VIII.
Reading edition
De verwachting werd niet teleurgesteld; Aischylos’ dichtwerk behaalde den eersten prijs. Doch ernstiger gebeurtenissen hadden intusschen haar beslag gekregen.
De krijgstoerustingen der Perzen waren voltooid. Een leger van honderdduizend voetknechten en tienduizend ruiters was bijeengebracht. Zeshonderd galeien en tal van transportschepen voor het overbrengen der paarden lagen in de Cilicische havens tot vertrek gereed. De veldtocht gold in de eerste plaats Athene, dat voor korte jaren den Ionischen opstand gesteund en Sardes in de asch gelegd, dat geweigerd had den verbannen Hippias op des grooten konings bevel weder op te nemen. Doch het gold meer dan eene expeditie tegen Athene alleen; het was Azië, dat tegen Europa, het Oosten, dat tegen het Westen werd opgejaagd met onweerstaanbaar geweld, zooals in tegenovergestelde richting voor eeuwen Agamemnon zijne vloten had gevoerd en, anderhalve eeuw later, Alexander zijn legerscharen wederom zou leiden. Het gold geheel Hellas, verdeeld in eigen boezem, gewest tegen gewest, partij tegen partij; Athene slechts noode de hegemonie van Sparta erkennend door zijne hulp in te roepen tegen Aigina; Thebe en Aigina vereenigd tegen Athene en dit zelf eene minderheid huisvestend, die reikhalzend naar Perzië en Hippias uitzag. Alvorens dan ook in zee te steken, hadden de Perzische bevelhebbers, Datis en Artaphernes, gezanten naar de verschillende Helleensche staten afgevaardigd, ten einde te trachten zonder de oorlogskans te wagen de wenschen van Perzië te doen inwilligen.
Ook te Athene waren de Perzische boden verschenen en het volk was ter vergadering opgeroepen om hunne voorstellen te hooren. Vier dagen van te voren was naar gewoonte op de agora het onderwerp dat in de bijeenkomst ter sprake zou komen schriftelijk bekend gemaakt en in breede scharen hadden de Atheners zich naar de Pnyx begeven om de woorden der vreemdelingen te hooren. De heuvel, met zijn steenen tegen den rotswand aangebracht spreekgestoelte, met zijn eveneens steenen, gedeeltelijk in de rots uitgehouwen zitplaatsen, was gevuld met eene tallooze menigte. Levendige gesprekken, met niet minder levendige gebaren gepaard, werden alom gevoerd, in één geest, den geest van verzet, want de vertegenwoordigers der Perzische partij, voor zoover zij hadden durven verschijnen, hoedden zich wel hunne ware gevoelens te doen blijken. De ouderen verhaalden van de verdrukking waaronder Athene gezucht had gedurende de laatste jaren van Hippias’ bewind, na de vermoording zijns broeders; sommigen wisten te vertellen dat de gezanten pogingen tot omkooping van Atheensche burgers hadden in het werk gesteld; allen waren het eens dat, al zou Hippias de voortreffelijkste vorst ter wereld geweest zijn, men hem in geen geval uit de handen eener vreemde mogendheid wilde aanvaarden. Maar het gewoel verstomde toen, nadat de vereischte godsdienstige plechtigheden waren verricht, de Perzen, door de commissie der prytanen begeleid en vergezeld van een tolk, binnentraden: twee waardige gestalten, in het lange nationale gewaad, met zwarten baard en zwarte oogen. Van alle zijden richtten zich de vijandige blikken der Atheners op hen, doch rustig en waardig verdroegen zij die, in het vertrouwen op hunne volkenrechtelijke onschendbaarheid. Eindelijk weerklonk het «Stilte!» van den gerechtsdienaar en de vergadering nam een aanvang.
Een der prytanen verhief zich en las aan het volk voor waartoe het bijeengeroepen was, met de mededeeling, dat de gezanten des grooten konings zelve diens voorstellen zouden uiteenzetten. En een hunner nam het woord; hij betrad het spreekgestoelte en begon eene rede, langzaam en doordacht, zijne woorden zorgvuldig kiezend ten einde ’s konings eischen klem bij te zetten en toch het zoo prikkelbare gemoed der Atheners niet te ontstemmen. Naarmate hij sprak, werden zijne woorden door den tolk aan de vergadering in de Helleensche taal overgebracht. Hij verhaalde van de vriendschap, die in vroeger eeuwen tusschen Athene en Perzië bestaan had en nog bestaan zou, wanneer eerstgenoemde staat zich niet te kwader ure in den Ionischen opstand gemengd had, een opstand, die trouwens spoedig was bedwongen en de onmetelijke macht van Perzië opnieuw in een helder licht had gesteld. Het was daarom dat de groote koning waarborgen verlangde, dat de vroegere vriendschappelijke verhouding hersteld en bewaard zou worden; waarborgen, welke hij alleen meende te kunnen verkrijgen wanneer Athene er in toestemde wederom aan zijn hoofd te plaatsen den telg uit het geslacht van Peisistratos, met welk geslacht de Perzische koningen steeds in vrede en goede verstandhouding hadden geleefd. In welgekozen bewoordingen schilderde de gezant alles wat Athene aan Peisistratos en diens zonen te danken had: de oprichting van tempels en praalgebouwen, de instelling eener openbare bibliotheek, de rangschikking der verstrooide gedichten van Homeros. Indien Hippias’ bestuur in de latere jaren strenger was geweest dan voorheen, moest zulks uitsluitend geweten worden aan den verraderlijken moord, op zijn broeder Hipparchos gepleegd. Athene zou dus wèl doen aan zijn hoofd wederom een vorst te stellen, die getoond had de belangen des staats zoo uitmuntend te kunnen behartigen, terwijl een éénhoofdig bestuur buitendien verre te verkiezen was boven de democratie, welke het volk blootstelt aan de baatzuchtige inzichten van telkens wisselende leiders. En opdat blijken mocht dat Athene zijne fouten erkende en berouw gevoelde over zijn in de laatste jaren tegenover Perzië gevolgd gedrag, eischte Dareios, dat hem de hulde van aarde en water zou gebracht worden, als symbool van onderwerping en boete. Mocht het Atheensche volk weigerachtig blijken, dan zou de koning niet aarzelen het onverwijld aan te tasten met de geweldige vloot en het ontzagwekkende leger, die in de havens van Klein-Azië slechts op een wenk wachtten om te vertrekken.
Met moeite had de Pers zijne rede kunnen voltooien. Telkens, zoo vaak de tolk eene zinsnede in het Helleensch had herhaald, steeg een langgerekte kreet ten hemel, een kreet, die langzamerhand van aard veranderde en, in den aanvang verbazing en afkeuring te kennen gevend, weldra in eene uiting van toorn en verbolgenheid overging. «Weg met de mannen, die zulke voorstellen durven doen!» «Jaagt ze ter vergadering uit!» «Wie is de schurk, die het waagt dergelijke woorden te vertolken? Een Athener toch niet?» En de vijandige gezindheid waarmede de gezanten ontvangen waren, werd uitgebreid tot den tolk, in wien sommigen een Athener herkenden, die na tal van niet zeer eervolle avonturen gedwongen was geweest de stad te verlaten en sedert in verschillende streken had rondgezworven. De man zelf, de geaardheid zijner landgenooten kennend en wetend waartoe zij in oogenblikken van overprikkeling in staat konden zijn, ving aan benauwde blikken om zich heen te werpen en wisselde eenige fluisterende woorden met de Perzen, die kalm en deftig rondzagen, vertrouwend op hunne onschendbaarheid.
Maar wederom gebood de gerechtsdienaar stilte en vroeg wie der aanwezigen naar aanleiding van het gesprokene het woord verlangde. Toen verhief zich van zijn steenen zetel een bedaard, ernstig man van middelbaren leeftijd, Aristeides, de zoon van Lysimachos, vriend van Kleisthenes, den grondlegger der Atheensche democratie, doch zelf tot de aristocratische partij behoorend. Men kende hem alom als een man van onkreukbare trouw, die bij al zijne handelingen slechts het heil van het vaderland, geenszins het eigen belang op het oog had, met een buitengewoon ontwikkelden zin voor orde en recht en een aangeboren afkeer van onwaarheid en onredelijkheid. Hij was geen buitengewoon redenaar en gebruikte weinig woorden, doch het volk wist, dat het hem geheel en ten volle kon vertrouwen en dat achter geen enkel woord, door hem gesproken, eene andere beteekenis moest gezocht worden dan het in aller ooren had. Aristeides dan, na een krans op het hoofd geplaatst te hebben, betrad het steenen gestoelte en sprak aldus het verzamelde volk toe:
«Zoo gij, Atheners, heden ter vergadering zijt opgeroepen, is het niet om aan te nemen wat den koning het best zal behagen, maar om te besluiten wat aan Athene het meest baat zal brengen. En dan schijnt het mij toe, dat de voorstellen van den Perzischen gezant niet behooren te worden goedgekeurd. Athene heeft Hippias verjaagd omdat het den druk der tyrannis niet langer wenschte te dragen en vrij wilde zijn. Het heeft den Ionischen opstand gesteund om den oorlog af te wenden, die het toen reeds van de zijde van Perzië dreigde. Wat betreft de hulde van aarde en water, die ten teeken van onderwerping geeischt wordt, Athene heeft geenszins zoo kort geleden een juk afgeworpen om zich gewillig te buigen voor den eerste, die het een ander aanbiedt. Wanneer men de vrije keus bezit, is het voorzeker onzinnig den oorlog te kiezen, maar als men dien slechts vermijden kan door zich voor eene vreemde natie te vernederen, verdient hij blaam, die het gevaar ontvliedt, niet hij, die het zonder vrees aanvaardt. Dit is naar het mij toeschijnt het antwoord, dat op de Perzische voorstellen dient gegeven te worden; het eenige dat Athene waardig is.»
De aanwezigen juichten den spreker luide toe. Aristeides had zonder omhaal en oratorisch vertoon het gevoelen van schier de geheele vergadering kort en duidelijk weergegeven. Eigenlijk had de beraadslaging hiermede geëindigd kunnen wezen, doch, de bijvalsbetuigingen vernemend, die Aristeides ten deel vielen, stond een ander op, eenige jaren jonger dan de vorige spreker, met een geestig gelaat en levendige trekken, onrustig en bewegelijk. Themistokles heette hij, de zoon van Neokles, vurig democraat, in talenten en vindingrijkheid Aristeides’ meerdere, in rechtschapenheid bij hem achter staande. Ook hij beoogde het heil des vaderlands, niet echter in de eerste plaats omdat het vaderland daar wel bij voer, maar omdat het hem persoonlijk aanzien verschafte. Men wist dan ook dat men veel van hem te wachten, niet daarentegen of men meer van hem te hopen dan te vreezen had, al kon hij reeds met zelfvoldoening wijzen op den aanleg van den Peiraios, de grootsche haven waarvan het plan door hem was opgevat en uitgevoerd. Maar bij al zijne handelingen gaf de eerzucht steeds den doorslag en niemand kon voorspellen waartoe die hem nog zou voeren.
Den krans der redenaars op het hoofd ving Themistokles met radde tong aan:
«Wat dunkt u, mannen, van de verwatenheid des konings, die meent aan Athene te kunnen voorschrijven wat het te doen, wat het te laten hebbe? En wanneer wij mochten weigeren dan dreigt ons eene kastijding, als waren wij kinderen, die door den vader gestraft worden! Wij zouden Hippias weder in ons midden ontvangen! Herinnert ge u,» ging hij voort, met groote vaardigheid een paar Atheners uit de lagere klasse in het oog vattend, «herinnert ge u, Charondas en gij, Drakyllos, hoe wij als knapen voor vier-en-twintig jaren getuigen waren van Hipparchos’ dood? Juist!» vervolgde hij, toen de beide aangesprokenen hem met fonkelende blikken toeknikten, «wij zagen hem vallen en wij zagen ook Harmodios vallen en hoorden later dat Aristogeiton gevangen genomen en ook gedood was. Ziet ge, Drakyllos en Charondas, dat aanschouwden en dat hoorden wij en nu vragen die twee mannen dáár, dat we dat alles vergeten en den broeder van Hipparchos, al dien tijd van wraakgierige gedachten vervuld, wederom als tiran zullen aanvaarden. Onze democratie zou achterstaan bij een eenhoofdig bestuur! Ik heb wel eens hooren verhalen dat de Perzen, wanneer hun koning verschijnt, zich op het aangezicht werpen, als konden ze den glans, die van hem uitstraalt, niet verdragen. Welaan, Atheners, schijnt zulk een regeeringsvorm u fraaier toe dan de democratie, waarin de geringste man tot de aanzienlijkste ambten kan geroepen worden? En wilt ge dat ik u nog iets zegge? Er bevinden zich hier in de stad een zeker aantal slechte lieden—ik geloof niet eens dat ze Atheners zijn, al nemen zij er ook den schijn van aan. Welnu, die lieden—ze kunnen geen Atheners zijn!—zouden Hippias wel gaarne terugzien en waarom, denkt ge? Omdat alsdan de brave en fatsoenlijke mannen, die thans archon en rechter en strateeg en prytaan zijn, zouden afgezet worden en zij zelve in hunne plaats komen! Zoo is het en tot wie denkt ge dat de Perzische gezanten, toen zij voor eenige dagen binnen Athene kwamen, het eerst zijn gegaan? Tot die slechte menschen, die Hippias terug willen hebben, en zij hebben hun geld gegeven om te maken dat zij in de volksvergadering vóór hunne voorstellen zouden stemmen.» Hier zag ieder der aanwezigen wantrouwend zijn buurman aan, vreezende dat wellicht zulk een slechte kerel, met Perzisch geld in den buidel, naast hem stond. «Maar nu hebben zij zich, den goden zij dank! een paar malen vergist en zich vervoegd bij goede burgers, meenende dat ze óók met vrienden van Hippias te doen hadden. En die goede burgers hebben zich gehouden of zij dat ook waren en het geld ontvangen—spreek ik de waarheid, Euboulides en Charikles?» Wederom richtte zijn levendig oog zich op een paar onaanzienlijke Atheners, die aanstonds zich beijverden zijne woorden door een herhaald hoofdknikken te bevestigen. «Ge ziet het, Atheners!—maar Charikles en Euboulides, die brave burgers zijn, geen vrienden van den koning en van Hippias, zooals die anderen, zijn gisteren tot mij gekomen en hebben gezegd: «Themistokles, wij zijn eenvoudige burgers, kleine kramers, niet gewoon in de volksvertegenwoordiging het woord te voeren. En daarom komen wij u vragen, of gij morgen aan de Atheners zoudt willen mededeelen wat die Perzen tot ons gezegd hebben en wat zij ons hebben geschonken.» Dat hebben die brave burgers tot mij gezegd, Atheners, en dat deel ik u thans mede, want zij zelve zijn eenvoudige lieden, niet welbespraakt, en beschroomd om het woord te voeren.»
De bedoelde brave burgers, Euboulides en Charikles, knikten maar steeds voort, met een verbazenden ijver. Misschien bevonden er zich onder de aanwezigen, die den indruk kregen dat zij al te ijverig waren en die, in verband met de bekende geringe schroomvalligheid van Themistokles waar het gold middelen te kiezen om een groot doel te bereiken, eenigen twijfel begonnen te koesteren omtrent de algeheele geloofwaardigheid van het door hem medegedeelde. Maar hoe het ook zij, het doel werd bereikt en wellicht overtroffen ook in het oog van Themistokles zelf, mocht dan ook de Helleen het beginsel huldigen: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts kunt. Woeste kreten van gramschap en verontwaardiging weerklonken uit de opeengehoopte menschenmassa. Dreigende vuisten verhieven zich in de lucht; hier en daar werd een stok met onheilspellend gebaar omhoog geheven en wraakzuchtig drong men op de beide Perzen, die in statige houding naast elkander stonden, onbewust van het naderend gevaar. Van Themistokles’ rede hadden zij geen woord verstaan; immers de tolk, bij den aanvang dier rede voorziende hoe de zaken loopen zouden, had zich op handige wijze bij tijds onder de menigte geschoven en uit de voeten gemaakt. Nu zagen zij de wilde, onstuimige bende op zich aandringen, de voorsten aarzelend, terugdeinzend voor hetgeen zij voorzagen dat te gebeuren stond wanneer men de Perzen zou bereikt hebben, doch niet ongaarne voortgestuwd door de volgenden, die begrepen dat het bloed, mocht het vergoten worden, niet op hun hoofd zou neerkomen. En de beide bleeke, zwartgebaarde mannen staarden met hunne donkere oogen dat alles verwonderd aan, steeds overtuigd dat hun, den gezanten, geen haar zou gedeerd worden; toch langzamerhand vervuld van een vagen angst, zich heel verlaten voelend op die vreemde plaats, met al die onbekende, razende menschen, die hen als wilde dieren aanstaarden, zonder dat zij begrepen waarom.
Prytanen, gerechtsdienaars, lexiarchen en boogschutters der politie, die het volk, zij het dan ook wellicht met weinig overtuiging, trachtten terug te houden, werden op zij gedrongen. Instinctmatig hadden de Perzen zich, toen zij eindelijk zagen dat het hun leven gold, tegen elkander gedrukt en de hand op het gevest hunner kromme sabels gelegd. Doch, gelijk een tot den rand gevulde beker slechts dan zijn vocht niet uitstort wanneer alles rondom volkomen onbewegelijk blijft, en overloopt zoodra die onbewegelijkheid in het minst wordt verstoord, zoo ook was deze beweging het sein tot de slachting. Het is later nooit gebleken wie den eersten slag toebracht. Maar toen die gevallen was, gevoelde een ieder zich ontslagen van wat hem nog aan zelfbedwang beteugelde en allen wilden den rampzaligen met beestachtige verscheuringswoede te lijf. In een omzien waren de mannen vaneen gescheiden en gaf op twee plaatsen eene verwarde opeenhooping van over en op elkander liggende menschelijke lichamen te kennen, waar de gruwel werd volvoerd. Geen geluid kwam meer voort uit de kelen, die zoo even gilden en brulden; nu de ziedende wraakzucht zich kon uiten in daden, had men aan kreten niet langer behoefte. En zij, die te verwijderd waren om een werkdadig aandeel te nemen in den moord, drongen in radelooze teleurstelling op om ten minste te mogen aanschouwen hoe die twee ellendigen daar werden afgemaakt met vuisten en voeten en knuppels, terwijl hun gelaat nog eene uitdrukking van pijnlijke verbazing vertoonde, daar ze niet wisten wat ze hadden misdaan.
Maar eene stem riep: «Naar het barathron!» En het brullen en gillen ving aan op nieuw, nu men bespeurde dat er eigenlijk niet meer te slaan en te schoppen viel, dat men reeds geruimen tijd bezig was te beuken en te trappen op doode lichamen. Met een ijzingwekkend gejuil werden de beide lijken bij de beenen gegrepen en voortgesleept. Nu kregen de anderen ook wat te zien; het grauw week uit om den doortocht vrij te laten en zij, die niet mede hadden mogen slachten, konden nu naast de dooden voortdraven en genieten hoe ze gehotst werden over den grond, van de Pnyx naar beneden en verder en verder, in hun lange gewaden, die onder het sleuren de beenen vrijlieten, borst en gelaat bedekkend. Zoo ging het voort in een wilde jacht, nu en dan een oogenblik ophoudend als het voorste gedeelte van den stoet een nauwer straatje insloeg en dan grijnzend en prettig zich nog eens buigend over de mishandelde lijken, elkander opdringend en wegduwend en op zij stootend. Dan weer verder, steeds wassend in aantal, een afschuwelijke tocht onder den gloeienden, zonnigen hemel, stofwolken omhoog jagend, hijgend en heesch.
Men was aangekomen in een armoedige buitenwijk. Daar bevond zich het barathron, de boevenkuil, een rotskloof waarin ter dood gebrachte misdadigers geworpen werden. Daarin werd ook gesmeten wat van de Perzische gezanten over was en de menigte keerde huiswaarts, tevreden en ontspannen.