Karel Jan Vonk.
Reading edition
„K..arel, J..an Vonk,” zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met den rug naar het venster mijner griffie staat „zoo spreekt hij precies, en zoo is hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. „Neem het copyboek,” zeg ik tegen hem, „zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je natuurlijk het woord „heer” in „mevrouw” veranderen.” En Vonk deed precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond er boven: „WelEerwaarde Mevrouw.” WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd.”
„Mijn waarde,” zeg ik, „daarover behoef je je niet ongerust te maken. Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou worden opgeleid?”
„Zoo is 't. En hoe ze ooit op die belachelijke gedachte zijn gekomen, dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, die jongen moest eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch en Fransch. En dat nota bene, in een tijd, waarin je, om zoo te zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in den tijd van de prehistoric peeps uit Punch, en dat je zakt als een baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool te Diepenburg geweest.”

„Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?” vraag ik.
„Als een rots,” bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik, „en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een gemakkelijk heer—en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele onheil had overzien, den jongen onder handen genomen—en zulke venijnige dingen gezegd heeft—want Venninga is nog al scherp, zooals je weet—dat Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen.”
„Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?” vraag ik.
„Dat weet ik niet,” antwoordt de burgemeester. „Venninga is natuurlijk dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij, om maar geen standje te krijgen, de cijfers liet kloppen, totdat hij zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.
„Eindelijk kwam hij bij mij. Ik moest een jongen hebben, en omdat het op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer. Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem standjes gegeven, standjes...”
„Ja,” zeg ik, „dat zal wel.”
„Hè!” roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende, „waarom denk je dat?”
„Omdat ik geloof,” antwoord ik, „dat je wel een beetje heftig bent, weet je.”
„Ik geloof 't ook,” erkent de burgemeester, „maar 't schijnt geen slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: „dat mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;” 't geen hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem weggestuurd. Als jij hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat.”
„Is hij gewillig?” vraag ik.
„Zeer gewillig.”
„En ijverig?”
„Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben als—als een heimachine,” zegt de burgemeester, die met deze even krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.
„Nu,” zeg ik, „dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?”
„Graag,” antwoordt de burgemeester. „Ik ben blij om hem en om zijn ouders, maar.... enfin, tu m'en diras des nouvelles.”
En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen, gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals, waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.
Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een imprimé in blanco van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het imprimé, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.
En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in te vullen—wat bij een veroordeeling wel eenigszins des Pudels Kern is—heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik mij volstrekt niet vereenigen kan.
Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen, terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt, en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.
En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.
En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag beweer ik, dat wij bij zulk werk eigenlijk in het geheel niet denken moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat alle vonnissen de woorden: „in naam der Koningin,” aan het hoofd moeten voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: „in naam des Konings.” En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of hij het begrepen heeft.
En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem handelen moet.
Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is. Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje, die allen nog klein zijn en op school gaan.
Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben, wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was dat wel de reden, waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter, twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden, maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags, omdat vader dat verboden had.
Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.
„Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld.”
Hoe bracht hij den Zondag verder door?
„Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek.”
Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?
„Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond.”
Las hij veel?
„Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was hier geen bibliotheek.”
Had hij geen konijnen, geen duiven?
„Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht.”
Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?
Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen, maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij, dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.
En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een schamel kleed.———
Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon komen, omdat hij ziek was.
Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.
„Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. „Vonk,” zei ie van morge, toe 'k 'm uitliet, „dat lampie”—en de stem van den ouden man beeft—„dat lampie brandt nog maar heel eve.””
„Arme jongen...!”
„En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet, da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg 'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en 'm alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En daarom—beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar Hij doodt.”
Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij; hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt. Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.
Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.
Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde. En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas, even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:
Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek: „Schijn, zonnetje, ook op mij!” Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet, Haar stralen gingen voorbij. Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag, En tuurde naar 't morgenrood, Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat, Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.
En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!——
Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer op de trap en zijn vader kwam binnen.
„Hoe is 't?” vraag ik.
Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.
„Geen hoop meer?”
„Nee;... hij is dood.”
Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag: kleurloos, mistig en koud.
O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.