← Table of contents
Lord Lister No. 0338

De nieuwe springstoffen.

Reading edition

Sedert eenige dagen heerschte er een gedrukte stemming op het kantoor van de heeren Macdara en Palmer, fabrikanten van chemische stoffen, die een tamelijk groote fabriek hadden in de Bisshop street te Londen.

Er scheen iets tusschen de beide firmanten te zijn, een oneenigheid, welke haar invloed ook liet gelden tusschen de muren van het kantoor, waar de boekhouder, de facturist, de kassier, en de beide klerken bijeen zaten.

Wat het precies was, wist niemand, want het was alleen aangewezen op vermoedens, maar dat de beide compagnons oneenigheid hadden, dat was duidelijk genoeg te zien.

Macdara en Palmer hadden de zaak ongeveer acht jaar geleden opgericht en tijdens den oorlog hadden zij tamelijk groote winsten gemaakt, die hun in staat hadden gesteld, hun fabriek vrij aanzienlijk uit te breiden, die aanvankelijk niets anders was geweest dan een oud pakhuis, voor het doel verbouwd.

De nieuw gebouwde fabriek lag in een der nieuwste gedeelten van de Bisshop street, aan de grens van de stad gelegen, en de beide firmanten hadden een groot terrein kunnen koopen, waar zij zich ook bezig hielden met de vervaardiging van springstoffen, al was het dan ook op kleine schaal, daar de wet voorschreef, dat er rondom een fabriek een strook van vele tientallen meters onbebouwd moest blijven.

Het personeel der fabriek bestond uit ongeveer veertig man.

Het kantoorgebouw bevond zich op de eerste verdieping, gelijkvloers was de eigenlijke fabriek, waar chemische producten werden vervaardigd, ten behoeve van de fotografie, de geneeskunde, de kleurstoffenfabricate en andere zaken.

Langzamerhand hadden de beide compagnons het gebied van hun werkzaamheden uitgebreid en zij vervaardigden nu aspirine, zoowel als koolzure natrium, digitaline en ook metol.

In den laatsten tijd had Macdara zich toegelegd op de fabricage van aniline kleurstoffen in de hoop, dat hij iets zou kunnen produceeren, gelijkwaardig aan de voortreffelijke Duitsche kleurstoffen, maar ondanks zijn pogingen was hij hier niet in geslaagd.

De beide compagnons hadden heel wat geld besteed aan de talrijke proefnemingen, maar ter beurze werd algemeen gezegd, dat hun zaak er goed voorstond.

Op de derde verdieping van het fabrieksgebouw bevond zich een zeer groot laboratorium, en daar waren ook de donkere kamers tot onderzoek van nieuwe kleurgevoelige zilververbindingen, en eenige werkplaatsen.

Tenslotte waren op de vierde verdieping de magazijnen, waar de afgewerkte producten waren opgestapeld, op de groote, luchtige zolders.

Het particuliere kantoor van de beide firmanten zag met twee ramen op de straat uit, en was van het kantoor van het personeel gescheiden door een wand, die ter halver hoogte uit matglas bestond, en waarin zich een communicatiedeur bevond.

Een tweede deur kwam op een breede gang uit en tenslotte gaf een derde den toegang tot een soort ontvangkamer, bestemd voor de clientèle, en die weer in verbinding stond met een dwarsgang.

Zoowel met de breede trap als met een electrische lift kon men de verschillende verdiepingen bereiken.

Het was op een morgen in het begin van de lente toen het kantoorpersoneel fluisterend bijeen zat, nu en dan naar de tusschendeur loerend.

De boekhouder, een man van een jaar of veertig, met dichte, zwarte wenkbrauwen en breede kaken, Banks geheeten, boog zich naar den facturist over, een oud mannetje zonder eenige spoor van haargroei Coffey geheeten en zeide op zachten toon:

„Ik gaf een lief ding als ik weet, waar zij nu eigenlijk ruzie over hebben. Er wordt toch geld verdiend, nietwaar Duckket?”

Deze vraag was gericht tot den kassier, een man van bijna zestig jaar, met een sluw, rimpelig gezicht, en die een verbazend grooten zwaren bril op de punt van zijn neus liet balanceeren.

„Dat is geen geheim,” antwoordde Duckket met een knipoogje. „Er zijn zeker veel zaken die veel grooter zijn dan de onze, maar die hebben dan ook veel grooter kosten,—en het gaat ons goed, als wij geen al te groote sprongen willen maken, dan zal de zaak er wel op vooruit gaan. Het is vreemd, maar sedert de jonge Jack Helford, de nieuwe chemicus hier is, die protégé van Lord William Aberdeen, lijkt het wel alsof alles van een leien dakje gaat.”

Deze opmerking ontlokte een schamper lachje aan den eersten klerk, Heywood geheeten, een jong mensch van twee of drie en twintig jaar, netjes gekleed en met een bleek gelaat.

„Ik kan niet inzien, dat de nieuweling zoo veel bijzonders verricht,” zeide hij minachtend, „pas op Duckket, ik geloof waarlijk, dat jij ook al een oogje hebt op zijn mooie zuster Ellen.”

„Van dergelijke grapjes zult u mij wel verschoonen, mijnheer Heywood,” hernam Duckket, terwijl hij een nijdig rukje aan zijn pijp gaf. „Ik ben te oud en te lang hier in dienst om mij door zuigelingen als gij zijt, voor den gek te laten houden.”

„Wordt nu maar niet dadelijk zoo kwaad, Duckket!” riep Banks lachend uit, terwijl hij den kassier op de magere schouders klopte.

„Het zou zoo bijzonder niet zijn, dat iemand naar Ellen kijkt, die daar eigenlijk al te oud voor is,” bromde Heywood. „Ik vertel niets nieuws als ik zeg, dat Palmer haar naloopt.”

Met een slag van zijn platte hand op zijn lessenaar viel Duckket uit.

„Ik verzoek je nu in ernst, Heywood, met wat meer eerbied over je patroon te spreken.”

„Stil maar, oudje,” hernam de eerste klerk op spottenden toon. „Ik zal niet meer aan het heilige huisje raken.”

„Bovendien, Heywood, je praat waanzinnig,” zeide Parker, de tweede klerk, „het is immers bekend, dat de heer Palmer zijn blikken elders heeft laten vallen.”

„Ik weet wat je bedoelt, op de aanstaande van onzen chemicus, Maud Fleming.”

„Ik geloof dat het beter is, liet nu het schrale stemmetje van Coffey, den facturist zich hooren, „als wij dergelijke intieme aangelegenheden niet ter sprake brachten. Alles wel beschouwd is dit een kantoor en geen besjeshuis.”

„Dat zou men anders van jou niet zeggen, Coffey,” riep Heywood met een sarrend lachje, en daarop draaide hij zich op zijn hooge kruk om, en hield zich onledig met het schoonmaken van zijn nagels, waaraan hij groote zorg placht te besteden.

Zachtjes neuriede hij daarbij een der jongste danswijsjes voor zich heen, opgevangen in een van de nachtcabarets, waarvan hij een trouw bezoeker was.

En een seconde later was ieder weer druk aan het werk, want de tusschendeur ging open en op den drempel verscheen een krachtig gebouwd man, niet ouder dan veertig jaar met breede schouders, een vlezig gelaat en scherpe oogen, die half verborgen waren onder borstelige wenkbrauwen.

Het was Thomas Macdara, een van de beide compagnons.

Hij bleef een oogenblik in de deuropening staan, een sigaar tusschen de lippen, en de handen in de zakken van zijn colbert.

Hij monsterde de leden van zijn personeel een voor een, en zeide toen:

„Mag ik de heeren er even op attent maken dat ik hen betaal om te werken en niet om als oude wijven te kletsen.”

Niemand antwoordde, en alleen Heywood wierp een loerenden blik op zijn patroon, maar keek dadelijk weer voor zich toen deze hem aanzag.

Nog een oogenblik bleef Macdara staan en daarop ging hij weder heen, de deur achter zich dichtslaand.

„Tuig!” bromde hij voor zich heen. „Als men het niet voortdurend achter de vodden zit besteden zij hun tijd aan spelen en praten en allerlei nonsens, vooral dat jonge goed is lui en onbetrouwbaar.”

Hij wierp zijn halve groote sigaar op zijn aschbak, trad op zijn schrijfbureau toe, opende een sandelhouten kistje, en nam er een versche sigaar uit.

Hij beet er met een krachtigen ruk van zijn scherpe tanden de punt af, spoog die op het dikke vloerkleed uit, en stak zijn sigaar aan.

Met de handen in de zakken, het hoofd op de borst gebogen, en gefronst voorhoofd, liep hij langzaam door het vertrek op een breeden leunstoel van dik leder toe en liet er zich in neer vallen.

Hij strekte de beenen voor zich uit, bleef even onbewegelijk voor zich uitstaren en scheen zachtjes iets voor zich heen te mompelen, dat echter niemand had kunnen verstaan ook al had men zich vlak naast hem bevonden.

Toen strekte hij langzaam de hand uit, tot zijn vinger ruste op de electrische bel op den rand van zijn schrijftafel.

Even scheen hij nog te aarzelen, en toen drukte zijn vinger de bel neder.

Er trad een kantoorjongen binnen, die eerbiedig op den drempel bleef staan.

„Is mijnheer Helford er al?” vroeg Macdara zonder op te zien.

„Mijnheer is zooeven naar het laboratorium gegaan.”

„Ga naar hem toe en vraag of hij even hier wil komen, haast je wat!”

De jongen verliet het vertrek, en Macdara bleef weder alleen.

Niets bewoog nu aan hem, behalve zijn lippen, die zware rookwolken uit zijn sigaar trokken.

Er verstreken een paar minuten en daarop ging de deur opnieuw open, en een jonge man trad binnen, gehuld in een witte laboratoriumjas, die hem tot op de hielen hing en waarvan de mouwen om de polsen waren gesloten.

Hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar zijn en had een knap en intelligent gelaat, waarin twee groote bruine oogen schitterden.

Hij sloot de deur achter zich en bleef toen rustig staan, tot de ander het woord tot hem zou richten.

Maar Macdara scheen in het geheel niet te bemerken dat er iemand binnen getreden was en bleef in dezelfde houding zitten, tot de stem van Helford hem uit zijn gepeins opschrikte die zeide:

„Hier ben ik, mijnheer Macdara. U heeft mij laten roepen?”

De fabrikant sprong op, wierp zijn sigaar weg, streek even met de rechterhand over de oogen en antwoordde toen:

„Ja, Helford, ik wilde je wel even spreken, heb je het druk?”

„Dat gaat vrijwel, mijnheer, wij zijn nu juist bezig aan het onderzoeken van een nieuwe stof, die het celluloid moet vervangen.”

„Hoe staat het met mijn kleurstoffen?”

„Ik moet u tot mijn spijt mededeelen, mijnheer Macdara, dat zij helaas niet houdbaar zijn gebleken. Het blauw was nog het beste uitgevallen, maar het was niet tegen de ontkleuringsproef bestand.”

Macdara beet zich op de lippen en in zijn voorhoofd trok een diepe rimpel.

Hij scheen even na te denken en vervolgde, terwijl hij zijn donkere oogen strak op het gelaat van Helford gevestigd hield:

„Luister eens hier, Helford, je hebt in de laatste weken met mijnheer Palmer samen gewerkt, nietwaar, aan de proeven om tot de samenstelling te geraken van een nieuw springmiddel, veel krachtiger en veel gevaarlijker dan dynamiet, bariet, en petrol?”

„Dat is inderdaad zoo, mijnheer,” antwoordde Helford, en er scheen eenige bevreemding in zijn stem te komen.

„Ik vraag je dit, omdat ik tot mijn spijt heb moeten constateeren dat mijn compagnon mij een weinig buiten deze aangelegenheid heeft gehouden, en zoodoende moet ik mij wel tot onzen chemicus wenden ter verkrijging van nadere bijzonderheden,” voegde hij er met een kort lachje aan toe.

„Dan zal ik u een teleurstelling moeten bereiden, mijnheer,” hernam Helford, eenigszins afgemeten, „want mijnheer Palmer heeft slechts van mijn hulp gebruik gemaakt, voor het bereiden van verbindingen die reeds algemeen bekend zijn. Gij weet echter waarschijnlijk even goed als ik, dat uw compagnon zeer groote verwachtingen koestert van zijn nieuwe springstof, en dat hij er reeds proeven mee heeft genomen, die haar kracht en betrouwbaarheid aantoonden. Het verbaast mij eigenlijk een weinig.….….”

„Dat ik er niet meer van weet?” vulde Macdara op doffen toon den zin aan, „ja, het is ook nogal vreemd dat de eene compagnon geheimen heeft voor den andere en op zijn eigen gelegenheid proeven neemt met een zijner uitvindingen. Gij zijt dus volstrekt niet op de hoogte van de samenstelling van zijn springstof?”

„Ik weet er volstrekt niets meer van, dan gij zelf, mijnheer,” antwoordde de jonge chemicus koeltjes.

„Dan wil ik u niet langer ophouden, waarde Helford,” hernam Macdara snel. „Ga dan maar weer aan uw werk en goed succes verder.”

Hij wuifde even met zijn sterke hand ten afscheid en Helford verdween met een korte buiging.

Macdara bleef weder alleen, en begon met korte stappen door het groote vertrek heen en weer te loopen.

„Hij zal het mij mededeelen,” mompelde hij voor zich heen. „Millioenen en nog eens millioenen is er met deze uitvinding te verdienen, en dat zou hij alleen voor zich zelf willen houden? Wel, dat zullen wij zien, mijnheer Palmer. Ik wil niet langer dat bekrompen leven voeren, niet langer aan het hoofd staan van een derde rangs fabriek, zooals er duizenden zijn. Ik wil genieten van het leven, ik wil mijn aandeel van de millioenen.”

Op dit oogenblik ging de deur snel open en Joseph Palmer, de compagnon, trad binnen.

Hij was omstreeks tien jaren ouder dan Macdara, maar blijkbaar een levenslustig man met groote zorg gekleed, en met een orchidee in het knoopsgat.

Men trof hem als trouwen gast in een der nieuwste danspaleizen in de city, en hij scheen het vak van uitvinder zeer goed te kunnen vereenigen met het beroep van bon viveur.

Hij was verre van kieskeurig in zijn middelen en men noemde algemeen zijn geweten zeer ruim.

Hij keek Macdara een oogenblik schuins aan, met iets als spot en leedvermaak in zijn kleine, doordringende grijze oogen, trok toen langzaam zijn handschoenen uit, hing zijn jas en zijn hoed op, bekeek zijn nagels eens, en vroeg toen, terwijl hij voor Macdara stilstond.

„Nog altijd uit je humeur, compagnon? Je ziet er uit als zeven dagen slecht weer!”

„Ik verzoek je dringend niet te spotten, Palmer,” zeide Macdara tusschen de tanden. „Ik vraag je nu voor de laatste maal of je van zins bent, mij op de hoogte te brengen van je uitvinding.”

„En ik antwoord je voor de zooveelste maal, Macdara, dat ik er niet aan denk,” antwoordde Palmer rustig terwijl hij zijn sigarettenkoker te voorschijn haalde. „Ik zou ook niet weten waarom ik je deelgenoot van mijn uitvinding zou maken, die tusschen haakjes, gisteren haar beslag heeft gekregen. Het middel werkt voortreffelijk en kan in groote hoeveelheden vrij gemakkelijk worden aangemaakt. Ik heb het echter geheel alleen ontdekt, ik heb de formule opgesteld—ze zit hier in mijn binnenzak, als het je soms interesseert, en ik zie niet in waarom ik jou van de voordeelen mee zou laten genieten!”

„Maar voor den duivel, wij zijn toch compagnons!” gromde Macdara, terwijl hij de vuisten balde.

„Ongetwijfeld, maar in het contract betreffende onze vennootschap wordt nadrukkelijk gestipuleerd, dat geen van de beide contractueerenden eenig recht kan doen gelden op geldelijk voordeel voortvloeiend uit de uitvindingen, die geheel en al het werk zijn van den ander, je zult je er dus in moeten schikken, dat ik het Palmerit, dat ik geheel alleen heb uitgevonden, ook alleen exploiteer. En laten wij nu alsjeblieft niet verder over de zaak spreken, daarbij blijft het.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings