← Table of contents
Jacht naar Fortuin

II.

J. J. Schwencke translation

Aristide Rougon streek na de gebeurtenissen van den 2en December op Parijs neer, met den fijnen reuk van een roofvogel, die op grooten afstand een slagveld ruikt. Hij kwam uit Plassans, een onder-prefectuur van het Zuiden, waar zijn vader eindelijk uit het troebele water der verwikkelingen een reeds lang begeerde ontvangersplaats had opgevischt. Nadat hij zich in zijn jeugdige onervarenheid als een dwaas had bloot gegeven, zonder dat het hem eer of voordeel had opgeleverd, moest hij zich gelukkig achten dat hij heelshuids uit het slaggewoel ontkomen was. Hij kwam aansnellen, met nijd in het hart, dat hij op een dwaalspoor was geraakt; hij verwenschte zijn provinciestadje, hij sprak over Parijs met de hongerige begeerte van een wolf, hij zwoer “dat hij zoo dom niet meer zou zijn”, en de scherpe glimlach waarmee hij deze woorden vergezeld deed gaan, kreeg op zijn dunne lippen een verschrikkelijke beteekenis.

In de eerste dagen van 1852 kwam hij aan. Hij bracht zijn vrouw Angèle mee, een blond, onbeduidend persoontje, dat hij in een kleine woning in de rue Saint-Jacques onder dak bracht, als een lastig meubel waarvan hij zich zoo gauw mogelijk wilde ontdoen. De jonge vrouw had niet willen scheiden van haar dochtertje, de kleine Clotilde, een vierjarig kind, dat de vader graag aan de zorg van de familie had overgelaten. Hij had aan Angèle’s wensch slechts toegegeven onder voorwaarde dat hun zoon Maxime, een jongen van elf jaar, voor wien zijn grootmoeder had beloofd te zullen zorgen, op het gymnasium te Plassans zou blijven.

Aristide wilde de handen vrij hebben; een vrouw en een kind waren in zijn oog reeds een drukkende last voor een man, die vastbesloten had alle hindernissen over te springen, al moest hij er de lendenen bij breken of in de modder tuimelen.

Op den eigen avond van hun aankomst, terwijl Angèle de koffers uitpakte, voelde hij een onbedwingbaren lust in zich opkomen Parijs te doorkruisen, met zijn lompe buitenmansschoenen over die brandende steenen te loopen, waaruit hij millioenen hoopte te slaan. Het was een ware inbezitneming. Hij liep met geen ander doel dan om te loopen, het eene trottoir af, het andere op, als in een overwonnen land. Hij maakte zich niets diets omtrent den slag dien hij ging leveren, en het stuitte hem niet tegen de borst zich bij een handigen inbreker te vergelijken, die door list of geweld zijn aandeel in den gemeenschappelijken rijkdom gaat bemachtigen, dat men hem tot dusverre uit kwaadwilligheid geweigerd heeft. Indien hij behoefte aan een verontschuldiging gevoeld had, dan had hij zijn begeerten kunnen aanvoeren, die hij al tien jaar lang had moeten onderdrukken, zijn kommerlijk bestaan in de provincie, zijn misslagen in de eerste plaats, waarvoor hij de geheele maatschappij aansprakelijk stelde.

Maar op dit oogenblik, in die aandoening van een speler, die eindelijk zijn brandende handen op het groene laken legt, ging hij geheel op in de vreugde, in zijn eigenaardige vreugde, waaruit de voldoening van den afgunstige en de hoop van den ongestraften schelm spraken.

De lucht van Parijs bracht hem in een roes, hij meende in het geratel der rijtuigen de stemmen van Macbeth te hooren, die hem toeriepen: Gij zult rijk zijn!

Bijna twee uren liep hij zoo van de eene straat in de andere, met den wellust van een man die zijn kwaden neigingen den vrijen teugel geeft. Het was de eerste maal dat hij Parijs betrad sedert het gelukkige jaar dat hij er als student had doorgebracht.

De avond begon te vallen: in het helle schijnsel dat de koffiehuizen en winkels op de trottoirs uitstraalden nam zijn droombeeld grooter afmetingen aan; hij liep wakend te droomen.

Toen hij de oogen opsloeg, bevond hij zich midden op den faubourg Saint-Honoré. Een van zijn broers, Eugène Rougon, woonde in een aangrenzende straat, rue de Penthièvre. Toen hij naar Parijs ging, had Aristide hoofdzakelijk gerekend op Eugène, die eerst een der krachtigste bevorderaars van den Staatsgreep geweest was en nu nog in het geheim een grooten invloed uitoefende, een kleine advokaat die zich tot een groot staatsman zou ontwikkelen.

Maar met een dier bijgeloovigheden aan spelers eigen, wilde hij nog dien avond niet bij zijn broer aankloppen. Hij drentelde naar de rue Saint-Jacques terug, met een gevoel van afgunst als hij aan Eugène dacht en naar zijn armoedige kleeren keek die nog geheel bestoft van de reis waren; daarop trachtte hij zich te troosten, door zich weer in zijn droomen van rijkdom te verdiepen. Maar die droomen zelfs waren bitter geworden.

Terwijl hij uitgegaan was in een behoefte aan verruiming en door de bedrijvige winkeldrukte van Parijs in een vroolijke stemming was gebracht, keerde hij nu naar huis terug, verbitterd door het geluk dat hij overal op straat meende ontmoet te hebben; nog woester geworden, stelde hij zich in de gedachte een hardnekkigen strijd voor, waarin hij met genoegen die menigte, die hem op de trottoirs terzijde had gedrongen, zou verschalken en verslaan. Nooit had hij zulke groote verlangens in zich voelen opkomen, zulke rechtstreeksche begeerten naar genot.

Den volgenden dag was hij al vroeg bij zijn broer. Eugène bewoonde twee groote, kille, ternauwernood gemeubileerde kamers, die Aristide deden rillen. Hij had gedacht dat zijn broer zich in weelde baadde.

Deze zat aan een zwart tafeltje te werken. Glimlachend zei hij enkel, met zijn langzame manier van spreken:

—O, ben jij het, ik verwachtte je.

Aristide was heel scherp. Hij beschuldigde Eugène dat hij hem in nooddruft had gelaten, dat hij hem zelfs niet bij wijze van aalmoes een goeden raad had gegeven, terwijl hij in de provincie voortploeterde. Hij zou het zich zelf nooit vergeven, dat hij tot den 2en December republikeinsch gezind was gebleven; daar zou hij altijd met ergernis en schaamte aan denken.

Eugène had intusschen kalmpjes zijn pen weer ter hand genomen.

Toen Aristide uitgesproken had, antwoordde hij:

—Kom kom, alle misslagen laten zich goed maken. Je hebt nog een goede toekomst vóór je.

Hij sprak die woorden met zooveel klem en keek Aristide daarbij zoo doordringend aan, dat deze het hoofd boog, wel gevoelende dat zijn broer tot in het diepst van zijn gemoed las. Deze ging op een vriendschappelijk lompen toon voort:

—Je komt hier om een betrekking door mij te krijgen, niet waar? Ik heb wel aan je gedacht, maar ik heb nog niets voor je gevonden. Je begrijpt wel dat ik je niet overal in duwen kan. Jij moet een baantje hebben waar je je zaakjes kan opknappen zonder gevaar voor jou zelf of voor mij.... Houd je maar niet zoo verontwaardigd, we zijn alleen, we mogen elkaar de waarheid wel zeggen.

Aristide koos de wijste partij en lachte.

—O, ik weet wel dat je slim bent, ging Eugène voort, en dat je geen dwaasheden meer zal uithalen, die je niets opleveren. Zoodra er zich een goede gelegenheid voordoet, zal ik je een betrekking bezorgen. Heb je soms voor dien tijd een tientje noodig, kom het me dan maar vragen.

Zij bleven nog een poosje doorpraten over den opstand in het Zuiden, waarbij hun vader zijn ontvangersplaats had verdiend; middelerwijl kleedde Eugène zich aan. Op straat hield hij zijn broer nog even terug, toen deze een anderen kant uitging, en zei zachtjes:

—Je zult me een pleizier doen als je je niet te veel op straat vertoont; wacht liever thuis de betrekking af, die ik je beloof.... Ik zou niet graag zien, dat mijn broer als een baantjesjager bekend zou staan.

Aristide had ontzag voor Eugène, dien hij als een bij uitstek flinken kerel beschouwde. Hij vergaf hem zijn wantrouwen niet en zijn ietwat ruwe openhartigheid evenmin, maar hij ging zich heel gedwee in de rue Saint-Jacques opsluiten. Hij was aangekomen met vijfhonderd francs die zijn schoonvader hem geleend had. Na aftrek van de reiskosten, bleven er driehonderd francs over, waarmee hij een maand kon rondkomen. Angèle was een groote eetster, en bovendien achtte zij het hoognoodig dat haar galatoilet eens met een stel mauve linten opgefrischt werd.

Die maand wachtens scheen Aristide oneindig toe. Hij brandde van ongeduld. Als hij aan het venster ging staan en de reusachtige bedrijvigheid van Parijs onder zich gewaar werd, bekroop hem soms de lust om met één sprong in dien smeltoven terecht te komen, om er het goud met zijn koortsachtige handen als was te kneden. Hij snoof die nog zacht suizende ademtochtjes op, die uit de wereldstad opstegen, die ademtochtjes van het opkomende keizerrijk, die reeds doortrokken waren van de geuren van koppelarijen en zwendelarijen, van de warmten der genietingen. De lichte uitwasemingen die tot hem opstegen, zeiden hem dat hij op het goede spoor was, dat het wild voor hem uit liep, dat de groote keizerlijke jacht, de jacht op avonturen, vrouwen en millioenen, eindelijk begon. Zijn neusvleugels trilden, zijn instinct van uitgehongerd dier rook met een bewonderenswaardig fijnen reuk, welk een kostelijken buit de stad hem zou opleveren.

Tweemaal ging hij naar zijn broer, om hem meer spoed te doen maken. Eugène ontving hem tamelijk norsch, herhaalde zijn verzekering dat hij hem niet vergat, maar dat hij geduld moest oefenen. Eindelijk ontving hij een brief waarin hij verzocht word in de rue de Penthièvre aan te komen. Hij ging er heen met een kloppend hart, als gold het een samenkomst met een geliefde.

Hij vond Eugène als altijd, aan zijn zwart tafeltje, in de groote kille kamer die hem tot kantoor diende. Zoodra hij hem bemerkte, reikte de advokaat hem een papier toe, met de woorden:

—Hier, ik heb gisteren iets voor je gekregen. Je bent benoemd aan het stadhuis, tot adjunct-opzichter over de wegen en straten. Je krijgt een traktement van vier en twintig honderd francs.

Aristide was blijven staan. Hij werd bleek en wilde het papier niet aannemen, denkende dat zijn broer hem voor den gek hield. Hij had minstens op zesduizend francs gerekend. Eugène ried wat in hem omging en met een driftige beweging zijn stoel omkeerende, kruiste hij de armen over de borst en vroeg met ingehouden toorn:

—Je bent toch niet gek?.... Je houdt er zeker van die meisjesdroomen op na? Je zou op mooie kamers willen wonen, dienstboden houden, lekker eten, onder zijden dekens slapen, in de armen van de eerste de beste aan je lusten voldoen, in een boudoir dat in een paar uur gemeubileerd is.... Als we jou en jouwsgelijken lieten begaan, dan zou je de koffers leegmaken voor dat ze nog vol waren. Maar, mijn hemel, heb dan toch een beetje geduld! Zie hoe ik leef, en doe ten minste de moeite te bukken om een fortuin op te rapen.

Hij sprak met diepe minachting over het jongensachtige ongeduld van zijn broer. In zijn ruwe manier van spreken voelde men een hoogere eerzucht, een begeerte naar louter macht; die naïeve zucht naar geld leek hem ongetwijfeld burgerlijk en kinderachtig toe. Ietwat zachter gestemd, ging hij met een fijn glimlachje voort:

—Zeker, je neigingen zijn uitstekend, ik denk er niet aan ze tegen te werken. Menschen zooals jij zijn onschatbaar. We zijn wel degelijk van plan onze vrienden onder de grootste hunkeraars te kiezen. Maak je maar niet ongerust, we zullen voor een ieder opdisschen, en de grootste hongerlijders zullen verzadigd worden. Dat is nog de gemakkelijkste manier om te regeeren.... Maar wacht dan toch in ’s hemelsnaam tot de tafel gedekt is, en als ik je een goeden raad mag geven, doe de moeite zelf je bord uit de keuken te halen.

Aristide bleef donker kijken. De vriendelijke vergelijkingen van zijn broer verdreven zijn rimpels niet. Toen kon Eugène zijn kwaadheid niet bedwingen:

—Kijk! riep hij uit, ik kom weer tot mijn eerste opinie terug: je bent gek.... Wat had je dan toch eigenlijk gedacht dat ik met jouw doorluchtige persoontje zou doen? Je hebt niet eens den moed gehad je laatste examen te doen; je hebt je tien jaar lang met het armzalig baantje van klerk bij een onder-prefectuur beholpen, je komt bij me met de allerongunstigste reputatie van een republikein, die eerst na den Staatsgreep van overtuiging veranderd is.... Denk je soms dat jij, met zoo’n conduite-staat, het nog tot minister brengen zal? Ja, éen ding heb je voor, dat weet ik, en dat is je woeste begeerte om er door alle mogelijke middelen bovenop te komen. Dat is een groote deugd, dat geef ik toe, en met het oog daarop heb ik je ook aan het Stadhuis geplaatst zien te krijgen.

En opstaande drong hij Aristide zijn benoeming in de hand.

—Neem aan, ging hij voort, je zult me er eens voor danken. Ik heb zelf de betrekking gekozen, ik weet wat je er uit halen kan.... Houd je oogen en je ooren maar goed open. Met een beetje doorzicht, zal je begrijpen wat je te doen staat.... Maar onthoud goed wat ik je nu nog te zeggen heb. We gaan een tijd tegemoet, waarin men op allerlei wijzen fortuin kan maken. Verdien veel geld, daar heb ik niets op tegen: maar geen domheden, geen opspraak, of ik trek mijn handen van je af.

Deze bedreiging had de uitwerking, die zijn beloften niet teweeg hadden kunnen brengen. Het koortsachtig verlangen van Aristide gloeide weer op bij de gedachte aan dat fortuin waarop zijn broer zinspeelde. Hij kreeg een gewaarwording alsof men hem eindelijk los liet in de kloppartij en hem machtigde de lui te wurgen, maar op een wettige manier, zonder ze al te hard te laten schreeuwen.

Eugène gaf hem tweehonderd francs om er die maand mee toe te komen.

Daarop verzonk hij in gedachten.

—Ik ben van plan een anderen naam aan te nemen, zei hij eindelijk; jij moest dat ook doen.... We zouden elkaar minder hinderen.

—Zooals je wilt, antwoordde Aristide kalmpjes.

—Je hoeft je met niets te bemoeien, ik zal wel voor de formaliteiten zorgen.... Wil je Sicardot heeten, naar je vrouws naam?

Aristide richtte den blik naar de zoldering, sprak den naam eenige keeren achtereen uit, luisterde goed naar den klank van de lettergrepen en zei:

.... Sicardot.... Aristide Sicardot.... Neen, dank je; dat is een goede naam voor een ouden sok, en dat ruikt naar een failliet.

—Zoek dan wat anders, zei Eugène.

—Ik had liever kortweg Sicard, hernam de ander een poosje later; Aristide Sicard,.... niet zoo kwaad.... vind je niet? misschien een beetje vroolijk....

Hij dacht nog een oogenblik na, en met een zegevierend gezicht:

—Ik ben er, ik heb het gevonden, riep hij uit.... Saccard,

Aristide Saccard!.... met twee c’s. Hè! er zit geld in dien naam, het lijkt wel of men rijksdaalders telt.

Eugène was wreed als hij schertste. Hij nam lachend afscheid van zijn broer en zei:

—Ja, een naam om er mee naar de galeien te gaan of om er millioenen mee te verdienen.

Een paar dagen later was Aristide Saccard op het stadhuis. Daar hoorde hij dat zijn broer heel wat invloed had moeten aanwenden om hem zonder de gebruikelijke examens geplaatst te krijgen.

Toen begon voor het huishouden het eentonige leven der kleine ambtenaartjes. Aristide en Angèle richtten hun levenswijs weer in zooals in Plassans, met dit verschil echter, dat zij de hoop op een plotseling fortuin moesten laten varen; en hun armelijke levenswijs drukte hen meer, omdat zij haar beschouwden als een proeftijd waarvan zij den duur niet vooruit konden bepalen.

In Parijs arm zijn, is dubbel armoe lijden. Angèle schikte zich in de ellende met het gemis aan veerkracht van een bleekzuchtige vrouw; zij bracht haar dagen in de keuken door, of lag op den grond met haar dochtertje te spelen en klaagde niet voordat zij aan haar laatsten rijksdaalder was.

Maar Aristide beefde van woede om die armoede, om dat bekrompen bestaan, waarin hij rondliep als een wild dier dat opgesloten is in zijn hok. Het was voor hem een tijd van namelooze kwelling; zijn ijdelheid was gekwetst, zijn onbevredigde hartstochten zweepten hem onbarmhartig voort.

Zijn broer slaagde er in als afgevaardigde van het arrondissement Plassans in het Wetgevend lichaam te komen; nu voelde hij zijn lijden nog meer. Hij gevoelde de meerderheid van Eugène te goed om dwaas jaloersch te zijn; hij beschuldigde hem alleen, dat hij niet voor hem deed wat hij kon.

Meer dan eens dreef de noodzakelijkheid hem er toe bij hem aan te kloppen om geld. Eugène leende het hem, maar verweet hem op ruwen toon zijn gebrek aan moed en wilskracht. Dat maakte Aristide nog stijfhoofdiger. Hij zwoer dat hij niemand meer een cent zou vragen, en hij hield woord. De laatste week der maand at Angèle zuchtend droog brood.

Deze leerschool voltooide de vreeselijke opvoeding van Saccard. Zijn lippen werden dunner; hij was zoo dwaas niet meer om van zijn millioenendroomen te spreken, zijn magere persoonlijkheid werd karig met woorden en drukte nog slechts één overheerschend denkbeeld, één streven uit. Wanneer hij zich van de rue Saint-Jacques naar het stadhuis spoedde, klonken zijn afgeloopen hakken driftig op de trottoirs en hij knoopte zich in zijn versleten overjas als in een toevluchtsoord van haat, terwijl zijn speurhondenneus de lucht in de straten opsnoof. Hoekig beeld van de afgunstige armoede die men door de straten van Parijs ziet ronddolen, peinzende over de middelen om tot fortuin te geraken en ongebreidelde hartstochten bot te vieren.

Omstreeks het begin van 1853 werd Aristide Saccard benoemd tot opzichter der wegen. Hij verdiende nu vierduizend vijfhonderd francs. Deze verhooging kwam wel te pas; Angèle kwijnde weg, de kleine Clotilde werd met den dag bleeker. Hij bleef in zijn beknopte woning, bestaande uit een eetkamer met notenhouten en een slaapkamer met mahoniehouten meubelen; hij bleef ook even spaarzaam, en stak zich niet in schulden, daar hij zijn handen eerst dan naar het geld van anderen wou uitsteken, wanneer hij ze er tot de ellebogen in kon dompelen. Zoo verloochende hij zijn natuurlijken aard; met trotsche geringschatting voor de paar stuivers die hij meer kreeg, bleef hij op den loer.

Angèle was volmaakt gelukkig. Zij kocht een paar snuisterijen en deed iederen dag haar broche aan. Zij begreep niets meer van de stomme woede van haar man, van zijn sombere gelaatsuitdrukking, als peinsde hij zich moe op de oplossing van een geducht moeielijk vraagstuk.

Aristide volgde Eugène’s raad op: hij luisterde en hij keek toe. Toen hij zijn broer voor zijn bevordering ging bedanken, begreep deze welk een ommekeer in hem had plaats gehad; hij gaf hem een pluimpje over hetgeen hij zijn goed gedrag noemde. De ambtenaar, dien de afgunst innerlijk onbuigzaam maakte, was uiterlijk meegaande en vleiend innemend geworden.

In weinige maanden werd hij een volleerd tooneelspeler. Zijn zuidelijke verbeeldingskracht was geheel in hem ontwaakt, en hij bracht het zoover in de kunst, dat zijn collega’s op het stadhuis hem voor een goeden kerel hielden, die door zijn nauwe verwantschap met een afgevaardigde bij voorbaat was aangewezen voor de een of andere hooge betrekking. Om die zelfde reden behandelden zijn chefs hem ook met een bijzondere welwillendheid.

Zoo werd hij meer ontzien dan met zijn betrekking overeen kwam, en daardoor kon hij zekere deuren openen en zijn neus in zekere doozen steken, zonder dat er iets ongeoorloofds in zijn onbescheidenheid gezien werd.

Twee jaren lang zag men hem in alle gangen snuffelen, in alle zalen toeven, twintigmaal op een dag opstaan, om met een collega een praatje te gaan maken, een order over te brengen, een uitstapje door alle bureaux te gaan maken, eeuwigdurende wandelingen die zijn collega’s de opmerking in den mond gaven: “Die drommelsche provençaal! Hij kan geen minuut op zijn plaats blijven, hij heeft kwik in zijn beenen.”

Zijn vertrouwde kennissen hielden hem voor een luiaard, en de brave man lachte, wanneer zij hem beschuldigden, dat hij er slechts op uit was om een paar minuten aan de administratie te ontstelen.

Nooit beging hij de fout om aan de deuren te staan luisteren; maar hij had zoo’n besliste manier om de deuren te openen, de kamer door te wandelen, met een papier in de hand, een nadenkend gezicht en een zoo langzamen en regelmatigen tred, dat hem geen woord van de gesprekken ontging. Het was een geniale taktiek, men hield eindelijk zijn woorden niet meer in als men dien ijverigen ambtenaar voorbij zag loopen, die zoo verdiept in zijn bezigheden scheen en zoo bescheiden door de bureaux liep.

Hij paste nog een andere methode toe: hij was uiterst gedienstig, hij bood zijn collega’s zijn hulp aan, zoodra zij met hun werk ten achteren waren, en dan bestudeerde hij de registers en de documenten die hem onder de oogen kwamen, met een hartelijke belangstelling. Maar een zijner pekelzonden was, dat hij vriendschap aanknoopte met de kantoorknechts. Hij gaf ze zelfs de hand. Uren lang liet hij ze praten op de portalen, met gesmoorde lachjes allerlei verhaaltjes opdisschende en zijn best doende hen uit te hooren. De goede menschen hadden verbazend veel met hem op, en zeiden van hem: “Die is tenminste niet trotsch.”

Zoodra er iets bijzonders gebeurde, was hij er het eerst van onderricht. Op die wijze had het Stadhuis voor hem geen geheimen meer. Hij kende het heele personeel, tot zelfs den geringsten lampenopsteker, en al de paperassen, tot zelfs de rekeningen der waschvrouwen.

Op dit tijdstip bood Parijs voor een man als Aristide Saccard een allerbelangwekkendst schouwspel. Het keizerrijk was afgekondigd, na die bekende reis waarop de prins-president er in geslaagd was de geestdrift van enkele bonapartistische departementen te doen ontvlammen. Er was stilte ontstaan op de tribune en in de pers.

De maatschappij, ten tweeden male gered, wenschte zich geluk, ging te rust, sliep eens goed uit, nu een krachtig bestuur haar beschermde en haar zelfs onthief van de zorg om te denken en haar zaken te regelen. Het grootste hoofdbreken van de maatschappij was, te weten met welke vermaken zij den tijd zou dooden. Zooals Eugène Rougon het heel gelukkig uitdrukte, ging Parijs aan tafel en dacht aan de kwinkslagen bij het dessert.

Politiek werd een schrikbeeld, een gevaarlijk goedje. De vermoeide geest zocht de zaken en de genoegens op. Die iets bezaten, groeven hun geld weer op, en die niets bezaten zochten in hoekjes en gaatjes schatten, die mogelijk achtergelaten waren. Op den bodem van al dat gewoel trilde het nauw merkbaar, ontstond er een rammelend geluid van rijksdaalders, hoorde men een helder vrouwengelach, het nog zwakke gerinkel van vaatwerk en het klinken van kussen.

In de diepe stilte der herstelde orde, in den vrede der nieuwe regeering stegen allerlei aangename geluiden op, die hoop gaven op goud en wellust. Het scheen alsof men voorbij een dier kleine huisjes ging, waarvan de zorgvuldig neergelaten gordijnen slechts schaduwen van vrouwen laten doorschemeren en waar men het goud op den schoorsteenmantel hoort klinken.

Het keizerrijk zou Parijs tot de beruchtste plek van Europa maken. Dat handjevol gelukzoekers dat een troon gestolen had, had behoefte aan een regeering vol avonturen, kwade praktijken, verkochte gewetens, betaalde vrouwen, een geweldigen en algemeenen roes van verzadiging.

En in de stad, waar het Decemberbloed ternauwernood was weggewischt, ontwikkelde zich reeds, aanvankelijk nog schroomvallig, die buitensporige zucht naar genietingen, die Frankrijk op de lijst der verdorven en onteerde natiën zou plaatsen.

Aristide Saccard voelde al in de eerste dagen dien opkomenden vloed van de speculatie, die heel Parijs overschuimen zou. Hij gaf nauwlettend acht op de vorderingen die zij maakte. Hij bevond zich midden in den warmen regen van goudstukken die dicht op de daken der stad neerviel.

In zijn onophoudelijke tochten door het Stadhuis, was hij achter het groote ontwerp van de gedaanteverwisseling van Parijs gekomen, het plan om geheele huizenrijen af te breken, nieuwe verkeerswegen, nieuwe wijken te scheppen, van die ontzettende speculatie op den verkoop van terreinen en huizen, die in alle hoeken der stad een strijd van tegen elkander indruischende belangen deed ontstaan, en voedsel gaf aan een buitensporige weelde.

Sedert dien tijd had zijn bedrijvige geest een doel gevonden. Van dit oogenblik af begon hij op te vroolijken. Hij begon zelfs minder mager te worden, hij liep niet meer door de straten als een magere kat, die loert op haar prooi. Op zijn bureau was hij onderhoudender en gedienstiger dan ooit. Zijn broer, bij wien hij eenigszins officiëele bezoeken ging afleggen, wenschte hem geluk dat hij zijn raadgevingen zoo getrouw opvolgde.

Tegen den aanvang van het jaar 1854 vertelde Saccard hem in vertrouwen dat hij verscheidene zaken op het oog had, maar daarvoor aanzienlijke voorschotten noodig had.

—Dan zoek je die maar, zei Eugène.

—Je hebt gelijk, ik zal zoeken, antwoordde hij zonder de minste verstoordheid, alsof hij niet bemerkte dat zijn broer weigerde hem de benoodigde fondsen te verschaffen.

Over die eerste fondsen peinsde hij zich dikwijls moe. Zijn plan had hij in het hoofd, iederen dag bracht hij het meer tot rijpheid. Maar de eerste duizend francs kon hij niet vinden. Zijn verlangen werd met den dag grooter; ten slotte keek hij iedereen met een zenuwachtigen, doordringenden blik aan, alsof hij verwachtte dat de eerste de beste voorbijganger hem het geld zou leenen. Thuis bleef Angèle haar vergeten, gelukkig leven leiden. Hij daarentegen loerde op een goede gelegenheid, en zijn gulle lach werd bitterder naarmate die gelegenheid zich langer liet wachten.

Aristide had een zuster in Parijs. Sidonie Rougon was getrouwd met een procureursklerk uit Plassans, die met haar in de rue Saint-Honoré een zaak in zuidvruchten was begonnen.

Toen haar broer haar weervond, was de man verdwenen, en de zaak al lang te niet. Zij woonde in de rue du Faubourg Poissonnière, op een tusschenverdieping die uit drie kamers bestond. Zij had ook den winkel onder haar vertrekken in huur; het was een bekrompen, geheimzinnige winkel, waarin zij voorgaf een zaak in kantwerken te drijven; inderdaad hingen er in de winkelkast eindjes guipure en valencienne op vergulde roedjes; maar als men binnentrad, zou men zich in een voorkamer gewaand hebben met glimmende lambrizeering, zonder een schijn van winkelwaar.

De deur en de uitstalkast waren voorzien van lichte gordijnen, die den nieuwsgierigen blik der voorbijgangers beletten in den winkel te kijken, en hem het stille, halfduistere voorkomen gaven van een wachtkamer, die toegang geeft tot een onbekend heiligdom.

Het gebeurde zelden dat men een klant bij mevrouw Sidonie zag binnenkomen; meestal zelfs was de kruk van de deur afgenomen. In de buurt luidde haar praatje, dat zij haar kanten zelf bij de rijke dames ging aanbieden. De inrichting van haar vertrekken was de eenige oorzaak, zei zij, dat zij den winkel er bij gehuurd had; beiden stonden met elkander in verbinding door een in den muur verborgen trap.

De kantverkoopster was inderdaad altijd buitenshuis; tienmaal op een dag zag men haar met zekere gejaagdheid uit- en ingaan.

Trouwens, haar handel bestond niet enkel uit kant, zij maakte zich de ruimte van haar tusschenverdieping ten nutte en vulde die met allerlei voorraad, hier en daar bijeengegaard. Zij had er caoutchouc artikelen verkocht, mantels, schoenen, bretels enz.; daarna zag men er achtereenvolgens een nieuwe soort haarolie, orthopedische instrumenten, een automatische koffiekan, een gepatenteerde uitvinding, waarvan de verkoop haar zeer veel last bezorgde.

Toen haar broer haar kwam opzoeken, had zij een agentuur in piano’s, en waren haar kamers opgepropt met die instrumenten; ze stonden zelfs in haar slaapkamer, een sierlijk ingericht vertrek, dat heel vreemd afstak bij den winkelrommel van de twee andere kamers.

Zij dreef deze twee zaken scherp afgescheiden; de klanten die voor de koopwaren van de tusschenverdieping kwamen, uit en in door een koetspoort, die het huis in de rue Papillon had; men moest in het geheim van de trap ingewijd zijn om te weten dat de kantenverkoopster er twee zaken op nahield.

In haar woning noemde zij zich mevrouw Touche, haar mans naam, terwijl de winkeldeur alleen haar voornaam vermeldde, zoodat zij algemeen mevrouw Sidonie genoemd werd.

Mevrouw Sidonie was vijf en dertig jaar; maar zij kleedde zich met zoo’n achteloosheid, zij had zoo weinig vrouwelijks in haar manieren, dat men haar veel ouder zou geschat hebben. Om de waarheid te zeggen, had zij geen leeftijd. Zij droeg onveranderlijk een zwarte japon, kaal in de plooien, verkreukt en glimmend door het dragen, die aan een advokaten-toga deed denken, versleten tegen het hout van de balie.

Met een zwarten hoed op het hoofd, die haar tot in de oogen zakte en haar kapsel verborg, met groote schoenen aan de voeten, draafde zij door de straten met een mandje aan den arm, waarvan de hengsels met touwtjes versteld waren. Die onafscheidelijke mand bevatte een wereld van zaken. Wanneer zij open ging, kwamen er allerhande stalen uit, agenda’s, portefeuilles, en vooral bundels gezegeld papier, wier onleesbaar schrift zij met bijzondere handigheid ontcijferde. Er stak iets van een makelaar en van een deurwaarder in haar. Zij leefde in protesten, assignaties, exploiten; wanneer zij voor tien francs pommade of kant verkocht had, drong zij zich bij haar klant in de gunst, werd haar zaakwaarnemer, liep voor haar de procureurs, advokaten en rechters af. Zij liep aldus weken lang rond met heele dossiers in haar mandje, zich afslovende om Parijs van het eene eind naar het andere te doorkruisen, op haar kippendrafje, zonder ooit een rijtuig te nemen.

Het zou moeielijk geweest zijn te zeggen welk voordeel zij uit een dergelijk beroep trok; zij oefende het in de eerste plaats uit door een instinktmatige voorliefde voor zaken, die niet pluis waren; dan trok zij er een menigte kleine voordeeltjes uit: diners rechts en links, een gulden hier en een gulden daar.

Maar de winst die bij haar het zwaarst woog, haalde zij uit de vertrouwelijke mededeelingen die zij overal ontving en die haar op het spoor brachten van menig zaakje, waar zij voordeel uit kon slaan. Altijd in eens andermans huis, in eens anders zaken, was zij een levend koopmansregister van vraag en aanbod. Zij wist families, waar men er belang bij had de dochter dadelijk te laten trouwen, een familie die drieduizend francs noodig had, een ouden heer die de drieduizend francs wel zou willen leenen, maar op zeker onderpand en tegen hoogen intrest. Zij wist nog teerder geheimen, het verdriet van een blonde dame die door haar man niet begrepen werd, en die verlangde begrepen te worden; den geheimen wensch van een goede moeder die haar dochter voordeelig hoopte te plaatsen, den smaak van een baron voor intieme soupeetjes en heel jonge meisjes.

Al die vragen en aanbiedingen bracht zij met haar flauwen glimlach over; zij liep twee uur achtereen om haar klanten met elkander in aanraking te brengen; zij zond den baron naar de goede moeder, bewoog den ouden heer er toe de drieduizend francs aan de in geldverlegenheid zittende familie te leenen, vond troost voor de blonde dame en een weinig kieskeurigen echtgenoot voor het meisje dat trouwen moest.

Zij had ook groote zaken, zaken waarvoor zij hardop kon uitkomen, en waarvan zij den mond vol had tegenover de lui die met haar in aanraking kwamen; een langdurig proces dat een geruïneerde adellijke familie haar had opgedragen te volgen, en een schuld door Engeland tegenover Frankrijk ten tijde der Stuarts aangegaan, waarvan het bedrag, met intrest op intrest, bijna drie milliard beliep. Die schuld van drie milliard was haar stokpaardje; zij legde de zaak haarfijn uit, hield een heelen cursus in geschiedenis, en een blos van opwinding steeg naar haar wangen, die gewoonlijk slap en geel als was waren.

Soms wist zij tusschen een boodschap bij een deurwaarder en een bezoek bij een vriendin, een koffiekan, een caoutchouc mantel of een stuk kant te verkoopen of een piano te verhuren. Dat was voor haar een kleinigheid. Dan haastte zij zich weer naar haar winkel terug, waar een klant haar verwachtte om een stuk chantilly te zien. De klant kwam, gleed als een schaduw den stillen halfduisteren winkel binnen. En het gebeurde ook vaak, dat een heer die door de koetspoort van de rue Papillon was binnengekomen, op hetzelfde uur de piano’s van mevrouw Touche op de bovenkamers kwam zien.

Indien mevrouw Sidonie niet rijk werd, dan kwam dit omdat zij dikwijls uit liefde voor de kunst werkte. Liefhebster als zij was van een rechtsgeding, vergat zij haar eigen zaken voor die van anderen; zij liet zich door de deurwaarders villen, wat haar trouwens genietingen gaf, die alleen pleitzuchtige lieden kennen.

De vrouw stierf in haar weg, zij was nog slechts een zaakwaarnemer, een tusschenpersoon die ieder uur van den dag op straat te zien was, met de onmogelijkste koopwaar in haar onafscheidelijk mandje, van alles verkoopende, van milliarden droomende, en bij den kantonrechter voor een begunstigde klant een vordering van tien francs betwistende. Klein, mager, bleek, gekleed in die dunne zwarte japon die uit de toga van een pleiter geknipt scheen, zag zij er verschrompeld uit, en als men haar langs de huizen zag trippelen, zou men haar voor een als meisje verkleeden boodschappenjongen gehouden hebben.

Haar gelaatskleur had de bleekheid van zegelpapier. Haar lippen glimlachten flauwtjes, terwijl haar oogen den warboel weerspiegelden van de zaken en de menigvuldige beslommeringen waarmee zij haar hersens vol stopte. Bescheiden en beschroomd in haar manieren, met iets dat rook naar den biechtstoel of het vertrek van een verloskundige, deed zij zich zacht en moederlijk voor, als een non die afstand gedaan heeft van de wereldsche neigingen en medelijden heeft met het zieleleed van anderen.

Zij sprak nooit van haar man, en evenmin van haar kindsheid, haar familie of haar belangen. Er was maar één ding dat zij niet verkocht, dat was haar zelve, niet omdat zij gewetensbezwaar daartegen zou hebben, maar omdat de gedachte aan dien koop niet in haar op kon komen. Zij was zoo droog als een factuur, koud als een protest, en als het er op aankwam zoo onverschillig en grof als een deurwaardersgetuige.

Saccard, zoo kersversch uit zijn provincie, kon eerst geen inzicht krijgen in de verscheidenheid van beroepen, die mevrouw Sidonie uitoefende. Daar hij een jaar in de rechten gestudeerd had, sprak zij eens met een ernstig gezicht over de drie milliard, wat hem een geringen dunk van haar verstand gaf. Zij kwam eens snuffelen in zijn woning, had met éen blik Angèle beoordeeld, en verscheen eerst weer als zij toevallig een boodschap in de buurt had of behoefte gevoelde de drie milliard weer eens ter sprake te brengen. Angèle was belang gaan stellen in de geschiedenis van de Engelsche schuld. De makelaarster reed op haar stokpaardje, een uur lang liet zij het goud stroomen.

Dat was de barst in dien schranderen geest; de dwaasheid, waarmee zij haar leven, dat in een armzaligen handel verloren ging, suste; het toovermiddel waarmee zij, met haar, de lichtgeloovigsten van haar klanten in geestdrift bracht.

Met volle overtuiging begon zij eindelijk zelfs over de drie milliard als haar persoonlijk fortuin te spreken, dat de rechters haar vroeg of laat moesten toewijzen. Dit gaf een wonderschoonen stralenkrans om haar armoedig zwart hoedje, waarop een paar verbleekte viooltjes wiegelden op geelkoperen steeltjes, waarvan het omkleedsel afgesleten was.

Angèle zette verbazend groote oogen op. Herhaalde malen sprak zij tegen haar man met ontzag over haar schoonzuster, bewerende dat mevrouw Sidonie hen misschien nog eens rijk zou maken.

Saccard haalde de schouders op; hij was den winkel en de bovenkamers van den Faubourg Poissonnière eens gaan opnemen, en hij voorzag dat die zaak spoedig failliet zou gaan.

Hij wenschte Eugène’s opinie over hun zuster te vernemen, maar deze werd ernstig en antwoordde alleen dat hij haar nooit zag, dat hij wist dat zij heel slim was, misschien de familie een beetje in opspraak kon brengen. Maar toen Saccard een poos later in de rue de Penthièvre terugkwam, verbeeldde hij zich, dat hij de zwarte japon van mevrouw Sidonie bij zijn broer uit zag komen en vlug langs de huizen voort zag stappen. Hij liep haar achterna, maar hij kon de zwarte japon niet terugvinden. De makelaarster had een van die nietige gestalten die in de menigte verloren gaan.

Dit stemde hem tot nadenken, en van dat oogenblik bestudeerde hij zijn zuster met meer oplettendheid. Hij ontdekte weldra, welk een onmetelijke werkkracht verscholen lag in dat bleeke wezentje, wier heele gelaat een ondoorgrondelijke uitdrukking droeg. Hij kreeg ontzag voor haar. Zij was wel degelijk een echte Rougon.

Hij herkende dien gelddorst, die behoefte aan intriges, die de familie kenmerkte: maar bij haar was, door de omgeving waarin zij zoo lang had verkeerd, in dat Parijs waar zij ’s morgens haar karig brood voor den avond moest ophalen, het gemeenschappelijk temperament afgeweken, om die zonderlinge tweeslachtigheid voort te brengen van een vrouw, die een geslachtloos wezen was geworden, een zaakwaarnemer en koppelaarster tegelijk.

Toen Saccard zijn plan eenmaal vastgesteld had en de eerste fondsen moest zien te bemachtigen, dacht hij natuurlijk aan zijn zuster. Zij schudde het hoofd, en sprak zuchtend over de drie milliard. Maar de ambtenaar gaf haar in die dwaasheid geen voet, hij sprak haar ruw toe, zoo dikwijls zij over de schuld der Stuarts begon; die hersenschim scheen hem onwaardig bij zoo’n praktisch verstand.

Mevrouw Sidonie, die kalm den ruwsten spot verdroeg zonder dat haar overtuiging geschokt werd, bracht hem toen duidelijk aan het verstand, dat hij geen cent zou krijgen, aangezien hij geen enkelen waarborg kon aanbieden.

Dit gesprek werd gevoerd voor de Beurs, waar zij met haar spaarduitjes ging speculeeren. Tegen drie uur kon men haar altijd vinden, leunende tegen het hek, links, naast het postkantoor; daar gaf zij audiëntie aan personen die er even zonderling uitzagen als zij. Haar broer zou juist weggaan, toen hij haar op spijtigen toon hoorde zeggen: “Ja, als je niet getrouwd was!....” Die halve uitlating, waarvan hij de volledige beteekenis niet wilde vragen, stemde Saccard tot nadenken.

Maanden gingen voorbij, de Krimoorlog was uitgebroken. Parijs stoorde zich niet aan een oorlog zoo ver weg, maar wierp zich met te meer drift op de speculaties en de vrouwen. Met verbeten ongeduld woonde Saccard die stijgende woede, die hij voorzien had, bij. In den reuzenoven gaven de hamers die het goud op het aambeeld pletten, hem schokken van toornig ongeduld. Zijn verstand en zijn wilskracht waren zoo strak gespannen, dat hij als in een droom leefde, als een slaapwandelaar die door een idée fixe voortgedreven, in de dakgoot loopt.

Op een avond was hij onaangenaam verrast Angèle ziek te bed te vinden. Zijn huiselijk leven, regelmatig als een uurwerk, geraakte in de war en dat verbitterde hem als een opzettelijke kwaadwilligheid van het noodlot.

De arme Angèle klaagde zacht; zij had kou gevat en rilde. Toen de dokter kwam, trok hij een bedenkelijk gezicht; op het portaal zei hij tot den man, dat zijn vrouw een longontsteking had en dat hij niet voor haar instond.

Van dat oogenblik aan paste Saccard de zieke zonder boosheid op; hij ging niet meer naar zijn bureau, hij bleef bij haar, en keek haar met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan, als zij hijgend en rood van koorts lag te slapen.

Mevrouw Sidonie vond ondanks haar overstelpend drukke bezigheden, de gelegenheid om iederen avond het een of andere aftreksel te komen maken, die volgens haar uitstekend hielpen. Bij al haar beroepen voegde zij nog dat van een ziekenverpleegster uit roeping; zij zat gaarne aan een ziekbed, om geneesmiddelen toe te dienen en te luisteren naar de treffende gesprekken die aan een sterfbed gevoerd worden.

Dan scheen zij ook een innige vriendschap voor Angèle opgevat te hebben; zij hield van de vrouwen, met allerlei liefkoozingen, zeker om het genoegen dat zij aan de mannen verschaffen; zij behandelde ze met die zorgzame oplettendheid die koopvrouwen hebben voor de kostbare waar in hun uitstalkast, zij noemde ze: “liefje, schatje,” kirde en keek ze met smachtende blikken aan, als een minnaar voor een maîtresse. Ofschoon er van Angèle niets te trekken viel, liefkoosde zij haar evenals de anderen, dat lag zoo in haar aard. Toen de jonge vrouw te bed lag, werd de hartelijkheid van mevrouw Sidonie aandoenlijk, zij vervulde de stille kamer met haar toewijding. Haar broer zag haar met opeengeperste lippen op en neer gaan, alsof zij door smart overstelpt was.

De kwaal verergerde. Op zekeren avond gaf de dokter te kennen, dat de zieke den nacht niet meer door zou halen. Mevrouw Sidonie was vroeg gekomen, zij scheen met éen gedachte vervuld en keek naar Aristide en Angèle met haar betraande oogen, waarin zich nu en dan een korte flikkering vertoonde.

Toen de dokter weg was, draaide zij de lamp neer; een diepe stilte ontstond. De dood trad langzaam in deze warme, vochtige kamer, waarin de onregelmatige ademhaling van de stervende klonk als het getiktak van een klok die van streek is.

Mevrouw Sidonie maakte geen drankjes meer gereed, zij liet de ziekte haar werk voltooien. Zij was voor den schoorsteen gaan zitten, naast haar broer die zenuwachtig het vuur oprakelde, terwijl hij onwillekeurig naar het bed keek. Toen, als van streek gebracht door die drukkende lucht, door dat bedroevend schouwspel, begaf hij zich naar de aangrenzende kamer. Daar had men de kleine Clotilde opgesloten, die heel zoet op het karpet met haar pop speelde. Het kind lachte hem toe, toen mevrouw Sidonie, zachtjes achter hem aankomende, hem in een hoek trok en zacht begon te praten.

De deur was open gebleven. Men hoorde het zachte gereutel van Angèle.

—Je arme vrouw,.... snikte de makelaarster, ik geloof dat het nu gauw gedaan is. Heb je gehoord wat de dokter zei?

Saccard boog somber het hoofd.

—Het was een goed mensch, ging de andere voort, alsof Angèle reeds dood was. Je kunt rijker vrouwen vinden, vrouwen met meer wereldkennis, maar zoo’n hart vind je nooit terug.

En toen zij even zweeg, en haar oogen afdroogde, terwijl zij een overgang scheen te zoeken, vroeg Saccard haar kortaf:

—Heb je me iets te zeggen?

—Ja, ik heb om je gedacht, je weet wel waarvoor, en ik geloof dat ik iets gevonden heb.... Maar op zoo’n oogenblik.... Mijn hart breekt er bij, zie je.

Zij droogde haar oogen nog eens af. Saccard liet haar rustig begaan, zonder iets te zeggen. Toen kwam het hooge woord er uit.

—Het is een jong meisje, dat zoo gauw mogelijk moet trouwen. Het arme kind heeft een ongelukje gehad. Ze heeft een tante die er veel voor over zou hebben....

Zij hield grijnend op, nadat zij al dien tijd op een huilerigen toon gesproken had, alsof zij de arme Angèle nog steeds beklaagde. Dat deed zij opzettelijk om haar broer ongeduldig te maken, hem te nopen haar te ondervragen, om niet de heele verantwoordelijkheid te dragen van het aanbod dat zij hem kwam doen. De ambtenaar werd inderdaad een beetje prikkelbaar.

—Komaan, voor den dag er mee! zei hij. Waarom wil men dat meisje laten trouwen?

—Zij kwam van de kostschool, hernam de makelaarster op klagenden toon, iemand heeft haar verleid, op het buiten van de ouders van een harer vriendinnen.

De vader heeft haar misslag ontdekt. Hij wou haar dooden. De tante heeft het arme kind willen redden, en samen hebben zij den vader op de mouw gespeld, dat de schuldige een brave jongen was, die hoe eer hoe liever zijn onbezonnenheid wou goed maken.

—Dus, zei Saccard op verbaasden toon en bijna boos, dus die buitenman gaat met het meisje trouwen?

—Neen, dat kan hij niet, hij is getrouwd.

Een stilte volgde. Het gereutel van Angèle klonk droeviger in de trillende lucht. De kleine Clotilde had haar spel gestaakt; zij keek mevrouw Sidonie en haar vader aan, met haar groote peinzende kinderoogen, alsof zij hun woorden begrepen had.

Saccard begon korte vragen te doen:

—Hoe oud is het meisje?

—Negentien jaar.

—Hoe lang is zij zwanger?

—Drie maanden. Er volgt zeker een miskraam.

—Is de familie rijk en geacht?

—Oude burgerfamilie. De vader is magistraat geweest. Heel gefortuneerd.

—Wat zou de tante er voor over hebben?

—Honderdduizend francs.

Een tweede pauze volgde. Mevrouw Sidonie huilde niet meer; zij deed nu zaken, haar stem kreeg een metaalklank, als die van een opkoopster die afdingt.

Haar broer keek haar onderzoekend aan en zei ietwat aarzelend:

—En jij, wat beding jij?

—Dat is van later zorg, antwoordde zij. Je zult me op jouw beurt van dienst kunnen zijn.

Zij wachtte eenige seconden, en daar hij zweeg, vroeg zij hem ronduit:

—Nu, wat is je besluit? Die arme vrouwen zijn wanhopig. Ze willen schandaal vermijden. Ze hebben beloofd den naam van den schuldige morgen aan den vader op te geven.... Als je het aanneemt, zal ik ze een van je visitekaartjes door een besteller laten brengen.

Saccard scheen uit een droom te ontwaken; hij huiverde en keerde zich angstig naar de naburige kamer, waar hij een licht gedruis meende te hooren.

Mevrouw Sidonie keek hem strak aan, met een koelen, smadelijken blik.

Het bloed der Rougons, al zijn brandende begeerten stegen hem naar de keel. Hij nam een visitekaartje uit zijn portefeuille en gaf het aan zijn zuster, die het in een envelop stak, nadat zij het adres er zorgvuldig afgekrabd had. Daarop ging zij de trap af. Het was even negen uur.

Alleen gebleven, drukte Saccard zijn voorhoofd tegen de koude ruiten. Hij was zoo in gedachten verdiept, dat hij met de vingertoppen tegen de ruiten trommelde. Maar het was zoo pikdonker, de duisternis daar buiten hoopte zich tot zulke zonderlinge massa’s op, dat hij zich onpleizierig begon te voelen en werktuigelijk terugkeerde naar de kamer waar Angèle lag te sterven.

Hij had haar vergeten, het gaf hem een vreeselijken schok toen hij haar overeind tegen haar kussens vond zitten; haar oogen waren wijd geopend, een stroom van leven scheen naar haar wangen en haar lippen te zijn opgestegen.

De kleine Clotilde, nog steeds met een pop in haar handje, zat op den rand van het bed; zoodra haar vader zich omgekeerd had, was zij gauw naar die kamer geslopen, waaruit men haar verwijderd had en waar haar kinderlijke nieuwsgierigheid haar heenlokte.

Saccard, wiens hoofd geheel vervuld was met de geschiedenis van zijn zuster, zag zijn droom ineenstorten. Een afschuwelijke gedachte schitterde zeker in zijn oogen. Vol ontzetting wilde Angèle zich tegen den muur terugwerpen, maar de dood kwam; dat ontwaken uit den doodstrijd was de laatste opflikkering van de uitgaande lamp geweest. De stervende kon zich niet verroeren; zij zakte ineen, zij bleef haar wijdgeopende oogen op haar man gericht houden, als om zijn bewegingen na te gaan.

Saccard, die aan een herleving dacht, met duivelsche kunsten door het noodlot uitgevonden om hem in de ellende te houden, stelde zich gerust toen hij zag dat de ongelukkige geen uur meer te leven had. Hij had alleen nog een onverdragelijk, hinderlijk gevoel.

Angèle’s oogen zeiden dat zij het gesprek van haar man met mevrouw Sidonie gehoord had, dat zij vreesde dat hij haar zou verwurgen, als zij niet gauw genoeg stierf. En in die oogen las men nog den verbaasden afschuw van een zachtaardig, onschuldig gemoed, dat te elfder ure de snoodheid dezer wereld bemerkte en huiverde bij de gedachte aan de lange jaren die zij naast een bandiet had doorgebracht.

Langzamerhand werd haar blik zachter; zij was niet bang meer, zij moest dien ongelukkige verontschuldigen, als zij dacht aan den hardnekkigen strijd dien hij reeds zoo lang tegen de fortuin gevoerd had.

Saccard, achtervolgd door dien blik eener stervende, waarin hij zoo’n lang verwijt las, zocht een steun tegen de meubels, en ging opzettelijk in de donkerste hoekjes.

Maar toen ook dit niet baatte, wilde hij dat schrikbeeld verjagen dat hem krankzinnig maakte, en hij trad in het volle schijnsel der lamp. Maar Angèle wenkte hem toe dat hij zwijgen zou. En zij keek hem voortdurend aan met die oogen vol nameloozen angst, waarin zich nu een belofte van vergiffenis mengde. Toen boog hij zich voorover om Clotilde uit haar armen weg te nemen en naar een andere kamer te dragen. Zij verbood het hem weer, met een beweging van haar lippen. Zij verlangde dat hij daar zou blijven. Zij stierf zachtjes weg, zonder haar blik van hem af te wenden, en naarmate hij verflauwde, kreeg die blik meer zachtheid. Zij schonk vergiffenis in haar laatsten zucht.

Zij stierf zooals zij geleefd had, zachtzinnig, zij vergat zichzelf in den dood, zooals zij zich in het leven vergeten had.

Saccard bleef huiverend staan voor die open oogen der doode, die hem met hun onbewegelijkheid bleven achtervolgen. De kleine Clotilde wiegde haar pop op een slip van het beddelaken, zachtjes, om haar moeder niet wakker te maken.

Toen mevrouw Sidonie weer boven kwam, was alles afgeloopen. Als iemand die met dat werk vertrouwd is, sloot zij met een vingerdruk Angèle’s oogen, hetgeen Saccard een bijzondere verlichting gaf. Nadat zij vervolgens de kleine te bed had gelegd, bracht zij in een ommezien de sterfkamer in orde. Toen zij twee waskaarsen op de latafel had aangestoken en het laken zorgvuldig tot aan de kin der doode had opgetrokken, wierp zij een blik van voldoening om zich heen en strekte zich uit in een armstoel, waar zij tot het aanbreken van den dag insliep.

Saccard bracht den nacht in een naburige kamer door met het schrijven van de bekendmakingen. Bijwijlen hield hij op, verzonk in gepeins of schreef rijen getallen op stukjes papier.

’s Avonds na de begrafenis, nam mevrouw Sidonie Saccard mee naar haar woning. Daar werden groote besluiten genomen. De ambtenaar besloot dat hij de kleine Clotilde naar een zijner broers zou zenden, Pascal Rougon, een dokter te Plassans, die niet getrouwd was en enkel voor de wetenschap leefde, en die hem meer dan eens had aangeboden zijn nicht bij zich te nemen, om zijn stille huis wat op te vroolijken.

Mevrouw Sidonie bracht hem vervolgens aan het verstand, dat hij niet langer in de rue Saint-Jacques kon blijven wonen. Zij zou voor een maand keurig gemeubileerde kamers voor hem huren, in den omtrek van het stadhuis; zij zou moeite doen om die kamers in een burgerwoning te huren, dat het den schijn zou hebben alsof die meubels zijn eigendom waren. Wat het ameublement van de rue Saint-Jacques betrof, dat zou verkocht worden, om aldus de laatste sporen van het verledene uit te wisschen. De opbrengst zou hij besteden voor een uitzet en behoorlijke kleederen.

Drie dagen daarna, werd Clotilde toevertrouwd aan de zorgen van een oude dame, die toevallig juist naar het Zuiden ging.

En Aristide Saccard, opgeruimd en blozend, zelfs iets dikker geworden in die drie dagen door de eerste lonkjes der fortuin, bewoonde nu in de rue Payenne, een deftig huis, uit vijf keurig ingerichte kamers bestaande, waarin hij op geborduurde pantoffels rondliep. Het was de woning van een jongen geestelijke, die onverwachts naar Italië was afgereisd, en zijn dienstmaagd bevolen had een huurder te zoeken. Deze dienstmaagd was een vriendin van mevrouw Sidonie, die nog al met de geestelijkheid op had; zij hield van priesters op dezelfde manier als zij van vrouwen hield, instinctmatig misschien vond zij eenige overeenkomst in den priesterrok met de zijden rokken der vrouwen.

Nu was Saccard klaar, hij stelde met een bijzondere handigheid zijn gedragslijn vast: hij wachtte onvervaard de moeielijkheden en de neteligheden van den toestand af, dien hij zelf aanvaard had.

Mevrouw Sidonie had in dien afschuwelijken nacht van Angèle’s doodstrijd, het geval van de familie Béraud in weinig woorden getrouw weergegeven. Het hoofd dier familie, mijnheer Béraud Du Châtel, een groote grijsaard van zestig jaar, was de laatste vertegenwoordiger van een oud burgergeslacht, welks oorkonden van veel vroeger tijden dagteekenden dan die van sommige adellijke familiën. Een zijner voorouders was de metgezel van Etienne Marcel geweest.

In 1793 stierf zijn vader op het schavot, nadat hij de republiek begroet had met al de geestdrift van een Parijsch burger, in wiens aderen het revolutionaire bloed der oude stad vloeide. Hij zelf was een dier Spartaansche republikeinen, die droomen van een regeering van louter rechtvaardigheid en wijsheid.

Vergrijsd in het magistraatsleven, waarin hij die stijfheid en strengheid had opgedaan die aan dat beroep verbonden zijn, nam hij zijn ontslag als President der Kamer in 1851, vlak na den Staatsgreep, nadat hij geweigerd had deel uit te maken van een dier gemengde commissies, die de Fransche gerechtigheid tot oneer waren.

Sinds dien tijd leefde hij eenzaam en verlaten in zijn huis, dat op de spits van het eiland Saint-Louis stond, schuins tegenover het hôtel Lambert.

Zijn vrouw was jong gestorven. Een geheim familiedrama, waarvan de herinnering nog altijd in hem voortleefde, was oorzaak dat hij steeds somber gestemd was. Hij had al een meisje van acht jaar, toen zijn vrouw stierf bij de geboorte van een tweede dochter. Laatstgenoemde, Christine geheeten, werd in huis genomen door een zuster van mijnheer Béraud Du Châtel, die met notaris Aubertot getrouwd was. Renée ging naar het klooster.

Mevrouw Aubertot, die geen kinderen had, vatte een moederlijke genegenheid op voor Christine, die zij zelf opvoedde.

Toen haar man gestorven was, nam zij de kleine mee naar haar vader, en bleef daar tusschen dien stroeven grijsaard en net lachende blondinnetje.

Renée werd op de kostschool vergeten. In de vacantie vervulde zij het huis met zoo’n rumoer, dat haar tante een diepen zucht van verlichting slaakte, als zij haar eindelijk weer terugbracht naar de zusters der orde van de Visitatie, waar zij al sedert haar achtste jaar op school was.

Zij kwam eerst op negentienjarigen leeftijd uit het klooster, en bracht al dadelijk een paar zomermaanden bij de ouders van haar vriendin Adeline door, die in de omstreken van Nevers een prachtig buitengoed hadden.

Toen zij in October terug kwam, was tante Elisabeth verwonderd haar zoo ernstig, zelfs treurig te zien. Op een avond verrastte zij haar in haar bed, half waanzinnig van smart en haar snikken in haar kussen smorende. In de eerste opwelling van haar wanhoop vertelde het meisje haar een aandoenlijke geschiedenis; een veertigjarige, rijke gehuwde man, die daar met zijn jonge bekoorlijke vrouw buiten woonde, had haar onteerd, zonder dat zij zich kon of durfde verdedigen.

Deze bekentenis deed tante Christine hevig ontstellen; zij beschuldigde zich zelfs alsof zij zich medeplichtig voelde, haar voorliefde voor Christine speet haar nu, en zij bedacht, dat als zij Renée ook bij haar had gehouden, het arme kind niet bezweken zou zijn. Om toen dat knagend zelfverwijt te verdrijven, dat haar door haar teergevoeligen aard nog meer deed lijden, hielp zij de schuldige; zij kalmeerde den toorn van den vader, die door de overmaat van haar voorzorgen achter de verschrikkelijke waarheid kwam; in haar vertwijfeling bedacht zij dat vreemde huwelijksplan, dat in haar oog alle moeielijkheden uit den weg ruimde, den vader tevreden stelde, Renée weer haar plaats als fatsoenlijke vrouw in de wereld terug gaf, en waarvan zij opzettelijk noch de schandelijke zijde noch de noodlottige gevolgen wilde zien.

Het is nooit uitgelekt hoe mevrouw Sidonie de lucht kreeg van dit goede zaakje. De eer der Bérauds had met de protesten van alle lichte meisjes uit Parijs in haar mandje gelegen.

Toen zij de geschiedenis vernam, drong zij bijna haar broer op, wiens vrouw op sterven lag. Tante Elisabeth kwam ten slotte in den waan dat zij verplichting had aan die zachtzinnige, bescheiden dame, die zich zooveel aan de ongelukkige Renée gelegen liet zijn, dat zij zelfs een man voor haar koos uit haar eigen familie.

De eerste samenkomst van de tante en Saccard had plaats in de bovenwoning van de rue du Faubourg-Poisonnière.

De ambtenaar, die door de koetspoort van de rue Papillon was binnen gekomen, en mevrouw Aubertot door den winkel het kleine trapje op zag komen, begreep op eens het vernuftige samenstel van de twee ingangen.

Hij was heel hoffelijk en legde bij deze gelegenheid veel takt aan den dag. Hij sprak over het huwelijk als over een zaak, maar als een man van de wereld die zijn speelschulden afdoet. Tante Elisabeth was veel minder op haar gemak dan hij; zij stotterde soms en zij durfde niet eens over de honderdduizend francs spreken, die zij beloofd had.

Hij was de eerste die de geldkwestie aanroerde, met het voorkomen van een procureur, die voor de belangen van een cliënt optreedt. Volgens hem, was het een bespottelijk lage inbreng voor den man van mejuffrouw Renée. Hij drukte even op dat “mejuffrouw.” Mijnheer Béraud Du Châtel zou een armen schoonzoon nog meer minachten; hij zou hem beschuldigen dat hij zijn dochter om haar geld verleid had, misschien zou hij zelfs op de gedachte komen om heimelijk een onderzoek in te stellen.

Mevrouw Aubertot verschrok en door de kalme, beleefde woorden van Saccard van de wijs gebracht, stemde zij er in toe de som te verdubbelen, toen hij verklaard had dat hij Renée nooit zou durven vragen voor minder dan twee honderdduizend francs, daar hij niet wilde aangezien worden voor een schandelijken bruidschatjager.

Het goede mensch ging heen, geheel van streek, niet meer wetende wat zij moest denken van een man, die zich zoo verontwaardigd toonde en toch zoo’n koop aanging.

Dit eerste onderhoud werd gevolgd door een officieel bezoek dat tante Elisabeth aan Aristide Saccard bracht, in zijn woning rue Payenne. Ditmaal kwam zij uit naam van mijnheer Béraud.

De oude magistraat had geweigerd “dien man” te zien, zooals hij den verleider zijner dochter noemde, zoolang hij niet met Renée getrouwd was, aan wie hij trouwens ook de deur gewezen had.

Mevrouw Aubertot had de opdracht naar goedvinden te handelen. Zij scheen heel ingenomen met de weelde van den ambtenaar; zij was bang geweest dat de broer van die mevrouw Sidonie met haar verkreukte japon, een arme slobber zou zijn. Hij ontving haar in een keurige kamerjapon. De tijd was eindelijk daar, waarop de gelukzoekers van den 2en December, na hun schulden betaald te hebben, hun afgedragen schoenen en hun versleten jassen op den vuilnishoop wierpen, hun baardstoppels afschoren en nette menschen werden.

Saccard kon nu ook meedoen, hij maakte zijn nagels schoon en gebruikte bij het wasschen de duurste poeders en reukwaters. Hij werd galant; hij veranderde van taktiek, toonde zich ongeloofelijk belangeloos. Toen de oude dame van het contract sprak, maakte hij een gebaar alsof hem dat niets kon schelen. Al acht dagen lang bladerde hij het Wetboek door, hij bestudeerde die ernstige kwestie, waarvan in de toekomst zijn vrijheid afhing om zwendelzaken te doen.

—Laat die onaangename geldkwestie in ’s hemelsnaam rusten, zei hij. Mij dunkt dat mejuffrouw Renée de beschikking over haar fortuin en ik die over het mijne moet houden. De notaris zal dat wel in orde brengen.

Tante Elisabeth keurde deze zienswijze goed; zij beefde bij de gedachte, dat die man, van wiens onbuigzame hardheid zij een vaag vermoeden kreeg, de vingers zou uitsteken naar den bruidschat van haar nicht. Zij bracht toen dien bruidschat ter sprake.

—Het fortuin van mijn broer, zei zij, bestaat hoofdzakelijk uit landgoederen en huizen. Hij is er de man niet naar om zijn dochter tot straf het haar toegedachte aandeel te beknibbelen. Hij geeft haar een landgoed in Sologne, dat op drie honderdduizend francs geschat wordt, en een huis in Parijs, dat ongeveer twee honderdduizend francs waard is.

Het schemerde Saccard voor de oogen; zoo’n bedrag had hij niet verwacht, hij wendde zich half om, ten einde den blos te verbergen die hem naar het gelaat steeg.

—Dat maakt vijf honderdduizend francs, ging de tante voort; maar ik mag u niet verhelen dat het landgoed in Sologne slechts twee percent opbrengt.

Hij glimlachte en gaf weer door een gebaar zijn belangeloosheid te kennen, als wilde hij zeggen dat hem dat niet deerde, omdat hij toch niet van plan was zich in de zaken van zijn vrouw te mengen.

In zijn armstoel gezeten, zijn pantoffels met den voet op en neer doende dansen, nam hij een houding van allerinnemendste onverschilligheid aan en scheen enkel uit beleefdheid toe te luisteren. Mevrouw Aubertot, met haar gewone goedhartigheid, deed moeite om de minst kwetsende woorden te kiezen. Zij hernam:

—Eindelijk wil ik Renée nog iets schenken. Ik ben kinderloos, mijn nichtjes zullen eens van mij erven, maar nu een van haar in zulke droevige omstandigheden is, wil ik mijn beurs niet gesloten houden. Voor beiden lagen de huwelijksgeschenken gereed. Dat van Renée bestaat uit terreinen in den omtrek van Charonne, die ik veilig op twee honderdduizend francs kan schatten. Maar....

Bij het woord “terreinen” kon Saccard zijn ontroering niet verbergen. Onder zijn voorgewende onverschilligheid luisterde hij met de grootste aandacht. Tante Elisabeth werd verlegen; zij zocht zeker naar een passende uitdrukking, en met een kleur op het gelaat ging zij voort:

—Maar ik verlang dat de eigendom van die terreinen op het eerste kind van Renée wordt overgebracht. U zult mijn bedoeling wel begrepen, ik wil niet dat dit kind u eens tot last zal zijn. Ingeval het mocht sterven, zou Renée alleen eigenares blijven.

Hij bewoog zich niet, maar zijn gefronste wenkbrauwen toonden, dat zijn geest met één denkbeeld vervuld was. De terreinen van Charonne wekten een wereld van gedachten in hem op. Mevrouw Aubertot dacht dat de zinspeling op Renée’s kind hem pijnlijk was geweest, en niet wetende hoe zij het gesprek weer zou hervatten, bleef zij bedremmeld zwijgen.

—U hebt mij niet gezegd in welke straat het huis van twee honderdduizend francs staat? vroeg hij op zijn ouden gullen toon.

—Rue de la Pépinière, antwoordde zij, bijna op den hoek van de rue d’Astorg.

Dit eenvoudige gezegde had een beslissende uitwerking. Hij was zijn verrukking niet meer meester, hij schoof zijn stoel dichter bij en met zijn provençaalsche radheid van tong, zei hij op vleienden toon:

—Beste mevrouw, is het nu heusch uit, of moeten wij nog langer over dat verwenschte geld spreken?.... Zie eens, ik wil open kaart met u spelen, want ik zou wanhopig zijn als ik uw achting niet verdiende. Ik heb mijn vrouw onlangs verloren, ik heb twee kinderen tot mijn last, ik ben een nuchter man van zaken. Door uw nicht te trouwen, doe ik een voordeelige zaak in het oog van de wereld. Als u nog eenig vooroordeel tegen mij hebt, zult u het mij later vergeven, wanneer ik ieders tranen gedroogd en zelfs mijn naneven verrijkt zal hebben. Het succès is een gouden vlam die alles loutert. Ik wil dat zelfs mijnheer Béraud mij de hand toesteekt en mij bedankt....

Zoo sprak hij een tijd lang voort met een spottend cynisme, dat nu en dan onder zijn goedige gulheid voor den dag kwam. Hij liet goed uitkomen, dat zijn broer afgevaardigde en zijn vader ontvanger te Plassans was. Ten slotte had hij tante Elisabeth geheel ingepalmd; onwillekeurig zag zij met vreugde hoe het drama waaronder zij al een maand lang leed, onder de handen van dien behendigen man in een bijna vroolijke komedie eindigde. Zij besloten den volgenden dag naar den notaris te gaan.

Zoodra mevrouw Aubertot was heengegaan, begaf hij zich naar het stadhuis, en bracht daar den ganschen dag door met het snuffelen in zekere hem welbekende documenten.

Bij den notaris opperde hij een zwarigheid; hij zei dat de bruidschat van Renée slechts bestond uit vaste goederen, dat hij bijgevolg veel gehaspel voor haar voorzag, en dat hij het verstandig zou vinden, als tenminste het huis in de rue de la Pépinière verkocht werd om haar een inschrijving op het Grootboek te verzekeren.

Mevrouw Aubertot wenschte dit aan het oordeel van mijnheer Béraud Du Châtel te onderwerpen, die nog steeds voor iedereen onzichtbaar bleef.

Saccard bleef tot den avond op straat. Hij ging naar de rue de la Pépinière, en doorkruiste Parijs met het peinzend voorkomen van een veldheer op den vooravond van een beslissenden slag.

Den volgenden dag zei mevrouw Aubertot, dat mijnheer Béraud Du Châtel haar volkomen vrij liet. Het contract werd opgesteld op de reeds besproken grondslagen. Saccard’s aanbreng was tweehonderdduizend francs. Renée had als huwelijksgift het landgoed in Sologne en het huis in de rue de la Pépinière, dat zij zich verbond te verkoopen; bovendien bleef zij, in geval haar eerste kind kwam te overlijden, alleen eigenares van de terreinen van Charonne, die haar tante haar gaf.

Het contract werd opgemaakt met uitsluiting der gemeenschap van goederen, zoodat elk der echtgenooten het beheer over zijn eigen fortuin behield.

Tante Elisabeth luisterde aandachtig toe en scheen zeer voldaan over deze bepaling, die de onafhankelijkheid van haar nicht scheen te waarborgen en haar fortuin tegen alle vervreemding beschermen zou.

Saccard glimlachte even toen hij de goede dame bij iedere clausule een goedkeurend knikje zag geven. Het huwelijk werd op den kortst mogelijken termijn vastgesteld.

Toen alles geregeld was, ging Saccard naar zijn broer Eugène om hem heel plechtstatig zijn aanstaand huwelijk met mejuffrouw Renée Béraud Du Châtel aan te kondigen. Dit meesterstuk verbaasde den afgevaardigde.

Saccard, zijn verbazing ziende, zei:

—Je hebt me gezegd, dat ik moest zoeken, welnu, ik heb gezocht en gevonden.

Eugène, die er eerst niets van begreep, vermoedde toen de waarheid. En op innemenden toon antwoordde hij:

— Komaan, je bent een handig man.... Je komt me zeker vragen om te getuigen? Je kunt op me rekenen. Als het noodig is, breng ik de heele rechterzij van het Wetgevend lichaam op de bruiloft mee; dat zou je al dadelijk heel wat aanzien verschaffen.... En terwijl hij de deur open deed, zei hij op zachter toon:

—Zeg, ik wil me op dit oogenblik niet al te erg compromitteeren, we hebben juist een wetsontwerp dat we er heel moeielijk door zullen krijgen.... De zwangerschap is toch, hoop ik, niet te ver gevorderd?

Saccard wierp hem zoo’n venijnigen blik toe, dat Eugène bij zichzelf zei, toen hij de deur achter hem sloot: Dat grapje zou me duur te staan zijn gekomen, als ik geen Rougon was.

Het huwelijk had plaats in de kerk Saint-Louis-en-l’Ile. Saccard en Renée ontmoetten elkander voor het eerst op den avond voor den grooten dag, in een benedenzaal van het hôtel Béraud. Zij keken elkander nieuwsgierig aan.

Sedert men over haar huwelijk aan het onderhandelen was gegaan, had Renée haar vroolijke onbezonnenheid teruggevonden. Het was een groot meisje, heel mooi en heel bewegelijk, dat vrij was opgegroeid met al de grillen van een kostschoolmeisje.

Zij vond Saccard klein en leelijk, maar zijn leelijkheid had iets belangwekkends en schranders, dat haar niet mishaagde; er viel overigens niets op zijn toon en manieren aan te merken.

Hij vertrok even zijn gezicht, toen hij haar zag; zij leek hem ongetwijfeld te groot toe, grooter dan hij zelf. Zonder eenige verlegenheid wisselden zij enkele woorden. Indien de vader tegenwoordig was geweest, zou hij inderdaad hebben kunnen meenen, dat zij elkander sinds lang kenden, dat zij samen een misslag begaan hadden. Tante Elisabeth, die bij het onderhoud tegenwoordig was, schaamde zich voor hen.

Op den dag na het huwelijk, waaraan de tegenwoordigheid van Eugène Rougon, die kort geleden de aandacht op zich gevestigd had door een belangwekkende redevoering, een grooten luister bijzette, werden de jonggehuwden eindelijk tot mijnheer Béraud Du Châtel toegelaten.

Renée huilde toen zij haar vader verouderd, ernstiger en stiller terugvond. Saccard, die zich tot dusver door niets van zijn stuk had laten brengen, huiverde bij de kilheid en het schemerlicht van de kamer, den droevigen ernst van dien grooten grijsaard, wiens doordringende blik zijn ziel tot op den bodem scheen te doorzoeken.

De oude magistraat drukte langzaam een kus op het voorhoofd zijner dochter, als om haar te zeggen dat hij haar vergiffenis schonk, en zich tot zijn schoonzoon wendende, zei hij niets anders dan:

—Mijnheer, wij hebben veel geleden. Ik reken er op dat gij ons uw onrecht zult doen vergeten.

Hij reikte hem de hand. Maar Saccard bleef huiverig. Hij dacht bij zichzelf, als mijnheer Béraud Du Châtel niet gebukt had gegaan onder de tragische smart van Renée’s schande, dan zou hij met één blik, met één gebaar de kunstgrepen van mevrouw Sidonie te niet gedaan hebben.

Nadat deze haar broer een onderhoud met tante Elisabeth verschaft had, had zij zich voorzichtig achteraf gehouden. Zij was zelfs niet bij de huwelijksplechtigheid verschenen.

Saccard deed zich zeer innemend voor bij den ouden man, in wiens blik hij een groote verbazing gezien had, den verleider zijner dochter zoo klein, leelijk en oud te vinden.

De jonggehuwden waren genoodzaakt de eerste nachten in het hôtel Béraud door te brengen. Al vóór twee maanden had men Christine verwijderd, opdat het veertienjarige meisje niets zou vermoeden van het drama, dat in dat kalme, stille huis werd afgespeeld. Toen zij terugkwam, keek zij verbluft naar den man van haar zuster, dien zij ook oud en leelijk vond.

Renée was de eenige die niet scheen te letten op den leeftijd of het onoogelijke uiterlijk van haar man. Zij behandelde hem zonder minachting, maar ook zonder liefde, met een onverstoorbare kalmte, waarin soms een zweempje spottende geringschatting merkbaar was.

Saccard zette een hooge borst, deed alsof hij thuis was, en wist werkelijk door zijn gulle levendigheid ieders vriendschap te verwerven.

Toen zij vertrokken om een prachtig nieuw huis in de rue de Rivoli te gaan betrekken, was er al geen verwondering meer in den blik van mijnheer Béraud Du Châtel te lezen en de kleine Christine speelde heel kameraadschappelijk met haar zwager.

Renée was toen vier maanden zwanger; haar man was juist voornemens haar naar buiten te zenden, om later met den leeftijd van het kind te kunnen smokkelen, toen zij, zooals mevrouw Sidonie voorzien had, een miskraam kreeg.

Zij had zich zoo ingeregen om haar zwangerschap te verbergen, die trouwens niet zeer merkbaar was onder haar ruime japon, dat zij gedurende eenige weken te bed moest blijven.

Hij was dolblij met dit buitenkansje; eindelijk was de fortuin hem gunstig; hij had een prachtigen koop gesloten, een royale huwelijksgift, een vrouw die zoo mooi was dat hij wel binnen het halfjaar gedecoreerd zou worden en niet den minsten last.

Men had voor twee honderdduizend francs zijn naam van hem gekocht voor een foetus, dat de moeder niet eens verlangde te zien. Nu verkneukelde hij zich al bij de gedachte aan de terreinen van Charonne. Maar voor het oogenblik moest hij al zijn aandacht wijden aan een speculatie die den grondslag van zijn fortuin zou uitmaken.

Ofschoon de familie van zijn vrouw tot zoo’n deftigen stand behoorde, nam hij niet dadelijk ontslag als opzichter der wegen. Hij wendde voor, dat hij eenige aangevangen bezigheden moest afmaken, en nieuwe moest zoeken.

In werkelijkheid wilde hij tot het laatste oogenblik op het slagveld blijven, waar hij zijn eerste troeven uitgespeeld had. Hij was daar thuis, hij kon zijn valsch spel daar meer op zijn gemak spelen.

Het plan van den opzichter der wegen om fortuin te maken was eenvoudig en praktisch. Nu hij meer geld in handen had dan hij ooit had durven hopen om zijn operaties te beginnen, was hij voornemens zijn plannen op groote schaal uit te voeren. Hij kende zijn Parijs door en door, hij wist dat de goudregen die tegen de muren kletterde, met den dag dichter zou neervallen. Handige luidjes behoefden slechts hun zakken open te doen. Hij nu had onder die handigen plaats genomen, toen hij in de toekomst leerde lezen op de bureaux van het stadhuis.

Door den aard van zijn bezigheden was hij er achter gekomen hoeveel men kan stelen bij den aan- en verkoop van huizen en terreinen.

Hij was op de hoogte van alle bestaande knoeierijen, hij wist hoe men voor een millioen verkoopt wat men voor de helft gekocht heeft; hoe men voor geld recht krijgt om de schatkist van den Staat, die het oogluikend en glimlachend toelaat, te plunderen, hoe men, onder de toejuichingen van al degenen, die er het slachtoffer van zijn, met de huizen van zes verdiepingen goochelt, als er een boulevard wordt aangelegd in het hartje van een oude wijk. En wat, in dien nog troebelen tijd, toen de kanker der speculatie nog in haar wordingsperiode was, van hem een verschrikkelijken speler maakte, was de omstandigheid dat hij veel beter dan zijn chefs zelven ried, welk een toekomst in Parijs was weggelegd voor hardsteen en kalk.

Hij had zooveel gesnuffeld, zooveel aanwijzingen opgespoord, dat hij het schouwspel, dat de nieuwe wijken in 1870 zouden aanbieden, had kunnen voorspellen. Soms, als hij op straat liep, keek hij sommige huizen zonderling aan, als waren het kennissen met wier lot hij alleen bekend en innig begaan was.

Twee maanden voor Angèle’s dood was hij met haar op een Zondag naar de buttes Montmartre geweest. De arme vrouw vond het verrukkelijk in een restauratie te eten; zij voelde zich gelukkig, als hij haar na een lange wandeling, buiten Parijs, in het een of andere koffiehuis voor een tafeltje plaats liet nemen. Op dien Zondag dineerden zij op den top der hoogte, in een restauratie waarvan de vensters uitzicht gaven op Parijs, op die huizenzee met blauwachtige daken, als dicht opeengedrongen golven die den onmetelijken horizon vulden.

Hun tafeltje stond voor een dier vensters. Saccard geraakte door dat uitzicht in een vroolijke stemming. Bij het dessert bestelde hij een flesch bourgognewijn. Hij lachte de ruimte toe, hij was buitengewoon galant. En met ingenomenheid daalden zijn blikken steeds weder naar die levende wemelende zee, uit wier diepten de stem des volks oprees.

Het was in den herfst, de stad scheen onder den bleeken hemel weg te kwijnen in een teer zachtgrijs, hier en daar met donker groen gestipt, dat in de verte leek op de groote bladeren van waterleliën, ronddrijvend op een meer. De zon ging onder in een rooden wolk, en terwijl een lichte nevel op den achtergrond verrees, daalde een gouden stofregen op den rechteroever der stad, in den omtrek der Madeleine en der Tuileriën.

Het was als het betooverde hoekje van een stad uit de Duizend en éen nacht, met smaragden boomen, saffieren daken en robijnen weerhanen. Eén oogenblik was de straal, die tusschen twee wolken doorgleed, zoo schitterend, dat de huizen in lichte laaie schenen te staan, en te smelten als een staaf goud in een smeltkroes.

—O, zie eens, zei Saccard met een kinderlijken lach, het regent gouden tientjes in Parijs!

Angèle begon nu ook te lachen, en merkte op dat die tientjes niet zoo gemakkelijk op te rapen waren. Maar haar man was opgestaan en met den arm op het kozijn geleund, riep hij uit:

—Dat is de Vendôme-zuil, niet waar, die daar zoo schittert!.... Hier, meer naar rechts, daar heb je de Madeleine.... Een mooie wijk, waar nog veel te doen valt.—O, nu staat alles in brand! Zie je?.... ’t is net of de heele wijk in den distilleerketel van een scheikundige kookt.

Zijn stem werd ernstig en bewogen. De vergelijking, die hij onwillekeurig gemaakt had, scheen hem zelfs te treffen. Hij had bourgognewijn gedronken, hij verdiepte zich in zijn onderwerp; hij ging voort, terwijl hij de hand uitstrekte om Parijs te toonen aan Angèle, die naast hem was komen staan:

—Ja, ja, ik heb de waarheid gesproken, meer dan eene wijk zal ineenstorten, en er zal goud achterblijven aan de vingers van hen die de kroes zullen verhitten en omroeren. Dat lummelachtige Parijs! Zie eens hoe onmogelijk groot het is en hoe rustig het inslaapt! ’t Is toch een dwaas ding, die groote steden! Het denkt heelemaal niet aan het leger van houweelen, dat het op een mooien morgen zal komen aanvallen, en zekere groote heerenhuizen in de rue d’Anjou zouden niet zoo mooi glinsteren in de ondergaande zon, als zij wisten dat zij nog maar drie of vier jaar te leven hebben.

Angèle dacht dat haar man gekscheerde. Hij had soms een manier van schertsen die schrik aanjoeg. Zij lachte, schoon met een onbestemde vrees, toen zij dat manneke zich zag oprichten boven dien reus die aan zijn voeten lag, om hem met een spotachtig lachen de vuist te toonen.

—Men is reeds begonnen, ging hij voort. Maar dat heeft niet veel te beduiden. Kijk daar ginds, den kant van de Hallen uit, daar heeft men Parijs in vieren gesneden....

En met de uitgestrekte hand, vlak en scherp als een hakmes, maakte hij een gebaar alsof hij de stad in vieren deelde.

—Je bedoelt de rue de Rivoli en den nieuwen boulevard die aangelegd wordt? vroeg zijn vrouw.

—Juist, den grooten kruisweg van Parijs, zooals zij zeggen. Zij maken het Louvre en het stadhuis vrij. Alles kinderspel! Dat is goed om het publiek trek te doen krijgen.... Wanneer het eerste net voltooid is, dan beginnen de poppen eerst goed te dansen. Het tweede net zal de stad aan alle kanten doorsnijden om de voorsteden met het eerste net te verbinden. De afgesneden stukken zullen zieltogen in de kalk.... Kijk maar eens langs mijn hand. Van den boulevard du Temple tot aan de barrière du Trône, éen sneê, verder dezen kant uit weer een sneê, van de Madeleine naar de plaine Monceau, een derde sneê in deze richting, een vierde in die, een sneê hier, een sneê daar, sneden overal, Parijs met sabelhouwen stuk gehakt, de aderen geopend, honderdduizend aardwerkers en metselaars voedsel gevende, door prachtige strategische wegen doorkruist, die de fortificaties in ’t hartje van de oude wijken zullen brengen.

De avond viel. Zijn magere, zenuwachtige hand hakte nog altijd in de ruimte. Angèle huiverde even voor dat levende mes, voor die ijzeren vingers die onmeedoogend op die onbegrensde opeenstapeling van donkere daken inhakten.

De nevels van den horizon daalden intusschen langzaam van de hoogte neer, en zij verbeeldde zich, onder de duisternis die zich in de diepten opeenhoopte, een verwijderd gekraak te hooren, alsof de hand van haar man inderdaad de sneden maakte, waarvan hij sprak, alsof zij Parijs midden doorspleet, balken doormidden brak, steenen verbrijzelde en groote, afschuwelijke wonden van ingestorte muren achter zich liet. De nietigheid van die hand, die op een reusachtige prooi aanviel, werd eindelijk verontrustend; en terwijl zij zonder moeite de ingewanden der onmetelijke stad verscheurde, was het alsof zij in de blauwachtige avondschemering flikkerde als staal.

—Er komt nog een derde net, vervolgde Saccard, na een korte stilte, alsof hij in zichzelf sprak; maar dat is nog in de toekomst, ik zie het niet zoo duidelijk. Ik heb nog maar enkele aanwijzingen.... Maar dat zal een echte razernij zijn, een helsche millioenendans, Parijs zal dronken gevoerd en van kant gemaakt worden.

Hij zweeg opnieuw, de oogen hartstochtelijk naar de stad gericht, waar de duisternis in dichtheid toenam. Hij ondervroeg voorzeker die verre toekomst die zich aan zijn blik onttrok. Toen werd het geheel donker, de stad was niet duidelijk kenbaar meer, men hoorde ze zwaar ademhalen, als een zee waarvan men nog slechts de witgetopte golven ziet. Hier en daar zag men nog een witten muur; éen voor éen begonnen de gele gasvlammen in de duisternis te schitteren, als sterren die aan een donkeren hemel opkomen.

Angèle had zich intusschen van haar onaangename gewaarwording hersteld en vatte de grap weer op, die haar man aan het dessert gemaakt had.

—Zoo, zei zij glimlachend, er zijn toch van die tientjes gevallen! Nu gaan de Parijzenaars aan het tellen. Kijk toch eens, wat een mooie stapeltjes men voor onze voeten neerlegt!

Zij wees op de straten die tegenover de buttes Montmartre afhelden, waar de gasvlammen haar gouden vlekken aan weerszijden schenen op te stapelen.

—En kijk daar eens, riep zij, naar een gewemel van flonkerende stippen wijzende, dat is zeker de algemeene kas.

Deze opmerking deed Saccard lachen. Zij bleven nog een oogenblik voor het venster, verrukt over dien stroom van “tientjes” die geheel Parijs deed gloeien.

Toen de opzichter der wegen van Montmartre naar beneden ging, had hij zeker spijt, dat hij zooveel gepraat had. Hij weet het aan den bourgognewijn en verzocht zijn vrouw de “dwaasheden” die hij had uitgekraamd, niet verder te vertellen; hij wou een ernstig man zijn, zei hij.

Saccard had al geruimen tijd te voren zijn studie gemaakt van die drie netwerken van straten en boulevards, waarvan hij in de opwinding van het oogenblik het ontwerp in vrij juiste trekken aan Angèle had medegedeeld. Toen deze stierf, was hij er niet rouwig om dat zij zijn praatjes mee in het graf nam.

Daar lag zijn fortuin, in die groote sneden die zijn hand in het hart van Parijs gemaakt had, en hij was niet van plan zijn idee met iemand te deelen, wel wetende dat als de dag van den buit gekomen was, er roofvogels genoeg zouden vliegen boven de opengereten stad.

Zijn eerste plan was voor weinig geld een huis te koopen, waarvan hij te voren wist dat het onteigend zou worden, en door een ruime schadevergoeding te vragen er flink wat op te verdienen. Hij zou het zaakje misschien gewaagd hebben zonder een cent te bezitten, het huis op krediet te koopen en het verschil in den zak te steken, zooals dat op de Beurs geschiedt, toen hij als premie op zijn huwelijk die twee honderdduizend francs ontving, die hem in staat stelden zijn plan op grooter schaal te volvoeren.

Hij had alles vooruit berekend; hij kocht van zijn vrouw, op naam van een tusschenpersoon, zonder zelf genoemd te worden, het huis in de rue de la Pepinière en verdriedubbelde zijn kapitaal, dank zij de wetenschap die hij had opgedaan in de gangen van het Stadhuis, en zijn goede relatiën met zekere invloedrijke personen. Dat hij zijn ontroering niet had kunnen verbergen, toen tante Elisabeth hem de plek had aangeduid waar het huis stond, kwam omdat het midden op den weg van een ontworpen straat lag, waarover nog slechts in het kabinet van den prefect der Seine gesproken werd. Deze weg, de boulevard Malesherbes, zou het huis heelemaal doen verdwijnen.

Het was een oud plan van Napoleon I, dat men nu wenschte uit te voeren, “om een behoorlijken uitgang te verschaffen, zeiden de deftige heeren, aan wijken die achter een doolhof van nauwe straten verscholen lagen, op de glooiingen der heuvels die Parijs begrensden.”

Deze officiëele volzin kwam natuurlijk niet uit voor het belang dat het keizerrijk er bij had de rijksdaalders te laten rollen, de werklieden in één adem aan het afbreken en opbouwen te houden.

Saccard had zich eens de vrijheid veroorloofd bij den prefect dien fameuzen plattegrond van Parijs te raadplegen, waarop “een hooge hand” de voornaamste verkeersaderen van het tweede net met rooden inkt had aangegeven. Die op bloed gelijkende pennestreken maakten nog dieper insnijdingen in Parijs dan de hand van den opzichter der wegen.

De boulevard Malesherbes, die het afbreken van prachtige heerenhuizen in de rues d’Anjou en de la Ville-l’Evêque noodzakelijk maakte, zou een van de eerste zijn.

Toen Saccard het huis in de rue de la Pépinière ging bezichtigen, dacht hij aan dien herfstavond, aan dat diner met Angèle op de hoogte van Montmartre, toen er tegen zonsondergang zoo’n dichte regen van goudstukken op de wijk van de Madeleine was neergevallen. Hij glimlachte; hij bedacht dat de schitterende wolk zich boven zijn binnenplaats had ontlast, en dat hij de “tientjes” ging oprapen.

Terwijl Renée, in haar weelderig ingerichte woning in de rue de Rivoli, midden in dat nieuwe Parijs waarvan zij een der koninginnen zou worden, over haar toekomstige toiletten peinsde en zich in haar leven als dame van de groote wereld trachtte in te denken, werkte haar man ijverig aan zijn eerste groote zaak.

Om te beginnen kocht hij van haar het huis in de rue de la Pépinière, door tusschenkomst van een zekeren Larsonneau, dien hij ontmoet had terwijl deze, evenals hij, in de bureaux van het Stadhuis snuffelde, maar die zoo dom was geweest zich te laten betrappen, toen hij de laadjes van den prefect doorzocht.

Larsonneau had zich als zaakwaarnemer gevestigd, op een donkere, vochtige plaats, aan het lager eind van de rue Saint-Jacques. Hij had het even ver gebracht als Saccard vóór zijn huwelijk; hij beweerde ook dat hij een “rijksdaalder-machine” had uitgevonden, maar dat het hem aan de eerste fondsen ontbrak om van zijn uitvinding partij te trekken.

De vroegere collega’s begrepen elkander met een half woord, en Larsonneau deed zoo zijn best, dat hij het huis voor honderd vijftig duizend francs kreeg, want na enkele maanden bevond Renée zich al in groote geldverlegenheid. Saccard machtigde zijn vrouw tot den verkoop van het huis. Toen de koop gesloten was, verzocht zij hem op haar naam honderdduizend francs te beleggen, die zij hem op goed vertrouwen ter hand stelde, zeker opdat hij, door die daad getroffen, de oogen zou sluiten voor het feit, dat zij vijftigduizend francs in haar zak hield.

Hij glimlachte fijntjes; het strookte met zijn berekeningen dat zij het geld bij handenvol verkwistte; die vijftigduizend francs, die aan kant en juweelen zouden weggaan, zouden hem honderd percent opleveren. Hij was zelfs zoo eerlijk, in zijn tevredenheid over zijn eerste zaakje, de hondderdduizend francs van Renée werkelijk te beleggen en haar de stukken ter hand te stellen. Zijn vrouw kon ze niet vervreemden, hij was dus zeker ze in huis te vinden, als hij ze noodig had.

—Dat is voor uw speldegeld, lieve, zei hij heel galant.

Toen hij het huis in eigendom had, was hij zoo slim het tweemaal in één maand aan gefingeerde tusschenpersonen te doen verkoopen, telkens tegen hooger koopprijs. De laatste kooper betaalde niet minder dan drie honderdduizend francs.

Intusschen bewerkte Larsonneau, als vertegenwoordiger van de opeenvolgende eigenaars, de huurders. Hij weigerde onmeedoogend de huurcontracten te vernieuwen, als men niet in een aanzienlijken opslag van de huur wilde toestemmen. De huurders, die de lucht hadden van de aanstaande onteigening, waren wanhopig; zij berustten eindelijk in den opslag, vooral toen Larsonneau er op verzoenenden toon bij voegde, dat die opslag in de eerste vijf jaar maar voor den schijn was.

De huurders die niet goedschiks wilden, werden vervangen door luidjes die voor niets mochten wonen en die alles teekenden wat men verlangde; op die wijze sneed het mes van twee kanten; de huur bracht meer op en de schadevergoeding die den huurder toekwam voor zijn huurcontract, zou in Saccard’s zak terechtkomen.

Mevrouw Sidonie wilde haar broer helpen, door in een der winkels van de benedenverdieping een depôt van piano’s te vestigen. Bij deze gelegenheid gingen Saccard en Larsonneau, in hun koortsachtig ongeduld, een beetje te ver: zij legden valsche boeken aan, pleegden valschheid in geschriften om den verkoop der piano’s tot een kolossaal bedrag op te voeren.

Verscheidene nachten zaten zij samen te knoeien. Met kunst- en vliegwerk werd het huis driemaal meer waard. Dank zij de laatste verkoopacte, den opslag der huur, de gewaande huurders en den handel van mevrouw Sidonie, kon het voor de commissie van onteigening op vijf honderdduizend francs geschat worden.

Het raderwerk van de onteigening, van die machtige machine, die vijftien jaar lang Parijs onderste boven gekeerd en beurtelings fortuin en ondergang gebracht heeft, zit allereenvoudigst in elkander. Zoodra het besluit tot het aanleggen van een nieuwen verkeersweg genomen is, maken de opzichters der wegen een lijst van de perceelen op en schatten de waarde der huizen. Gewoonlijk kapitaliseeren zij, na voorafgaand onderzoek, de geheele opbrengst der huur en kunnen op die wijze het vermoedelijk bedrag der waarde ramen.

De commissie voor de schadevergoeding, uit leden van den raad bestaande, doet altijd een lager bod dan dit bedrag, wel wetende dat de belanghebbenden meer zullen eischen en dat men van beide zijden iets zal moeten toegeven. Wanneer men niet tot een vergelijk kan komen, wordt de zaak voor een jury gebracht, die dan in laatste instantie uitspraak velt over het bod van de stad en den eisch van den eigenaar of den verdreven huurder.

Saccard, die met het oog op het beslissende oogenblik zijn betrekking aan het stadhuis had aangehouden, had een oogenblik de onbeschaamdheid zich in die commissie te willen doen benoemen, toen de werken voor den boulevard Malesherbes begonnen, en zelf zijn huis te willen schatten. Maar hij vreesde daardoor zijn invloed op de leden van de onteigeningscommissie te zullen verliezen.

Hij liet nu een zijner collega’s kiezen, een vriendelijk, zachtaardig jongmensch, Michelin genaamd, wiens lieftallig mooi vrouwtje haar man soms kwam excuseeren bij zijn chefs, als hij wegens ongesteldheid thuis moest blijven. Hij was heel vaak ongesteld. Saccard had opgemerkt dat de mooie mevrouw Michelin, die zoo nederig door de half geopende deuren sloop, een alles vermogenden invloed uitoefende; Michelin maakte bij iedere ziekte promotie, hij kwam vooruit door te bed te gaan liggen.

Gedurende een van die afwezigheden, daar hij zijn vrouw bijna iederen morgen naar zijn bureau zond om te laten weten hoe hij het maakte, ontmoette Saccard hem tweemaal op de buitenboulevards, met zijn gewone zachtzinnige, opgeruimde gezicht een sigaar rookend. Die ontmoeting deed hem sympathie opvatten voor dien goeden jongen, voor dat gelukkige, praktische echtpaar. Hij voelde bewondering voor alle “rijksdaaldermachines”, als zij handig geëxploiteerd werden.

Toen hij Michelin had doen benoemen, ging hij zijn bekoorlijk vrouwtje een visite maken, wilde haar aan Renée voorstellen, sprak van zijn broer den afgevaardigde, den beroemden redenaar. Madame Michelin begreep er alles van.

Van dien dag af, had haar man zijn liefste glimlachjes voor zijn collega. Deze wilde den braven jongen niet in zijn vertrouwen nemen, maar was als toevallig tegenwoordig toen hij het huis in de rue de la Pépinière moest schatten. Hij hielp hem er bij. Michelin, de onbenulligste man dien men zich denken kon, hield zich trouw aan de instructies van zijn vrouw, die hem op het hart had gedrukt mijnheer Saccard in alles tevreden te stellen. Hij voedde trouwens niet de minste achterdocht; hij dacht dat de opzichter der wegen hem tot spoed wilde aanmanen, om hem mee te nemen naar een koffiehuis.

De huurcontracten, de kwitanties van de huren, de mooie boeken van mevrouw Sidonie werden hem door zijn collega onder de oogen gelegd, zonder dat hij zelfs den tijd had om de bedragen, die deze hardop voorlas, na te gaan. Larsonneau was er ook bij, maar hij deed alsof hij zijn medeplichtige niet kende.

—Kom, zet maar vijfhonderdduizend francs, zei Saccard eindelijk. Het huis is meer waard.... Haast je een beetje, ik geloof dat er promotie op til is voor het personeel op het stadhuis, en ik wou er met je over praten, dan kan je je vrouw waarschuwen.

Zoo haalde Saccard de zaak er door. Maar hij was nog niet gerust. Hij was bang dat een bedrag van vijfhonderdduizend francs een beetje hoog zou toeschijnen aan de commissie voor de schadevergoeding, voor een huis dat blijkbaar slechts tweehonderdduizend francs waard was. De kolossale stijging in de waarde der huizen had nog niet plaats gehad. Een onderzoek had hem aan ernstige onaangenaamheden kunnen blootstellen. Hij herinnerde zich het gezegde van zijn broer: Geen opspraak, of ik trek mijn handen van je af, en hij wist dat Eugène er de man naar was om zijn bedreiging te volvoeren.

Het kwam er dus op aan de heeren van de commissie welwillend te stemmen, zoodat zij een oogje dicht zouden doen. Hij liet daartoe het oog vallen op twee invloedrijke mannen, die hij zich tot vrienden had gemaakt door zijn manier van groeten, wanneer hij ze in de corridors ontmoette. De zes en dertig leden van den gemeenteraad waren op voordracht van den prefect, door de eigen hand des keizers gekozen uit de raadsleden, afgevaardigden, advokaten, dokters en groote industriëelen, die zich het meest voor het gezag verdeemoedigden: boven alle anderen verdienden baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche de welwillendheid van de Tuileriën door hun verkleefden ijver.

Al wat men van baron Gouraud kon zeggen, was in deze korte biographie samengevat: door Napoleon I met den titel van baron in den adelstand verheven, om hem te beloonen voor de levering van bedorven beschuit aan het groote leger, was hij achtereenvolgens pair geweest onder Lodewijk XVIII, Karel X en Louis-Philippe; onder Napoleon III was hij senator.

Hij was een trouw aanhanger van den troon, namelijk van de vier vergulde, met fluweel bedekte planken; wie er op zat, kon hem weinig schelen. Met zijn dikken buik, zijn dom gezicht en zijn plompen gang, was hij een echte schelm, hij verkocht zich met groote deftigheid en beging de grootste laagheden in naam van den plicht en het geweten. Nog meer deed hij iemand versteld staan door zijn ondeugden.

Er liepen geruchten over hem, die men iemand slechts in het oor kon fluisteren. Op acht en zeventigjarigen leeftijd gaf hij zich aan de monsterachtigste liederlijkheid over. Tot twee malen toe had men zijn liederlijke gedragingen in den doofpot moeten stoppen, om te beletten dat hij met zijn geborduurde senatorsjas op de bank der beschuldigden zou plaats nemen.

Mijnheer Toutin-Laroche, een lange magere man, die indertijd een mengsel van roet en stearine voor de vervaardiging van waskaarsen had uitgevonden, hoopte nog eenmaal in den Senaat te komen. Hij volgde baron Gouraud als zijn schaduw, hij was zijn onafscheidelijke metgezel, in de vage hoop dat hem dit geluk zou aanbrengen. Daarbij was hij heel praktisch; als hij een zetel in den senaat had kunnen koopen, zou hij niet nagelaten hebben zooveel mogelijk op den prijs af te dingen.

Het keizerrijk zou dien begeerigen onbeduidenden man, dat bekrompen verstand, dat zich alleen verstond op industriëele knoeierijen, vooruit helpen. Hij verkocht het eerst zijn naam aan een van die maatschappijen, die als vergiftige paddestoelen op den mesthoop der keizerlijke speculatiën verrezen. Men zag toen ter tijd op de muren groote aanplakbiljetten waarop met groote zwarte letters deze woorden stonden: “Société générale des ports du Maroc”, waarbij de naam van mijnheer Toutin-Laroche met zijn titel van raadslid prijkte, boven aan de lijst der leden van toezicht, waarvan de een al onbekender was dan de ander.

Dit middel, waarvan men sedert dien een te druk gebruik heeft gemaakt, werkte uitstekend; de aandeelhouders stroomden toe, ofschoon de kwestie van de havens van Marokko niet heel duidelijk was en de goede luidjes die hun geld kwamen brengen, zelf niet wisten te verklaren waartoe men het zou gebruiken.

De biljetten spraken van de vestiging van handelsstations langs de Middellandsche zee. Sedert twee jaren roemden sommige kranten deze onderneming als iets grootsch, en ieder kwartaal verklaarden zij, dat ze in bloei toenam.

In den gemeenteraad ging mijnheer Toutin-Laroche voor een bijzonder verdienstelijk administrateur door, hij werd daar onder de knappe koppen gerekend, en zijn onaangename heerschzucht over zijn collega’s werd slechts geëvenaard door zijn kruipende onderdanigheid aan den prefect. Hij werkte reeds aan de oprichting van een groote finantiëele maatschappij, het Wijnbouwcrediet, een leenkas voor de wijngaardeniers, waarover hij met een deftige geheimzinnigheid sprak, die de begeerigheid van de domooren om hem heen opwekte.

Saccard wist zich de bescherming van deze twee personen te verzekeren, door hun diensten te bewijzen, waarvan hij het gewicht niet begreep, zoo hield hij zich althans. Hij bracht zijn zuster met den baron in kennis, die juist in een alles behalve net zaakje betrokken was. Hij bracht haar bij hem, onder voorwendsel dat hij zijn steun kwam vragen voor dat goede mensch, dat al zoo lang gerekwesteerd had om de leverantie van gordijnen voor de Tuileriën te krijgen.

Maar toen de opzichter der wegen die twee samen had gelaten, beloofde mevrouw Sidonie den baron dat zij onderhandelingen zou aanknoopen met zekere lieden, die lomp genoeg waren om zich niet vereerd te voelen door de vriendschap, die een senator wel had willen betuigen aan hun kind, een meisje van tien jaar.

Met mijnheer Toutin-Laroche handelde Saccard zelf de zaak af, hij wist hem te spreken te krijgen in een der gangen van het stadhuis en bracht toen het gesprek op het fameuze wijnbouwcrediet. Geen vijf minuten later nam de groote administrateur, versteld over de wonderlijke zaken die hij hoorde, den ambtenaar zonder plichtplegingen bij den arm en hield hem een uur lang in de gang aan de praat.

Saccard fluisterde hem vindingrijke finantiëele kunstgrepen in het oor.

Toen mijnheer Toutin-Laroche hem verliet, drukte hij hem beteekenisvol de hand, met een vrijmetselaars-knipoogje.

Saccard overtrof zichzelven in deze aangelegenheid. Hij was zelfs zoo voorzichtig baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche niets van elkander te doen afweten. Hij bezocht ze afzonderlijk, fluisterde hun een woordje toe ten gunste van een zijner vrienden, wiens huis in de rue de la Pépinière onteigend zou worden, hij zorgde er wel voor aan elk zijner medeplichtigen te zeggen dat hij met geen ander commissielid over die zaak zou spreken, dat de zaak nog in de lucht hing, maar dat hij op hun volkomen welwillendheid rekende.

De opzichter der wegen had niet ten onrechte zijn voorzorgsmaatregelen genomen. Toen het dossier betreffende zijn huis voor de commissie der schadevergoedingen kwam, trof het toevallig dat een der leden in de rue d’Astorg woonde en het huis kende. Dit lid protesteerde tegen het bedrag van vijfhonderdduizend francs, dat volgens hem op de helft moest gebracht worden.

Aristide had de onbeschaamdheid gehad zevenhonderdduizend francs te vragen.

Dien dag was mijnheer Toutin-Laroche, gewoonlijk reeds heel onaangenaam voor zijn collega’s, nog ongenietbaarder dan gewoonlijk. Hij werd boos en begon de huiseigenaars te verdedigen.

—Wij zijn allen eigenaars, heeren, riep hij.... De keizer wil groote dingen tot stand brengen, laten wij nu niet op zulke kleinigheden beknibbelen.... Dit huis moet vijfhonderdduizend francs waard zijn; een van onze menschen, een stedelijk ambtenaar, heeft dat bedrag bepaald.... ’t Lijkt inderdaad wel of wij in het bosch van Bondy leven; gij zult zien dat wij elkander ten slotte gaan wantrouwen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings