← Table of contents
Koning Hendrik de Zesde

VIJFDE BEDRIJF.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

[

Inhoud

]

EERSTE TOONEEL.

Voor Coventry.

Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee Boden en Anderen.

Warwick.

Waar is de bode van den dapp’ren Oxford?

Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?

Eerste Bode.

Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.

Warwick.

Waar is de man, die Montague ons zond?—

Hoe ver is onze broeder Montague?

Tweede Bode.

Nu reeds te Daintry, met een groote macht.

(Sir John Somerville komt op.)

Warwick.

Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon?

En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?

Somerville.

’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam;

Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.

(Men hoort getrommel.)

Warwick.

Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11

Somerville.

Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.) Southam ligt daar;

’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.

Warwick.

Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?

Somerville.

Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.

(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun troepen.)

Koning Edward.

Trompetter, ga en vraag een onderhoud.

Gloster.

Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.

Warwick.

Verwenschte streek! de dartele Edward hier?

Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,

Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?

Koning Edward.

Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?

Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,

Noem Edward koning, vraag van hem genade,

En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.

Warwick.

Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?

Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;

Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,

En blijven zult ge en zijn, hertog van York.

Gloster.

Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;

Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?

Warwick.

Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?

Gloster.

Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;

Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.

Warwick.

Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.

Koning Edward.

Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.

Warwick.

Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;

Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;

Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.

Koning Edward.

Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;

En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:

Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?

Gloster.

Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42

Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,

Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!

Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;

Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.

Koning Edward.

Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!

Gloster.

Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!

Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.

Warwick.

Veel liever zoude ik deze hand mij kappen

En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,

Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.

Koning Edward.

Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—

De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,

En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd

Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:

De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.

(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

Warwick.

O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!

Oxford.

Oxford, Oxford, voor Lancaster!

(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.)

Gloster.

De poort is open; open ook voor ons!

Koning Edward.

Dan konden and’ren in den rug ons vallen.

Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig

De poort uit om een slag ons aan te bieden;

Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij

Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.

Warwick.

Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.

(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

Montague.

Montague, Montague, voor Lancaster!

(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.)

Gloster.

Gij en uw broeder zullen dit verraad

Betalen met uw dierbaarst hartebloed.

Koning Edward.

Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;

En overwinning, heil spelt mij mijn hart.

(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

Somerset.

Somerset, Somerset, voor Lancaster!

(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.)

Gloster.

Twee hertogen van Somerset, als gij,

Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,

Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.

(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

Warwick.

En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76

Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!

Hem geldt een edele ijver voor het recht

Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—

(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met hem.)

Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.

Clarence.

Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?

(Hij neemt de roode roos van den hoed.)

Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;

Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot

Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;

’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,

Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,

Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,

Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?

Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?

Het houden van dien eed waar’ goddeloozer

Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.

Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,

Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,

Mij uw gezworen vijand hier verklaar,

En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—

En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—

U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.

Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,

En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—

Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;

Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;

Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.

Koning Edward.

Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,

Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!

Gloster.

Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.

Warwick.

O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!

Koning Edward.

Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?

Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?

Warwick.

Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!

Ik trek terstond van hier naar Barnet op;

Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.

Koning Edward.

Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—

Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!

(Getrommel. Allen af.)

[

Inhoud

]

TWEEDE TOONEEL.

Een slagveld bij Barnet.

Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar verwonden Warwick.

Koning Edward.

Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;

Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—

Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;

Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!

(Koning Edward af.)

Warwick.

Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,

En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?

Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,

Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,

Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,

En door mijn val de zege aan mijnen vijand.

Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen

De koningsarend schutse vond, wiens schaduw

Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin

Neêrzag op Jupiters verkoren boom

En struikjes hoedde voor des winters vlagen.

Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,

Was eens doordringend als de middagzon,

Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;

De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,

Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;

Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?

Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?

Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!

Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,

Begeven mij; van al mijn landbezit

Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.

O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?

Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.

(Oxford en Somerset komen op.)

Somerset.

Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,

O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!

Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin

Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!

Warwick.

Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,

Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,

En houd mijn ziel terug met uwe lippen!

Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen

Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat

Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.

Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.

Somerset.

O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,

En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,

En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”

Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,

Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf

En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst

Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:

„Vaarwel, mijn Warwick!”

Warwick.

Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;

Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!

(Hij sterft.)

Oxford.

Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!

(Beiden af, met Warwick’s lijk.)

[

Inhoud

]

DERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence, Gloster en de Overigen.

Koning Edward.

Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,

En sieren zegekransen ons het hoofd.

Doch in den middagglans van dezen dag

Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt

En strijden wil met onze gouden zon,

Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;

Mylords, de strijdmacht, die de koningin

In Gallië samenbracht, is reeds geland,

Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.

Clarence.

Een stijve bries verstrooit welras die wolk,

En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;

Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;

Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.

Gloster.

Men schat de koningin op dertigduizend;

Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—

Kan zij op adem komen, wees verzekerd,

Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.

Koning Edward.

Van trouwe vrienden kregen wij bericht,

Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.

Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,

Terstond daarheen, want ijver kort den weg;

En onderweg groeit onze macht wis aan

In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—

De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!

(Trompetgeschal. Allen af.)

[

Inhoud

]

VIERDE TOONEEL.

Een vlakte bij Tewksbury.

Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en Soldaten komen op.

Koningin Margaretha.

Verheven lords,

Geen wijze zit en jammert om verliezen;

Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.

Zij ook de mast ons overboord gewaaid,

De kabel middendoor, het anker weg,

En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,

Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij

Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje

Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,

En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,

Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed

En vlijt kon redden, op de klippen stoot?

O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!

Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?

En Montague de bramsteng,—wat dan verder?

Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?

Is Oxford hier ons niet een ander anker,

En Somerset een and’re goede mast,

En onze Fransche vrienden want en tuig? 18

Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,

Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?

Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;

Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip

Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.

Of gij de baren hoont of prijst, is een.

En wat is Edward dan een booze zee?

En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?

En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?

Die allen zijn onze arme hulk vijandig.

Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;

Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;

Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,

Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.

Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,

Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,

Niet meer genade bij de broeders vindt,

Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.

Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,

Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.

Prins.

Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,

Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,

Zijn borst vervullen van een heldenmoed,

Om naakt een man in waap’nen te verslaan.

Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;

Want als ik iemand hier van vrees verdacht,

’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,

Opdat hij in den nood geen ander aansteek’

En van denzelfden geest doe zijn als hij.

Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—

Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.

Oxford.

Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—

En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—

O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde

Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang

En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!

Somerset.

En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,

Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,

Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.

Koningin Margaretha.

Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!

Prins.

Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59

(Een Bode komt op.)

Bode.

Bereidt u, lords, want Edward is nabij,

Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!

Oxford.

Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;

Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.

Somerset.

Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.

Koningin Margaretha.

’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.

Oxford.

Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.

(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence komen op, met troepen).

Koning Edward

(tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het doornenwoud,

Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,

Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.

’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,

Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—

Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!

Koningin Margaretha

(tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik zeggen wilde,

Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,

Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.

Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne

Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,

Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,

Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;

En ginder is de wolf, die dit bedreef.

Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,

Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!

(Beide legers af).

[

Inhoud

]

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen.

Koning Edward.

Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde.

Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham;

En Somerset, het schuldig hoofd hem af!

Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.

Oxford.

Ik zal u niet met woorden lastig vallen.

Somerset.

Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.

Koningin Margaretha.

Wij scheiden treurig in dit jammerdal;

Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.

(Oxford en Somerset af, met een wacht).

Koning Edward.

Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt,

Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?

Gloster.

Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11

(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.)

Koning Edward.

Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—

Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?

Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven

Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,

En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?

Prins.

Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,

En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:

Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,

Terwijl ik u dezelfde vragen stel,

Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.

Koningin Margaretha.

O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!

Gloster.

Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,

En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.

Prins.

Æsopus moge in winternachten faab’len;

Hier passen zulke hondsche raadsels niet.

Gloster.

Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.

Koningin Margaretha.

Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.

Gloster.

Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!

Prins.

Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.

Koning Edward.

Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.

Clarence.

Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.

Prins.

Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;

Wellustige Edward,—eedvergeten George,—

En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:

Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,

En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.

Koning Edward.

Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!

(Hij doorsteekt hem.)

Gloster.

Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!

(Hij doorsteekt hem.)

Clarence.

En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!

(Hij doorsteekt hem.)

Koningin Margaretha.

O, doodt ook mij!

Gloster.

Voorwaar, terstond! 42

(Hij richt het zwaard op haar).

Koning Edward.

Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.

Gloster.

Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?

Koning Edward.

Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.

Gloster

(ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en broeder van mij;

Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;

Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.

Clarence.

Wat? wat?

Gloster.

De Tower! de Tower!

(Gloster af.)

Koningin Margaretha.

Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!

Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!

Die Cæsar doodden, deden geenen moord,

Misdreven niets, verdienden geen berisping,

Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;

Hij was een man en dit een kind bij hem;

Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.

Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?

Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;

En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—

Slachters en schurken! wreede kannibalen!

Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!

Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,

Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;

Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan

Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,

Als, beulen, dezen jongen prins door u!

Koning Edward.

Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!

Koningin Margaretha.

Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!

Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.

Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.

Clarence.

Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.

Koningin Margaretha.

Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.

Clarence.

Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.

Koningin Margaretha.

Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;

Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.

Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,

De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?

Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;

Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.

Koning Edward.

Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!

Koningin Margaretha.

’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82

(Koningin Margaretha wordt weggevoerd.)

Koning Edward.

Waar is nu Richard heen?

Clarence.

Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij

Daar in den Tower een bloedig avondmaal.

Koning Edward.

Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt.

Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk

Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen,

En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt;

Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.

(Allen af.)

[

Inhoud

]

ZESDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in den Tower.

Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van den Tower staat naast hem. Gloster komt op.

Gloster.

Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?

Koning Hendrik.

Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;

Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;

Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,

Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.

Gloster.

Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.

(De Slotvoogd af.)

Koning Hendrik.

Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;

Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol

En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—

Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?

Gloster.

Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;

De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.

Koning Hendrik.

De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,

Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;

Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,

Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling

Gelijmd door werd, gevangen en gedood.

Gloster.

Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,

Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!

Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.

Koning Hendrik.

’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,

Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,

Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen

De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,

Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.

O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;

Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,

Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.

Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?

Gloster.

Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?

Koning Hendrik.

Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;

Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,

Dan, zeker, zijt ge een beul. 33

Gloster.

Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.

Koning Hendrik.

Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,

Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.

En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,

Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,

En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,

En veler weezen óverstroomend oog,—

Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,

En weezen om der oud’ren vroegen dood,—

Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.

Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;

De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;

Storm loeide en velde boomen; honden huilden;

De raaf streek neder op den schoorsteentop;

En eksters krijschten oordoorborend saâm.

Uw moeder voelde meer dan moederweeën,

Toch bracht zij minder dan een moeders hope,

Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,

Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;

En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,

Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;

En is het and’re waar, dat ik vernam,

Dan kwaamt gij—

Gloster.

Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!

(Hij doorsteekt hem.)

Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.

Koning Hendrik.

Ja, en tot vele moorden nog na dezen.

O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!

(Hij sterft.)

Gloster.

Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster

Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;

Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!

O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen

Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—

Zoo in u nog een sprankje levens huist,

Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;

(Hij doorsteekt hem nog eens.)

Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.

Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—

En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—

Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.

En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,

Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?

De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74

„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”

Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,

Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.

Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,

Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.

Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;

En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,

Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,

Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—

O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;

Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;

Want profetieën zal ik gonzen doen,

Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;

En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.

Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;

Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;

Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—

Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;

Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!

(Gloster af, met het lijk.)

[

Inhoud

]

ZEVENDE TOONEEL.

Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth met den kleinen Prins; Clarence, Gloster, Hastings en Anderen, om hem heen.

Koning Edward.

Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,

Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.

Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,

Als koren, neergemaaid in al hun trots!

Drie hertogen van Somerset, driewerf

Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;

Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;

En twee Northumberlands, de kloekste ridders,

Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;

En dan dat onversaagde berenpaar,

Warwick en Montague, dat met hun keet’nen

Den koninklijken leeuw gekluisterd hield

En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.

Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon

En maakten veiligheid tot onze voetbank.—

Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!

Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms

In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,

Te voet des zomers middaggloed verduurd,

Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;

Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.

Gloster

(ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ oogst;

Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.

Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,

En heffen zal hij lasten, of hij breekt.

(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.)

Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25

Koning Edward.

Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade

Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!

Clarence.

De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel

Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.

Koningin Elizabeth.

Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!

Gloster.

Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,

Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—

(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer

En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.

Koning Edward.

Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf

Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.

Clarence.

Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?

Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk

Sicilië en Jeruzalem verpand;

En dit is als haar losgeld hier gezonden.

Koning Edward.

Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—

En wat nu verder, dan den tijd te wijden

Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,

Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?

Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!

Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.

(Allen af.)

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings