← Table of contents
Maximes

INLEIDING.

Daniel François Scheurleer translation

I.

Zelden volgden hevig ontroerende gebeurtenissen elkander zóó onafgebroken op, als in Frankrijk gedurende de eeuw, na den dood van Koning Hendrik II. Het land was bezig zich tot een organisch geheel te vormen maar de omstandigheden waren daartoe niet gunstig. Een reeks onbekwame, krachtlooze koningen, zonder levensdoel, veelal speelbal van gunstelingen, volgden elkander op en bovendien herhaalde zich telkens het rampzalige feit, dat hij, die den troon moest bestijgen, veel te jong was om de teugels van het bewind in handen te nemen. Frans II, die in 1559 koning werd, was 15 jaar oud, en stierf na achttien maanden. Zijn opvolger, Karel IX, had toen den leeftijd van 10 jaren bereikt. Op het oogenblik, dat deze overleed, was hij niet ouder dan 24. Hendrik III, die nu den troon besteeg, was 23 jaar oud, maar in den oorlog tegen de Hugenoten had hij ten minste gelegenheid gehad zekere zelfstandigheid te verwerven. Een dolkstoot van een fanatieken monnik maakte een einde aan zijn leven, dat aan Frankrijk geen heil had gebracht (1589).

Naast en boven deze drie broeders stond altijd de moeder, Catharina de Medici, een karaktervolle vrouw, een wonderlijk mengsel van heerschzucht en slimheid, nu eens scherp doortastend, dan weer wankelmoedig. Wanneer ergens de woorden van den Prediker kunnen worden aangehaald, dan is het hier: „Wee u, land, welks koning een kind is”.

Meer dan ooit staken de partijen het hoofd op, om zich van het oppergezag meester te maken. Het volk, door middel der parlementen, begon zich te doen gelden, maar bovenal was het de adel, die van den koning een willoos werktuig trachtte te maken.

Een derde macht had zich in den Staat gevormd: de Hugenoten. De vrije uitoefening van den Protestantschen godsdienst was voorzeker een hoofddoel van hun optreden, maar niet kan worden ontkend, dat ook zij dongen naar het bezit van het roer van staat.

Zoo kwam het niet minder dan achtmaal tot een Hugenoten-oorlog. Nu eens sloot men vrede in het voordeel der Protestanten, aangevoerd door de Bourbons, dan weder waren de Katholieken, onder de Guises, aan de winnende hand. En aangezien het Hof noch de oppermacht van de ééne, noch die der andere partij kon gedoogen, trad het met niets ontziende heftigheid, afwisselend tegen beide op. Moordaanslag op den admiraal de Coligny, Bartholomeus-nacht, moord der Guises, enz. enz. De Italiaansche methodes werden toegepast.

Met de troonsverheffing van Hendrik IV, 1589, scheen een beter tijdperk te zijn aangebroken. Er was een persoonlijkheid opgetreden, die wist wat hij wilde en den moed had datgene te doen, wat hem noodzakelijk toescheen, zelfs ten derde male een verandering van geloof! En daar er kracht van hem uitging werd hij toegejuicht. De vijanden joeg hij het land uit, verscheidene stukken gebied voegde hij aan het rijk toe; de geldmiddelen liet hij behoorlijk beheeren en weldra was hij de meest populaire koning, dien Frankrijk ooit gehad heeft. Dat hij op het punt van zedelijkheid uiterst vrije begrippen had was geen hinderpaal. Men was daar sedert lang aan gewend.

Zijn vroegeren geloofsgenooten, den Hugenoten, schonk hij het Edict van Nantes. Hij verleende hun daarbij vrijheden, maar niet verder, dan hij met zijn koninklijk gezag oirbaar achtte. Juist was hij voornemens zich in den dertigjarigen oorlog te mengen met het doel Frankrijk den Rijn als grens te verschaffen, toen een moordenaar hem neervelde. Een voor zijn land zeer kostbaar leven werd hierdoor plotseling afgesneden.

Kenschetsend voor de toenmalige toestanden is hetgeen nu geschiedde. De Koning liet slechts een achtjarigen zoon na, Lodewijk XIII. Men wist niet recht op welke wijze de moeder, Maria de Medici, tot Regentes uit te roepen. Toevallig had het Parlement zitting. Daaraan werd onverwijld verzocht te voorzien in het regentschap en de regeering van het rijk: er werd aan toegevoegd, dat er geen onzekerheid kon bestaan aangaande de keuze, namelijk die der Koningin-Weduwe.

De zitting was nauwelijks geopend of de generaal der infanterie trad binnen, den degen in de hand, om de Heeren er op te wijzen, dat de zaak spoed vereischte. Een uitnoodiging om plaats te nemen werd door hem afgeslagen. Op gelijke wijze verscheen de Hertog de Guise. Het gevolg was, dat het gewenschte besluit onmiddelijk werd genomen. Twee en een half uur na den moord was de Regentes benoemd; doch bij nader inzien vond het Hof, dat op deze wijze het aanzien van het Parlement te zeer was gestegen. Er werd dus tegen den volgenden dag een „Lit de Justice” in het Parlement beroepen, alwaar, alsof er niets beslist was, de Koningin-Weduwe en de jonge Koning met groote statie verschenen, toespraken hielden en ten slotte het arrest werd uitgesproken, dat de Koning zijn moeder tot Regentes benoemde. Een sprekend bewijs van het gebrek aan afbakening der bevoegdheden.

De Regentes was door haar zwak karakter niet opgewassen tegen de moeilijkheden van haar taak. Reeds vier jaar later verklaarde de Koning zich meerderjarig en in 1617 volgde zelfs de verbanning zijner moeder; haar gunsteling Concini werd vermoord.

Lodewijk had niet de kracht van zijn vader geërfd. Hij was beperkt van geest, jaloersch, achterdochtig. Zijne eerste raadgevers hielpen hem niet over de moeilijkheden heen, daarin kwam eerst in 1624 verandering, toen Richelieu de leiding kreeg. Bij uitstek merkwaardig is de schets, die de Kardinaal in zijn „Politiek Testament” van den toestand van Frankrijk bij zijn optreden geeft:

„Toen Uwe Majesteit besloot mij tegelijkertijd zitting in uwen raad en voor de leiding der zaken een groot deel van uw vertrouwen te schenken, kan ik naar waarheid verklaren, dat de Hugenoten den Staat met u deelden, dat de grooten zich gedroegen alsof zij geen onderdanen en de machtigste gouverneurs der provinciën alsof zij souverein in hun ambt waren...... ieder mat zijn verdienste met den maatstaf zijner vermetelheid.... De meest ondernemenden waren het meest geacht en gevoelden zich veelal het gelukkigst.”

In de 18 jaren van zijn beheer heeft de Kardinaal niet stil gezeten; het einddoel was de versterking van het monarchale beginsel. De opstandige hooge adel moest worden overwonnen, de Hugenoten verjaagd uit eigen vestingen en sterkten, tegen Engeland, Spanje en Oostenrijk moest worden front gemaakt. Tallooze intriges en complotten maakten hem het leven zuur, maar hij wist zich te verdedigen; vele groote Heeren moesten voor den scherprechter het hoofd buigen, en zelfs den Koning dwong hij zijn vijanden aan hem uitteleveren. Bij zijn dood was Frankrijk een krachtige staat geworden. (1642).

En toen weinige maanden later zijn Koning overleed was er wederom slechts een knaap, ditmaal 4 jaar oud, om optevolgen. En wederom een Koningin-Weduwe, Anna van Oostenrijk, als Regentes. Onmiddelijk gaf deze de leiding over aan Mazarin, die het voorbeeld van zijn voorganger volgde en zich tot taak stelde de centralisatie van het Rijk verder doortevoeren en in de buitenlandsche politiek een rol te spelen. Met zijn scherpzinnigheid en taaiheid wist hij menig succes te behalen, maar het aantal tegenstanders groeide voortdurend aan. Bij alle partijen werd de „Italiaan” doodelijk gehaat. Zoodoende kon het tot den wonderlijken burgeroorlog komen, die den naam van Fronde draagt, en gedurende de jaren 1648-1653 de ontwikkeling van Frankrijk ten eenenmale verhinderde. Van den aanvang aan was deze oorlog, feitelijk alleen de verdrijving van den Kardinaal ten doel hebbende, tot mislukking gedoemd. Adel en Parlement, die hier samengingen, hadden te zeer tegenstrijdige belangen om tot een, beide partijen bevredigend, resultaat te kunnen komen. Wel gelukte het hun den Kardinaal tijdelijk te dwingen het land te verlaten, maar dit was slechts van korten duur. Noch de hooge adel, noch de geestelijkheid onder Kardinaal de Retz, noch de parlementen hadden voldoende uithoudingsvermogen om het tegen de Koninklijke regeering vol te houden. Een algemeene moedeloosheid en een overal op den voorgrond tredend verlangen naar rust maakten een einde aan den burgeroorlog. Tot aan zijn dood, 1661, bleef Mazarin zijn post bekleeden; daarna nam Lodewijk XIV zelf de teugels van het bewind in handen, en hij bleek de schitterendste verpersoonlijking van het begrip der absolute monarchie te zijn. Hij verdiende den naam van Roi Soleil.

Voor Frankrijk was een der schitterendste tijdperken zijner geschiedenis aangebroken.

II.

François VI, Hertog de la Rochefoucauld, werd den 15 September 1613 geboren. Als oudste van 12 kinderen droeg hij aanvankelijk den naam van Prins de Marcillac, naar een der familie-goederen; eerst na den dood van zijn vader, in 1650, erfde hij den Hertogenlijken naam. Zijn familie behoorde tot de oudste en voornaamste geslachten van Frankrijk. Zij stamde af van Foucauld I, „Seigneur de la Roche en Angoumois”. Koning Lodewijk XI noemde Jean de la Rochefoucauld reeds: „féal et amé cousin” en Frans I betitelde het hoofd der familie met: „très cher et amé cousin et parrain”. Fier beweerde Marcillac in 1648 tegenover Mazarin:

„Ik kan bewijzen, dat sedert drie eeuwen onze koningen het niet beneden zich geacht hebben ons te behandelen als bloedverwanten.”

Zijn overgrootvader werd Calvinist en vond op St. Bartholomeus zijn dood. De grootvader diende den Koning van Navarra en werd door soldaten der Ligue vermoord. De vader werd in 1610 Katholiek en in 1622 tot Hertog en Pair verheven. In de aderen van den schrijver der Maximes vloeide echter nog heel wat calvinistenbloed.

Van zijn prille jeugd weten wij zoo goed als niets. Hij ontving geen klassieke opleiding, later erkende hij zelf: met de Latijnsche taal op geen goeden voet te staan.

Hij was 15 of 16 jaar toen hij in het huwelijk trad. Het is wel merkwaardig, dat aangaande de vrouw van zulk een voornaam en beroemd man ongeveer niets bekend is. Wij weten echter dat zij acht kinderen ter wereld bracht. Verder is het bekend dat haar echtgenoot hemel en aarde bewoog haar het recht op een tabouret aan het Hof te bezorgen, maar het heeft er allen schijn van, dat dit minder een uitvloeisel was van groote liefde tot zijn vrouw, dan van zijn verlangen spoedig den rang van Hertog te verkrijgen. Haar sterfjaar is onbekend; men vermoedt dat het 1670 is.

In 1629 diende hij bij het leger in Italië, en toen de veldtocht was geëindigd kwam hij aan het Hof, waar hij eene sterke genegenheid opvatte voor een hofdame, Marie de Hautefort (de platonische beminde van den Koning). Door haar kwam hij in de nadere omgeving der Koningin, Anna van Oostenrijk, en zoo geraakte hij betrokken in de gevaarlijke intriges tegen den Kardinaal. In zijn Mémoires erkent la Rochefoucauld:

„Ik meende dat de partij der Koningin de eenige was, die men fatsoenshalve kon volgen. Zij was ongelukkig en werd vervolgd, en de Kardinaal was eerder haar tiran dan haar minnaar”.

Het is hem spoedig gebleken, dat de fortuin niet altijd aan de zijde van het „fatsoen” staat.

Over het algemeen was het zijn ongeluk altijd de partij te kiezen, die verloor.

In 1635 was hij bij het leger, dat met de troepen van Frederik Hendrik in de Zuidelijke Nederlanden de Spanjaarden bestreed. Ook daar behaalde hij geen roem en tengevolge van te vrijmoedige opmerkingen werd hem de toegang tot het hof ontzegd. Eerst in 1637 werd hij er weder toegelaten, een uiterst kritiek oogenblik, want de Koningin werd beschuldigd, met behulp der Hertogin de Chevreuse, de grootste en onversaagste intrigante uit die dagen, in verstandhouding te staan met den Koning van Spanje. Een feit is het dat Anna in briefwisseling stond met haar broeder Koning Filips, en Richelieu deed zijn best de vorstin gevangen te zetten en te laten verstooten. Het was in die dagen dat het fantastische plan werd beraamd van een vlucht der Koningin met haar hofdame, onder leiding van la Rochefoucauld. Met veel zelfkennis schreef hij later;

„Ik was op een leeftijd, waarop men gaarne de meest buitengewone en geruchtmakende dingen doet, en ik dacht dat er in die richting niets mooier was dan gelijktijdig de Koningin aan den Koning, haren echtgenoot, en aan den Kardinaal, die jaloers op haar was, te ontvoeren en Mademoiselle d’Hautefort te ontnemen aan den Koning, die verliefd op haar was”.

Hebben wij wellicht te maken met een gevolg van zijn hartstochtelijk lezen van romans?

Tot uitvoering kwam het niet; daarentegen werd ontdekt dat Marcillac weder in verbinding was getreden met de voortvluchtige Hertogin de Chevreuse. Het liep goed voor hem af, want na acht dagen Bastille kwam hij vrij met een verbanning naar zijn kasteel Verteuil. Men krijgt den indruk dat de Kardinaal hem eveneens als een weinig gevaarlijk, opgewonden jongeling, en zijn optreden als een gasconnade of galant avontuur beschouwde.

In 1639 maakte hij den veldtocht in de Spaansche Nederlanden mede en hij gedroeg zich zoo moedig, dat de Kardinaal hem den rang van generaal-majoor aanbood. Het was echter de Koningin, die hem den raad gaf het aanbod aftewijzen, ten einde geenerlei verplichting aan den minister te hebben. De prins bleef voortgaan hulp te verleenen aan samenzweerders, zelfs aan deelnemers van het complot van Cinq Mars!

Eindelijk kwam de dag, waarnaar zoo lang was uitgezien: de sterfdag van den Kardinaal, Dec. ’42, en de Koning volgde hem weinige maanden later, Mei ’43. Wie de Koningin gesteund hadden meenden, dat thans hun oogenblik gekomen was. Bittere ontgoocheling; de Koningin werd Regentes, maar nog den zelfden dag werd Mazarin, een Italiaan, aanbevolen door Richelieu, eerste Minister. In zijne Mémoires en vooral in zijn Apologie beschrijft la Rochefoucauld duidelijk hoe hem te moede werd te ondervinden, dat de Koningin, aan wie hij zich zóó geheel gewijd had, en ten behoeve van wie hij meer dan eens alles op het spel had gezet, niet bereid werd gevonden hem een ambt te verleenen, overeenkomstig zijn rang en verdienste. In de dagen harer verdrukking mocht zij gaarne de diensten van den ridderlijken jongen man hebben aanvaard, nu zij de oppermacht in handen had en veelal door de oogen van Mazarin keek, werd zij onverschillig tegenover hem, die alle aanbiedingen afsloeg en bepaaldelijk wenschte een ambt te bekleeden „in haar particulieren dienst”. Zoo ontstond stond een toestand van vervreemding, die zeer ongunstig op het gemoed van den teleurgestelde werkte. Was het hem toch bekend dat hij wegens zijn trouwe diensten aan de Koningin openlijk „een martelaar” werd genoemd en zij zelf van haar „serviteur” sprak. Dit had jaren geduurd, en zóó zeer scheen zij hem genegen, dat zij verklaarde, wanneer hij aan het front was, de nieuwsbladen weg te werpen, zoodra zij er niets over hem in had gevonden.

Nu de omstandigheden veranderd waren scheen dat alles te zijn vergeten. Daarentegen moet erkend worden dat hij, ten gevolge van zijn opvatting van fatsoen, eer en ridderlijkheid, zijn neiging tot het romantische en zijn eerzucht, geen „gemakkelijk mensch” was. Ondanks alle ervaringen meende hij zich niet los te kunnen maken van intriganten als de Hertogin de Chevreuse, die een nieuw kabaal had veroorzaakt in verband met het vinden van twee liefdesbrieven, die aan een daaraan geheel onschuldige werden toegeschreven. Daarentegen joeg hij andere groote heeren, zooals den Hertog van Orleans, oom van den Koning, tegen zich in het harnas door onvoorzichtige uitlatingen. Telkens zien wij hem weder partij kiezen voor de partij, die het ten slotte verliest. Was het ridderlijkheid, onberadenheid, zucht tot oppositie, naiveteit, edelmoedigheid, onhandigheid? Misschien was een weinig van dit alles in het spel, maar het gevolg was, dat hij zich, zoowel op militair als op staatkundig gebied, ten slotte elke mogelijkheid tot slagen afsneed.

Het was in 1646 dat hij in nadere aanraking kwam met een vrouw, die een groote rol in zijn leven heeft gespeeld: Anne-Géneviève de Bourbon, dochter van den Prins van Condé. Zij was in 1619 in de gevangenis te Vincennes, waar haar vader opgesloten was, geboren. Zoowel door haar schoonheid als door haar geest wist zij ieder te betooveren. In 1642 huwde zij den 24 jaar ouderen Hertog de Longueville (Hendrik II van Orleans), maar huwelijkstrouw was een deugd, die in dien tijd weinig beoefend werd. Ontegenzeggelijk is deze zuster van den grooten Condé een der hoofdpersonen van de Fronde geweest, maar het is moeilijk uittemaken of het la Rochefoucauld was, die haar aanzette of dat het omgekeerde het geval was. Voor het laatste is nog al wat te zeggen, want zij was buitengewoon energiek. Opmerkelijk is het dat tijdgenooten de intieme verhouding van dit paar hoofdzakelijk aan eigenbelang van zijne zijde toeschrijven, maar oordeelvellingen van deze tijdgenooten, meest allen bij de eindelooze intriges betrokken, mag men niet te grif aannemen. Den indruk maakt het, dat hij inderdaad een hartstocht voor haar had opgevat, waartegenover staat dat Madame de Sévigné, die hem veel had ontmoet, en hem genegen was, 7 Oct. 1676 schreef: „Ik geloof niet, dat hij ooit wat men noemt verliefd is geweest”. In zijn Mémoires verklaart hij onomwonden hoe bij hem het plan tot rijpheid kwam de partij der Koningin te verlaten en zich bij hare tegenstanders aantesluiten. Wat hij haar vroeg werd geweigerd, zelfs de militaire aanstelling, hem vroeger door den Kardinaal aangeboden, doch op haar raad van de hand gewezen.

„Zoo veel onnutte bemoeiingen en weerzinwekkende ervaringen brachten mij eindelijk op andere gedachten en deden mij gevaarvolle wegen opzoeken om aan de Koningin en den Kardinaal mijn wrok te betoonen”.

De openlijke breuk volgde eerst een paar jaar later. Madame de Longueville vertrok 21 Juni 1646 naar Munster, waar haar man betrokken was bij de vredesonderhandelingen, en weinige dagen later voegde Marcillac zich als vrijwilliger wederom bij het leger in Vlaanderen. Even als de vorige maal had hij geen geluk, want reeds in Augustus werd hij voor Mardijck door drie musketkogels gewond, ten gevolge waarvan hij naar Parijs terug moest keeren. Door bemoeiingen van zijn vader werd hem vergund het gouverneurschap van Poitou te koopen, een post, die hem echter volstrekt niet aantrok. Toen in 1648 de moeilijkheden tusschen Mazarin en het parlement begonnen, trad hij te Poitiers trouw op voor het Hof en den Kardinaal, en hij erkent dat er toen een toenadering tusschen hem en den Minister was ontstaan. Zelfs had men hem den titel van Hertog beloofd, aan welken rang het vurig begeerde recht op een tabouret ten hove voor zijn gemalin verbonden was. Het niet nakomen dezer belofte, ondanks verschillende rappels, deed hem terugvallen in de oppositie. Zes andere hovelingen werden met deze onderscheiding wel bedacht, hij alleen niet.

Inmiddels was buiten hem om een overeenkomst gesloten tusschen voorname parlementsleden, en leden van den allerhoogsten adel, zooals Prins Conti, den Hertog de Longueville, den Coadjuteur de Retz enz., tot het voeren van een gewapend verzet tegen de regeering. Het was het begin van den burgeroorlog, die in de eerste plaats gericht was tegen Kardinaal Mazarin en zijn zware belastingen en in het algemeen tegen de absolute monarchie. Zoodoende reikten elkander de hand edelen en parlementsleden, natuurlijke vijanden, die alleen samen konden gaan zoo lang het gold het verdrijven van de toenmalige regeering. Behoorlijke plannen voor het geval van slagen konden niet bestaan; personen, die het roer in handen zouden kunnen nemen, ontbraken. Verschillende groote heeren begonnen den strijd met weinig overtuiging.

Marcillac werd door Mevrouw de Longueville naar Parijs opontboden ten einde zich bij het complot aantesluiten en hij gaf onmiddelijk aan de roepstem gehoor. Ook hier weder ging het initiatief niet van hem uit.

Het maakt den indruk dat Mevrouw de Longueville de ziel der beweging was, al werd haar broeder, de Prins de Conti, als het hoofd aangezien. Condé, haar andere broeder, die zich eerst had willen aansluiten, draaide ten slotte om en nam het bevel der Koninklijke troepen op zich, die Parijs belegerden. Het hof vluchtte naar St. Germain; Conti en zijn zuster namen hun intrek in het stadhuis van Parijs, ten einde het wantrouwen der bevolking tegen hen weg te nemen. Allerlei grootheden sloten zich bij de partij van het Parlement aan: de Hertogen de Beaufort, d’Elbeuf, de Bouillon, de Luynes; Turenne, de Markies de Noirmoutier, enz., men ziet: Marcillac was in goed gezelschap.

In een gevecht tegen de troepen van Condé werd hij ernstig gewond, zoodat hij persoonlijk niet meer kon optreden voor dat de schikking van Rueil (11 Maart ’49) een einde aan de vijandelijkheden maakte. Het was Mevrouw de Longueville, die bij de onderhandelingen zijn belangen behartigde. In het stadhuis was zij moeder geworden van een zoon, waarvan het vaderschap algemeen aan Marcillac werd toegeschreven. (28 Jan. ’49).

Lang duurde de vrede niet: Mazarin en Condé verdroegen elkander zeer slecht en de Minister, bevreesd voor te groot aanzien van Condé, liet hem (18 Jan. ’50) met Conti en Longueville gevangen zetten. Mevrouw de Longueville wist zich, door op raad van Marcillac de vlucht te nemen, te redden; hijzelf begaf zich naar Poitou om te trachten Bordeaux in opstand te brengen.

Hiermede was het tweede bedrijf der Fronde begonnen, even onverkwikkelijk als het eerste. Ook het derde en laatste was niet beter. Geldgebrek, onhandigheid van Condé, afwezigheid van gemeenschappelijk eindbelang bij de frondeerende bondgenooten. Daartegenover de taaiheid en geslepenheid van den Kardinaal en de kracht, die van het koningschap uitging. Een der energiekste figuren is wel Mevrouw de Longueville gebleven, die het bovendien niet toelachte naar haren echtgenoot terugtekeeren. La Rochefoucauld wordt door meer dan één tijdgenoot geprezen om zijn kordaat optreden als soldaat, maar lauweren vielen er niet voor hem te behalen. Zijn kasteel Verteuil werd verwoest en bij een gevecht in den Faubourg St. Antoine (2 Juli ’52) werden hem bijna de oogen uit het hoofd geschoten.

Wat baatte het dat de Prinsen uit hun gevangenschap werden ontslagen, wat hielp het dat Mazarin tijdelijk het land moest verlaten? De Koning deed in October 1652 zijn feestelijken intocht in Parijs en nog geen jaar later werd de vrede gesloten, met volkomen overwinning door de Monarchie.

La Rochefoucauld’s toestand was allertreurigst. Zijn fortuin wanhopig achteruitgegaan en natuurlijk geenerlei uitzicht op een regeeringsambt, hem waardig. Zijn verhouding tot Mevrouw de Longueville was geëindigd, daar zij zich de hofmakerij van den Hertog de Nemours had laten welgevallen. De wijze, waarop hij toen tegen haar is opgetreden, behoort niet tot zijn luisterrijke daden. Hij trok zich terug op zijne bezittingen, Verteuil en Rochefoucauld, in de eerste plaats om zich te wijden aan het herstel van zijn vermogen. Daarnaast begon hij zijn letterkundige loopbaan.

Gelijk hierboven reeds werd gemeld had hij niet gestudeerd. Geschriften van zijn hand uit zijn prille jeugd zijn niet bekend. Het oudste document is een brief van 1638, waarin hij zijn houding tegenover de Hertogin de Chevreuse, de tegenstandster van Richelieu verdedigt. Hier hebben wij een uitmuntend gesteld stuk, dat voor een jong mensch van groote vaardigheid getuigt.

Het tweede document dagteekent van elf jaren later en is weder een apologie, ditmaal de verdediging van zijn partij-kiezen tegen de Koningin in 1649. Eerst in 1855 is het in druk verschenen; Ad. Regnier, die de monumentale uitgave der werken van la Rochefoucauld bezorgde, noemt het een der eerste voorbeelden van 17de eeuwsch Fransch proza, natuurlijk, gespierd, flink en vloeiend. Hier is evenwel nog geen letterkundige aan het woord, het is een teleurgestelde eerzuchtige, een beleedigd edelman, of iemand, die zich als zoodanig beschouwt.

De eerste maal, dat hij als schrijver voor het publiek trad, was in 1659 met zijn bijdrage aan een bundel, getiteld: „Recueil des portraits et éloges en vers et en prose, dédié à S. A. R. Mademoiselle. Paris, M.DC.LIX”. (Met Mademoiselle wordt bedoeld de dochter van den broeder van Lodewijk XIII). Zij had een letterkundig salon.

Zijn bijdrage draagt het opschrift: „Portrait de M. R. D. fait par lui-même”. Slechts ingewijden konden weten wie hier aan het woord was. Sommigen mogen vinden, dat men hier met verregaande ijdelheid te maken heeft, juister komt het mij voor het stuk als een voortbrengsel uit een kring van toenmalige schoone-geesten te beschouwen.

In het 3de bedrijf van le Misantrope legt Molière Acaste een bespiegeling in den mond, waarvan de zelfgenoegzaamheid eenigszins aan de bewoordingen van la Rochefoucauld doen denken. Eene fijne spotternij van den dichter.

Opmerkelijk is o.a. wat de Hertog in zijn portret van zijn letterkundigen arbeid zegt. „Ik schrijf een goed proza en dicht met goed gevolg; mijn gedichten zijn niet slecht; en, indien ik naar den roem hunkerde, die op dat gebied te behalen is, dan acht ik mij met weinig arbeid in staat een goeden naam te verwerven.” Later zegt hij nog eens „een vrij goed oordeel over dichtwerken” te bezitten.

Naar aanleiding hiervan eenige opmerkingen. Ten eerste moet worden erkend, dat bezwaarlijk een terloops neergeschreven voorspelling schitterender kon uitkomen. De schrijver is zóó algemeen erkend, dat weinige jaren geleden op Fransche scholen de leerlingen het bewuste „portret” bij wijze van taal- en stijloefening, van buiten moesten leeren.

Ten tweede merk ik op, dat iemand, die zóó over zijn proza en zijn verzen spreekt, veel meer moet hebben geschreven, dan ons bekend is. Veel is misschien verloren gegaan, of door hem vernietigd. Van zijn verzen is niets tot ons gekomen. Men heeft eens iets vernomen omtrent een handschrift met gedichten, maar het is bij die nevelachtige mededeeling gebleven. Voor zijn dood verbrandde hij zijn papieren.

Reeds spoedig na het einde van den oorlog begon hij een zeer belangrijk geschrift, zijne Mémoires, die feitelijk een apologie moeten zijn van zijn gedrag gedurende de onlusten tijdens het regentschap. (1643-1653). Hiermede heeft hij zich tot 1659 bezig gehouden. Later voegde hij er het tijdvak 1624-1643 aan toe.

Met dit geschrift zien wij hem handelen zooals later met de Maximes: hij vertrouwde zich de eindredactie niet toe, reden waarom hij afschriften bij vrienden liet rondgaan om opmerkingen of verbeteringen uittelokken. Zelf bleef hij steeds aan het vijlen en slijpen, waaraan een groot aantal verschillen tusschen de afschriften en drukken te wijten is.

Maar dat in de wereld zenden van afschriften had nog bedenkelijker gevolgen: Zij kwamen in handen van personen, die er belang bij hadden het handschrift te laten drukken, buiten den schrijver om. Dit overkwam thans la Rochefoucauld. Een drukker te Rouaan belastte zich met die taak, maar de schrijver, tijdig gewaarschuwd, was nog bij machte de oplaag in beslag te laten nemen. Hiertoe kon hij overgaan omdat de drukker in Frankrijk woonde, maar toen in 1662, kwansuis te Keulen, maar feitelijk te Brussel, een boek verscheen, getiteld: „Mémoires de M. D. L. R. sur les brigues à la mort de Louis XIII, les guerres de Paris et de Guyenne et la prison des Princes. Chez van Dyck, à Cologne”, was de schrijver machteloos. Het boekje verwekte een storm van verontwaardiging. De oorlog was nog geen tien jaar geëindigd en de hoofdpersonen waren bijna allen nog in leven. En wie wenschte aan dat alles herinnerd te worden?

De schrijver zag zich genoopt weder tot zelfverdediging over te gaan. Bewaard is gebleven een door hem afgelegde verklaring, inhoudende de verzekering, dat de uitgave buiten hem om is geschied, dat het grootste deel van het boek niet van zijn hand, en het overige schromelijk vervalscht is. Aan de Markiezin de Sablé en de Heeren de Liancourt en Esprit had hij getoond wat er in zijn eigen handschrift stond en daaruit bleek b.v. dat er niets grievends tegen Condé in stond.

Mogen sommigen zich bij die verklaring hebben neergelegd, het spreekt van zelf, dat het boekje vele lezers heeft gevonden. Er bestaan talrijke drukken van, waaronder met groote wijzigingen. Deze zijn wel buiten weten van den schrijver aangebracht.

Behalve met zijn historisch-apologetisch werk begon hij zich met anderen arbeid bezig te houden. Men neemt aan dat dit in ’58-59 geschiedde.

In elk opzicht teleurgesteld teruggekomen uit dien maalstroom van intriges, dien oceaan van zelfzucht, eigenbelang, huichelarij en trouweloosheid, waarin hij jaren lang geleefd had, had zich bij hem een gemoedsgesteldheid ontwikkeld, waarvan wij in zijn zelfportret duidelijke aanwijzingen hebben. Hij erkent zijn zwaarmoedigheid en beweert, dat men hem in drie of vier jaren nauwelijks drie of vier maal heeft zien lachen. Hij houdt bij voorkeur van ernstige gesprekken en verkiest bovenal zedekundige onderwerpen. Naast zijn neiging tot het opstellen van verdedigingen van zijn gedrag ontwikkelde zich een peinzen over en zoeken naar de oorzaken en beweegredenen van alles, wat hij had zien doen. Het is ten eenenmale begrijpelijk, dat zijn levensinzicht niet optimistisch zou zijn.

Men heeft gevraagd hoe hij aan zijn stof was gekomen en of hij niet bij andere moralisten zou hebben geput. Hier op wordt reeds geantwoord in een handschrift uit de 2de helft der XVIIde eeuw (Bibl. Nat. Nouv. Acq. fr. 4333). „Bijna alles” zou hij hebben overgenomen uit een boekje, getiteld: „La Sonde de la Conscience”, te Genève in 1634 verschenen. Schrijver was Jean Verneuil, die het uit het Engelsch had vertaald. De oorspronkelijke titel was: „The Mystery of Selfdeceiving, by Daniel Dyke, London, 1615”. In het handschrift merkt men op: „Hij voegt er alleen het mooie Fransch aan toe”.

Niet gaarne zou ik iets te kort doen aan de verdienste dezer volkomen vergeten schrijvers, zeker brave, vrome protestanten, maar de geschiedenis heeft reeds haar oordeel gesproken: hun werk is volkomen vergeten, terwijl de bundel van la Rochefoucauld zijn waarde zal blijven behouden zoo lang men Fransch zal lezen. Niet als stijloefening, maar om genot te smaken van de geestige wijze, waarop hier kernachtige gedachten zijn uitgedrukt.

Nog meer vertelt het handschrift: „Mevrouw de Sablé heeft de Maximes herzien; de mooiste komen van haar. Hij doet er niets aan zonder het haar te toonen.... Die markiezin is het orakel, dat door het geheele Hof wordt geraadpleegd. Zij vleit in hooge mate de eigenliefde, wanneer zij menschen aanspreekt”.

Wie zulke overdreven berichten voor waar mocht willen aannemen, moge een brief lezen, door den schrijver gericht aan Mademoiselle de Scudéry, de bekende romanschrijfster. Daarin zegt hij: „Gij hebt eenige mijner laatste maximes dusdanig verfraaid, dat zij veeleer aan u dan aan mij toebehooren. Ik wensch hartstochtelijk, dat u dezelfde genade aan de andere zoudt willen bewijzen”.

Men ziet: hij was niet bang hem verleende hulp te erkennen, maar hij zal vermoedelijk veel zulke briefjes hebben geschreven, want het was nu eenmaal zijn gewoonte de vrienden en vriendinnen te raadplegen. Indien nu Mevrouw de Sablé zoo buitengewoon knap was geweest, is het wel bevreemdend, dat de door haar nagelaten maximes niets om het lijf hebben.

Er zijn schilders en beeldhouwers, die van hun werk geen afscheid kunnen nemen, die altijd nog iets te wijzigen vinden. Bijkans met geweld moet men ten slotte hun schilderij of beeld uit het atelier laten weghalen om een einde aan het getob te maken. Een dergelijk kunstenaar was la Rochefoucauld. Segrais verhaalt dat de Hertog hem cahiers met spreuken toezond, met verzoek die vijf of zes weken onder zich te houden, ten einde zoowel vorm als inhoud rustig te beoordeelen, en dat er spreuken zijn, die meer dan dertig maal heen en weer zijn gezonden.

Van die voortdurende veranderingen kan men zeer merkwaardige staaltjes vinden door het vergelijken der handschriften en verschillende drukken. Vaak komt het voor dat hij zijn oordeel verzacht, ten minste minder algemeen toepasselijk maakt, een verzachting toegeschreven aan den invloed van Mevrouw de Lafayette, zijn intieme vriendin, van wie nog aanstonds sprake zal zijn.

B.v. Nr. X. Hierin stond oorspronkelijk „altijd”, hetgeen later werd „bijna altijd”.

CCV. „De deugdzaamheid der vrouwen is dikwijls haar gehechtheid aan haar naam en haar rust”. Het beperkende woord „dikwijls” is eerst in latere drukken ingevoegd.

CCXXII. „Er zijn weinig menschen, die bij de eerste nadering van den ouderdom niet deden blijken op welke wijze hun lichaam en geest zullen verzwakken”. Oorspronkelijk stond in plaats van „weinig” het veel verder strekkend „geen”.

CCLXIII. „Hetgeen men vrijgevigheid noemt is meestal slechts de ijdelheid van te geven, die wij hooger schatten, dan hetgeen wij geven”. De aanhef was eerst: „Er bestaat geen vrijgevigheid, het is slechts de ijdelheid van te geven”, enz.

CCCLXXI. „De jeugd is een voortdurende roes: zij is de koorts van het verstand”. Hierin is herhaaldelijk veranderd. Vroeger heette het: „de koorts der gezondheid; de dwaasheid van het verstand”, later: „de koorts van het leven; de dwaasheid van het verstand”.

Een opmerkelijk voorbeeld is CCXLI. „Behaagzucht is de grondslag van het gemoed der vrouwen, maar allen brengen haar niet in praktijk, omdat de coquetterie van sommigen in bedwang wordt gehouden door vrees of door het verstand”.

De aanhef heeft hem veel hoofdbreken gekost: in 1665 schreef hij „alle vrouwen”, in 1666 was dit „de meeste vrouwen” geworden. Ten slotte werd het in 1671 „de vrouwen”. Daar heeft de invloed zijner vriendinnen zich zeker doen gelden!

Het waren zeer voorname, begaafde en ontwikkelde dames, die vriendinnen, en gelukkig is menig briefje van haar hand bewaard gebleven, juist ten opzichte van la Rochefoucauld en zijn maximes en het is zeer de moeite waard te lezen wat zij elkander kort voor het in druk verschijnen van den bundel schreven.

De Princes de Guyméné, geb. Anne de Rohan, schrijft b.v. in ’63 aan de Markiezin de Sablé, een ernstige vriendin van den schrijver, eenige maximes te hebben gezien, en te gelooven, dat zij meer op het humeur van den schrijver gegrond zijn dan op de waarheid, „hij beoordeelt ieder naar zich zelf”.

Haar vriendin was het volmaakt hiermede eens: „de schrijver heeft in zijn humeur de maxime der luiheid gevonden, want nooit was er een, grooter dan de zijne”, en deze bewering werkt zij nog verder uit.

Terloops zij opgemerkt, dat in een beschrijving van de provincie, waar la Rochefoucauld geboren is, wordt vermeld dat de bewoners over het algemeen als lui gelden. (Jean Gervais, Mémoires sur l’Angoumois. 1726).

Mevrouw de Liancourt schreef aan dezelfde dame, dat zij aanvankelijk ontsteld was geweest over de wreede beoordeeling der deugden, maar, verder lezende, had zij toch aardige en zelfs goede dingen aangetroffen. Alleen moesten hier en daar eenige woorden gewijzigd worden. En Mademoiselle de Vertus (Cath. Franç. de Bretagne), vriendin van de Hertogin de Longueville, riep Madame de Sablé te hulp, om er voor te zorgen, dat de jonge 14jarige Graaf de Saint Paul (zoon van Mevr. de Longueville en.... den Hertog de la Rochefoucauld) de maximes niet te lezen zou krijgen.

Mevrouw de la Fayette, later de intieme en trouwe vriendin van den schrijver, riep, ook in ’63, uit: „welke verdorvenheid moet men in geest en hart bezitten om in staat te zijn iets dergelijks te bedenken”. Bovendien verzocht zij Mevr. de Sablé hare maximes (het werd mode die te maken) ter leen, als tegengif van die van den Hertog.

Zeer opmerkelijk is de beoordeeling van de hand van de Hertogin de Schomberg, geb. Marie de Hautefort, de platonische liefde van Lodewijk XIII. Hierboven werd reeds gemeld, dat la Rochefoucauld indertijd voor haar een warme genegenheid had opgevat. Openhartig erkent zij, nog niet zoo ver te zijn gekomen van in de wereld noch eer, noch goedheid, noch eerlijkheid te vinden. Zij acht daarom de Maximes gevaarlijk. Dan staat zij bij eenige spreuken stil, die zij prijst, om te eindigen met de raadgeving aan den schrijver om niet over te gaan tot het laten drukken, om niet alle vertrouwen te verliezen, dat men in hem zou kunnen stellen.

Dergelijke beoordeelingen bleven hem voorzeker niet verborgen, en hij, die toch reeds geen man van sterk initiatief was, zag er tegen op die min gunstige meening te trotseeren.

Hoe nu te handelen? Het middel was werkelijk niet zoo moeilijk te vinden. Met het in druk verschijnen zijner Mémoires had hij er niet lang geleden mede kennis gemaakt, zooals hierboven werd medegedeeld. Ik zou niet gaarne beweren, dat de Hertog die publicatie zou hebben in de hand gewerkt; daarvoor zijn de vervalschingen al te plomp, maar hij had er zeker uit geleerd, dat het alles waard is zich op een gegeven oogenblik te kunnen verschuilen achter het uitvlucht: de uitgave heeft buiten mijn weten plaats gehad en is vervalscht. Maar ook zonder die ervaring kende la Rochefoucauld volkomen nauwkeurig de rol, die de Hollandsche boekhandel speelde. Alles wat in Frankrijk gevaar liep in beslag te worden genomen, werd gretig door Hollandsche agenten aanvaard. Eenmaal in hun land aangekomen en gedrukt, waren er honderd gelegenheden het gedrukte over de grenzen te smokkelen. Bovendien was de boekhandel in Holland veel beter uitgerust om den verkoop der uitgaven te bevorderen. Men moet de titellijsten zien om te kunnen beseffen wat in de XVIIde en XVIIIde eeuw in de Nederlanden de productie van Fransche boeken beteekent. Ziehier een kleine greep uit de allerbelangrijkste werken:

Descartes, Discours de la Méthode. Leyde, 1637.

Corneille, Le Cid. Leyde, 1638.

Nouvelles de divers quartiers. Amsterdam, 1639. (De eerste Fransche courant).

Corneille, L’illustre Théâtre. Leyde, 1644.

Pascal, Les Provinciales. Cologne, 1657.

Pascal, Pensées sur la Religion. Amsterdam, 1684.

Molière, Le Festin de Pierre. Amsterdam, 1638.

De Bussy Rabutin, Histoire amoureuse de France. Amsterdam, 1671.

Het aantal Fransche couranten was legio, en in de 18de eeuw bleef de stroom van Fransche boeken aanhouden. Eerste drukken van de grootste schrijvers waren niet zeldzaam! Voltaire, Montesquieu, Rousseau, Bayle, Crébillon, enz.

Het was dus volstrekt geen buitengewoon feit, dat in 1664 in den Haag een eerste druk der Maximes verscheen, en wel onder den titel:

„Sentences et Maximes de Morale. A la Haye, chez Jean et Daniel Steucker, CIↃIↃCLXIV.”

Het boek was voorzien van het drukkersmerk der Elzeviers, en een der eerste uitgaven der Steuckers, die later meer belangrijke werken de wereld hebben ingezonden. De naam van den schrijver werd niet vermeld.

Is deze druk van 1664 verschenen met voorkennis van den schrijver? Bewijzen zijn er niet om een bepaald bevestigend antwoord te geven, maar de mogelijkheid is niet uitgesloten; bijna zou men zeggen: de waarschijnlijkheid is niet gering. Het was een veelvuldig gebruikte kunstgreep en de wijze, waarop er in den druk van 1665 over wordt gesproken, wekt achterdocht.

Er wordt het vermoeden geuit, dat de schrijver zijn handschrift in zijn kast zou hebben laten liggen „ware het niet, dat een slechte kopie, die in omloop was, en die zelfs sedert eenigen tijd in Holland was terecht gekomen, een zijner vrienden had genoopt hem (den uitgever) een andere kopie te geven, die volgens dien vriend, geheel en al overeenkomt met het oorspronkelijke”. Algemeen neemt men aan, dat deze voorrede door den Hertog is opgesteld; het bedenksel van dien „vriend” geeft aanleiding om het verdere van het verhaal evenmin te gelooven. Aanstonds zal nog worden gewezen op de buitengewone snelheid, waarmede de druk van 1665 volgde en die de verrassing uit den Haag uiterst onwaarschijnlijk maakt.

Hoe het zij; de Haagsche uitgave had het ijs gebroken; maar zij is zóó zeldzaam geworden, dat vele jaren lang haar bestaan als een legende is beschouwd, zelfs in het monumentale werk: „Les Grands Ecrivains de la France, publiés par Ad. Regnier, Paris, 1868-1883.” Vergeten was dat zekere Pater Andry in 1814 een exemplaar, door hem gezien, vermeldt, en het toeval wilde, dat een exemplaar in handen was gevallen van een boekenliefhebber, die zeer goed het belang van dit boekje besefte, maar het niemand gunde de vondst wereldkundig te maken. Eerst na zijn dood in 1881 kwam het zeldzame boekje uit zijn kast te voorschijn.

Inmiddels had Alph. Willems, de geschiedschrijver der Elzeviers, een tweede exemplaar gevonden, en er in 1879 een beschrijving van gegeven. In 1883 volgde een keurig verzorgde herdruk door Alph. Pauly.

Voorbereid of niet, de Hertog heeft met den druk van 1665 niet lang op zich laten wachten, want het privilegie is van 14 Jan. 1664, en het „achevé d’imprimer” van 27 Oct. 1664. Dit feit versterkt zeer het vermoeden, dat de zoogenaamde onbescheidenheid niet onverwacht kwam. Hoe zou de schrijver, die, volgens de voorrede, niet aan drukken dacht, zoo snel gereed hebben kunnen zijn met het laten schrijven van de Inleiding en het laten drukken?

Opmerkelijk is het hoe weinig zeker de schrijver van zijn succes was. Reeds in zijn voorrede somt hij op, welken tegenstand hij verwacht en verschuilt hij zich zelfs achter de Kerkvaders. Eindelijk voegt hij een langen brief bij „aan den lezer”, welken brief men hem „heeft gegeven” en die hem geschikt voorkomt als verdediging tegen de critici, die zich in hun „menschelijken hoogmoed” gekwetst achten. In dien brief (ook „discours” genoemd), men weet niet wie hem heeft opgesteld, beginnend met bijna kinderachtige toespelingen op de persoonlijkheid van la Rochefoucauld, wiens naam verzwegen wordt, worden de Maximes met behulp van een lange reeks aanhalingen uit beroemde schrijvers en dichters uit alle tijden verdedigd. Men vraagt zich af hoe het mogelijk was, dat de Hertog, een man van zooveel smaak en vernuft, heil kon zien in een dergelijk geschrift. Alleszins begrijpelijk is het, dat de uitgever, Claude Barbin, van meening was, dat deze brief het boek ongeluk aanbracht en het achterwege-laten in volgende drukken een aanbeveling van het werk achtte.

De schrijver daarentegen vond deze apologie nog niet eens voldoende; door zijn vriendin, Mevrouw de Sablé, liet hij een aanbevelend artikel in het „Journal des Savants” van 9 Maart 1665 schrijven. Haar ontwerp is bewaard gebleven; de vorm, waarin het werd opgenomen, is voorzeker van den schrijver zelf. Wat hem minder behaagde schrapte hij.

Het boek zag het licht onder den titel;

Réflections ou Sentences et Maximes morales. A Paris chez Claude Barbin.... M.DC.LXV.

Het bevatte 314 maximes (tegen 189 in den Haagschen druk) en maakte onmiddelijk zulk een opgang, dat in hetzelfde jaar niet minder dan drie nadrukken verschenen.

La Fontaine wijdde er een fabel aan en Mevr. de Maintenon liet den schrijver door Ninon de Lenclos zeggen, dat naast het Boek Job, zijn Maximes haar eenige lectuur vormden.

Wat de druk van 1665 bovenal merkwaardig maakt is de omstandigheid dat er zoo vele verschillende staten van bestaan. De schrijver hield niet op aan den tekst te vijlen en te wijzigen. Zoolang er nog exemplaren in voorraad waren liet hij sommige bladzijden, waarin gewijzigd was, overdrukken en hiervoor zoogenaamde „cartons” inplakken. Reeds heeft men elf verschillende staten van het boek in dit opzicht aangetroffen. Er behoort bibliographisch talent toe om den weg in dit doolhof te vinden.

In 1666 verscheen bij denzelfden uitgever een nieuwe druk, „nouvelle édition” gewaarmerkt, met 302 maximes. Het „Discours” is hier weggelaten en men leest niet zonder glimlach, dat „de Maximes bij het publiek zoo veel instemming gevonden hebbende, men haar geen grooter onrecht zou kunnen doen dan te meenen, dat zij een apologie noodig zouden hebben”. Toch is, na den dood van den schrijver, het Discours weder te voorschijn gehaald.

In 1671 volgde de derde druk met 341 maximes en het volgende jaar zagen twee drukken te Rouaan en te Lyon het licht, feitelijk geen nadrukken, want men had verzuimd het afgeloopen privilegie van ’64 te vernieuwen. Zoodoende verscheen eerst in 1675 de officieele vierde druk (met 413 maximes).

Een jaar later zien wij de Gebroeders Steucker in den Haag weder te voorschijn treden, ditmaal met een herdruk van de uitgave van 1665. Met een nieuw privilegie van 3 Juli 1678 verscheen daarna de vijfde druk, wederom bij Claude Barbin, met 504 maximes. Dit was de laatste uitgave, door den schrijver herzien. Twee jaar later overleed hij, maar dat hij tot het laatst aan zijn boek vijlde, blijkt uit het feit, dat er zelfs van dezen druk een exemplaar met een „carton” bekend is. Het is hier niet de plaats de verdere lotgevallen van het boek te volgen, dat in vele talen is overgezet. B.v. in het Engelsch voor het eerst in 1685, in het Duitsch in 1699, in het Italiaansch in 1763, het Spaansch in 1784 en in het Russisch in 1788.

Voor mijne vertaling heb ik gemeend mij te moeten bepalen tot den vijfden druk, den laatsten door den schrijver bezorgd, en te moeten weglaten wat la Rochefoucauld in vroegere uitgaven geschrapt had, evenals hetgeen in zijn nalatenschap gevonden is, doch door hem zelf niet werd opgenomen. Tegenover den schrijver kwam mij dit het meest juiste standpunt voor.

Het einde van de Fronde was het keerpunt in het leven van la Rochefoucauld geworden. Alle illusies van het spelen van een voorname politieke rol waren vervlogen; in letterkundigen arbeid moest hij troost zoeken tegen zijne geldelijke zorgen en zijn zich sedert ’52 openbarende kwaal, de jicht, omstandigheden, die men bij de beoordeeling zijner uitingen niet uit het oog mag verliezen.

Verkeerd zou men evenwel doen zich la Rochefoucauld als een menschenhater voortestellen. Geen beter middel om zich hiervan te overtuigen dan het lezen der brieven van Mevr. de Sévigné, die hem vele jaren en van nabij kende. Daar ziet men den schrijver grapjes maken, bonbons zenden, schaterlachen over brieven van Mevr. de Grignan. Voorzeker, berichten aangaande droevige, zwaarmoedige buien ontbreken niet: de kwellingen der jichtpijnen waren ondragelijk, maar de beschrijvingen van de wijze waarop hij de slagen van het noodlot droeg, dood en verwonding zijner nabestaanden, maken hem zeer sympathiek. „Le coeur de M. de la Rochefoucauld pour sa famille est une chose incomparable”. Hoe ging hij gebukt onder den dood van den zoon van Mevr. de Longueville, den Comte de St. Paul, wiens portret als „dessus de porte” in zijn kamer hing. Telkens stuit men op de meest waardeerende uitdrukkingen; „c’est l’homme le plus aimable que j’ai jamais vu”, schreef zij in 1672. In 1680 leest men nog: „Je n’ai jamais vu un homme si obligeant ni plus aimable, dans l’envie qu’il a de dire des choses agréables”; en toen hij kort daarna was overleden heette het: „Jamais homme n’a été si bien pleuré”.

En niet zonder verbazing, ziet men hoe zij, tien jaren na zijn dood, sprekende over het maken van vrienden, er haar dochter op wijst hoe gelukkig het voor Mevr. de Lafayette is zich zoo vele vrienden te hebben gemaakt, iets wat la Rochefoucauld haar geleerd had. Leest men wat hij over vriendschap schrijft (een soort handelszaak!) dan zou men zoo iets niet verwacht hebben.

Niet mag uit het oog worden verloren, dat de meeste uitingen van Mevr. de Sévigné dagteekenen uit den tijd van zijn verhouding met Mevr. de Lafayette.

Genoemde briefwisseling is tevens een rijke bron voor de studie der Maximes in het algemeen en van la Rochefoucauld in het bijzonder. Zij vormden blijkbaar voortdurend het onderwerp van gesprek en van gedachtewisseling per brief. Voor den vertaler doet zich bij het nalezen van dit alles wel eens een oogenblik van leedvermaak voor. Mevr. de Sévigné zond b.v. 20 Jan. 1672 uit naam van den schrijver aan haar dochter een exemplaar der in het vorige jaar verschenen nieuwe uitgave. En wat voegt zij er aan toe? „Il y en a des divines; et à ma honte, il y en a que je n’entends point: Dieu sait comme vous les entendrez.”

Wanneer eene zóó hoogstaande vrouw, zóó goed bekend met den schrijver en den kring, waarin hij verkeerde, erkende hem somtijds niet te begrijpen, dan behoeft men zich twee en een halve eeuw later niet te schamen wanneer men bij het lezen van sommige Maximes tot een zelfde verzuchting komt.

In verband hiermede is ook hoogst merkwaardig een uiting van Corbinelli een soort philosoof, een intimus van Mevr. de Sévigné, aan wier brieven hij vaak lange beschouwingen toevoegde. In zulk een brief van 18 Dec. 1678 behandelt hij de moeilijkheden van het begrijpen der Maximes. „Je trouve qu’on se sert de mots dans la conversation qui, étant examinés, sont ordinairement équivoques, et qui, à force de les sasser, ne signifient point, dans la plupart des expressions, ce qu’il semble à tout le monde qu’ils doivent signifier.” Dan vraagt hij om opgave van het verschil van beteekenis van een reeks van woorden, zooals: bon sens en jugement-raison,—bon sens, humeur, caprice en bizarrerie—bon sens en bon esprit—plaisant en agréable enz. enz. Om te eindigen met de volgende zinsnede; „Ne vous amusez pas à me dire que ce sont la plus part synonymes: c’est le langage où des parresseux où des ignorants. Je suis après à définir tout, bien ou mal, il n’importe. Faites la même chose, je vous en prie”.

Dit lezende vraagt men zich onwillekeurig of men een vertaler zijn nood hoort klagen.

Aangaande zijn naaste omgeving moet allereerst vermeld worden, dat zijne echtgenoote, die hem in ’55 zijn achtste en laatste kind schonk, op zijn ontwikkeling niet den minsten invloed schijnt te hebben uitgeoefend. In de vele, vele brieven en andere schrifturen, die uit dit tijdvak zijn bewaard gebleven, wordt haar naam zelfs niet genoemd. Daarentegen zijn het twee andere vrouwen geweest, die, wat het laatste tijdvak van zijn leven betreft, onafscheidelijk aan den naam van la Rochefoucauld zullen verbonden blijven; Mevrouw de Sablé en bovenal Mevrouw de Lafayette.

Eerstgenoemde, een zeer ernstige vrouw en niet onbegaafd, had na het sluiten van den vrede in ’53, een letterkundig salon, alwaar zich personen van allerlei richting vertoonden. De gastvrouw was in de Fronde geheel buiten het gedrang gebleven en dientengevolge geheel onafhankelijk. Een eigenaardigheid van haar salon was de voorliefde voor het maken van spreuken en maximes. Men kan zeggen dat la Rochefoucauld in dien kring tot het samenstellen van zijn bundel is gekomen.

Maar Mevrouw de Sablé sloot zich meer en meer aan bij de richting der Jansenisten en liet zelfs voor zich een woning bouwen naast het klooster Port Royal, zonder zich evenwel uit de wereld terugtetrekken. En in Port Royal had zich Mevrouw de Longueville afgezonderd. Met het groeien der genegenheid voor deze ongelukkige vrouw verkoelde de verhouding met den Hertog. Dit dagteekent van omstreeks 1665, het verschijnen der Maximes.

Thans volgde als vriendin de vrouw, die den grootsten invloed op zijn leven heeft gehad en tot het einde heeft behouden: mevrouw de Lafayette, geb. Marie Madeleine Pioche de La Vergne. Zij was in 1633 geboren en in ’55 gehuwd met een man van wien men even weinig afweet als van de echtgenoote van den Hertog. In ’56 was zij weduwe, men weet niet sedert wanneer.

Zij was een hoogst merkwaardige vrouw: Mevrouw de Sévigné sprak van „haar goddelijk verstand, dat haar nooit in den steek liet”. Niemand minder dan Boileau verklaarde, dat zij „de geestrijkste vrouw in Frankrijk was en die het best schreef”. Volgens den kardinaal de Retz was zij zeer mooi en zeer beminlijk. Mevrouw de Sévigné vertelt, dat zij ook voor de dingen van het dagelijksch leven bizonder knap was. Segrais zegt, dat drie maanden, nadat zij begonnen was Latijn te leeren, zij er meer van wist dan haar meesters. Niettemin hield zij die geleerdheid zorgvuldig verborgen, om vooral geen geleerde vrouw te schijnen.

Daarnaast had zij een voor die dagen, waarin het brievenschrijven zoo zeer in de mode was, zeldzame eigenschap, te weten: een afkeer van het schrijven van welken brief ook. Zij kwam daarmede wel eens in botsing met haar groote vriendin, Mevr. de Sévigné, aan wie zij eens verklaarde: „Si j’avais un amant, qui voulût de mes lettres tous les matins, je romprois avec lui”. Maar het was de zelfde vrouw, die, baanbrekend, aan Frankrijk met haar „Princesse de Clèves” den besten roman der 17de eeuw schonk.

Men zou verkeerd doen met de verhouding tusschen den Hertog en Mevrouw de Lafayette op één lijn te stellen met de honderden „liaisons” in de toenmalige hofkringen. Zij kende den schrijver reeds een tiental jaren, en men moet aannemen, dat van een intimiteit eerst sprake was omstreeks het oogenblik van het verschijnen der Maximes. Hij voelde zich aangetrokken door deze vrouw, die hooge talenten aan fijngevoeligheid en liefderijkheid paarde. Haar trok zijn fijn vernuft aan, en zij stelde zich tot taak den door tegenspoed en ziekte bitter geworden man van zijn overdreven zwartgalligheid aftebrengen. Men sla de brieven van Mevrouw de Sévigné na om te zien hoe zij, haar beste vriendin, over beide menschen oordeelt, en men begrijpt welk een prachtigen invloed deze vrouw op hem uitoefende. Wat de Maximes aangaat zij in herinnering gebracht, dat de eerste druk slechts 314 maximes bevatte; die van 1678 telt er 504. Het staat vast, dat die meerdere nummers en de zeer belangrijke wijzigingen in de vroeger gepubliceerde meestal aan overleg met haar te danken zijn. Daarentegen heeft hij ongetwijfeld een groot aandeel gehad in het schrijven van haar „Princesse de Clèves”.

Een ramp was het voor hem, zoo vaak door jicht aan zijn stoel gekluisterd, dat haar gezondheid zeer slecht was en haar belette zich te verplaatsen.

Uit de brieven van Mevr. de Sévigné ziet men, dat Mevr. de Lafayette en la Rochefoucauld als een volstrekt bijeenhoorend paar werden beschouwd. Hij bewoonde het hotel Liancourt, rue de Seine, zij een huis, met prachtigen tuin, rue Vaugirard, alles Faubourg St. Germain. Vandaar dat de beroemde briefschrijfster aan haar dochter eenvoudig de groeten overbracht van „le faubourg”.

Mevrouw de Lafayette meende niet vruchteloos op haar vriend te hebben ingewerkt. Hij heeft, zeide zij, mijn geest gescherpt, ik heb zijn hart hervormd.

Tot aan zijn dood heeft haar trouwe liefde voortbestaan. Zij overleefde hem dertien jaren.

Werd er hierboven op gewezen, dat de Hertog nog enkele pogingen deed in het openbare leven terug te keeren, weldra zag hij hiervan voor goed af om zich bovenal aan de belangen van zijn oudsten zoon te wijden. Hij stond hem zijn pairschap af en de zoon van den oudfrondeur werd eerst „grand maître de la garde-robe”, later zelfs „grand veneur”, allerhoogste ambten ten hove.

Het jaar 1672 was hem hoogst noodlottig: bij den overtocht van het Fransche leger over den Rijn werd zijn oudste zoon zwaar gewond en sneuvelden zijn vierde zoon en de Hertog de Longueville, de zoon van mevrouw de Longueville, in de dagen der Fronde geboren. Men sla wederom de brieven van Mevrouw de Sévigné op om te zien hoe zwaar hem deze slagen vielen en hoe hij er zich onder hield.

Geleidelijk ging zijn gezondheid achteruit. Vleugjes van beterschap ontbraken niet, zelfs niet den dag voor zijn dood. Hij overleed 17 Maart 1680; in de armen van Bossuet, die hem bediend had, stierf hij.

III.

Reeds wees ik er op met welke aarzelingen la Rochefoucauld zijn boek de wereld inzond. Hij achtte niet alleen een voorbericht, maar zelfs een lange apologie en een tijdschrift-artikel onmisbaar: maar toen het boek succes had, verklaarde de schrijver, het was slechts een jaar later, dat men zijn werk geen grooter nadeel zou kunnen doen, dan door het toevoegen van een apologie.

Inmiddels zijn meer dan twee en een halve eeuw verstreken en de Maximes worden nog steeds beschouwd als te behooren tot de klassieke Fransche prozawerken. Is er thans nog of op nieuw een apologie noodig?

Een toelichting, naar mijne meening, voorzeker, omdat het werk niet goed begrepen kan worden zonder nadere kennis van de omstandigheden, waaraan het zijn ontstaan te danken heeft. Een apologie, hoogstens in dien zin, dat ik zou willen verklaren hoe ik tot het maken dezer vertaling gekomen ben.

De omstandigheid, dat er nog altijd geen Nederlandsche vertaling van bestaat, heeft hierbij geen hoofdrol gespeeld, eerder nog het verleidelijke van te trachten de fijne Fransche uitdrukkingen in eigen taal overtezetten. In geen geval heb ik er aan gedacht proselieten te winnen voor een overdreven pessimisme en cynisme.

Laat ik zelfs vooropstellen dat er in den bundel tal van spreuken zijn, die velen weinig belang zullen inboezemen. Ik denk hierbij b.v. aan die, welke betrekking hebben op vorsten, veldheeren enz. De omgeving, waarin de schrijver jaren lang leefde, deden hem die uit de pen vloeien. Vervolgens zijn er verscheidene maximes, waarin hij zijn grondgedachte, „dat alle deugd verkapte ondeugd is”, tot het alleruiterste doordrijft. Soms wordt hij stoïcijns: heb geen medelijden, leert hij, en hij verklaart dit gevoel in eigen boezem liefst geheel te willen uitroeien. En hij gaat verder:

CDLXIII. Dikwijls is er meer hoogmoed dan goedheid in ons beklag der ongelukken onzer vijanden; het dient om hen te doen gevoelen, dat wij door hun bewijzen van medelijden te geven, boven hen staan.

CCLXIV. „Medelijden is dikwijls.. handig vooruitzien van de ongelukken, die ons kunnen overkomen; wij geven anderen hulp om ze er toe te brengen ons die in gelijksoortige gevallen eveneens te verleenen, en deze diensten, die wij hun bewijzen, zijn, eigenlijk gezegd, weldaden, die wij bij voorbaat aan ons zelf bewijzen.”

Hoe beoordeelt hij „vriendschap”?

LXXXIII. Wat de menschen vriendschap hebben genoemd is niets dan een overeenkomst, een wederkeerig ontzien van belangen, en een uitwisseling van goede diensten; het is ten slotte niets dan een handel, waarbij het eigenbelang altijd iets denkt te winnen. In vroegere drukken heette het „een handelszaak”.

Hier mag niet worden verzwegen dat verschillende tijdgenooten niet veel beter over vriendschap dachten.

Gematigdheid. Daarvan heeft men een deugd gemaakt; ten gerieve van middelmatige menschen. CCCVIII.

Standvastigheid in de liefde. Zij is een doorloopende onstandvastigheid, waardoor ons hart zich achtereenvolgens hecht aan alle de eigenschappen van den persoon, dien wij liefhebben. ....CLXXV.

Een dergelijke spreuk maakt den indruk te zijn uitgedacht in een prijskamp van geestigheden.

Vrouwelijk fatsoen. Er zijn weinig fatsoenlijke vrouwen, die haar beroep niet moede zijn. CCCLXVII.

Het begrip van „beroep” is hier hinderlijk en onwelvoegelijk.

Deze voorbeelden mogen volstaan: het is echter gewenscht, dat de lezer er op voorbereid zij zulke buitensporigheden te zullen ontmoeten.

Maar bij tientallen zal hij spreuken ontmoeten, tintelend van geest. Bij vele tientallen zal hij opmerkingen tegenkomen, die op het eerste gezicht overdreven mogen schijnen, doch waarvan hij, bij eenig nadenken, de diepe waarheid zal moeten erkennen. Altijd is de hoofdgedachte hetgeen aan het begin als opschrift is neergeschreven: „Onze deugden zijn meestal niets dan verkapte ondeugden”. Terloops zij er op gewezen, dat dit opschrift eerst in den vierden druk van 1675 voorkomt.

En hiermede zijn wij gekomen tot hetgeen mij de onvergankelijke verdienste van dit boek toeschijnt. In fijnen vorm, met weinige welgekozen woorden, worden beweringen opgedischt, die tot nadenken stemmen en in vele, vele gevallen, zal de lezer, in eigen boezem, van daden, waarover hij zeer voldaan was, beweegredenen vinden, die er geheel anders uitzien, dan hij aanvankelijk gemeend had. Van menige handeling zal het aureool voor goed verdwijnen, in menig opzicht zal men inzien bescheidener over zich zelf te moeten denken. Een dergelijke opfrissching kan nooit anders dan nuttig zijn. Maar men zij voorzichtig met die beschouwingen te veel op anderen toetepassen. Dit voert tot een bedenkelijke argwaan, tot het verlies van elk vertrouwen in goede bedoelingen. En hierdoor zou men lijnrecht in strijd geraken met den schrijver, die met nadruk zegt: „het is smadelijker zijn vrienden te wantrouwen dan door hen te worden bedrogen”, (LXXXIV) en „ons wantrouwen rechtvaardigt het bedrog van anderen” (LXXXVI). Tegenover zich zelf kan dit wantrouwen minder kwaad: er zal altijd nog voldoende reden tot tevredenheid met zich zelf overblijven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings