Het klooster der Witte Vrouwe.
Reading edition
(Een indruk.)
Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen, voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan, bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in zonneschijn en rust.
Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen, die het als wachters omringen.
En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen—en velen zijn het—die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij, die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe—wier in steen gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een nis boven den ingang staat—haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger, in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen. Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet, noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin. Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles wat de ziel niet behoeft.
Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk gebed in de kapel.
Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen, en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan, als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek ruischt.
Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het hoofd—bedekt met een wijd-uitstaande witte kap—eerbiedig gebogen, de handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil, als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.
Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen, zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer menschenbeelden zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden. Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.
Immers het leven daarbuiten heet „zorg.” Daar is de zorg voor het heden en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien, houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt. Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven, losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart, waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur, die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden naar deze toevlucht gekomen zijn.
Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die, uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen, in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden, die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden dragen daarboven, maar niet ook konden rijpen tot aardschen oogst.
Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd. Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat? Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer ziel bezoedelen.
Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond, een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten, wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel, den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat, waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.
Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering. Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig. En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen, een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm, die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven. En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. Dat had zij gehoopt van haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt, vluchtende ver buiten zijn bereik.
En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld, haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar liefde—waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?
Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar met nadruk had gesproken: „kom tot mij,” en telkens als haar hopeloos „waarom” onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer gehoord: „kom tot mij,” met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend, zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was neergeknield, zeggende: „hier ben ik, Heer!”
En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem, die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.———
Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal, die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die, afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.
Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de duisternis des doods, maar naar het licht des levens, en zij neerligt, bleeke roze in witte wade, te zijn in Hem.