Note 1 — X.
Reading edition
Het was de zestiende der maand Metageitnion1. Reeds verscheidene dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten, naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar, met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig, al dadelijk het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg moest te voet worden afgelegd.