← Table of contents
Kleurig en donker

Eddy.

Reading edition

Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte, voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar een veld-mutsje of zoo iets—donkerblauw, afgezet met wit—want hij is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen, een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar wel een beetje een uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” aan zijn gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.

Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige, mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal zien en zijn hand nog eens drukken zal.

Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden hebben.

Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe woonplaats zou betrekken—want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik het kamerleven op den duur te „onhuiselijk”—moest zooveel hersteld en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn; en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn nieuwe standplaats moest wezen, besloot ik kamers te huren in een nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken, kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast was.

De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik, dat Cor—zoo heette de zuster van Eddy—als zij binnen kwam, om het een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek, alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op een morgen—waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken—of ik tevreden was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.

Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd, al dravende, zijn overjas aantrekkende.

Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans; maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.

Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.

„Welzeker niet,” antwoord ik. „'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even „stormachtig” was als hij. Gaat hij nog op school, of...?”

„Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad.”

„En leert hij goed?”

„Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht.”

„En wat moet hij worden?”

„Ik hoop,” antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid getuigt, „dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine.” En aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: „Eenige jaren geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig, 't ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij, en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan misschien niet een zou gebeuren. En zoo,” zegt Cor, met een glimlachje, „ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken.”

Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets over het hoofd had gezien.

„En dat is?” vroeg zij, een beetje ongerust.

„Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht,” antwoordde ik.

„Niet om mezelf?” vroeg zij verbaasd.

„Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen.”

„O,” zei zij met een glimlach, „dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn leven niet geven.”

Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde, en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden, maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.

„En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog geen berouw?” vroeg ik.

„Neen,” antwoordde zij beslist. „Tot nog toe is hij ieder jaar overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't Gymnasium, of „'t hok,” zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan ook niet heel lang geduurd,” voegde zij er met een glimlach bij.

Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem aan te moedigen zijn best te doen.

Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.

Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak hem aan.

't Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek, dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus, Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes jaren lang op een Gymnasium te gaan „heel taai,” en derhalve lang genoeg is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde, ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden kerel—„ajasses nee!”

Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.

„Ik geloof,” zei ik tegen Eddy, „dat je 'n beste zus hebt, hè?”

„Ja, hoor!” antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er zoo onmiddellijk bij: „wat 'n mooi tuigie het ie op!” dat hij het blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water koud en vuur heet is.

Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen, of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap, en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.

„Ik vind, Eddy,” zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, „ik vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde met boeken en schriften te doen. Deze twee—en ik wijs naar een paar op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers—heb ik hier een poosje geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en....”

„Vieze dingen!” roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding aannemende.

„Nu goed dan, niet vies, maar—ja kijk nu maar niet zoo woedend—in ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets.”

„Nou ja,” zegt Eddy, „dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was; toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel op te redderen.”

„Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?” vraag ik.

„Of ie!” beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen.

„Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan werken,” zegt Cor, „en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op zijn kamertje bleef zitten.”

„En daarin hebt ge volkomen gelijk,” stem ik toe. „Hoe zoudt ge 't vinden, majoor”—want sedert ik weet, dat hij lid is van de weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een militairen rang toe te kennen—„hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen, daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en Zaterdag-middag hier kwam werken?”

Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar denkende dat dit plan van haar afkomstig is.

Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid, en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft gewerkt.

Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het „dan maar doen zal.”

En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander, hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde te „suffen”, omdat het er toch niets toe deed of „die stomme boer” het kreeg of niet.

Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen, en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt. Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer, die het „ongeluk” heeft geen „klare” te lusten—hetgeen trouwens niet verhindert, dat de ware „kiezerspit” in zijn body zit—dan weet ik wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid, door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het „moppie”, waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel, sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden zal zingen:

„Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht, 't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht.”

En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden. Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen „licht” krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij naar mij, als ik hem even aankijk—iets waarvan ik natuurlijk niet de minste notitie neem—of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene—dan het andere been, ook wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt, om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt, uitroepende: „wacht 's effe, da' 's ablativus absolutus!” of: „daar hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel, zoo gaat 't!”

Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met „bevallige nonchalance,” zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen, maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels herinner:

„Maar 't was zoo heerlijk, buiten! 't Was alles: zonnestraal! En boven in de takken, daar zong een nachtegaal; En alle bloemen bloeiden, en schitterden in 't rond; en als een bloem was 't kereltje, zoo frisch, en zoo gezond. Zoo liep de jongen lustig, en zong zijn vroolijk lied. Maar waarom hij een liedje zong, dat wist het ventje niet.”

En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt hij wel twintigmaal:

„Maar dat viel lang niet mee. Ze zei: „wel jonge, nee, ik houw niet van tariteraraboumdié.””

En niet minder dikwijls:

„Een jeugdig huw'lijkspaartje, Pas in den echt getreen, Gevoelde zich gelukkig, Nu 't eind'lijk was alleen. Maar daar komt plots'ling binnen De schoonmama—o, hé!...”

En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten over, om te eindigen met de verrassende woorden:

„Vroolijk sprong hij de lijkkoets na, Van die lieve schoonmama.”

Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner schoonmoeder.

Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de Paaschvacantie—waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden, waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;—of hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje—een cadeau van Cor—uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk, het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk, staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: „maar jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!” dan antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft geleerd.

Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier drinkende—want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is—rustig blijft zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na dien tijd nog iets uit te voeren.

Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat ik toch in allen gevalle mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield, liep hij de kamer op en neer, zingende:

„Eens liep een aardig meisje, al in den maneschijn. Zij had twee blauwe oogen, en voetjes—o zoo klein...!”

En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het „aardige jonge meisje,” niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet, met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in; want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten—door met aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te schuiven, is hij in een ommezien weer binnen.

Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij zegt, dat hij het „onfatsoenlijk” vindt, en biedt mij een dubbeltje aan, als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. „Dat zou zoo lekker gaan,” zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij: „pats...!” En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij het aannemelijk te maken, door te zeggen: „nou, vijf keer dan maar!” En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite een verbaasd gezicht zettende: „waarom niet?”

Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd, waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een handschoen of een zakdoek, „tegen de mot”, zooals hij zegt, en als ik hem laat begaan dan maakt hij „een Chineesie” van mij, zooals hij dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij aanhitst, door naar mij te wijzen en „kiesch! kiesch!” te roepen, net zoolang totdat het beest begint te blaffen.

En met dien hond, die den buitengewonen naam „Pak 'm” draagt, kan hij sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het dier leeren „zingen,” hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met het hoofd; en als hij zegt: „Pak 'm-snoet-vuil!” dan strijkt het beest herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden. En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of anderen leeraar na. En als hij uitroept: „ik zek oe, dat zal niet kebeuren!” slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: „hij is braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja, hoor! hij is een goeie hond!” zijn wangedrag tracht goed te maken. En niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen.

Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu asjeblieft los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid haar toe te voegen: „geef me dan een kwartje, dan laat ik je los.” Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en „handelsgeest” met elkander verwar.

Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is.

Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als er niet zooveel „verrekte” uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te doen door den inhoud der grammaire als den tekst van een fransche opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei vreemdsoortige gebaren te zingen: „emploie—toujours—l'indicatif!” op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: „pour toi—pour toi—mon âme aimé!”

Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, „misselijk.” Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij geruimen tijd heeft geweifeld tusschen „de mode,” „men moet het ijzer smeden als het heet is,” en „spaarzaamheid is nog geen gierigheid,” waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: „nou, de mode dan maar!” waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend uit: „wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?” En als ik dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te dicteeren, en zeg: „kom, schrijf dan maar op, sukkel!” dan zit hij onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: „asjeblieft, collega!” en voegt er onmiddellijk bij: „maar nou niet zoo eeuwig lang!” En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen.

Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij een uur lang samen geweest waren—want Eddy was buitensporig lastig, en zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd—maakte hij een stapeltje van zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van hem, ging; er in een adem bijvoegende—wel begrijpende, dat ik met dit voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn—dat hij toch bijna niets te doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken.

„Ja,” zeg ik, „in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan—nu, dat moet je bed maar liever niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben je voor goed van „'t hok” af, als je nu nog maar een poosje je best doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander. Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je moeder, maar je zuster. En Cor hoeft dat toch niet te doen, niet waar?”

„Cor doet dat graag voor me,” zegt Eddy, „en later zal ik haar alles teruggeven.”

„In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen. En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.

„Ik ben nog ieder jaar overgegaan,” zegt Eddy.

„Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor te slagen?”

„Ik zal toch wel door dat examen komen,” beweert hij.

„Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't niet lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel, dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu,” zei ik opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid weer aan het werk te gaan, „ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte handen terugkomen.”

Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden, waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die, door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig op, ging zitten en begon weer aan zijn werk———

„En nu moet u eens zien,” zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij, met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport.

't Was goed; veel beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder geschreven, dat hij tevreden was.

„En wat zegt Eddy er wel van?” vroeg ik.

„Dat het hem niet verwondert,” antwoordde Cor lachende, „omdat hij, zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan vroeger.”

„Jawel,” zei ik, „logisch redeneeren—dat kan hij best.”

„Ik ben heel blij,” zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede kind mij aan.

„'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben,” verzekerde ik, „en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de duinen en naar de zee.”

En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé had moeten worden.

Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was. Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan tafel.

Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw, niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden, en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap weldra volkomen tusschen ons hersteld.

„En wat zijn nu je plannen?” vraag ik hem, als wij na het eten in den tuin een sigaar rooken; „denk je lid van het corps te worden, of niet?”

Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig, dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft ingezien, dat hij het niet doen moest.

Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier te drinken en een sigaar te rooken.

En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust en ontwakende mannelijke kracht.

En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings