X.
Reading edition
Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die, tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen; hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend, hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene bezetting was in Athene achtergelaten, zoodat het veldleger niet meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten, en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.
Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat, den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak zoo veel en zoo lang, dat Simon van verlangen begon te branden dat alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.
«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros, «aan Stesilaos»—den strateeg, dien dag met het commando belast—«vergunning te vragen het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt te naderen.»
Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij weggevoerd heeft.»
«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend uur dat nadert.»
Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende bespeurde hij Labes, den Molossischen hond van Pheidippides, die het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger, van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze op de oude Egyptische monumenten en onder den naam van sloughi in onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu, langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt, had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper bastonen begon te weerklinken. En die houding des honds bracht Simon op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.
«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op; doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend, maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.
Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde, een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware lans leunend, de verzen van Kallinos:
In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; ’k heb in mijn lanspunt
Ismaros’ wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.
Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig vertrouwen op den triomf der groote nationale zaak, op den bijstand der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten, was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen, op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied, rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen afmaakten. De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte, de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde, konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.
Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren; lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar, van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer wat bijzonders had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd; hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht, in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestand van ons vermogen is en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan dat ik tevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel, waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend; de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen, van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend, was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertien voet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort, vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord: «Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.
Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die uit het vijandelijke kamp opstegen: commando’s van bevelhebbers, soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend zich binnen den boschrand te houden en behoedzamer loopend naarmate hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij, maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde, komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van paarden, die voortgeleid werden, met het geschreeuw der geleiders er tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal werptuig, den lazzo, gestrikt.