Kinderleed.
Reading edition
Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen, eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig op zijde had geschoven, zei mijn vader: „Meneer Nelissen is zoo even bij mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere school moet, ventje.”
„Och heden, dat is jammer!” zei mijn moeder; „dat zal je spijten, hè, Willem?”
„Hè ja!” riep ik uit, „zoo'n prettige school.”
„Ja,” zei mijn vader, „het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed.”—En hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest, en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen „een ietsje flauwer”—de Metallieken „een tikje beter” waren, en verder verslag gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws, dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan, dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen: „Heere—zegen—deze—spijs—en—drank—amen,” waarna het mijn beurt was, en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het ernstige gelaat van mijn vader.
Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers, van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen kwam spoken.
Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij. Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem, als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren, dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane wijze handhaafde hij orde en tucht.
Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken. Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing, voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen, stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.
„Je mag zoo maar niet opstaan!” zei Henri, die naast mij zat.
„Dat zal hij langzamerhand wel leeren,” zei meneer Nelissen, mij op den schouder kloppende. „Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest, en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En wat hij deed,” vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende, „is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te onthoofden, niet waar Henri?”
„Maar dan doen ze zoo eeuwig mal,” mompelde Henri. En toen meneer vroeg wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.
Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.———
„En waar gaat hij nu heen?” vroeg meneer Nelissen, toen hij een afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem vaarwel te zeggen.
Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school kende?
„Zeker mevrouw,” antwoordde hij. „Kreggers is een knap man, geloof ik, een heel knap man.—Hm.!” En dit zeggende stond hij op, nam afscheid van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.
Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.—Arme meneer Nelissen! gij waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand kunnen brengen———
Meneer Kreggers—groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke handen ter hoogte van het gezicht houdt—meneer Kreggers zegt: dat ik brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij voor de klas staat en les geeft.
Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. „Je verstand is goed,” zegt hij, „maar je wilt niet opletten, je wilt niet begrijpen;” en mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept: „Messieurs, la prière!” totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen gaan.
Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn eigenzinnigheid versterk.
Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb, zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze, waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent, zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.
En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het niet en geloof ook niet, dat ik „zoo'n akelige jonge” ben. Ik weet, dat men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo „slecht” was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was, terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk, lammert, en zoo vele andere toe, en—ben ik rampzalig.
Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin zooveel vooruit zijn—Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet, dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra hij dan ook zegt: „et maintenant, Messieurs, la lecture française,” word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste. Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is, en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept: „Assez, maintenant l'arithmétique,” een werkzaamheid waaraan ik evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei schrijven: je suis un enfant revêche, hautain et indocile.
Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke letters de woorden: les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion. „Lees dat nu eens hardop voor,” zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij er bij: „en nu niet geagiteerd, asjeblieft!”
Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen en de hemelen vind ik slechts een klank: les sjeux; voor de lieden, de zangen en de velden slechts een woord: les sjans, en waar ik den uitgang „ion” moet verbinden met de „g”, of de „s” of een andere medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders uit te brengen dan een afschuwelijk: sjion.
Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: je suis un enfant revêche et un imbécile.
Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en zegt, schijnbaar kalm: „we zullen het nu nog eens probeeren, maar nu”—en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon—„nu pas je op, versta je? Zeg me nu na: des...i...eux.”
In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den gek te houden?
Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.
„Krijg ik ook antwoord?” vraagt hij.
„Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!” roep ik uit.
Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover verder niet wil spreken en herhaalt: „des ... i ... eux.”
Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: „des sjeux.”
Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend: „nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: des...i...eux.”
Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze omstandigheden niet kan doen wat hij van mij vordert, en zwijgend, terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.
Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op, en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: „marsch, in den hoek..!”
Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij. Ik weet, dat ik niet onwillig ben en dit nooit ben geweest, maar dat hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek, maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de zakken en kijk rechts en links naar het plafond.
Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis brengen—en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende, naar huis.
Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord: dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij, reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien, dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren instituteur is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille van zijn prestige stellen moet.
Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: „en wat zegt m'n jongen nu?”
O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.
„Maar 't kind is zenuwachtig,” zei meneer Kreggers glimlachend.
„Ik geloof het ook,” antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er bij: „misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen”—en nu klonk zijn stem weer krachtig—„zal mijn zoon uw school niet langer bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de goede zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad,” vervolgde mijn vader, meneer Kreggers vast aanziende, „betuig ik u mijn dank.”
Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last, waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was———
Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden, die zal het toestemmen: kinderleed is groot verdriet.