← Table of contents
Koning Hendrik de Zesde

DERDE BEDRIJF.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

[

Inhoud

]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Het parlementshuis.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het.

Winchester.

Komt gij met lang- en welgewikte regels,

Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,

Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,

En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,

Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,

Zooals ik voor de vuist en hier terstond

Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.

Gloster.

Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,

Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.

Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,

Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—

Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,

Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;

Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,

Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,

Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.

Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17

Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,

Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is

Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.

En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?

Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,

Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?

Ja, werden uw gedachten eens gezift,

Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,

De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.

Winchester.

’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,

Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.

Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,

Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?

Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek

Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?

Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede

Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?

Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,

Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;

Niemand dan hij moet om den koning zijn;

En dit verwekt dien donder in zijn borst,

En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;

Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—

Gloster.

Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed.…?

Winchester.

Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!

Een man, die op eens andren troon wil heerschen!

Gloster.

Wat! ben ik geen protector, drieste paap?

Winchester.

En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46

Gloster.

Ja, zooals een bandiet een slot bezet,

En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.

Winchester.

Onwaardig spotter, gij!

Gloster.

Onwaardig spotter, gij! En gij zijt waardig

Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.

Winchester.

Dit wreke Rome!

Warwick.

Dit wreke Rome! Ruim dan ’t land voor Rome.

Somerset.

Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.

Warwick.

Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.

Somerset.

Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,

En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.

Warwick.

Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;

Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.

Somerset.

Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.

Warwick.

Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?

Is zijn genade hier niet rijks-protector?

Plantagenet

(ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,

Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!

„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”

’k Had anders gaarne een twist met Winchester.

Koning Hendrik.

Mijn ooms van Gloster en van Winchester,

Gestelde wakers over Englands welzijn,

Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik

In liefde en eendracht uwe harten saam.

O welk een smading is ’t van onze kroon,

Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.

Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,

Dat burgertwist een giftige adder is,

Die de ingewanden van den staat doorknaagt.

(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”)

Wat is dat voor geraas?

Warwick.

Wat is dat voor geraas? Een oploop, wed ik,

Boosaardig door des bisschops volk verwekt.

(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”)

(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.)

Mayor.

O goede lords en deugdenrijke Hendrik,

Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!

Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!

Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,

De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.

Zij smijten, in partijen saamgerot,

Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,

Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.

In elke straat zijn vensters ingesmeten:

Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.

(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende binnen, met bebloede koppen.)

Koning Hendrik.

’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:

Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87

Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.

Eerste Dienaar.

Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken we onze tanden.

Tweede Dienaar.

Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.

(Zij worden weder handgemeen.)

Gloster.

Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,

En staakt terstond dien ongehoorden strijd.

Eerste Dienaar.

Mylord, wij weten ’t allen, uw genade

Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst

Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;

En nimmer dulden wij, dat zulk een prins

En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,

Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;

Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,

Met uw belagers, tot zij ons verslaan.

Derde Dienaar.

Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels

Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.

(Zij worden weder handgemeen.)

Gloster.

Stil, zeg ik, stil!

En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,

Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.

Koning Hendrik.

O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—

Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten

En tranen zien, en wordt uw hart niet week?

Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?

Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,

Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?

Warwick.

Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,

Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren

Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.

Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord

Door uwe vijandschap reeds is verwekt;

Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.

Winchester.

Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.

Gloster.

Uit deernis voor den koning moet ik buigen;

’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,

Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.

Warwick.

Zie nu, mylord van Winchester, de hertog

Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,

Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;

Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?

Gloster.

Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.

Koning Hendrik.

Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127

Dat boosheid groote, zware zonde was;

En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,

Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?

Warwick.

Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—

Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!

Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?

Winchester.

Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,

En bied voor liefde liefde, hand voor hand.

Gloster

(ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—

Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,

Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap

Voor ons en al de dienaars van ons huis.

En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!

Winchester

(ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!

Koning Hendrik.

O waardige oom, en beste hertog Gloster,

Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—

Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;

Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.

Eerste Dienaar.

’t Is wel; ik zoek een wondarts op.

Tweede Dienaar.

’t Is wel; ik zoek een wondarts op. Ik ook.

Derde Dienaar.

En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.

(De Mayor, de Dienaars, enz. af.)

Warwick.

Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;

Het vraagt aan uwe majesteit herstelling

Der rechten van Richard Plantagenet.

Gloster.

Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,

Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,

Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,

Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds

In Eltham bij uw majesteit deed gelden.

Koning Hendrik.

En, oom, het waren reed’nen van gewicht;

Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,

Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.

Warwick.

Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;

Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.

Winchester.

Wat allen willen, wil ook Winchester.

Koning Hendrik.

Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem

Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,

Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,

Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.

Plantagenet.

Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,

En onderdaan’gen dienst tot in den dood.

Koning Hendrik.

Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169

En ter belooning van uw huldiging,

Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.

Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.

Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.

Plantagenet.

Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,

En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,

Die aan uw majesteit met afgunst denkt.

Allen.

Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!

Somerset

(ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!

Gloster.

Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,

Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.

Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde

Bij onderdanen en getrouwe vrienden,

En rooft aan elk, die vijand is, den moed.

Koning Hendrik.

Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;

Want menig vijand zwicht door vriendenraad.

Gloster.

Uw schepen zijn reeds zeilreê.

(Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.)

Exeter.

Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,

Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!

De pas ontglommen tweedracht dezer pairs

Brandt onder de asch van valsche liefde voort

En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;

Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,

Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,

Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.

Nu wekt die booze profetie mij vrees,

Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,

Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:

„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,

„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”

Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,

Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!

(Exeter af.)

[

Inhoud

]

TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Rouaan.

De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met zakken op den rug.

Pucelle.

Dit is de poort der veste, van Rouaan,

Waar onze list een bres zich door moet oop’nen.

Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw,

En praat zooals ’t gewone marktvolk doet,

Dat in de stad zijn koren komt verkoopen.

Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen

En vinden wij de trage wacht er zwak,

Dan geef ik onzen vrienden ras een sein,

Opdat de prins dauphijn hen overvall’.

Eerste Soldaat.

Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren

En make ons heer en meester van Rouaan.

Komt! aangeklopt!

Wacht

(binnen). Qui est là?

Pucelle.

Paysans, pauvres gens de France;

Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.

Wacht

(de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16

Pucelle.

Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.

(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.)

(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.)

Karel.

Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!

Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.

Bastaard.

Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;

Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,

Waar wij het best en veiligst binnendringen?

Alençon.

Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;

En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,

Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.

(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel omhoog.)

Pucelle.

Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,

Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,

Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.

Bastaard.

Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;

Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.

Karel.

Het lichte daar als een komeet der wrake,

En als profeet van onzes vijands val!

Alençon.

Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;

Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”

En slaat de wachters aan de poort ter neer.

(Zij dringen de stad binnen.)

(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.)

Talbot.

Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,

Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.

Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,

Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,

Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.

(Zij trekken stedewaarts op.)

(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford, die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.)

Pucelle.

Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41

Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,

Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.

Het was vol dolik; staat de smaak u aan?

Bourgondië.

Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!

’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,

En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.

Karel.

Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.

Bedford.

Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!

Pucelle.

Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,

En op den dood een rit doen in een stoel?

Talbot.

Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,

Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,

Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,

Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?

Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,

Of Talbot moge aan deze schande sterven.

Pucelle.

Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;

Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—

(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.)

God zegen ’t parlement! wie is de spreker?

Talbot.

Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?

Pucelle.

Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg

Tot toetsing, of het onze wel het onze is.

Talbot.

Ik spreek niet tot die smalende opperheks;

Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;

Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?

Alençon.

Neen, heer.

Talbot.

Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!

Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,

En niet als ridders strijden in het veld.

Pucelle.

Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,

Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—

Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts

Om u te zeggen, dat wij hier zijn.

(De Pucelle met de Anderen af.)

Talbot.

Wij willen mede daar zijn, en eerlang,

Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!

Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,

Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,

Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;

En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,

En hier zijn vader heeft gezegevierd,

Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad

Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,

Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84

Bourgondië.

Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.

Talbot.

Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,

Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!

Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,

Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.

Bedford.

Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;

’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,

En deelgenoot zijn van uw wel of wee.

Bourgondië.

Manhafte Bedford, laat u overreden.

Bedford.

Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,

Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed

Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.

’k Verlevendig misschien den moed der strijders,

Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.

Talbot.

Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—

Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—

En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;

Maar onze macht verzameld tot den aanval;

Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!

(Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven achter.)

(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen op.)

Hopman.

Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!

Fastolfe.

Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;

Wij worden zeker weer teruggeslagen.

Hopman.

Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?

Fastolfe.

Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.

(Sir John Fastolfe af.)

Hopman.

Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.

(De Hopman af.)

(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en Anderen, die vluchtende heengaan.)

Bedford.

Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;

Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.

Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?

Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,

Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.

(Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.)

(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.)

Talbot.

Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115

Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;

Doch Gode zij de roem van deze zege!

Bourgondië.

Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.

Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden

Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.

Talbot.

Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?

Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;

Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?

Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,

Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.

Laat thans ons alles reeg’len in de stad,

Er kundige officieren achterlaten,

Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,

Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.

Bourgondië.

Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.

Talbot.

Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,

Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.

Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.

Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,

Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;

Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;

Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.

(Allen af.)

[

Inhoud

]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. De vlakte bij Rouaan.

Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met troepen.

Pucelle.

Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,

’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;

Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,

Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.

De dolle Talbot triumfeere een poos,

En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,

Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,

Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.

Karel.

Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,

En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;

Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.

Bastaard.

Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,

En heel de wereld melden wij uw roem.

Alençon.

Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,

U eerend als een heil’ge patrones;

Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.

Pucelle.

Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:

Door zachte toespraak en met honigwoorden

Verlokken wij den hertog van Bourgondië,

Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20

Karel.

Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan

Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;

Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,

Maar ras gerooid uit onze landen zijn.

Alençon.

Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,

En leenden van geen graafschap hier den naam.

Pucelle.

De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,

De zaak in de gewenschte haven breng.

(Getrommel in de verte.)

Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,

Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.

(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt voorbij.)

Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—

En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.

(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne troepen.)

Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!

Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—

Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.

(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.)

Karel.

Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!

Bourgondië.

Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër?

Pucelle.

Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.

Bourgondië.

Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.

Karel.

Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.

Pucelle.

Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,

Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.

Bourgondië.

Spreek op, maar wees niet overmatig lang.

Pucelle.

Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,

En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield

Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.

Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,

Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,

Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie

Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,

Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.

O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.

Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;

Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,

Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55

Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,

En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.

Bourgondië.

Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,

Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.

Pucelle.

Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;

Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.

Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,

Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.

Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,

U tot zijn werktuig makend van verderf,

Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?

U stoot men als een overlooper uit.

Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:

Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,

En was hij niet in England krijgsgevangen?

Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,

Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,

Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.

Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;

Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.

Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!

Als Karel, spreiden allen de armen open.

Bourgondië.

’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal

Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,

En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—

Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!

En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;

Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.

Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.

Pucelle

(ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!

Karel.

Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.

Bastaard.

En wekt ons nieuwen moed in onze borst.

Alençon.

Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,

En een gravinnekroontje er mee verdiend.

Karel.

Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,

En dan getracht den vijand schâ te doen.

(Allen af.)

[

Inhoud

]

VIERDE TOONEEL.

Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis.

Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon, Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner officieren.

Talbot.

Doorluchte souverein en eed’le pairs,

Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,

Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,

Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;

Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer

Dan vijftig sterke sloten voor u won,

Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,

Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—

Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;

(Hij knielt neder.)

En schrijft met onderdanig trouw gemoed,

Den roem en de eere der bevochten zeges,

Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.

Koning Hendrik.

Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13

Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?

Gloster.

Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.

Koning Hendrik.

Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!

’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—

’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,

Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.

Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,

Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:

Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,

En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,

Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.

Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,

Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;

Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af, behalve Vernon en Basset.)

Vernon.

Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee

Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,

Die ik, Mylord van York ter eere, draag;

Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?

Basset.

Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft

Het nijdig keffen van uw drieste tong

Tegen mijn heer, den hertog Somerset.

Vernon.

Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.

Basset.

Nu, en wat is hij? even goed als York.

Vernon.

Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.

(Hij geeft hem een slag.)

Basset.

Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,

Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;

Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.

Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit

En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;

Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.

Vernon.

Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan

Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.

(Beiden af.)

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings