VI. (continued 2)
J. J. Schwencke translation
En Maxime haastte zich den band van haar capuchon dichter toe te halen. Zij hief de kin op en liet zich warm instoppen. Maar toen mevrouw Saccard verscheen, kwam mijnheer de Mareuil terug, om afscheid van haar te nemen.
Zij bleven allen nog een oogenblikje praten. Zij gaf een verklaring van haar bleekheid en haar huiveringen, zij had zich koud gevoeld en was naar boven gegaan om dien kraag om te slaan. En zij loerde op het oogenblik dat zij zachtjes met Louise kon spreken, die haar met haar kalme nieuwsgierigheid aankeek. Terwijl de mannen elkander de hand drukten, fluisterde zij:
—Je trouwt toch niet met hem, hè? ’t Is niet mogelijk. Je weet wel....
Maar het meisje liet haar niet uitspreken, en zich uitrekkende, fluisterde zij haar in het oor:
—Wees maar niet bang, ik neem hem mee.... ’t Hindert niets, hoor, we gaan immers toch naar Italië.
En zij glimlachte, met haar flauwen glimlach van verdorven sphinx. Renée kon geen antwoord vinden. Zij begreep er niets van, ze dacht dat de bochel haar voor den gek hield. Toen de Mareuils eindelijk heengingen, onder een herhaald: “Tot Zondag!”, keek zij haar man aan, en zij keek Maxime aan, met haar oogen vol ontzetting, en ze zoo kalm en bedaard ziende, sloeg zij de handen voor het gelaat en vluchtte heen, achter in de serre.
De gangpaden waren verlaten. Het was stil onder het dichte gebladerte; op de loome watervlakte van de kom ontloken langzaam twee knoppen van de nymphea. Renée had willen huilen; maar die vochtige warmte, die sterke geur dien zij herkende, kneep haar de keel dicht, verstikte haar wanhoop. Zij keek omlaag naar den rand van de kom, naar dat plekje geel zand, waar zij den vorigen winter de berenhuid uitspreidde. En toen zij het hoofd ophief, zag zij nog een figuur van den cotillon, achter in de zaal, door de twee opengelaten deuren.
Het was een oorverdoovend geraas, een verwarde mengeling waarin zij eerst niets anders onderscheidde dan fladderende japonnen en zwarte beenen, die trappelden en draaiden. De stem van mijnheer de Saffré riep: “Changement de dames! Changement de dames!” En de paren gingen in een fijne gele stofwolk voorbij; iedere heer, na drie of vier malen rondgewalst te hebben, wierp zijn dame in de armen van zijn buurman, die hem de zijne toewierp. Barones de Meinhold, in haar Smaragdkostuum, viel uit de handen van graaf de Chibray in die van mijnheer Simpson; hij ving haar op goed geluk op, bij een schouder, terwijl de toppen van zijn handschoen onder haar keurslijf gleden. Gravin Vanska, vuurrood, haar koralen hangers doende klinken, sprong uit de armen van mijnheer de Saffré in die van den hertog de Rozan, dien zij omklemd hield en noodzaakte vijf maten met haar rond te springen, om vervolgens aan de heup van mijnheer Simpson te hangen, die de Smaragd aan den leider van den cotillon had toegeworpen. En mevrouw Teissière, mevrouw Daste, mevrouw de Lauwerens, glinsterden als levende edelgesteenten, met het bleeke blond van den Topaas, het zachte blauw van den Turkoois, het diepe blauw van den Saffier; zij gaven zich een oogenblik over, bogen zich onder den gestrekten pols van een danser, dansten dan weer voort, kwamen in een nieuwe omhelzing terecht, werden achtereenvolgens door al de mannen in het salon in de armen gedrukt. Intusschen had mevrouw d’Espanet, voor het orkest staande, mevrouw Haffner in het voorbijgaan opgevangen, walste met haar, en wilde haar niet loslaten. Het Goud en het Zilver dansten verliefd samen.
Renée begreep toen dat gefladder van rokken, dat geschuifel van voeten. Zij bevond zich op een lager standpunt, zij zag die razernij van de voeten, die mengeling van verlakte laarzen en witte enkels. Soms scheen het haar toe of een windvlaag al die rokken weg zou voeren. Die naakte schouders, die bloote armen, de fladderende losse haren, opgevangen, toegeworpen en weer opgevangen, aan het eind van die galerij, waar de wals van het orkest als razend werd, waar het roode behangsel bezwijmde in de laatste koortsige opgewondenheid van het bal, schenen haar toe als het woelig beeld van haar eigen leven, haar naaktheden, haar uitspattingen.
En zij voelde zoo’n vlijmende smart, bij de gedachte dat Maxime, om de bochel in zijn armen te nemen, haar daar geworpen had, op die plek waar zij elkander bemind hadden, dat zij lust gevoelde om een tak van de tanghinia die haar langs de wang streek, af te rukken en tot op het hout toe op te kauwen. Maar zij was lafhartig, zij bleef voor den struik, rillend onder haar bonten kraag, dien haar armen dicht over haar schouders trokken, met een gebaar van angstige schaamte.