← Table of contents
Kleurig en donker

Haar keuze.

Reading edition

.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt pruilend: „hij het ook zoo'n haast!”

Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest, toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden. En „kermis houwe, met Allerheilige trouwe,” zegge ze in 't dorp.

Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden om ontevreden te zijn over een ander. „'t Was,” denkt ze—en starende op de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan—„'t was, toe ie me aankeek en z'n hand toestak, of iemes me zei: „toe dan, meisie, toe dan!” en 't is of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur 't kermis is. En dan...”

En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van „de Wykamp”, de grootste hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even heeft gedaan. En „boerin van de Wykamp te worde,” denkt Geerte, „da' 's veul!”

Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles wat ze zag. „'t Was haast te veul veur een alleenig mens,” had haar moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het goud van zijn moeder bewaarde. „Doe ze 's in, Geerte,” had hij gezegd, toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.

„Zou 't waar weze, moeder,” had zij peinzend gevraagd, toen zij naar huis liepen, „zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?” En haar moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel, dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat zijn gezicht niets verborg.

Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de blankgeschuurde emmers te halen,—want het is tijd om te melken,—en zij weet niet wat zij doen zal. „'t Is moeilijk,” meent zij, „moeielijk!”—

Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van „de Zonnebloem” gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de kastelein van „de Roode Leeuw,” er geweest is en gevraagd heeft waarom hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.

Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den laatsten tijd verzuimd heeft te doen.

„Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere,” denkt hij, kwaad op zich zichzelf. „Zet de wage voor de schuur, Dirk,” roept hij zijn knecht toe, „en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't aved weerum.”

Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet gebruiken—Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.

't Is ruim een half uur stappen naar „de Roode Leeuw,” en reeds laat in den namiddag, als hij er aan komt.

„Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?” vraagt Harmsen, die, met zijn knecht, in 't zolderluik van den stal staat.

„Dat he' 'k,” antwoordt Aart opkijkende; „'t was me deur 't heufd gegaan, heur!”

„Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?”

„Of wil ze niet meer van je wete?” vraagt de knecht van Harmsen, met een knipoogje naar zijn baas.

„Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!” roept Harmsen uit. „En nou, as de weerga de zolder vol.”

En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie- viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt, als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: „hard werke, da's 't beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks.” En met een vluggen zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen geholpen, spant hij zijn paard weer in.

„'n Mooie zwart,” zegt de kastelein, naar borst en „beenen” van het fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den hals kloppende, herhaalt hij: „'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!”

„'n Beste,” verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen. „Stil, zwart! ho jong!”

„Hij 's dartel,” zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te laten.

„Hij 's jong, en 't is veurjaar,” antwoordt Aart. „Da-ag!” En de teugels vierend, rijdt hij het erf af.

„'k Zal 'm toch 's minder straf voere,” denkt hij, als hij uit het mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, „hij wordt te veel mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!” En met sterke vuist beheerscht hij het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.

En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei: „veur haar 'n aar.” „'k Mocht lijje,” denkt hij, „dat 't zoo gemakkelijk ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet, maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,—of dat scheelt! En as 'k sikuur wist,” denkt hij, op het schoft van het tuig starende, „heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,—alla! 't zou dragelijk weze, maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r....”

Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels, want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert, slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....

Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen, spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet, peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.

„Wie is 't?”

„Aart.”

„Aart? Aart van de Zonnebloem?”

„Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!”

En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg, zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht treffen, of op den wagen kletteren—voort, naar den tol.

De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan open is...!

Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft, schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.

En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken, door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten, uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.

„Staat de brug op?”

„Net gestreken.”

„Goddank...!”

Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend, neersmakt.......

Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel, en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: „O, Aart! arme, lieve Aart!”

Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te zeggen; want als hij haar nog kan hooren—en ja, dat zal immers!—dan zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer beter wordt!

Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug af, starende in de verte.

De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij aan eenige boeren hoe het gegaan is.

„Net was de „Culemborg” de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het! Watte! Effies later viel ie op de ploeg...

„Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde....”

„Dood?”

„Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was... slim.”

En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen, dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.

Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg, waaraan „de Wykamp” is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande, schreit zij.

Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.

Nog enkele minuten en zij heeft „de Zonnebloem” bereikt, en over het erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning binnen.

't Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de borst gebogen, zijn hand in de hare.

Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op, en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der eeuwigheid op....

Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de wasbleeke wangen.

Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad—o, altijd...!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings