← Table of contents
Jacht naar Fortuin

V. (continued 2)

J. J. Schwencke translation

De tranen verstikten op het eind zijn stem. Intusschen waren zij voor het hek van het hôtel gekomen, en zij bleven nog staan praten, op het trottoir.

Op die hoogten van Parijs woei er een stevig windje. Geen enkel geluid verstoorde de stilte van den helderen winternacht. Maxime, verbaasd over de gemoedelijke bui van zijn vader, had al een poosje een vraag op de lippen.

—Maar u, zei hij eindelijk, mij dunkt....

—Wat!

—Met uw vrouw!

Saccard haalde de schouders op.

—Juist. Ik was een dwaas. Daarom kan ik uit ondervinding spreken.... Maar we zijn weer bij elkaar. Al een kleine zes weken. Ik ga ’s avonds weer naar haar toe, als ik niet te laat thuis kom. Maar vandaag moet mijn arme schatje het maar buiten me stellen; ik moet den heelen nacht doorwerken. Ze is toch zoo mooi gevormd!....

En hij hield Maxime, die hem de hand toestak, terug en ging zachter, op vertrouwelijken toon voort:

—Je weet, de taille van Blanche Muller, nu, zoo iets, maar tienmaal leniger. En die heupen! die zijn zoo fijn, zoo mooi van lijnen....

En tot afscheid zei hij tot den jongen man die heenging:

—Jij bent net als ik, je bent goedhartig, je vrouw zal gelukkig zijn.... Tot ziens, mijn jongen.

Toen Maxime zich eindelijk van zijn vader bevrijd zag, liep hij met rassche schreden het park om. Wat hij daar vernomen had, verbaasde hem zoozeer, dat hij een onweerstaanbare behoefte gevoelde om Renée te zien. Hij wou haar vergiffenis vragen voor zijn ruw gedrag, van haar weten waarom zij gelogen had door hem mijnheer Saffré te noemen, en hooren hoe haar man zoo verliefd op haar was geraakt. Maar dat alles heel vaag; het eenige stellige was de wensch een sigaar bij haar te komen rooken en hun vriendschappelijke verhouding weer te hernieuwen. Als zij goed gemutst was, wou hij haar zelfs zijn aanstaand huwelijk aankondigen, om haar te doen inzien dat hun liefde voor altijd dood en begraven was. Toen hij het poortje geopend had, waarvan hij gelukkig den sleutel bewaard had, maakte hij bij zichzelf de opmerking, dat zijn bezoek, na alles wat zijn vader hem in vertrouwen verteld had, noodzakelijk en volstrekt niet onbehoorlijk was.

In de serre floot hij, evenals den vorigen avond, maar hij wachtte niet.

Renée kwam de glazen deur van het kleine salon open doen, en ging hem zwijgend voor, naar boven. Ze was juist thuis gekomen van een bal op het Stadhuis. Ze had haar balkostuum nog aan: een witte tullen japon met groote plooien en vol satijnen strikken; de basques van het satijnen lijf waren gegarneerd met een kantwerk van witte gitten, die in het licht der kandelabers blauw en rose geaderd schenen.

Toen Maxime haar boven aanzag, werd hij getroffen door haar bleekheid, door de diepe ontroering die haar het spreken belette. Zij verwachtte hem niet, zij beefde over al haar leden, toen zij hem daar, zooals gewoonlijk, zag komen, kalm, met zijn aanhalige manieren. Céleste kwam uit de kleedkamer terug, waar zij een nachthemd was gaan halen, en de gelieven bleven het stilzwijgen bewaren, totdat het meisje weg zou gaan. Het was anders hun gewoonte niet zich voor haar in te houden; maar zij voelden nu een zekeren schroom, om te uiten wat hun op de lippen lag.

Renée wilde dat Céleste haar in de slaapkamer zou ontkleeden, omdat daar een flink vuur brandde. Het kamermeisje maakte de spelden los, en deed haar kleeren een voor een uit, zonder zich te haasten. En Maxime, dien dit verdroot, nam werktuigelijk het hemd, dat naast hem op een stoel lag, en warmde het voor het vuur, voorover gebogen, de armen wijd uitgestrekt. Hij was gewoon, in hun gelukkige dagen, Renée dien kleinen dienst te bewijzen. Zij werd verteederd, toen zij hem het hemd voorzichtig voor het vuur zag houden. En toen Céleste er geen eind aan scheen te maken, vroeg hij:

—Heb je veel plezier op het bal gehad?

—O neen, je weet, ’t is altijd hetzelfde, antwoordde zij. Veel te veel menschen, een echte warboel.

Hij keerde het hemd om, dat aan de eene zij warm was.

—Wat voor kostuum had Adeline?

—Een mauve japon, tamelijk leelijk idee.... Ze is klein, en ze is verzot op strooken.

Ze spraken over de andere vrouwen. Nu brandde Maxime zijn vingers aan het hemd.

—Pas op, het zal schroeien, zei Renée met een moederlijke streeling in haar stem.

Céleste nam het hemd van den jongen man over. Hij stond op, ging het groote grijs-rose bed bekijken, bleef verdiept in de beschouwing van een der bouquetten op het behangsel, om het hoofd af te kunnen wenden, om Renée’s ontbloote borsten niet te zien. Dat deed hij instinctmatig. Hij geloofde zich haar minnaar niet meer, hij had het recht niet meer iets te zien. Toen haalde hij een sigaar voor den dag en stak ze aan.

Renée had hem toegestaan bij haar te rooken. Eindelijk ging Céleste heen; zij liet de jonge vrouw bij het haardvuur achter, geheel wit in haar nachtgewaad.

Maxime liep nog een poosje zwijgend heen en weer met een schuinschen blik naar Renée, die weer scheen te beven. En voor den schoorsteen staan blijvende, met zijn sigaar in den mond, vroeg hij op driftigen toon:

—Waarom heb je me niet gezegd dat het mijn vader was, die je gisteren avond bij je had?

Zij hief het hoofd op, de oogen wijd opengesperd, met een blik van naamlooze ontzetting; toen steeg er een purperen gloed naar haar wangen, en door schaamte als vernietigd, verborg zij het gelaat in haar handen en stamelde:

—Weet je dat! Weet je dat?....

Zij herstelde zich, trachtte te liegen.

—’t Is niet waar.... wie heeft het je verteld?

Maxime haalde de schouders op.

—Wel, vader zelf, hij vond je zoo mooi gevormd en hij prees je heupen.

Er klonk eenige spijt uit zijn woorden. Maar hij begon weer op en neer te loopen, terwijl hij tusschen twee trekjes aan zijn sigaar op een vriendelijk beknorrenden toon zei:

—Ik begrijp je waarachtig niet. Je bent een zonderlinge vrouw. ’t Is je eigen schuld als ik gisteren wat ruw ben geweest. Had je me gezegd dat mijn vader bij je was, dan was ik bedaard heengegaan, vat je? Ik heb geen recht—Maar nu ga je ons mijnheer de Saffré opnoemen!

Zij snikte, met de handen voor het gelaat. Hij kwam naderbij, knielde voor haar neer, trok haar handen met geweld weg.

—Komaan, zeg me nu eens waarom je mijnheer de Saffré hebt genoemd!

En zij antwoordde zachtjes, tusschen haar tranen in, met afgewend gelaat:

—Ik dacht dat je me verlaten zou, als je wist dat je vader....

Hij stond op, nam zijn sigaar weer van den schoorsteen en mompelde niets dan:

—Jij bent ook een rare!....

Zij huilde niet meer. De vlammen van den schoorsteen en de gloed van haar wangen droogden haar tranen. De verwondering Maxime zoo kalm te zien tegenover een bekentenis die zij meende dat hem ontzetten moest, deed haar haar schaamte vergeten. Zij zag hem loopen, zij hoorde hem spreken, als in een droom. Hij herhaalde haar, zonder zijn sigaar uit den mond te nemen, dat zij onverstandig was, dat het heel natuurlijk was dat zij gemeenschap met haar man had, dat hij er niet aan dacht om zich daarover boos te maken. Maar voor een minnaar uitkomen dien men niet heeft! En daarop kwam hij telkens terug, als iets dat hij niet begrijpen kon, dat hem werkelijk onnatuurlijk voorkwam. Hij sprak van die “dwaze inbeeldingen” van vrouwen.

—Je bent niet goed bij ’t hoofd, lieve kind, je mag wel oppassen.

Eindelijk vroeg hij nieuwsgierig:

—Maar waarom juist mijnheer de Saffré en geen ander?

—Hij maakt me het hof, zei Renée.

Maxime hield een onbeschoft antwoord terug; hij wou zeggen dat zij zeker gedacht had dat zij een maand ouder was, toen zij mijnheer de Saffré als haar minnaar noemde. Alleen een onaangename lach verried zijn boos opzet, en zijn sigaar in het vuur werpende, kwam hij aan den anderen kant van den schoorsteen zitten. Daar begon hij te redeneeren, hij gaf Renée als zijn meening te kennen, dat zij goede vrienden moesten blijven. Renée’s strakke gezicht maakte hem toch een beetje ongerust; hij durfde haar zijn huwelijk niet aankondigen. Zij beschouwde hem aandachtig, de oogen nog gezwollen van het schreien.

Zij vond hem nietig, bekrompen, verachtelijk, en toch hield zij van hem, met dezelfde liefde die zij voor haar kanten had. Hij zag er knap uit onder het licht van den kandelaar, die naast hem op den rand van den schoorsteen stond. Terwijl hij het hoofd achterover hield, wierp het kaarslicht een gouden glans over zijn haren, gleed langs zijn gelaat, over het lichte dons van zijn wangen, met een bekoorlijke blondheid.

—’t Wordt tijd dat ik heenga, zei hij meer dan eens.

Hij was stellig van plan niet te blijven. Renée zou het trouwens niet gewild hebben.

Alle twee dachten en zeiden het: zij waren nog slechts twee vrienden. En toen hij eindelijk de jonge vrouw de hand gedrukt had en op het punt stond de kamer te verlaten, hield zij hem nog een oogenblik terug en sprak hem over zijn vader. Zij hield een heele lofrede op hem.

—Ik had te veel berouw, zie je. Ik ben blij dat het zoo gegaan is.... Je kent je vader niet; ik stond verbaasd over zijn goedheid, zijn belangeloosheid. De arme man zit op het oogenblik zoo in zorgen.

Maxime keek zwijgend naar de punten van zijn laarzen. Zij praatte voort.

—Zoolang hij niet in deze kamer kwam, was het mij om het even. Maar later.... Toen ik hem hier zag komen, zoo hartelijk, om me wat geld te brengen dat hij met de grootste moeite overal vandaan had moeten halen, zich zonder klagen voor mij ruïneerde, toen werd ik er ziek van.... Als je wist hoe zorgvuldig hij mijn belangen behartigd heeft!

De jonge man kwam langzaam naar den schoorsteen terug en leunde er met den rug tegen. Hij scheen te weifelen; zijn mond nam langzamerhand een lachende uitdrukking aan.

—Ja, mompelde hij, mijn vader is heel knap in het behartigen van iemands belangen.

De toon van dat gezegde verwonderde Renée. Zij keek hem aan, en hij, als om zich te verdedigen:

—O, ik weet niets.... Ik zeg alleen dat mijn vader een knappe man is.

—Je zou er verkeerd aan doen als je kwaad van hem sprak, hernam zij. Je beoordeelt hem naar den schijn.... Als ik je al zijn beslommeringen noemde, als ik je zei wat hij mij vanavond nog in vertrouwen vertelde, dan zou je eens zien hoe men zich in hem vergist, als men denkt dat hij aan geld gehecht was.

Maxime kon een schouderophalen niet bedwingen. Hij viel zijn stiefmoeder in de rede, met een ironisch lachje.

—Nu, ik ken hem, ik ken hem al te goed.... Hij heeft je zeker wat moois verteld. Laat eens hooren.

Die schertsende toon kwetste haar. Toen werd zij nog uitbundiger in haar lof, zij vond haar man nu heelemaal groot, zij sprak over de zaak Charonne, over die knoeierij waarvan zij niets begrepen had, als over een ramp waarin Saccard’s schranderheid en goedheid haar voor het eerst duidelijk werden. Zij voegde er bij dat zij de akte van afstand den volgenden dag zou teekenen, en dat zij, als dat werkelijk een ramp was, dien ramp aanvaardde als een straf voor haar misslagen.

Maxime liet haar, met een spotlach en een schuinschen blik, ten einde toe uitpraten, toen zei hij halfluid:

—Ja, ja, zoo is het....

En luider, met de hand op Renée’s schouder:

—Lieve kind, ik dank je, maar ik wist er alles van.... Je bent een goede ziel.

Hij maakte weer een beweging om heen te gaan. Hij brandde van begeerte om alles te vertellen. Ze had hem wanhopig gemaakt met haar loftuitingen op haar man, en hij vergat zijn voornemen om niet te spreken, om alle onaangenaamheden te voorkomen.

—Wat bedoel je toch? vroeg zij.

—Wel, wat drommel, dat mijn vader je aardig beetneemt.... Ik heb met je te doen, heusch; je bent toch nog erg onnoozel!

En hij vertelde haar wat hij bij Laura gehoord had, laf en geniepig als hij was, met een geheime vreugde over al die laagheden uitweidende. Hij had een gevoel alsof hij zich wreekte over een beleediging, hem aangedaan. Zijn meisjesaard deed hem met genot bij die aanklacht verwijlen, bij dat wreede gebabbel, achter een deur afgeluisterd. Hij bespaarde Renée niets, noch het geld dat haar man haar met woekerwinst geleend had, noch dat wat hij van haar dacht te stelen, met belachelijke verzinsels, bakersprookjes.

De jonge vrouw hoorde hem aan, doodsbleek, met opeengeklemde lippen. Voor den schoorsteen staande, liet zij het hoofd een weinig zinken, staarde zij in het vuur. Haar nachtgewaad, dat hemd dat Maxime gewarmd had, ging open en liet haar blanke vormen zien, onbewegelijk als een standbeeld.

—Ik zeg je dat alles, besloot de jonge man, om je niet zoo dwaas te laten schijnen.... Maar je moet er mijn vader geen verwijt van maken. Hij is zoo kwaad niet. Hij heeft zijn gebreken, als iedereen.... Tot morgen, niet waar?

Hij ging naar de deur. Renée hield hem met een heftig gebaar terug.

—Blijf! riep zij gebiedend.

En hem naar zich toe trekkend, hem bijna op haar schoot nemend, voor het vuur, kuste ze hem op de lippen, en zei:

—Neen maar, het zou al te dwaas zijn ons nu nog te geneeren.... Weet je dan niet, dat ik sinds gisteren, sinds het oogenblik dat je hebt willen breken, bijna zinneloos ben. Ik ben heelemaal van streek. Van avond, op het bal, had ik een nevel voor mijn oogen. Dat komt omdat ik niet meer buiten je kan. Als jij weggaat, is het met mij gedaan.... Lach niet, ik zeg wat ik voel.

Zij keek hem met oneindige teederheid aan, alsof zij hem in lang niet gezien had.

—Ja, je hebt het bij het rechte eind, ik was onnoozel, je vader zou me alles wijs gemaakt hebben. Wat wist ik van al die dingen. Terwijl hij me zijn geschiedenis stond te vertellen, hoorde ik niets dan een hevig gegons, en ik was zoo verslagen, dat hij me had kunnen laten neerknielen, als hij gewild had, om me zijn papieren te laten teekenen. En ik verbeeldde me dat ik berouw had!.... Heusch, zoo dom was ik nog!....

Zij barstte in een schaterlach uit, haar oogen glinsterden als die van een krankzinnige. Zij ging voort, terwijl zij haar minnaar dichter tegen zich aandrukte:

—Doen wij dan kwaad! Wij hebben elkaar lief, wij amuseeren ons op onze manier. Dat doet iedereen, niet waar?.... Zie je vader, die geneert zich ook niet. Hij houdt van geld en hij neemt het waar hij het krijgen kan. Hij heeft gelijk, dat maakt het mij gemakkelijk. In de eerste plaats, teeken ik niets, en verder kom jij iederen avond terug. Ik was bang dat je niet meer zou willen, je weet wel, om hetgeen ik je gezegd heb.... Maar nu je dat toch niet schelen kan.... Ik sluit mijn deur trouwens toch voor hem, dat begrijp je nu wel.

Zij stond op en stak het nachtlichtje aan. Maxime weifelde, hij was wanhopig. Hij zag wat een dwaasheid hij begaan had, hij verweet zichzelf dat hij te veel gepraat had. Hoe kon hij nu zijn huwelijk bekend maken! Het was zijn eigen schuld, zij waren van elkander af, hij had niet noodig gehad naar boven te gaan, en vooral niet de bewijzen te komen leveren dat haar man haar plukte. Hij wist zelf niet meer aan welken aandrang hij had toegegeven, en dat maakte hem nog boozer op zichzelf. Maar, al mocht hij een oogenblik het plan gehad hebben om heen te gaan, het zien van Renée die haar pantoffels uitdeed, maakte hem daartoe te laf. Hij werd bang. Hij bleef.

Den volgenden dag kwam Saccard bij zijn vrouw om haar de akte te laten teekenen, maar zij antwoordde bedaard dat daar niets van kwam, dat zij zich bedacht had. Overigens zinspeelde zij nergens op; zij had zich stellig voorgenomen te zwijgen, om zich geen onaangenaamheden op den hals te halen, en haar op nieuw opluikende liefde in vrede te genieten. De zaak Charonne mocht loopen zoo zij wilde, haar weigering om te teekenen was maar een wraakneming; het overige kon haar niets schelen.

Saccard was bijna driftig geworden. Zijn heele droom vervloog. Zijn andere zaken gingen hoe langer hoe slechter. Hij had al zijn middelen uitgeput, als door een wonder hield hij het hoofd nog boven; dien eigen morgen had hij niet eens de rekening van zijn bakker kunnen betalen. Dat verhinderde hem echter niet tegen den Donderdag van halfvasten een schitterend feest voor te bereiden.

Tegenover Renée’s weigering voelde hij den woesten toorn van een krachtig man, die door de gril van een kind in zijn werk gestuit wordt. Met het bewijs van afstand in zijn zak, kon hij wel geld los krijgen, in afwachting van de schadeloosstelling. Toen hij vervolgens een beetje tot bedaren kwam en helder na kon denken, verwonderde hem die plotselinge ommekeer van zijn vrouw, zij was ongetwijfeld opgestookt. Hij kreeg er de lucht van, dat er een minnaar in het spel was. Dat voorgevoel was zoo sterk, dat hij naar zijn zuster liep om haar te ondervragen, van haar te hooren of zij niets van Renée’s verborgen leven wist.

Sidonie toonde zich zeer bitter. Zij vergaf haar schoonzuster de beleediging niet, die zij haar had aangedaan door haar weigering om mijnheer de Saffré te ontmoeten. Toen zij dan ook uit de vragen van haar broer begreep, dat deze zijn vrouw beschuldigde er een minnaar op na te houden, riep zij uit dat ze er zeker van was. En zij bood zich uit eigen beweging aan om de “duifjes” te bespieden. Dat snibbige nufje zou eens zien met wie zij te doen had.

Het was Saccard’s gewoonte niet onaangename waarheden uit te lokken, zijn belang alleen dwong hem de oogen, die hij wijselijk gesloten hield, te openen. Hij nam het aanbod van zijn zuster aan.

—Wees daar maar gerust op, ik kom alles te weten, zei zij op meewarigen toon. Ach, arme broer, Angèle zou je nooit verraden hebben. Zoo’n goede, edelmoedige man! Die Parijsche poppen hebben geen hart.... En ik heb haar nog voortdurend goeden raad gegeven!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings