TWEEDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
[
Inhoud
]
EERSTE TOONEEL.
Voor Orleans.
Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.
Sergeant.
Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!
Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat
Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken
Ons in het wachthuis fluks bericht er van.
Eerste Schildwacht.
Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men arme knechten,
Als andren in hun zachte bedden slapen,
Op wacht in regen, koude en duisternis.
(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun trommen slaan een gedempten marsch.)
Talbot.
Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,
Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,
Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,
De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,
Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;
Omhelzen wij dus die gelegenheid
Om hun het loos bedrog weer te vergelden,
Dat list en snoode tooverij bedacht. 15
Bedford.
Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!
Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,
En sloot met hel en heksen een verbond!
Bourgondië.
Geen andren omgang hebben ooit verraders.
Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,
Wie is zij?
Talbot.
Men zegt een meisje.
Bedford.
Men zegt een meisje. Een meisje, en zoo strijdhaftig!
Bourgondië.
God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,
Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard
De wapens draagt, zooals zij nu begon.
Talbot.
Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!
Voor ons is God een burg; beklimmen wij
In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!
Bedford.
Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.
Talbot.
Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,
Dat we op verscheiden punten binnendringen,
Opdat, zoo het een van ons mislukt,
Een ander van hun macht het winnen kan.
Bedford.
Goed. Ik kies gindschen hoek.
Bourgondië.
Goed. Ik kies gindschen hoek. En ik dien andren.
Talbot.
En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—
Nu, Salisbury, voor u en voor het recht
Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,
Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37
(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” en „Talbot”, en dringen allen in de stad.)
Schildwacht
(achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier storm!
(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half aangekleed, half onaangekleed.)
Alençon.
Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?
Bastaard.
Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.
Reignier.
’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;
Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.
Alençon.
Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit
Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,
Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.
Bastaard.
Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.
Reignier.
Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.
Alençon.
Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?
Bastaard.
O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.
(Karel komt op, met de Pucelle.)
Karel.
Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?
Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,
Een kleine, zoete winst deelachtig worden,
Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?
Pucelle.
Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?
Verlangt gij mijne macht steeds even groot?
Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,
Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?
Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid
Zou dezen overval voorkomen hebben.
Karel.
Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,
Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,
Niet beter van dien grooten plicht u kweet.
Alençon.
Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest
Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,
Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.
Bastaard.
Het mijn’ was goed verzekerd.
Reignier.
Het mijn’ was goed verzekerd. Zoo ook ’t mijne.
Karel.
Wat mij betreft, het grootste deel der nacht
Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,
Besteed om telkens heen en weer te gaan
Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;
Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?
Pucelle.
Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72
Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens
Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.
Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:
’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,
En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.
(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.)
De Soldaat.
’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.
De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;
Met rijken buit heb ik mij hier beladen,
En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.
(De Soldaat af.)
[
Inhoud
]
TWEEDE TOONEEL.
Orleans. Binnen de stad.
Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op.
Bedford.
De dag breekt aan, gevloden is de nacht,
Die met haar ravenmantel de aard omgaf.
Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.
(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.)
Talbot.
Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,
En plaatst de baar hier op het open marktplein,
Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—
’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;
Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,
Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.
Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,
Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,
Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,
Waarin zijn overschot begraven worde,
En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,
Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,
’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,
En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—
Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,
Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,
Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,
Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.
Bedford.
Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,
Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,
En, onder hoopen krijgers, van den wal
Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.
Bourgondië.
Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel
En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—
Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;
Zij vloden, arm in arm, met alle macht,
Gelijk een paar verliefde tortelduiven,
Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.
Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,
Dan zetten wij met volle macht hen na. 33
(Een Bode komt op.)
Bode.
Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar
Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,
Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?
Talbot.
Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?
Bode.
De deugdrijke gravinne van Auvergne,
Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,
Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,
Haar te bezoeken op haar armen burg,
Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,
Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.
Bourgondië.
Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg
Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,
Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—
Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.
Talbot.
Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen
Met alle redekunst bereiken zou,
Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—
Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,
En onderdanig haar bezoeken zal.—
Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?
Bedford.
Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;
’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten
’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.
Talbot.
Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,
Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.
Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij begrijpt mij?
Hopman.
Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.
(Allen af.)
[
Inhoud
]
DERDE TOONEEL.
Auvergne. Het binnenplein van het kasteel.
De Gravin en haar Portier komen op.
Gravin.
Portier, onthoud wat ik u heb gelast,
En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.
Portier.
Ik zal het doen, geëerde vrouwe.
(De Portier af.)
Gravin.
De val is nu gesteld; gaat alles goed,
Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,
Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.
Groot is de naam van dien gevreesden ridder,
En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;
’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,
Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.
(De Bode komt op, met Talbot.)
Bode.
Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,
Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.
Gravin.
En hij is welkom. Wat! is dit de man?
Bode.
Zoo is ’t, gravin.
Gravin.
Is dit dus Frankrijks geesel?
Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,
Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?
Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,
Een tweede Hector, grimmig van gelaat,
Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;
En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22
Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen
Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.
Talbot.
Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;
Doch daar u dit niet recht gelegen komt,
Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.
Gravin.
Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.
Bode.
Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt
De reden van uw rasch vertrek te weten.
Talbot.
Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik
’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.
(De Portier komt weder terug, met sleutels.)
Gravin.
Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.
Talbot.
Gevangne? wiens?
Gravin.
Bloedgierig lord, de mijne;
Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.
Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,
Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;
Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;
Die armen wil ik keet’nen en die beenen
Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren
Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,
En onze zoons en mannen weggesleept.
Talbot.
Ha, ha, ha!
Gravin.
Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.
Talbot.
Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,
Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,
Om daar uw booze strengheid op te koelen.
Gravin.
Zijt gij de man dan niet?
Talbot.
Zijt gij de man dan niet? Dat ben ik zeker.
Gravin.
Dan heb ik ook uw wezen.
Talbot.
Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;
Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;
Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,
Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.
Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,
Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,
Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56
Gravin.
Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;
Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;
Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?
Talbot.
Dit toon ik u terstond.
(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.)
Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,
Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?
Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,
Waarmee hij uw rebellennekken jukt,
Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,
In minder dan een omzien woest doet zijn.
Gravin.
Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;
Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,
En meer dan uw gestalte deed vermoeden.
Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;
Het doet mij leed, dat ik u niet ontving
Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.
Talbot.
Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken
Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst
In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.
Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,
En andre schadeloosstelling eisch ik niet,
Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn
Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,
Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.
Gravin.
Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,
Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.
(Allen af.)
[
Inhoud
]
VIERDE TOONEEL.
Londen. De hof van den Tempel.
De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op.
Plantagenet.
Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?
Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?
Suffolk.
Te luide spraken we in de Tempelzaal;
Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.
Plantagenet.
Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,
En of die twister Somerset het mis had.

Koning Hendrik VI, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.
Suffolk.
Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,
En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;
En plooi daarom het recht naar mijnen wil.
Somerset.
Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.
Warwick.
Welk van twee valken zich het steilst verheft,
Welk van twee honden schooner, dieper blaft,
Welk van twee klingen van het fijnste staal is,
Welk van twee paarden fraaier houding heeft,
Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,
Hierin treed ik desnoods als rechter op,
Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,
Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.
Plantagenet.
Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19
De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,
Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.
Somerset.
Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;
Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,
Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.
Plantagenet.
Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,
Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.
Wie onder u echt edelman zich rekent,
En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,
Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,
Met mij van dezen struik een witte roos.
Somerset.
En wie geen lafaard of geen vleier is,
Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,
Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.
Warwick.
Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,
En zonder lage vleierij pluk ik
De witte roos hier met Plantagenet.
Suffolk.
En ik deez’ roode roos met Somerset,
En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.
Vernon.
Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,
Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen
Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,
Des andren aanspraak recht en juist zal achten.
Somerset.
Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;
Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.
Plantagenet.
En ik.
Vernon.
Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,
Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,
En kies zoo voor de witte roos partij.
Somerset.
Prik u niet in den vinger, als gij plukt;
Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,
En stemt gij tegen uwen zin voor mij.
Vernon.
Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,
Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,
En houdt mij aan de zijde, die ik koos.
Somerset.
Goed, goed; komaan, wie verder?
Rechtsgeleerde.
Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.
Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;
En daarom pluk ook ik een witte roos. 58
Plantagenet.
Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?
Somerset.
In deze scheê; desnoods zal dit bewijs
Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.
Plantagenet.
Toch bootst uw wang thans onze rozen na;
Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis
Voor onze waarheid.
Somerset.
Voor onze waarheid. Neen, Plantagenet,
Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang
Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,
En toch uw tong uw dwaling niet erkent.
Plantagenet.
Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?
Somerset.
Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.
Plantagenet.
Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,
Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.
Somerset.
Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,
Die mijne bloedig roode rozen dragen
En staven zullen, dat ik waarheid spreek,
Waar geen Plantagenet verschijnen durft.
Plantagenet.
Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot
Met u en uwen aanhang, jonge knaap.
Suffolk.
Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.
Plantagenet.
Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.
Suffolk.
Ik slinger u mijn deel weer in den strot.
Somerset.
O zwijg, mijn beste William de la Poole;
Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.
Warwick.
Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;
Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,
Den derden zoon des derden konings Edward.
Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?
Plantagenet.
Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;
Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.
Somerset.
Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik
Op iedre plek der christenwereld vol.
Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,
Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?
En heeft niet zijn verraad u aangestoken,
Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?
Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;
En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.
Plantagenet.
Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97
Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;
Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,
Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.
Maar prent u in, gij en uw helper Poole:
Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,
Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;
Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.
Somerset.
Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid
En kent den vijand dan aan deze kleur,
Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.
Plantagenet.
En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,
Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,
Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,
Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,
Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.
Suffolk.
Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;
En nu vaarwel, tot ik u weder tref.
(Suffolk af.)
Somerset.
Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.
(Somerset af.)
Plantagenet.
Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.
Warwick.
De smet, die zij daar werpen op uw huis,
Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,
Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.
Indien gij dan niet hertog wordt van York,
Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.
’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,
Den trotschen Somerset en Poole ten trots,
Met deze roos aan uwe zij mij scharen.
En dit voorspel ik: deze twist van heden,
Die in den hof hier tot partijschap wies,
Zendt, met de roode en witte roos als leuze,
Veel duizend zielen in verderf en dood.
Plantagenet.
Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,
Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.
Vernon.
U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.
Rechtsgeleerde.
Zoo doe ik ook.
Plantagenet.
Ik dank u, waarde heer.
Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist
Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.
(Allen af.)
[
Inhoud
]
VIJFDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in den Tower.
Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders binnengedragen.
Mortimer.
Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,
Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—
Gelijk een man, pas van de folterbank,
Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;
Die grijze lokken, als des doods herauten,
Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,
Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.
Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker
Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,
De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,
En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,
Die zijn verwelkte loten hangen laat.
En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,
Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—
Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,
Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—
Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?
Gevangenbewaarder.
Richard Plantagenet zal komen, heer.
Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,
En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.
Mortimer.
Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—
Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.
Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot
In wapenroem was, hier begon te heerschen,
Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;
En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd
En van zijn eer en erflijk goed beroofd.
Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,
De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,
Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—
Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,
En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!
(Richard Plantagenet komt op.)
Gevangenbewaarder.
Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.
Mortimer.
Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?
Plantagenet.
Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,
Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.
Mortimer.
Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,
En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.
Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,
Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.
En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,
Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.
Plantagenet.
Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,
En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.
’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak
Tot woorden tusschen Somerset en mij,
Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte
En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.
Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;
’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.
Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,
En bij uw eer als een Plantagenet, 52
Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,
De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.
Mortimer.
Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij
Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,
Mij in een duffen kerker deed versmachten,
Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.
Plantagenet.
Onthul mij breeder, welke grond dit was;
Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.
Mortimer.
Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,
De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.
De grootvader van onzen jongen vorst,
Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef
Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins
Was oudste zoon en wettig erfgenaam
Van Koning Edward, van dien naam den derden.
Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden
De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,
Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,
Mij op den troon van England te verheffen.
Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,
Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was
En hij geen enklen telg had nagelaten,—
Ik door mijn stam en bloed de naaste was.
Van moeders zij toch heb ik Lionel,
Hertog van Clarence, derden zoon van Edward
Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik
Van hertog Jan van Gent was afgestamd,
Die slechts de vierde was dier heldenrij.
Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,
Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,
Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.
Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik
Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,
Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd
Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,
Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,
Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger
Geworven in de hoop, mij te bevrijden,
En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;
Maar als die andren, viel deze eed’le graaf
En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,
Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.
Plantagenet.
Van welke gij, mylord, de laatste zijt.
Mortimer.
Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,
Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.
Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,
Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.
Plantagenet.
Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98
Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader
Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.
Mortimer.
Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;
Het huis van Lancaster is hecht geworteld,
En, evenals een berg, niet weg te schuiven.
Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,
Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven
In éénen vasten zetel hen verdriet.
Plantagenet.
O oom, vermocht een deel van mijne jeugd
Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!
Mortimer.
Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,
Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.
Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;
Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.
En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!
Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!
(Mortimer sterft.)
Plantagenet.
Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!
In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,
En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—
Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;
Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—
Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg
Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—
(De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.)
Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,
Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;
En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,
Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,
Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;
En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;
’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,
Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.
(Plantagenet af.)
[
Inhoud
]