XIV.
Reading edition
«Ik was op het punt den jankenden Pers het zwaard in de borst te stooten, toen hij in tamelijk verstaanbare taal iets begon te verhalen dat mijne aandacht trok. Datis, zeide hij, had, weinig vertrouwen in de eerlijkheid der zijnen stellend, de oorlogskas op eene veilige plaats doen begraven; eene plaats, die hem echter bekend was. En hij bood aan mij die plaats te wijzen zoo ik hem slechts het leven wilde laten.»
«En wat hebt ge toen gedaan, Kallias?» vroeg Straton.
De priester der Eleusinische Demeter gaf ten antwoord:
«Ik beloofde alles wat hij verlangde. Doch toen ik den schat aanschouwde—kisten vol gouden dareiken!—bekroop mij de vrees dat de Pers, een onbetrouwbaar barbaar, het geheim wellicht aan anderen zou verklappen alvorens ik tijd had gevonden den buit in veiligheid te brengen. Ik dankte hem derhalve voor zijne aanwijzing en sneed hem den strot af.»
Straton lachte goedkeurend en prees uitbundig Kallias’ handelwijze. Het was immers: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts kunt. Hij vervolgde:
«Gij zijt thans een rijk man, Kallias, en zult Pallas Athene wel een waardig wijgeschenk brengen voor haar tempel op den burcht.»
«Heb daarvoor geen zorg. Nauwelijks te Athene teruggekeerd, heb ik mij naar den beeldhouwer Rhoikos begeven en hem een Trojaansch paard besteld om voor den tempel der godin opgesteld te worden, van het fraaiste en kostbaarste marmer dat Paros oplevert. Hij vierde juist de verloving zijner dochter Erinna: een feest dat uitgesteld was tot over het lot van Athene zou beslist zijn.»
«Naar Parisch marmer behoeft ge niet lang te zoeken. Ge weet toch dat de onzen een prachtig stuk hebben buit gemaakt, door de Perzen medegevoerd om als tropee op het slagveld van Marathon te worden opgericht.»
«Een Nemesis moge men er uit houwen; een Nemesis, de godin der hemelsche gerechtigheid, die verwaten overmoed vernedert en straft! Van Marathon zal de menschheid gewagen zoolang Zeus troont op zijn hoogen zetel!»
Twee mannen, die een doode droegen, kwamen voorbij. En achter hen weer twee, en weer, en weer, een heele rij lijkendragers. Reeds twee dagen waren sedert den slag verloopen doch eerst thans werd tot het begraven der gesneuvelden overgegaan. Na hunne nederlaag toch hadden de Perzen getracht, kaap Sounion omzeilend, Athene te verrassen, overtuigd dat tal van ingezetenen op hunne hand waren. Een afgesproken teeken—een schild op een lans omhoog geheven—had hun zelfs de zekerheid verschaft dat de stad slechts onvoldoende verdedigd was. Maar de overwinnaars hadden zich met geforceerde marschen naar Athene teruggespoed en reeds post gevat in het Kynosarges toen de schepen der barbaren tegenover Phaleron verschenen. De coup de main was mislukt en de vloot naar Azië teruggekeerd, met een verlies van vierenzestighonderd man en, meer dan dat, van het prestige der Perzische wapenen, dat naar men gemeend had reeds voldoende zou geweest zijn om Athene te doen sidderen. Eerst nu alle gevaar geweken was, had men met de teraardbestelling der gevallenen een aanvang gemaakt.
«Is het aantal der gesneuvelde Hellenen reeds bekend?» vroeg Kallias, met Straton verder gaande over het slagveld.
«Honderdtweeënnegentig der onzen vonden den dood.»
«Wel hun, die de dood in zulk een oogenblik verrast! Weet ge reeds dat rond de gemeenschappelijke tombe tien zuilen zullen opgericht worden, één voor elke phyle, met de namen der gesneuvelden erin gegrift?»
«En den Plataiërs zal een afzonderlijk graf voor hunne dooden worden gegund naast dat der Atheners. Zij alleen stonden Athene bij in de ure, die de vrijheid van gansch Hellas bedreigde.»
Zij zwegen. In het schemerlicht van den avond zag men een groep zwaargewapende mannen naderen, kransen op het hoofd en purperen mantels om de leden, met strenge trekken en geschoren bovenlip, gevolgd door lieden van onaanzienlijk uiterlijk, gekleed in schapehuiden, het hoofd bedekt met een muts van hondevel, omvangrijke schilden torsend. Het waren krijgslieden en heloten van het Spartaansche leger dat eindelijk verschenen was, juist tijdig genoeg om de lijken der gesneuvelden te zien begraven. Zij wenschten in korte bewoordingen den beiden Atheners geluk met de behaalde overwinning, doch zonder innigheid, naijverig op de natie, die zich zoo plotseling had doen kennen in ongehoorden glans.
«Hoe minder steun hoe grooter roem,» zeide Kallias toen zij zich verwijderd hadden.
«Ik zou trouwens,» meende Straton, «niet gaarne in het gelid staan naast die stugge, norsche mannen, die alle vreugde des levens en bekoring der Muzen verachten. Liever bevond ik mij tegenover hen op het slagveld, gelijk ik voor twee dagen tegenover het barbarenleger stond.»
«Dàt mogen de goden verhoeden! Wie der beide volken in een dergelijken strijd mocht bezwijken, altijd zou het eene toepassing zijn van de fabel des gewonden adelaars, die weende, bespeurend dat de doodelijke pijl uit ’s jagers hand prijkte met de vederen van het eigen geslacht. Maar mocht die ure immer aanbreken, dan zullen de onzen zich weten te herinneren dat zij de zonen zijn van hen, die streden te Marathon.»
Thans waren zij aangekomen bij de tropee, ter eere der overwinning op het slagveld aangebracht; eene wapenrusting aan een paal gehangen. Wederom trad een lange rij dragers langs hen; de voorsten voerden met zich een reusachtigen doode, die de rechterhand miste.
«Dat is Kynaigeiros, Aischylos broeder,» zeide Straton. «De dichter zelf heeft den dood van nabij aanschouwd doch is met een zware wonde vrijgekomen.»
«Kynaigeiros sneuvelde bij den aanval op de schepen, die ons de meeste dooden kostte. Ook de polemarch Kallimachos en Simon, de zoon van Panaitios, lieten er het leven.»
«Het graf der helden is het gansche heelal; ons rest slechts hen te benijden. Het geluk berust op de vrijheid; de vrijheid op den moed; gezegend de staat, welks burgers voor die vrijheid het leven willig schenken!»
«En tot hen, die de gevallenen beweenen, tot ouders, weduwen en kinderen zou ik wenschen te zeggen: bedenkt dat een schitterend levenseind een onwaardeerbaar goed is en dat de schoonste herinnering bestaat in de achting en liefde door gansch een volk aan uwe dooden gewijd.»
Zoo spraken, op het slagveld van Marathon, Kallias, de priester der Eleusinische Demeter en de jeugdige Straton, gerijpt en gestaald in de groote en geweldige dagen, die waren voorbijgegaan.