten van deugden en ondeugden in beweging.
CCLIV.
Nederigheid is vaak niets dan gehuichelde onderdanigheid, waarvan men zich bedient om anderen te onderwerpen; zij is een kunstgreep van den hoogmoed, die zich bukt om zich te verheffen, en, ofschoon hij zich op duizenderlei wijzen voordoet, is hij nooit beter vermomd en in staat om te bedriegen, dan wanneer hij zich verbergt achter den mom van nederigheid.
CCLV.
Alle gewaarwordingen hebben elk haar eigen stemgeluid, gebaren en gelaatstrekken, en het is de goede of slechte, aangename of onaangename samenwerking van dit alles, die iemand aantrekkelijk of onaantrekkelijk maakt.
CCLVI.
In alle standen der maatschappij neemt ieder een zekere gedaante en houding aan om datgene te schijnen, waarvoor men wil gehouden worden: dientengevolge zou men kunnen zeggen dat de wereld slechts uit louter mommen is samengesteld.
CCLVII.
De gewichtigheid is een geheimzinnigheid van het lichaam, uitgevonden om de zwakheid van geest te verbergen.
CCLVIII.
Goede smaak komt eerder van het oordeel dan van den geest.
CCLIX.
Het genoegen der liefde is beminnen, en men is gelukkiger door den hartstocht, dien men heeft, dan door dien welken men verwekt.
CCLX.
Beleefdheid is een verlangen beleefd behandeld en voor welgemanierd gehouden te worden.
CCLXI.
De opvoeding, die men gewoonlijk aan jonge lieden geeft, is een tweede eigenliefde, die men hun inprent.
CCLXII.
In geen enkelen hartstocht heerscht de eigenliefde zoo geweldig als in de liefde, en men is altijd meer geneigd de rust van het voorwerp zijner liefde op te offeren, dan die van zich zelf te verliezen.
CCLXIII.
Hetgeen men vrijgevigheid noemt is meestal slechts de ijdelheid van te geven, die wij hooger schatten dan hetgeen wij geven.
CCLXIV.
Medelijden is dikwijls een gevoel van onze eigen smarten in die van anderen; het is een handig vooruitzien van de ongelukken, die ons kunnen overkomen; wij geven anderen hulp om ze er toe te brengen ons die in gelijksoortige gevallen eveneens te verleenen, en deze diensten, die wij hun bewijzen, zijn, eigenlijk gezegd, weldaden, die wij bij voorbaat aan ons zelf bewijzen.
CCLXV.
Bekrompenheid van geest brengt koppigheid voort en wij gelooven niet licht hetgeen buiten ons gezichtsveld valt.
CCLXVI.
Men vergist zich door aantenemen dat slechts de hevige hartstochten, als eerzucht en liefde, in staat zouden zijn de andere te overwinnen. Luiheid, hoe futloos ook, wordt hun dikwijls de baas: zij overweldigt alle plannen en alle daden van het leven en vernietigt en verteert er ongemerkt alle hartstochten en deugden van.
CCLXVII.
De gretigheid om aan het kwade te gelooven, zonder het voldoende te hebben onderzocht, komt voort uit hoogmoed en luiheid: men wil schuldigen vinden en men wil zich niet de moeite geven de wandaden te onderzoeken.
CCLXVIII.
Wij wraken rechters om de beuzelachtigste redenen en toch gedoogen wij dat onze naam en onze roem van het oordeel der menschen afhangen, die, hetzij door naijver, vooroordeelen of gebrek aan inzicht, tegen ons zijn, en het is alleen om hun stem te winnen, dat wij op allerlei wijze onze rust en ons leven bloot stellen.
CCLXIX.
Er is bezwaarlijk iemand te vinden, die schrander genoeg is om al het onheil dat hij sticht, te overzien.
CCLXX.
De verkregen eer is borg voor die, welke men verkrijgen moet.
CCLXXI.
De jeugd is een voortdurende roes: zij is de koorts van het verstand.
CCLXXII.
Niets behoorde menschen, die grooten lof hebben verdiend, meer te verootmoedigen dan de moeite, die zij zich geven om zich door beuzelingen te laten gelden.
CCLXXIII.
Er zijn menschen, bij de samenleving in aanzien, die als eenige verdienste niets bezitten dan de ondeugden, noodig in de praktijk van het leven.
CCLXXIV.
De aantrekkelijkheid van het nieuwe is voor de liefde wat het dons is op de vruchten: zij geeft er een luister aan, die gemakkelijk verdwijnt en nimmer wederkeert.
CCLXXV.
Goedhartigheid, die er zich op voorstaat zoo gevoelig te zijn, verstikt vaak door het geringste eigenbelang.
CCLXXVI.
Afwezigheid vermindert de zwakke hartstochten en vermeerdert de groote, zoo als de wind het kaarslicht uitblaast en het vuur doet opvlammen.
CCLXXVII.
Vrouwen meenen dikwijls te beminnen, ook al doen zij het niet: de drukte van intrige, de opwinding, die eene galanterie mede brengt, de natuurlijke neiging tot het genot bemind te worden, en de moeilijkheid te weigeren brengen er haar toe te gelooven, dat zich een hartstocht van haar heeft meester gemaakt, terwijl slechts coquetterie in het spel is.
CCLXXVIII.
Wat ons dikwijls ontevreden doet zijn over hen die onderhandelen, is het feit, dat zij bijna altijd het belang hunner vrienden achter zetten bij het belang om de onderhandelingen te doen slagen, wat hun belang wordt door de eer van in hetgeen zij hadden ondernomen te zijn geslaagd.
CCLXXIX.
Wanneer wij de genegenheid, die vrienden ons toedragen, overdrijven dan geschiedt dit vaak niet zoo zeer uit dankbaarheid als uit verlangen om onze verdienste naar voren te brengen.
CCLXXX.
De bijval, dien men schenkt aan hen die in de groote wereld binnentreden, is dikwijls veroorzaakt door den verborgen nijd, dien men daarin opgenomenen toedraagt.
CCLXXXI.
De hoogmoed, die ons zooveel nijd bezorgt, dient ons dikwijls ook om hem te matigen.
CCLXXXII.
Er zijn vermomde onwaarheden, die zoo sprekend op waarheid gelijken, dat het een bewijs van een slecht oordeel zou zijn er zich niet door te laten bedriegen.
CCLXXXIII.
Soms is er niet minder bekwaamheid noodig om voordeel te trekken uit een goeden raad, dan om zich zelf goed te raden.
CCLXXXIV.
Er zijn slechte menschen, die minder gevaarlijk zouden zijn indien zij geen enkele goede eigenschap bezaten.
CCLXXXV.
Wat grootmoedigheid is wordt voldoende door den naam aangeduid; niettemin zou men kunnen zeggen, dat zij het gezonde verstand van den hoogmoed en het edelste middel is om lof te verwerven.
CCLXXXVI.
Onmogelijk is het ten tweeden male te beminnen wat men werkelijk heeft opgehouden te beminnen.
CCLXXXVII.
Het is niet zoo zeer de vruchtbaarheid van den geest, die ons verschillende middelen aan de hand doet voor een zelfde doelpunt, als wel gebrek aan oordeelskracht, dat ons doet stil staan bij alles, wat onze verbeelding treft en dat ons belet dadelijk te erkennen wat het beste is.
CCLXXXVIII.
Er zijn zaken en ziekten die in sommige tijden door de geneesmiddelen verergeren en de groote schranderheid bestaat in het erkennen van het oogenblik, waarop het gevaarlijk is er gebruik van te maken.
CCLXXXIX.
Voorgewende eenvoud is een verfijnd bedrog.
CCXC.
Er zijn meer gebreken in het gemoed dan in het verstand.
CCXCI.
De verdienstelijkheid van den mensch heeft haar seizoen, even als de vruchten.
CCXCII.
Men kan van menschelijke gemoedsstemmingen zeggen, zooals van de meeste gebouwen, dat zij verschillende fronten hebben, deels aantrekkelijk, deels onaantrekkelijk.
CCXCIII.
Gematigdheid kan geen aanspraak maken op de verdienste van de eerzucht te bestrijden en te onderwerpen: zij komen nimmer te zamen. Gematigdheid is matheid en luiheid der ziel, gelijk eerzucht er de bezigheid en ijver van is.
CCXCIV.
Wij hebben hen, die ons bewonderen, altijd lief en wij beminnen niet altijd hen, die wij bewonderen.
CCXCV.
Op verre na weten wij niet alles wat wij willen.
CCXCVI.
Het is moeilijk diegenen lieftehebben, die wij niet achten; maar niet minder moeilijk is het hen lieftehebben, die wij veel hooger schatten dan ons zelf.
CCXCVII.
De sappen in het lichaam hebben een gewonen en geregelden loop, die ongemerkt onzen wil in beweging brengt en bestuurt: zonder dat wij dit bemerken zijn zij in beweging en oefenen een geheime heerschappij in ons binnenste uit, zoodat zij een voornaam aandeel in al onze daden hebben, zonder dat wij het kunnen waarnemen.
CCXCVIII.
De dankbaarheid der meeste menschen is niets dan een geheime begeerte grootere weldaden te ontvangen.
CCXCIX.
Bijna ieder schept er genoegen in kleine diensten te vergelden: velen zijn dankbaar voor de kleine, maar er is bijna niemand, die niet ondankbaar is voor de groote.
CCC.
Er zijn dwaasheden, die men opdoet als besmettelijke ziekten.
CCCI.
Menigeen veracht geld en goed, maar weinigen verstaan het te geven.
CCCII.
In den regel is het slechts bij onbeteekenende gelegenheden, dat wij ons wagen aan het gevaar niet op den schijn aftegaan.
CCCIII.
Hoeveel goeds men ons van ons vertelt, nimmer vertelt men ons iets nieuws.
CCCIV.
Wij vergeven dikwijls hen, die ons vervelen, maar wij kunnen niet vergeven hen, die wij vervelen.
CCCV.
Het eigenbelang, dat de schuld krijgt van al onze wandaden, verdient soms geprezen te worden wegens onze goede daden.
CCCVI.
Men vindt zelden ondankbaren zoo lang men in staat is wel te doen.
CCCVII.
Het is even gepast trotsch ten opzichte van zich zelf, als belachelijk het ten opzichte van anderen te zijn.
CCCVIII.
Men maakt van gematigdheid een deugd om de eerzucht der groote mannen in te toomen en om de middelmatige menschen te troosten om hun gering geluk en hun geringe verdienste.
CCCIX.
Er zijn menschen, voorbeschikt om dwaas te zijn, die niet alleen dwaasheden begaan naar believen, maar die door de fortuin gedwongen worden ze te begaan.
CCCX.
Er komen in het leven verwikkelingen voor, waarbij men een weinig dwaas moet zijn om er zich behoorlijk door te slaan.
CCCXI.
Indien er menschen zijn, waarvan men de belachelijke zijde nooit ontdekt heeft, dan komt dit omdat men ze niet voldoende heeft nagegaan.
CCCXII.
Dat gelieven zich niet vervelen wanneer zij samen zijn komt daar van daan dat zij altijd van zich zelf spreken.
CCCXIII.
Hoe komt het dat wij een geheugen hebben, voldoende om zelfs de kleinste bijzonderheden te onthouden, die ons zijn overkomen, en dat het niet voldoende is om te onthouden hoe vaak wij dat alles aan den zelfden persoon hebben verteld?
CCCXIV.
Het buitengewone genoegen, dat wij smaken door van ons zelf te spreken, moet ons doen vreezen het volstrekt niet te verschaffen aan hen, die toehooren.
CCCXV.
Hetgeen ons gewoonlijk belet het diepste van ons hart aan onze vrienden te toonen is niet zoo zeer wantrouwen in hen, maar in ons zelf.
CCCXVI.
Zwakke menschen kunnen niet oprecht zijn.
CCCXVII.
Het is geen ongeluk ondankbaren te verplichten, maar het is ondragelijk verplichting te hebben aan een oneerlijk mensch.
CCCXVIII.
Men vindt middelen om dwaasheid te genezen, maar men vindt er geen om dwarse koppen recht te zetten.
CCCXIX.
Niet lang zal men de gevoelens behouden, die men voor zijne vrienden en weldoeners moet koesteren, indien men zich veroorlooft dikwijls van hun fouten te spreken.
CCCXX.
Vorsten te prijzen wegens deugden, die zij niet bezitten, staat gelijk hun straffeloos beleedigingen toetevoegen.
CCCXXI.
Wij zijn er nader aan toe hen lief te hebben, die ons haten, dan hen, die ons meer liefhebben dan wij wenschen.
CCCXXII.
Slechts zij zijn verachtelijk, die vreezen veracht te worden.
CCCXXIII.
Onze wijsheid is niet minder een speelbal van de fortuin dan ons bezit.
CCCXXIV.
In jaloezie is meer eigenliefde dan liefde.
CCCXXV.
Wij troosten ons dikwijls door zwakheid over onheil, waarover het verstand niet bij machte is ons te troosten.
CCCXXVI.
Belachelijkheid onteert meer dan oneer.
CCCXXVII.
Wij bekennen kleine gebreken alleen om te overtuigen, dat wij geen groote bezitten.
CCCXXVIII.
Afgunst is onverzoenlijker dan haat.
CCCXXIX.
Men gelooft soms vleierij te haten maar men haat slechts de wijze van vleien.
CCCXXX.
Men vergeeft alles zoo lang men bemint.
CCCXXXI.
Het is moeilijker aan zijne beminde getrouw te blijven, wanneer men gelukkig met haar is, dan wanneer men door haar slecht behandeld wordt.
CCCXXXII.
De vrouwen zijn zich niet bewust van den omvang harer behaagzucht.
CCCXXXIII.
Vrouwen zijn nooit ongenaakbaar, tenzij zij een bepaalden afkeer koesteren.
CCCXXXIV.
Het kost vrouwen meer moeite haar behaagzucht dan haar hartstocht te overwinnen.
CCCXXXV.
In de liefde gaat bijna altijd het bedrog verder dan het wantrouwen.
CCCXXXVI.
Er bestaat een soort liefde, waarvan de overmaat de jaloezie uitsluit.
CCCXXXVII.
Het gaat met zekere goede eigenschappen als met de zinnen: wie er geheel van ontbloot is kan ze waarnemen noch begrijpen.
CCCXXXVIII.
Wanneer onze haat te hevig is, plaatst zij ons beneden hen, die wij haten.
CCCXXXIX.
Wij waardeeren ons geluk en ons ongeluk in verhouding tot onze eigenliefde.
CCCXL.
Geestrijkheid dient den meesten vrouwen eerder tot versterking van haar dwaasheid dan van haar verstand.
CCCXLI.
De hartstochten der jeugd staan het heil nauwelijks meer in den weg dan de lauwheid van den ouderdom.
CCCXLII.
Het accent van het geboorteland blijft leven in den geest en in het hart, evenals in de taal.
CCCXLIII.
Om een groot man te zijn moet men van zijn gansche geluk partij weten te trekken.
CCCXLIV.
De meeste menschen hebben, even als de planten, verborgen eigenschappen, die het toeval aan het licht brengt.
CCCXLV.
Omstandigheden maken ons aan anderen bekend, en meer nog aan ons zelf.
CCCXLVI.
Noch voor het verstand, noch voor het hart der vrouwen kunnen er regels bestaan indien het temperament, er niet mede overeenstemt.
CCCXLVII.
Wij vinden weinig menschen met gezond verstand, behalve degenen, die van onze meening zijn.
CCCXLVIII.
Wanneer men bemint twijfelt men dikwijls aan datgene, waaraan men het meest gelooft.
CCCXLIX.
Het grootste wonder der liefde is de genezing van de behaagzucht.
CCCL.
Hetgeen ons het vinnigst stemt tegenover hen, die met slimheid tegen ons optreden, is hun geloof slimmer te zijn dan wij.
CCCLI.
Zwaar valt het te breken wanneer men elkander niet meer bemint.
CCCLII.
Bijna altijd verveelt men zich met hen, bij wie men zich niet mag vervelen.
CCLIII.
Een fatsoenlijk man kan verliefd zijn als een gek, niet als een zot.
CCCLIV.
Er bestaan gebreken, die, goed te pas gebracht, meer naar voren komen dan de deugd zelf.
CCCLV.
Men verliest soms menschen, die men meer mist dan betreurt en andere, die men betreurt maar weinig mist.
CCCLVI.
In den regel prijzen wij van ganscher harte slechts hen, die ons bewonderen.
CCCLVII.
Kleine geesten trekken zich de kleine dingen te sterk aan; groote geesten zien ze alle en worden er niet door aangedaan.
CCCLVIII.
Deemoed is het ware kenmerk der christelijke deugden: zonder hem behouden wij al onze gebreken, en zij worden slechts door hoogmoed bedekt, die ze voor anderen en dikwijls voor ons zelf verbergt.
CCCLIX.
Ontrouw moest de liefde uitblusschen en men behoorde niet jaloersch te zijn wanneer men er aanleiding toe heeft. Slechts zij, die vermijden aanleiding tot jaloezie te geven, zijn waard dat men jaloersch op hen is.
CCCLX.
Men maakt zich bij ons door de kleinste ontrouw, die ons treft, veel meer gehaat, dan door de grofste ontrouw tegenover anderen.
CCCLXI.
Jaloezie wordt met de liefde geboren, maar sterft niet altijd met haar.
CCCLXII.
De meeste vrouwen beweenen den dood hunner minnaars niet zoo zeer uit liefde tot hen, als om waardiger te schijnen bemind te worden.
CCCLXIII.
Het geweld, dat anderen ons aandoen, veroorzaakt ons dikwijls minder smart dan hetgeen wij ons zelf aandoen.
CCCLXIV.
Men weet voldoende dat men niet veel over zijn vrouw behoort te spreken, maar men weet niet voldoende dat men dit nog minder van zich zelf moet doen.
CCCLXV.
Er bestaan goede eigenschappen, die ontaarden in gebreken wanneer zij aangeboren, en andere, die nooit volmaakt worden wanneer zij aangeleerd zijn: bij voorbeeld moet het verstand ons bezit en ons vertrouwen besturen, daarentegen moet de natuur ons voorzien van goedheid en moed.
CCCLXVI.
Hoe wantrouwend wij ook mogen zijn tegenover hen, die met ons spreken, wij gelooven altijd dat zij tegenover ons oprechter zijn dan tegenover anderen.
CCCLXVII.
Er zijn weinig fatsoenlijke vrouwen, die haar beroep niet moede zijn.
CCCLXVIII.
De meeste fatsoenlijke vrouwen zijn verborgen schatten, die slechts in veiligheid verkeeren omdat men haar niet zoekt.
CCCLXIX.
Het geweld, dat men zich aandoet om niet te beminnen, is dikwijls wreeder dan de hardheid, waarmee het voorwerp zijner liefde hem bejegent.
CCCLXX.
Weinig lafaards weten hoe laf zij zijn.
CCCLXXI.
Bijna altijd is het de fout van hem, die bemint, niet te bemerken, dat men hem niet meer liefheeft.
CCCLXXII.
De meeste jonge lieden verbeelden zich natuurlijk te zijn terwijl zij zich slechts onbeschaafd en grof gedragen.
CCCLXXIII.
Er is een soort tranen, dat dikwijls ons zelf bedriegt, na eerst anderen te hebben bedrogen.
CCCLXXIV.
Wanneer men zijn meisje meent te beminnen uit liefde tot haar, vergist men zich zeer.
CCCLXXV.
Middelmatige geesten veroordeelen gewoonlijk alles wat boven hun bevatting gaat.
CCCLXXVI.
Afgunst wordt door ware vriendschap, behaagzucht door ware liefde verdreven.
CCCLXXVII.
Het hoofdgebrek der scherpzinnigheid is niet daarin gelegen het doel niet te kunnen bereiken, maar er voorbij te gaan.
CCCLXXVIII.
Men geeft wel raad, maar men leert niet hoe handelend optetreden.
CCCLXXIX.
Wanneer onze verdienstelijkheid achteruit gaat, gaat ook onze smaak achteruit.
CCCLXXX.
De fortuin brengt onze deugden en ondeugden aan den dag, zooals het licht de voorwerpen zichtbaar maakt.
CCCLXXXI.
Het geweld, dat men zich aandoet om in de liefde trouw te blijven, is weinig beter dan ontrouw.
CCCLXXXII.
Onze daden zijn als rijmwoorden, die ieder aanpast aan hetgeen hem goeddunkt.
CCCLXXXIII.
De lust om van ons zelf te spreken en onze gebreken te laten zien van de zijde, waarvan wij die willen vertoonen, is een groot deel van onze oprechtheid.
CCCLXXXIV.
Men behoorde zich alleen te kunnen verwonderen over het feit zich nog te kunnen verwonderen.
CCCLXXXV.
Men is bijkans even moeilijk te bevredigen wanneer men veel liefde gevoelt als wanneer men er bijna geen meer bezit.
CCCLXXXVI.
Niemand heeft vaker ongelijk dan zij, die niet kunnen verdragen ongelijk te hebben.
CCCLXXXVII.
Een dwaas heeft geen stof genoeg om goed te zijn.
CCCLXXXVIII.
Al werpt de ijdelheid niet alle deugden ten eenenmale omver, zij brengt haar toch allen aan het wankelen.
CCCLXXXIX.
Wat ons de ijdelheid van anderen zoo onuitstaanbaar maakt, is dat zij de onze kwetst.
CCCXC.
Liever doet men afstand van zijn belang dan van zijn neiging.
CCCXCI.
De fortuin schijnt niemand zoo blind toe als aan hem, die niet door haar begunstigd wordt.
CCCXCII.
Men moet de fortuin behandelen als de gezondheid; er van genieten wanneer zij goed, geduld oefenen wanneer zij slecht is, en geen krachtige middelen aanwenden zonder dringende noodzakelijkheid.
CCCXCIII.
Burgerlijkheid gaat in het leger soms verloren, aan het hof nimmer.
CCCXCIV.
Men kan slimmer zijn dan een ander, maar niet slimmer dan alle anderen.
CCCXCV.
Men is soms minder ongelukkig wanneer men door een geliefde persoon bedrogen dan wanneer men er door teleurgesteld wordt.
CCCXCVI.
Men behoudt zijn eersten minnaar lang, indien men geen tweeden neemt.
CCCXCVII.
In het algemeen missen wij den moed te zeggen, dat wij geen gebreken hebben, en dat onze vijanden geen goede eigenschappen bezitten; maar in bijzonderheden zijn wij er niet ver van verwijderd het te gelooven.
CCCXCVIII.
Van al onze gebreken is luiheid degene, die wij het gemakkelijkst erkennen; wij maken ons wijs dat zij zich verdraagt met alle vreedzame deugden, en dat, zonder de andere geheel te vernietigen, zij er alleen de werking van verhindert.
CCCXCIX.
Er is een soort voornaamheid, die niet afhangt van de fortuin: zij is een zeker voorkomen, dat ons onderscheidt en ons schijnt voor te bestemmen voor groote dingen; zij is een gewichtigheid, die wij onmerkbaar onszelf verstrekken. Het is door deze eigenschap dat wij van anderen eerbied afdwingen; en zij is het gewoonlijk, die ons nog meer boven hen verheft dan geboorte, waardigheden en zelfs verdienste.
CD.
Er is verdienste zonder grootheid, maar er is geen grootheid zonder eenige verdienste.
CDI.
Voornaamheid is voor de verdienste wat opsmuk is voor een schoonheid.
CDII.
Wat men bij de galanterie het minst vindt is liefde.
CDIII.
De fortuin bedient zich soms van onze gebreken om ons te verheffen; en er zijn ongemakkelijke menschen, wier verdienste slecht beloond zou worden, ware het niet, dat men hun afwezigheid wilde koopen.
CDIV.
Het schijnt dat de natuur in het binnenste van onzen geest talenten en een vaardigheid verborgen heeft, die wij niet kennen. Alleen de hartstochten hebben het recht die aan het licht te brengen en ons somtijds inzichten te geven, zekerder en volmaakter dan de kunst zou vermogen.
CDV.
Wij komen geheel nieuw bij elk levenstijdperk aan, en ons ontbreekt het dan dikwijls aan ervaring, ondanks het aantal jaren.
CDVI.
Coquette vrouwen doen het voorkomen alsof zij jaloers waren op hun minnaars, om te verbergen, dat zij naijverig zijn op andere vrouwen.
CDVII.
Zij, die het slachtoffer zijn geworden van onze slimmigheden, schijnen ons lang niet zoo belachelijk toe als wij onszelf voorkomen, wanneer anderen ons te slim af zijn geweest.
CDVIII.
De gevaarlijkste belachelijkheid van oude menschen, die beminnelijk zijn geweest, is te vergeten, dat zij het niet meer zijn.
CDIX.
Wij zouden ons dikwijls schamen over onze schoonste daden indien de wereld al de drijfveeren zag, die er ons toe gebracht hebben.
CDX.
Het grootste bewijs van vriendschap is niet onze fouten aan een vriend bloot te leggen, maar om hem de zijne te doen zien.
CDXI.
Er zijn haast geen gebreken, die niet eerder verschoonbaar zijn dan de middelen, die men bezigt om die te verbergen.
CDXII.
Hoe groote schande wij ook verdiend hebben, wij hebben het bijna altijd in onze macht onzen goeden naam te herstellen.
CDXIII.
Men valt niet lang in den smaak wanneer men slechts één soort geestigheid bezit.
CDXIV.
Gekken en dwazen zien alles slechts door de bril hunner luimen.
CDXV.
Het verstand helpt ons soms krachtig dwaasheden te begaan.
CDXVI.
Levendigheid, die met den ouderdom toeneemt, grenst aan zotheid.
CDXVII.
Wie in de liefde het eerst genezen is, is altijd het best genezen.
CDXVIII.
Jonge vrouwen, die niet coquet, en mannen van leeftijd, die niet belachelijk willen zijn, moeten nooit van de liefde spreken als van iets, waarbij zij betrokken konden zijn.
CDXIX.
Wij kunnen groot schijnen in een werkkring, beneden onze verdienste, maar wij schijnen dikwijls klein in eenen, die grooter is dan wij.
CDXX.
Wij gelooven vaak standvastigheid te betoonen in het ongeluk terwijl het slechts moedeloosheid is en wij dragen het zonder te durven opzien, zooals de lafaards zich laten dooden uit vrees van zich te verdedigen.
CDXXI.
Vertrouwen levert aan het gesprek meer stof dan het verstand.
CDXXII.
Alle hartstochten doen ons fouten begaan, maar de liefde voert tot de belachelijkste.
CDXXIII.
Weinigen verstaan de kunst oud te worden.
CDXXIV.
Wij zoeken een eer in gebreken, tegenovergesteld aan de onze; wanneer wij zwak zijn roemen wij er op hardnekkig te zijn.
CDXXV.
Scherpzinnigheid heeft een schijn van eene gave van voorspellen, die onze ijdelheid meer streelt dan alle andere eigenschappen van het verstand.
CDXXVI.
De aantrekkelijkheid van het nieuwe en de lange gewoonte, hoezeer zij tegenover elkander staan, verhinderen ons gelijkelijk de fouten onzer vrienden op te merken.
CDXXVII.
Het meerendeel der vrienden doen u genoeg krijgen van vriendschap, en de meeste vromen bezorgen een afkeer van vroomheid.
CDXXVIII.
Wij vergeven gemakkelijk aan onze vrienden de gebreken, waarmede wij niet te maken hebben.
CDXXIX.
Vrouwen, die beminnen, vergeven veel gemakkelijker groote onbescheidenheden dan kleine trouweloosheden.
CDXXX.
In den ouderdom der liefde, zooals in dien van het leven, leeft men nog slechts alleen voor de kwalen, maar niet meer voor de genoegens.
CDXXXI.
Niets dat meer belet natuurlijk te zijn dan de lust het te schijnen.
CDXXXII.
In zekeren zin eischt men een deel op van schoone daden door die van ganscher harte te prijzen.
CDXXXIII.
Het ware kenmerk van met groote eigenschappen te zijn geboren, is geboren te zijn zonder afgunst.
CDXXXIV.
Indien onze vrienden ons hebben bedrogen behoeft men hun vriendschapsbetoon slechts met onverschilligheid te beantwoorden, maar men behoort altijd gevoelig te blijven voor hun ongeluk.
CDXXXV.
Fortuin en luim regeeren de wereld.
CDXXXVI.
Het is gemakkelijker den mensch in het algemeen dan als eenling te kennen.
CDXXXVII.
Men moet de verdienste van een mensch niet beoordeelen aan de hand zijner groote eigenschappen, maar naar het gebruik, dat hij er van maakt.
CDXXXVIII.
Er is een soort levendige dankbaarheid, die de ons betoonde weldaden niet alleen kwijtscheldt, maar die zelfs onze vrienden nog tegenover ons in schuld laat.
CDXXXIX.
Naar vele dingen zouden wij zeker niet zoo hevig verlangen indien wij nauwkeurig kenden datgene waarnaar wij verlangen.
CDXL.
Dat de meeste vrouwen voor vriendschap weinig toegankelijk zijn komt daarvan dat zij flauw is, wanneer men liefde gekend heeft.
CDXLI.
Zoowel in vriendschap als in liefde is men vaak gelukkiger door het onbekende, dan door hetgeen men weet.
CDXLII.
Wij trachten de fouten, die wij niet willen afleggen, ons als een eer aan te rekenen.
CDXLIII.
De hevigste hartstochten laten ons bij wijlen met rust, maar de ijdelheid houdt ons steeds in beweging.
CDXLIV.
Oude dwazen zijn dwazer dan jonge.
CDXLV.
Zwakheid is grooter tegenstelling van de deugd dan slechtheid.
CDXLVI.
Wat de smarten van vernedering en jaloezie zoo pijnlijk maakt is dat de ijdelheid niet kan helpen ze te dragen.
CDXLVII.
Welvoegelijkheid is de minste van alle wetten en die welke het meest wordt opgevolgd.
CDXLVIII.
Een eerlijk gemoed heeft minder moeite om zich aan dwarsdrijvers te onderwerpen, dan hen te leiden.
CDXLIX.
Wanneer de fortuin ons bij verrassing op een hooge plaats zet, zonder ons daarheen geleidelijk opgevoerd te hebben, of zonder ons daartoe te hebben opgeleid door onze verwachtingen, is het bijna onmogelijk er zich behoorlijk te handhaven en te toonen dat men haar waardig is.
CDL.
Onze hoogmoed groeit vaak aan met hetgeen wij van onze andere fouten verliezen.
CDLI.
Geen lastiger zotten dan zij, die geestig zijn.
CDLII.
Er is niemand die zich, in welke hoedanigheid ook, de mindere acht van den man van aanzien, dien hij het meeste eert.
CDLIII.
In groote zaken moet men niet zoo zeer trachten nieuwe kansen te scheppen, dan wel de bestaande te benutten.
CDLIV.
Niet vaak gebeurt het dat men een slechten koop deed door afstand te doen van het goed, dat men van ons spreekt, op voorwaarde van geen kwaad te spreken.
CDLV.
Hoe zeer de wereld geneigd is verkeerd te oordeelen erkent zij toch vaker valsche verdienste, dan dat zij ware verdienste onrecht doet.
CDLVI.
Men kan soms een zot zijn al bezit men geest, maar nimmer is men het met gezond verstand.
CDLVII.
Wij zouden verder komen door ons voor te doen zooals wij zijn, dan door pogen te schijnen, wat wij niet zijn.
CDLVIII.
Onze vijanden komen in hun oordeel over ons dichter bij de waarheid dan wij zelf.
CDLIX.
Er zijn verschillende geneesmiddelen tegen de liefde, maar niet één is onfeilbaar.
CDLX.
Wij weten op verre na niet waartoe onze hartstochten ons kunnen voeren.
CDLXI.
De ouderdom is een tiran, die op verbeurte van het leven alle vermaken van de jeugd verbiedt.
CDLXII.
De zelfde hoogmoed, die ons de fouten doet afkeuren, waarvan wij ons vrij achten, doet ons de goede eigenschappen minachten, welke wij niet bezitten.
CDLXIII.
Dikwijls is er meer hoogmoed dan goedheid in ons beklag der ongelukken onzer vijanden; het dient om hen te doen gevoelen, dat wij door hun bewijzen van medelijden te geven, boven hen staan.
CDLXIV.
Er is een overmaat van goed en van kwaad, dat zich aan onze waarneming onttrekt.
CDLXV.
Op verre na wordt de onschuld niet zoo goed beschermd als de misdaad.
CDLXVI.
Van alle hevige hartstochten staat den vrouwen de liefde het minst slecht.
CDLXVII.
De ijdelheid laat ons meer dingen in strijd met onzen smaak doen dan het verstand.
CDLXVIII.
Uit slechte eigenschappen zijn soms groote talenten geboren.
CDLXIX.
Nimmer verlangt men iets vurig wanneer men het alleen met het verstand verlangt.
CDLXX.
Al onze hoedanigheden zijn onwis en twijfelachtig, zoowel de goede als de slechte, en zij zijn bijna altijd ten speelbal aan de omstandigheden.
CDLXXI.
In haar eerste hartstochten beminnen de vrouwen den minnaar, in de latere de liefde.
CDLXXII.
De hoogmoed heeft zijn grillen even als de andere hartstochten; men schaamt zich te erkennen jaloersch te zijn, en men gaat er prat op het te zijn geweest en het te hebben kunnen zijn.
CDLXXIII.
Hoe zeldzaam ware liefde ook moge zijn, zij is het nog minder dan ware vriendschap.
CDLXXIV.
Van weinig vrouwen duurt de beteekenis langer dan de schoonheid.
CDLXXV.
Het verlangen om beklaagd of bewonderd te worden is dikwijls het grootste deel van onze vertrouwelijkheid.
CDLXXVI.
Onze afgunst duurt altijd langer dan het geluk van hen, die wij benijden.
CDLXXVII.
De zelfde karaktervastheid, die ons helpt liefde te weerstaan, dient ook om haar hevig en duurzaam te maken; en zwakke personen, die altijd door hartstochten bewogen worden, zijn er bijna nimmer werkelijk van vervuld.
CDLXXVIII.
De verbeelding kan niet zooveel tegenstrijdigheden uitdenken als er zich van nature in ieders hart bevinden.
CDLXXIX.
Slechts menschen met karaktervastheid kunnen werkelijk zachtmoedig zijn; zij, die zacht schijnen, zijn gewoonlijk slechts zwak en worden licht bitter.
CDLXXX.
Verlegenheid is een gebrek, waarover men niet zonder gevaar de personen berispt, die men er van wil genezen.
CDLXXXI.
Niets is zeldzamer dan ware goedheid; zelfs zij, die meenen haar te bezitten, zijn gewoonlijk slechts inschikkelijk of zwak.
CDLXXXII.
De geest hecht zich, uit luiheid of vrees voor verandering, aan hetgeen hem gemakkelijk of aangenaam is. Deze gewoonte beperkt altijd de grenzen van onze kennis, en nimmer heeft iemand zich de moeite gegeven zijn geest te ontwikkelen en te leiden zoo ver als hij had kunnen gaan.
CDLXXXIII.
Gewoonlijk spreekt men meer kwaad uit ijdelheid dan uit kwaadwilligheid.
CDLXXXIV.
Wanneer het hart nog opgewonden is door de overblijfselen eener hartstocht, is men er nader aan toe de prooi eener nieuwe te worden, dan wanneer men geheel genezen is.
CDLXXXV.
Zij, die hevige hartstochten hebben gehad, zijn hun gansche leven gelukkig, en ongelukkig er geheel van te zijn genezen.
CDLXXXVI.
Er zijn nog meer menschen zonder zelfzucht, dan zonder afgunst.
CDLXXXVII.
Wij hebben meer luiheid in den geest dan in het lichaam.
CDLXXXVIII.
De kalmte of de opwinding in ons gemoed hangt niet zoo zeer af van het belangrijke, dat ons in ons leven overkomt, dan wel van een aangenamen of onaangenamen samenloop van nietigheden, die dagelijks gebeuren.
CDLXXXIX.
Hoe slecht de menschen ook mogen zijn, zij zullen nooit den moed hebben vijanden van de deugd te schijnen, en wanneer zij haar willen vervolgen, geven zij zich den schijn van haar voor valsch te houden, of zij betichten haar van wandaden.
CDXC.
Wel gaat men dikwijls van liefde tot eerzucht over, maar zelden keert men van eerzucht tot liefde terug.
CDXCI.
Uiterste gierigheid vergist zich bijkans altijd; geen hartstocht verwijdert zich vaker van zijn doel, of staat zoo zeer onder de macht van het tegenwoordige, ten nadeele van de toekomst.
CDXCII.
Gierigheid heeft dikwijls tegenovergestelde uitwerkingen; een groot aantal menschen offeren hun geheele bezit op aan twijfelachtige en hersenschimmige verwachtingen; andere versmaden groote toekomstige voordeelen ten bate van kleine tegenwoordige belangen.
CDXCIII.
Het schijnt, dat de menschen meenen nog niet genoeg gebreken te hebben: zij vermeerderen nog het aantal door zekere zonderlinge eigenschappen, waarmede zij zich meenen optetooien; en zij kweeken die met zoo veel zorg, dat zij ten slotte natuurlijke gebreken worden, die zij niet meer bij machte zijn te verbeteren.
CDXCIV.
Een bewijs dat de menschen beter hunne fouten kennen, dan men denkt, is dat zij nimmer ongelijk hebben wanneer men hen van hun gedrag hoort spreken; de zelfde eigenliefde, die hen gewoonlijk verblindt, verschaft hun dan licht en geeft hun zulk een juist inzicht, dat zij de geringste dingen, die afgekeurd zouden kunnen worden, weglaten of vermommen.
CDXCV.
Jonge lieden, die hun intrede in de wereld doen, behooren verlegen of onbezonnen te zijn: een houding van bekwaamheid en zelfvoldaanheid verandert gewoonlijk in brutaalheid.
CDXCVI.
Geschillen zouden niet lang duren wanneer het ongelijk slechts aan ééne zijde was.
CDXCVII.
Het helpt geen vrouw jong te zijn als zij niet mooi, of mooi te zijn als zij niet jong is.
CDXCVIII.
Er zijn menschen, zóó luchthartig en zóó lichtzinnig, dat zij er even ver van verwijderd zijn ware gebreken of degelijke eigenschappen te bezitten.
CDXCIX.
In den regel rekent men eene vrouw haar eerste galanterie pas aan wanneer zij er een tweede heeft.
D.
Er zijn menschen, zoo vervuld met zich zelf, dat, in geval zij verliefd rakan, zij het tot stand brengen vervuld te zijn van hun hartstocht, doch niet van het voorwerp hunner liefde.
DI.
De liefde, hoe aangenaam zij moge zijn, behaagt meer door de wijzen, waarop zij zich uit, dan door haar zelf.
DII.
Weinig geest met gezond verstand verveelt op den duur minder dan veel geest met scheeve denkbeelden.
DIII.
Jaloerschheid is de grootste aller ziekten en die, welke het minste medelijden verwekt bij de personen, welke haar veroorzaken.
DIV.
Na te hebben gesproken van de valschheid van zoo vele schijnbare deugden is het billijk eenige woorden te zeggen over de valschheid van de doodsverachting. Ik meen die doodsverachting welke de heidenen met trotsch aan eigen krachten toeschrijven, zonder de hoop op een beter leven. Er is een onderscheid tusschen het onverschrokken ondergaan van den dood en hem te minachten. Het eerste is vrij gewoon, maar ik houd het andere nooit voor oprecht. Niettemin heeft men alles geschreven om met nadruk te overtuigen, dat de dood geen kwaad is, en de zwakste menschen, zoo wel als de helden, hebben duizend beroemde voorbeelden gegeven om die zienswijze te vestigen. Toch betwijfel ik of ooit iemand met gezond verstand er aan heeft geloofd, en de moeite, die men zich geeft om zich zelf en anderen te overtuigen, bewijst vrij duidelijk dat deze onderneming niet gemakkelijk is. Men kan verschillende redenen tot afkeer van het leven hebben, maar men heeft nimmer oorzaak tot het minachten van den dood; zelfs zij, die zich hem vrijwillig geven, tellen hem niet zoo gering, en zij ontstellen er over en verwerpen hem, even als de anderen, indien hij langs een anderen dan den door hen gekozen weg komt. De ongelijkheid, die men in den moed van een oneindig aantal dappere menschen bespeurt, komt daar van daan, dat de dood zich op verschillende wijze aan hun verbeelding voor doet en den eenen tijd dichter bij schijnt dan den anderen: zoodoende komt het dat zij, na geminacht te hebben wat zij niet kennen, ten slotte vreezen wat zij kennen. Men moet vermijden hem in alle bijzonderheden in het aangezicht te zien, wil men niet gelooven, dat hij het grootste van alle euvels is. De handigsten en dappersten zijn zij, die de meest gepaste voorwendselen zoeken om hem niet in het aangezicht te zien. Maar elk mensch, die hem weet te zien zoo als hij is, acht hem iets verschrikkelijks. De noodzaak te sterven maakte de kracht der philosophen uit. Zij meenden goedsmoeds daarheen te moeten gaan, waarheen men niet weerhouden kan te gaan; en niet in staat hun leven te vereeuwigen, verzuimden zij niets om hun naam te vereeuwigen en uit de schipbreuk te redden wat er uit kon worden gered. Stellen wij er ons mede tevreden, ten einde ons leed achter een vroolijk gelaat te verbergen, met niet aan ons zelf te zeggen al wat wij er van denken, en laat ons meer verwachten van onze natuurlijke geaardheid dan van die zwakke redeneringen, die ons moeten doen gelooven dat wij den dood met onverschilligheid te gemoet kunnen treden. De roem met moed te sterven, de hoop betreurd te worden, de begeerte een mooien naam achter te laten, de zekerheid bevrijd te worden van de ellende der wereld, en niet meer aftehangen van de nukken der fortuin, zijn hulpmiddelen, die men niet moet verwerpen. Men moet ze evenwel niet onfeilbaar achten. Zij zijn, om ons gerust te stellen, wat een heg dikwijls in den oorlog doet, om hen te beveiligen, die een plaats moeten naderen van waar men schiet: is men ver af dan vermeent men dat zij volkomen kan dekken; raar komt men nader bij, dan ziet men dat zij een zwak hulpmiddel is. Wij vleien ons wanneer wij gelooven dat de dood ons van nabij toeschijnt wat wij er op een afstand van hadden gedacht, en dat onze gevoelens, die slechts zwakheid zijn, zoo sterk zouden zijn, dat wij niet zouden lijden bij het ondergaan van de ruwste aller beproevingen. Men kent ook de uitwerking der eigenliefde slecht door te denken dat zij ons zou kunnen helpen om als niets te achten wat haar noodzakelijk moet vernietigen; en het verstand, waarin men zoo veel hulpbronnen meent te vinden, is te zwak om in dit geval ons de gewenschte overtuiging te verschaffen. Integendeel is het de rede, die ons het vaakst bedriegt, en die, in plaats van ons minachting voor den dood in te boezemen, ons helpt ontdekken wat al akeligs en vreeselijks er in is. Alles, wat de rede voor ons kan doen, is ons aanteraden de oogen aftewenden en naar andere dingen te kijken. Cato en Brutus kozen beroemde. Een lakei vergenoegde zich eenigen tijd geleden, op het schavot, waarop hij zou worden geradbraakt, te dansen. Dus, hoewel de drijfveeren verschillen, zij hebben vaak de zelfde uitwerkingen. Daarom is het waar, dat, hoe groot het verschil tusschen groote menschen en gewone stervelingen moge zijn, men duizend maal gezien heeft hoe de eenen even goed als de anderen, met hetzelfde gelaat den dood ingingen; maar altijd met dit verschil, dat in de doodsverachting der groote mannen het de zucht naar roem is, die hen verblindt, terwijl het bij de gewone menschen slechts een uitwerking van gebrek aan inzicht is, dat hen belette den omvang van hun ongeluk te erkennen, en hun vrijheid liet aan iets anders te denken.