← Table of contents
Marathon

XII.

Reading edition

De beslissing van den krijgsraad, gedurende den afgeloopen nacht in Miltiades’ hut gehouden, was lang onzeker gebleven. Hijzelf had in krachtige bewoordingen de wenschelijkheid betoogd om na eenige uren rust te attaqueeren. Nooit, had hij opgemerkt, kon het oogenblik gunstiger zijn. De inscheping der paarden van het vijandelijk leger zou waarschijnlijk bij het aanbreken van den dag zijn afgeloopen zoodat men, alsdan aanvallend, de gevreesde ruiterij der Perzen niet zou te bevechten hebben, terwijl, liet men hun de gelegenheid op een andere plaats in Attika te landen, alles weder van meet af aan zou moeten beginnen, men bezwaarlijk eene zoo geduchte stelling als thans tot dekking der hoofdstad zou kunnen innemen en den daar achtergebleven vrienden van Hippias slechts te langer tijd zou zijn gelaten om zich met hem in verbinding te stellen.

Vier der negen andere strategen hadden zijn gevoelen omhelsd. Maar de vijf overige waren er met nadruk tegen op gekomen. Zij hadden betoogd hoe de overmacht van het Perzische leger ook zonder ruiterij nog altijd verpletterend moest geacht worden; hoe een ondoordachte en ongelukkige aanval Athene reddeloos in ’s vijands handen zou spelen; hoe men daarentegen wanneer men de komst der Spartanen afwachtte een krijgsmacht zou vormen, in staat op elk punt van Attika den weg naar de hoofdstad met goed gevolg ook aan een oppermachtigen vijand te betwisten. En wat het gevaar binnen Athene zelf betrof, waren zij van oordeel dat de partijgenooten van Peisistratos’ zoon door de welgezinden aldaar behoorlijk in bedwang gehouden en tot werkeloosheid gedoemd zouden kunnen worden.

Beide gevoelens hadden derhalve onder de strategen evenveel voorstanders geteld. Maar Kallimachos, de polemarch, aarzelde nog. Gedurende de rede van Miltiades had hij goedkeurend met het hoofd geknikt, zoodat deze niet twijfelde of hij zou onvoorwaardelijken steun bij hem vinden. Doch toen eene tegenovergestelde opvatting werd verdedigd, had zich dat hoofd met dezelfde overtuiging in gelijke richting als zoo even bewogen en toen het op stemmen aankwam, zocht hij uitvluchten en vroeg verdaging. Daarin echter wilde Miltiades niet treden; hij had genoeg gezien om overtuigd te wezen dat Kallimachos een zwak man was, gemakkelijk over te halen door een ieder, die den juisten weg wist te kiezen. En met de handigheid van een voormalig vorst, welke onbeduidende personen, wier hulp hij voor het oogenblik niet kan ontberen, in den waan weet te brengen, dat zij mannen van gewicht en beteekenis zijn, had hij den polemarch op de volgende wijze toegesproken: «Gij moet thans beslissen, Kallimachos, of ge den Atheenschen staat tot slavernij wilt zien gebracht dan wel van haar belagers bevrijden en uwe eigen nagedachtenis met een glorie bedekken, waarbij die van Harmodios en Aristogeiton niet halen kan. Nooit toch, sedert men den naam van Athene kent, is het aan een zóó groot gevaar blootgesteld geweest als thans. Zegepralen de Perzen dan beseft ge wat lot de stad, aan Hippias overgeleverd, te wachten staat; overwint daarentegen Athene dan is de dag niet ver waarop het den hoogsten rang zal innemen onder de staten van Hellas. Beslis dus.» Kallimachos had zeer gewichtig gekeken, onder Miltiades’ blik al dadelijk gewonnen, toch den schijn aannemend alsof hij eerst na rijp beraad en inwendigen strijd zich aan diens zijde schaarde. Ten slotte had hij vóór den aanval gestemd, waartoe derhalve met zes tegen vijf stemmen was besloten.

De tienduizend Atheners en duizend Plataiërs waren derhalve ten aanval opgesteld tegen den middag van den 17den der maand Metageitnion, na de plichtmatige offers aan de goden. Hun front was, teneinde dat der Perzen te evenaren, zeer breed genomen, hetgeen met het oog op de geringe sterkte niet dan ten koste der diepte had kunnen geschieden, zoodat hun gelederen in het centrum, waar zich Aristeides en Themistokles bevonden, slechts drie man diep waren. Men had dit euvel zoo goed mogelijk trachten te verbeteren door achter de drie rijen Atheners de slaven op te stellen. Het zwaartepunt van eene Helleensche attaque werd trouwens in de beide vleugels gezocht, vooral in den rechter, die dan ook uit louter Atheners bestond; de Plataiërs hadden hunne plaats aan de tegenovergestelde zijde.

Aan den rechtervleugel stonden Simon en Pheidippides. De laatste vertoonde geen enkel spoor van zijn vermoeienden tocht en zag er als steeds keurig uit, in zijn fraai bewerkte en rijk versierde uitrusting. Met zijn omslachtigen Korinthischen helm was hij bijzonder ingenomen en hij toonde aan zijn buren in het gelid de voorstellingen in verhooging daarop aangebracht, bovenal die aan de voorzijde, de slachting der zonen van Niobe door Apollon voorstellend: Ismenos en Sipylos reeds verstijfd ter aarde liggend, met een rustigen trek op het gelaat, gevallen voor ze tijd hadden gehad tot ontzetting over hetgeen plaats greep; Phaidimos en Tantalos, juist gereed tot den worstelstrijd, door éénzelfden pijl van den god getroffen en met pijnlijk gebaar neerploffend op den grond; Alphenor zoo even door een schicht doorboord, krimpend van smart; Damasichthon en Ilioneus pogende te vluchten, de eerste nog omziende naar het gruwelijk tafereel, de tweede met afgewenden blik het ijzingwekkend schouwspel ontvliedend. Simon noemde het metalen gevaarte met het zware vizier meer fraai dan gemakkelijk in het gebruik, maar Pheidippides wilde er niets van hooren en zette den helm op het hoofd, strijdlustig en kranig.

Miltiades, in volle wapenrusting, met Pallas Athene op het schild gedreven, bewoog zich langs het front, het leger toesprekend, herinnerend aan de vaderen, die Hippias verjaagd hadden, er op wijzend dat het eene eeuwige schande zou wezen indien de zonen dienzelfden Hippias, door eene Perzische krijgsmacht teruggevoerd, weder in hun midden opnamen. Evenals in den afgeloopen nacht zette hij uiteen wat Athene zou te lijden hebben door de zegepraal van Hippias, wiens laatste regeeringsjaren, na den dood zijns broeders, reeds zoo nameloos drukkend waren geweest en die thans wederom den voet op Hellas’ bodem had gezet, het hart vol spijt en wrok. En het beeld der stedenverwoestende godin, op zijn schild aangebracht, toonende, legde hij er nadruk op dat deze blijkbaar de haren niet zou verlaten, want zij had op onmiskenbare wijze in de verschijning der Dioskouren het bewijs geleverd, dat Athene haar nog even lief en dierbaar was als ooit. Men had hem aangehoord, zwijgend, ten einde niet aan den vijand te verraden hetgeen ophanden was, en wat nog aan wantrouwen tegen den voormaligen tiran mocht aanwezig zijn, verdween als men hem hoorde spreken met zijn zwaar, indrukwekkend geluid, het mannelijk gelaat door den grijzenden baard omlijst, gewoon te bevelen en gehoorzaamd te worden, vol groot vertrouwen in den triomf der groote zaak.

Een zwaardslag, op een schild aangebracht, gaf het teeken. De elfduizend grepen de lansen, tot nogtoe op den rechterschouder rustend en, het wapen met beide handen voor zich uit houdend, traden zij in stap over de rotsblokken en schanswerken, die het kamp verdedigden, te voorschijn. Pheidippides, na zijn Spartaanschen tocht meenende dat voor Helleensche beenen niets onmogelijk was, keurde het langzame tempo ten zeerste af; ware hij met het commando belast dan zou het gansche terrein tusschen de Atheners en den vijand in stormpas worden doorloopen. En met onverholen spijt bespeurde hij de beweging, die in de Perzische legerplaats ontstond ten bewijze dat men de nadering der Atheners opgemerkt had en zich tot den strijd gereed maakte. Simon verdedigde het plan van aanval; begon men nu reeds in stormpas dan zouden er zeer weinigen, en nog wel in een treurigen toestand, het doel bereiken; er bleef, het zou blijken, straks nog genoeg te loopen over. Doch Pheidippides bleef afkeurend brommen, achter het vizier van zijn zwaren Korinthischen helm.

In het Perzische kamp reed Datis, door zijn staf en Hippias vergezeld, langs de gelederen. Met verbazing had hij de beweging der Atheners bespeurd; niemand had het mogelijk gewaand dat het kleine leger zijn sterke defensieve stelling zou durven verlaten en tot den aanval overgaan. Daarop vertrouwend had hij in den afgeloopen nacht en morgen de paarden der ruiterij doen inschepen ten einde, zooals Simon ondersteld had, met het leger te volgen en op een ander punt van Attika te landen. Des veldheers verbolgenheid nu hij zijn beste en bij de Atheners ontbrekende macht miste, was groot; zijn slecht humeur, door de gevolgen van een onvoldoend uitgeslapen roes nog vergroot, zocht een uitweg en vond dien in den persoon van Hippias.

«Het brengt ons weinig geluk aan,» aldus sprak hij den pretendent toe, «naar uwe woorden te luisteren. Gij, die de vlakte van Marathon zoo goed kent en er vroeger met Peisistratos gekampeerd hebt, raaddet ons aan vandaar op Athene los te rukken. Nu dit onmogelijk blijkt, worden wij aangevallen op het oogenblik waarop eveneens op uw raad de paarden, behalve die der bevelhebbers, verwijderd zijn. Het ware beter geweest zoo wij bij de leiding van den veldtocht ons eigen inzicht gevolgd hadden.»

Hippias, een grijzend man, half Perzisch, half Atheensch gekleed, antwoordde niet. Het was waar, hij had ten onrechte de landing bij Marathon als de meest geschikte wijze aangegeven om Athene te bereiken. Maar de schuld lag niet aan hem doch aan de Atheners. Achtenveertig jaren geleden, toen zijn vader, voor de tweede keer verjaagd, uit Marathon op Athene was losgegaan, had het een militaire wandeling geleken en was de stad zonder noemenswaardigen tegenstand in Peisistratos’ handen gevallen. Doch wat waren die Atheners sedert veranderd! Toen had men eerst bij Pallene eene zwakke, dra verijdelde poging gewaagd om het oprukkend leger tegen te houden. En thans sloot men den weg naar de hoofdstad reeds bij Marathon af en waagde het zelfs te attaqueeren! Hippias herinnerde zich hoe hij reeds twintig jaren in den vreemde had doorgebracht en besefte dat in weinig tijds veel zich wijzigen kan.

Evenwel het was niet zijne schuld dat men het besluit had genomen het leger weder in te schepen. Naar zijne meening zou de weg naar Athene met tiendubbele overmacht en daaronder een prachtige ruiterij uitstekend geforceerd hebben kunnen worden. Datis zelf was het geweest, die tot het vertrek besloten had, reeds na weinige dagen ongeduldig geworden, er aan gewoon dat voor de ontzagwekkende Perzische macht iedere vijand verstoof. Doch Hippias, hoezeer ouder dan het Perzische legerhoofd, durfde deze onjuistheid niet in het licht stellen. Hij verkeerde in den onaangenamen toestand van een verjaagd vorst, door vreemde troepen in zijn vroeger gebied teruggebracht en die het verstandigst doet wanneer hij aan de min heusche bejegeningen zijner helpers zoo weinig mogelijk aandacht schenkt.

«Het kan niet anders,» zeide hij ontwijkend, «of de Atheners hebben versterking ontvangen. Alleen zouden zij het niet wagen, wanneer zij ten minste niet krankzinnig zijn geworden, hun kamp te verlaten.»

Datis zweeg. Hij had zich in de stijgbeugels opgericht en hield de hand boven de oogen ten einde den nog steeds in stap naderenden vijand beter te kunnen gadeslaan. En zijn geoefend oog zag weldra dat het Atheensche leger niet sterker was dan voor eenige dagen. Dit stelde hem eenigszins gerust en met vriendelijker stem dan zoo even voegde hij Hippias toe:

«Neen, het leger is niet versterkt.—Maar hoe nu?»

Een trompetsignaal had in de verte weerklonken en op hetzelfde oogenblik zagen de Perzen hoe de geheele vijandelijke massa voorover boog en een sneller beweging aannam, terwijl tegelijkertijd een wild krijgsgeschreeuw uit elfduizend keelen zich verhief.

«Ge hebt gelijk, Hippias,» sprak Datis, «uwe landgenooten zijn door waanzin getroffen. Welk leger dat zijn verstand bezit, attaqueert op vijfduizend schreden in looppas, zonder boogschutters of ruiterij? Geen duizend van die krankzinnigen bereiken ons en met hen zullen wij spoedig afgerekend hebben.—Ariomardos!» aldus wendde hij zich tot een zijner volgers, «rijd terstond naar Artaphernes en zeg hem dat hij de Saken hunne bogen doe gereed houden om den vijand neer te leggen zoodra hij binnen schot is.»

De stafofficier, een jonge Meder, met blonden knevel, zonder baard, boog, bracht zijn paard in galop en reed langs het front ten einde zich van zijne opdracht te kwijten. Hij droeg een tot over de knie afhangend gewaad van goudbrokaat met korte mouwen, nauwsluitende beenbekleeding van dezelfde stof, een sierlijken vergulden helm, gouden armbanden om de polsen en lichtblauwe halve laarsjes. De belletjes aan het lederwerk van zijn zwart paard rinkelden onder het rijden en de roode pluimen waarmede de kop versierd was, golfden, door den wind opgelicht. Zoo galoppeerde Ariomardos langs het Perzische front, blinkend en glinsterend als een goudvlieg onder de stralen der zon.

Toen op vijfduizend schreden van den vijand Miltiades het trompetsignaal tot den looppas deed geven, greep Simon zijn lans vaster aan, deed als de anderen het «Eleleu!» en «Alala!» uit den mond galmen en repte de beenen. Het terrein was nog hellend zoodat de versnelde gang geen inspanning kostte. Integendeel, deze scheen hem eene natuurlijker beweging, nu men op den vijand losging, dan de tot nog toe gevolgde stap en hoewel later dan Pheidippides had dat langzame tempo hem ongeduldig gemaakt. Thans echter werd hij bevangen door een kalm, ontspannend gevoel; het scheen hem allengs toe als bevond hij zich in normalen toestand, als had hij zijn gansche leven niets anders gedaan, als zou hij voortaan niets anders doen dan loopen zooals hij thans deed. Het bewustzijn van het doel, waarmede hij liep, verdween; het loopen zelf hield hem geheel bezig. De dood wachtte hem in het gevecht dat weldra aan zou vangen; hij wist het doch het boezemde hem geen belang meer in; de handeling, die hij op het oogenblik verrichtte, vervulde hem alleen en uitsluitend. Het «Alala!» en «Eleleu!» weerklonk voortdurend, eene noodzakelijke begeleiding van den snellen gang, een kreet, die vanzelf ontstaan was en zichzelf telkens weder voortbracht. Simon zag steeds denzelfden man naast wien hij het kamp verlaten had aan zijne rechterzijde en hij nam zich voor het er op toe te leggen dat hij hem nog naast zich zou hebben als men met den vijand handgemeen werd. En terwijl hij keek, bedacht hij op eens hoe hij het hoofd een weinig rechts hield, zoodat hij alleen hen in het oog had, die rechts van hem waren; hij zag rondom zich en bespeurde dat allen het hoofd op dezelfde wijze droegen, een weinig rechts, en hij moest glimlachen, denkend aan die elfduizend hoofden, die alle naar denzelfden kant zagen. Plotseling week hij uit voor een zwaar voorwerp dat op zijn weg lag; hij keek er even naar, herkende den Korinthischen helm van Pheidippides en meende twee, drie rijen voor zich het hoofd van Demetria’s broeder te zien, ontbloot. Langzaam, met moeite zich ontworstelend aan den greep van die ééne gedachte, dat hij liep en loopen moest, bracht hij verband tusschen die twee omstandigheden; hij begreep dat, zooals hij wel gedacht had, Pheidippides den helm al heel spoedig te zwaar gevonden en weggeworpen had. Nu was zijn hoofd onverdedigd; het was zijn eigen schuld.

Op tweeduizend schreden afstand gaf de trompet het signaal tot den stormpas. Eene golving als wanneer de wind over een korenveld strijkt, doorliep de gelederen en in verbijsterende vaart ging het voorwaarts over het niet meer hellend terrein. Van dat oogenblik af ondervond Simon weder eene andere gewaarwording; een onbedwingbaar verlangen om den afstand die nog te doorloopen viel, afgelegd en den vijand bereikt te hebben. Het scheen hem nu toe als ging hij steeds harder loopen, hoewel hij reeds bij het hooren van het signaal eene vaart had genomen, voor versnelling onvatbaar. De trompetten schetterden onafgebroken en het krijgsgeschreeuw klonk nog geweldiger dan straks; het was niet meer de eene man, die het aanhief zoodra de andere het geuit had; allen deden het hooren tegelijkertijd en zonder ophouden. En het bewustzijn van het doel waarmede hij liep, keerde bij Simon terug, grootscher en verheffender; hij was niet meer een enkele Athener, een elfduizendste deel van het leger; hij was Athene, op de barbarenzwermen losstormend om ze weg te drijven van den heiligen bodem des vaderlands. Op hare beurt greep deze gedachte hem even uitsluitend en geheel als straks die andere, toen hij alleen wist dat hij liep, niet waarom hij liep. De man aan zijne rechterzijde was naar achteren geraakt en de rijen liepen door elkander; hij had thans naast zich den dadouchos Kallias, priester der Eleusinische Demeter, die in volledig priesterlijk kostuum aan den aanval deelnam. Maar hij bemerkte het niet; zijne gedachten waren op één punt gericht dat ze niet konden verlaten.

Daar wendde hij met een schok het hoofd af; het kwam hem voor als vloog een groote vogel hem snorrend voorbij. En hij zag, door dit feit van den boei, die zijn geest omgaf, verlost, dat anderen hetzelfde deden. Wederom kostte het hem inspanning om te bedenken waaruit dat vreemde geluid ontstaan kon; het was hem nog niet duidelijk, toen zijn voorman struikelde en viel. Bijna was hij over hem gestort; de man zou zeker wel achter hem opstaan; als zij die volgden en den val niet gezien hadden, hem maar niet vertrapten! Doch eenige passen verder zag hij een anderen man liggen met een bebloeden chiton en hij bemerkte onder het voorbijijlen dat die man een pijl in de keel had, en in hetzelfde oogenblik scheen het hem weer als snorde een groote vogel hem langs het oor.

Een gegons deed zich hooren in de verte, aanzettend en zwellend; naarmate het rees, kwam het Simon voor als klonk het Helleensche krijgsgeschreeuw zwakker. Allengs ging het gegons over in een donderend geloei, den aether scheurend, de geluiden rondom hem overstemmend; hij riep, voorwaarts gierend, steeds harder «Eleleu!» en «Alala!», toornig omdat de kreten der Hellenen, straks zoo indrukwekkend, hem thans zoo gedempt in de ooren klonken. De pijlen zwierden over en langs zijn hoofd; twee-, driemaal zag hij een nevenman storten. Een korte pooze ging het zoo voort, het vreemde gekrijsch dat scheen te naderen steeds machtiger, het krijgsgeschreeuw der zijnen steeds zwakker, alleen de schetterende hoogste tonen der trompetten, die onophoudelijk tetterden, nu en dan scherp hoorbaar.

Toen was het dat in Simons nabijheid iets plaats greep hetgeen zijne aandacht, die in deze laatste oogenblikken door niets had kunnen worden afgeleid, machtig boeide. Keer op keer waren gedurende het laatste gedeelte van den stormloop zijn nevenmannen vervangen; Kallias had reeds lang plaats gemaakt voor een ander en deze weer voor een ander. Maar het was Simon onverschillig geweest; hij zag niet meer wie naast hem liep, geheel in beslag genomen door de ontzettende spanning nu Athenes bestaan op het spel stond. Doch even voordat de beide legers op elkander stootten, zag hij iemand naast zich wiens aanblik voor een korte poos alle andere gewaarwordingen verdreef. Het was een man, naar uiterlijk en kleeding een Attische boer, zonder eigenlijke wapenen, alleen met een ploegstaart in de hand. Hij was niet grooter dan Simon; toch maakte hij den indruk van eene meer dan menschelijke gestalte te bezitten. Simon week onwillekeurig terzijde voor dien vreemden man, dien hij nooit gezien had, die zich zoo geheimzinnig in de Helleensche gelederen mengde, en hij zag dat anderen eveneens terugweken. Maar het was geen angst of schrik, die hem beving; het was dezelfde milde, heilige ontroering, die hem had vervuld toen in den afgeloopen nacht het tweelingpaar der Dioskouren aan zijn blik was verschenen.

Alles smolt in één oorverdoovende klankmassa samen en het Helleensche leger sloeg bij den vijand in.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings