IV. (continued 2)
J. J. Schwencke translation
Zij hadden zich al jaren lang aan elkander overgegeven, de uiting van dierlijke drift was slechts de crisis van die onbewuste liefdeziekte. In de dwaze wereld waarin zij leefden, was hun misslag gegroeid als op een vette mest van onreine sappen, hij had zich met een zonderlinge verfijning ontwikkeld, te midden van bijzondere toestanden van zedelooze uitspattingen.
Toen de groote kales hen zachtjes door de lanen van het Bosch reed, en zij elkander onkiesche dingen toefluisterden, uit hun kindsheid de onbetamelijkheden ophalende, die zij instinctmatig deden, was dat reeds een afwijking, een onbewuste bevrediging van hun begeerten. Zij voelden zich eenigermate schuldig, alsof zij elkander aangeraakt hadden; en zelfs die erfzonde, dat wellustige, matte gevoel dat hun onbetamelijke gesprekken teweeg bracht, prikkelde haar nog aangenamer dan werkelijke kussen.
Hun vriendschappelijke omgang werd aldus de langzame gang van twee geliefden, die hen noodzakelijkerwijs eenmaal naar het kabinet van het café Riche en het groote grijs-rose bed van Renée moest leiden. Toen zij zich in elkanders armen bevonden, voelden zij den schok van hun misdaad niet. Zij schenen oude gelieven, die in hun kussen de herinnering aan vroegere liefkoozingen terugvonden. En zij hadden zooveel uren in een nauwe aanraking van hun geheele wezen doorgebracht, dat zij onwillekeurig over dat verleden spraken, dat vol was van hun onbewuste liefdesbetuigingen.
—Weet je nog, dien dag dat ik in Parijs kwam, zei Maxime, droeg je een alleraardigst kostuum; en met mijn vinger trok ik een hoek op je borst, en ik ried je aan je zoo te decolleteeren dat het in een punt uitliep. Ik voelde je huid onder het chemiset, en mijn vinger drukte ze een beetje in..... Dat was een heerlijk gevoel.
Renée lachte, en met een kus fluisterde zij:
—Je was al een echte deugniet.... Wat hadden we een schik met je bij Worms, weet je nog wel? We noemden je “ons mannetje”. Ik heb altijd gedacht dat de dikke Suzanne alles lijdzaam toegelaten zou hebben, als de markiezin haar niet met woedende blikken had nagekeken.
—Ja, ja, we hebben heel wat pret gehad,.... antwoordde de jonge man. Het portretalbum, niet waar? En dan onze tochtjes door Parijs, onze snoeperijen bij den pasteibakker op den boulevard; weet je nog, die aardbezietaartjes, waarvan je zooveel hield?.... Ik vergeet nooit dien middag, waarop je me dat avontuur van Adeline in het klooster vertelde, toen zij brieven schreef aan Suzanne, die zij als man onderteekende: Arthur d’Espanet, en waarin zij haar voorstelde haar te schaken.
De twee gelieven maakten zich nog vroolijk over die aardige geschiedenis, toen ging Maxime met zijn vleiende stem voort:
—Toen je me aan het gymnasium met je rijtuig kwam afhalen, zullen we er wel grappig uitgezien hebben.... Ik verdween onder je rokken, zoo klein was ik.
—Ja, ja, stamelde zij, met een trilling van genot, den jongen man naar zich toetrekkende, dat was heerlijk, zooals je zegt.... We hielden van elkaar zonder het te weten, niet waar? Ik wist het eerder dan jij. Toen we eens uit het bosch terugkwamen, streek ik met mijn voet langs je been, dat gaf me opeens een schok.... Maar jij merkte niets, hè? je dacht niet aan me?
—Ja, zeker, antwoordde hij een beetje verlegen. Maar ik wist niet, begrijp je.... Ik dorst niet.
Dat was een leugen. De gedachte om Renée te bezitten was nooit duidelijk bij hem opgekomen. Hij had haar met al zijn verdorvenheid aangeroerd, zonder haar werkelijk te begeeren. Hij had te weinig wilskracht voor die poging. Hij nam Renée omdat zij zich aan hem opdroeg, en omdat hij in haar bed gleed, zonder het te willen, zonder het te voorzien. Toen hij er in gerold was, bleef hij er, omdat het er warm was, en omdat hij in alle gaten bleef, waar hij in viel. In den beginne werd zijn eigenliefde zelfs gestreeld. Het was de eerste getrouwde vrouw die hij bezat. Hij dacht er niet aan, dat de echtgenoot zijn vader was.
Maar Renée legde in haar misdaad al den gloed van een verdorven hart. Zij was ook op de helling afgegleden, met dit verschil, dat zij niet als een krachtelooze klomp vleesch tot het einde toe gerold was. De begeerte was te laat in haar ontwaakt om ze nog te bestrijden, toen de val onvermijdelijk werd. Die val verscheen haar plotseling, als een noodzakelijk gevolg van haar verveling, als een zeldzaam, hoogst genot, dat alleen in staat was haar verzadigde zinnen, haar gewond hart te doen herleven.
Gedurende dien herfstrit, in het schemerdonker, toen het Bosch insluimerde, kwam de gedachte aan de bloedschande onbestemd bij haar op, als een kitteling die haar een onbekende rilling over de huid liet gaan, en ’s avonds, in den halven roes van het diner, onder den prikkel der jaloerschheid, nam die gedachte duidelijker vormen aan, verhief zich in gloeiende trekken voor haar, te midden der brandendwarme serre, tegenover Maxime en Louise.
Toen wilde zij dat kwaad, dat kwaad dat niemand bedrijft, dat haar ledig bestaan zou opvullen en haar eindelijk in die hel zou brengen, waarvoor zij nog altijd dezelfde vrees had, als toen zij nog een klein meisje was.
Den volgenden morgen wilde zij weer niet meer, onder een vreemde gewaarwording van wroeging en afgematheid. Het leek haar toe of zij reeds gezondigd had, dat het niet zoo heerlijk was als zij gedacht had, dat het toch eigenlijk al te schandelijk was.
De crisis moest noodzakelijk komen, uit zichzelve komen, buiten die twee wezens om, die kameraads die voorbestemd waren zich op een avond te vergissen, zich te paren, terwijl zij dachten elkander de hand te drukken. Maar na dien dwazen val, begon zij weer te mijmeren over een naamloos genoegen, en toen nam zij Maxime weer in haar armen, benieuwd naar hem, benieuwd naar de wreede genietingen van een liefde, die zij als een misdaad beschouwde. Haar wil aanvaardde de bloedschande, eischte ze, was voornemens er ten einde toe van te genieten, tot aan de wroeging, zoo die ooit kwam.
Zij was de handelende, zelfbewuste persoon. Zij beminde met de vervoering van een dame der groote wereld, de ongeruste vooroordeelen eener burgervrouw, met al den strijd, de vreugde en de walging van een vrouw die onder gaat in een minachting voor zichzelve.
Maxime kwam iederen nacht terug. Hij kwam door den tuin, tegen éen uur. Meestal wachtte Renée hem in de serre, die hij moest doorgaan om in het kleine salon te komen. Zij waren overigens uiterst onbeschaamd, zij verborgen zich ternauwernood en vergaten de gewoonste voorzorgen van overspeligen. Het is waar, dat dit hoekje van het huis hun geheel toebehoorde. Baptiste, de kamerdienaar van den echtgenoot, had alleen het recht daar door te dringen, en Baptiste, altijd even deftig, verdween zoodra zijn diensten niet meer noodig waren. Maxime beweerde zelfs lachend, dat hij zich afzonderde om zijn gedenkschriften te schrijven.
Op een avond, toen Maxime juist binnengekomen was, maakte Renée hem er door een blik opmerkzaam op hoe plechtstatig Baptiste door het salon liep, met een blaker in de hand. De groote kamerdienaar, met zijn ministershouding, in het gele licht der waskaars, zette dien avond een strenger, deftiger gezicht dan gewoonlijk. Zich vooroverbuigende, zagen de gelieven hem de kaars uitblazen en zich naar de stallen begeven, waar de paarden en de palfreniers sliepen.
—Hij doet de ronde, zei Maxime.
Renée huiverde onwillekeurig. Baptiste maakte haar altijd ongerust. Zij beweerde soms dat hij de eenige rechtschapen man uit het heele huis was, met zijn koelheid, zijn heldere blikken, die nooit op de schouders der vrouwen bleven rusten. Zij begonnen toen een beetje voorzichtiger te worden. Zij sloten de deuren van het kleine salon en konden zóó rustig genieten van het salon, de serre en de vertrekken van Renée. Dat was een heele wereld. Zij genoten er de eerste maanden de meest verfijnde, de gezochtste genietingen. Zij brachten hun liefde van het groote grijs-roode bed in de slaapkamer naar de rose en witte naaktheid van de toiletkamer en naar de symphonie in geel mineur van het kleine salon over. Iedere kamer, met haar bijzonderen geur, haar behangsel, haar eigen leven, gaf hun een andere teederheid, maakte van Renée een andere minnares: zij was delicaat en lief in haar deftig, gecapitonneerd bed, in die aristocratische kamer, waarin de liefde een zweem van goeden smaak kreeg; onder de vleeschkleurige tent, te midden der geuren en de vochtige lucht van de badkuip, vertoonde zij zich als een grillig, zinnelijk meisje, zich overgevende bij het verlaten van het bad, en zoo had Maxime haar het liefst; en beneden, in den helderen zonsopgang van het kleine salon, te midden van dat morgenlicht dat haar haren goudgeel deed schijnen, werd zij een godin, met haar blonde Diana-hoofd, haar bloote armen die kuische houdingen aannamen, haar zuivergevormd lichaam, dat op de causeuses edele lijnen van een antieke bevalligheid vertoonde.
Maar er was één plaats waarvoor Maxime bijna bang was, waar Renée hem slechts heenbracht in haar booze dagen, wanneer zij behoefte had aan een scherper prikkeling. Dan beminden zij in de serre. Daar genoten zij de bloedschande.
Op zekeren nacht, in een van die buien, had de jonge vrouw verlangd dat haar minnaar een van de zwarte berenhuiden ging halen. Toen waren zij op dien inktkleurigen pels gaan liggen, aan den rand van de waterkom, in het groote ronde gangpad.
Buiten vroor het geducht, bij een helderen maneschijn. Maxime was rillend teruggekomen, met bevroren ooren en vingers. De serre was zoo gloeiend warm, dat hij op de berenhuid zijn bewustzijn verloor. De overgang van de scherpe koude in de hitte van de serre was zoo groot, dat hij een stekende pijn voelde, alsof hij met roeden geslagen werd.
Toen hij weer bijkwam, zag hij Renée, voorovergebogen op de knieën liggen, met starende oogen, een dierlijke houding die hem vrees aanjoeg. Met hangende haren en ontbloote schouders, leunde zij op haar vuisten, met uitgerekten hals, als een groote kat met glimmende oogen. Op den rug liggende, zag de jonge man boven de schouders van dat mooie verliefde dier dat hem aankeek, dien marmeren sphinx, wiens glinsterende dijen door de maan beschenen werden.
Renée had de houding en den glimlach van dat monster met zijn vrouwenhoofd; met haar losgemaakte rokken, scheen zij de witte zuster van dien zwarten god. Maxime bleef lusteloos. De warmte was verstikkend, een drukkende warmte, die niet als een regen van vuur uit de lucht neerdaalde, maar die langs den grond bleef hangen, als een ongezonde uitwaseming, waarvan een nevel opsteeg, als een onweerzwangere wolk. Een warme vochtigheid bedekte de gelieven met een dauw van zweetdroppels.
Geruimen tijd bleven zij onbewegelijk en zwijgend in dat bad van heete lucht, Maxime krachteloos ter aarde, Renée trillend op haar polsen als op buigzame, gespierde kniegewrichten. Door de ruitjes van de serre zag men een stukje van het park Monceau, boomgroepen met hun zwarte, kale takken, grasperken wit als bevroren meren, een geheel dood landschap, waarvan de effen, heldere tinten aan een Japansche gravure deden denken. En dat plekje brandend heete aarde, dat gloeiend bed waarop de gelieven zich uitstrekten, vertoonde een zonderlinge bruising te midden van die stille, koude eenzaamheid.
Het was een nacht van dollen hartstocht. Renée was de man, de vurige, handelende wil; Maxime de lijdende. Dat geslachtlooze wezen, die knappe blonde jongen die al sinds zijn kinderjaren in zijn manbaarheid gekwetst was, werd in de armen van die nieuwsgierige jonge vrouw een groot meisje, met zijn gladde ledematen, zijn bevallige tengerheid als van een romeinschen knaap. Hij scheen geboren en opgegroeid voor een ontaarding van den wellust.
Renée vond genot in haar overheersching, zij boog dat schepsel, wiens geslacht nog altijd weifelde, onder haar hartstocht. Hij was voor haar een voortdurende verbazing, een verrassende prikkeling der zinnen; hij gaf haar een zonderling gevoel van onbehagelijkheid en van sterk genot. Zij wist niet meer wat zij er van denken moest; met een gevoel van twijfel kwam zij telkens weer terug naar zijn fijne huid, zijn gevulden hals, zijn gewillige overgave en zijn bezwijmingen. Dat gaf haar eindelijk een volheid van genot. Maxime, die nieuwe aandoeningen in haar opwekte, vulde haar opzienwekkende toiletten, haar verbazende weelde, haar buitensporige levenswijs aan. Hij schonk haar die overmaat van wellust, die zij onbewust begeerd had. Hij was de minnaar, die bij de dwaasheden van dien tijd paste.
Die knappe jongeman, wiens tengere vormen door zijn kleeding heen uitkwamen, dat mislukte meisje, dat op de boulevards rondwandelde, het haar in het midden gescheiden, met een fatterig lachje, werd in de handen van Renée een van die verslimmeringen van ontucht, die op zekere tijden, in een verrotte maatschappij, het vleesch uitputten en den geest krank maken.
In de serre vooral was Renée de man. De hartstochtelijke nacht, dien zij daar doorbrachten, werd door verscheidene andere gevolgd. De serre beminde, gloeide met hen mee. In de zwoele lucht, bij het zilverwitte schijnsel der maan, zagen zij de zonderlinge plantenwereld die hen omringde, zich verward bewegen, omhelzingen wisselen. De berenhuid besloeg het geheele pad.
Aan hun voeten dampte de waterkom, waar het krioelde van dicht ineengeslingerde wortels, terwijl de zachtroode ster der nymphea’s zich aan de oppervlakte opende, als het keurslijf eener maagd, en de tornelia’s haar luchtwortels lieten hangen, als het haar van onmachtige Nereïden.
Rondom hen verhieven de palmen, de groote Indische bamboes hun toppen tot aan het boogvormige dak, waar zij zich voorover bogen en hun bladeren dooreen mengden, met de wankelende houding van vermoeide gelieven. Meer omlaag waren de varens, de pteriden en alsophila’s, als groene dames, met haar breede rokken met regelmatige strooken gegarneerd, die zwijgend en onbewegelijk aan de kanten van het pad op den geliefde wachtten. Daarnaast vormden de roodgevlekte, omgekrulde bladeren der begonia’s, en de lansvormige witte bladeren der Caladiums een reeks van kneuzingen en witte plekken, waaraan de gelieven geen naam wisten te geven, waarin zij soms de rondingen van heupen en knieën meenden te zien, onder ruwe, bloedige liefkoozingen ter aarde geworpen. En de bananen, die bogen onder hun vruchtentrossen, spraken hun van de vruchtbaarheid der vette aarde, terwijl de Abyssinische euphorbia’s, wier stekelige kaarsen zij in de schemering ontwaarden, wanstaltig en vol stekelige bulten, hun toeschenen den overvloed van levenssappen uit te zweeten.
Maar naarmate hun blikken dieper in de hoeken der serre doordrongen, vulde de duisternis zich met een woester ongebondenheid van bladeren en stengels; zij konden de fluweelzachte maranta’s, de gloxinia’s met haar paarse kelken, de dracaena’s die op de planken stonden, niet meer onderscheiden; het was een kring van levende planten, die elkander met onverzadelijke liefkoozingen achtervolgden. In de vier hoeken, waar de dichte gordijnen der slingerplanten priëelen afscheidden, waren de buigzame loten der vanillestruiken, Levantsche bessen, quisquallen en bauhinia’s de eindelooze armen van onzichtbare verliefden, die hun omhelzing wijd uitstrekten, om al die verspreide genietingen te omvatten. Die eindelooze armen hingen vermoeid neer, strengelden zich krampachtig ineen, zochten elkander, slingerden zich ineen, als om zich te paren. Het was de ontzaglijke paring der serre, van dat stukje maagdelijk woud, waarin de tropische gewassen zoo welig groeiden.
Maxime en Renée voelden zich meegesleept door dien machtigen bruiloft der aarde.
Door de berenhuid heen brandde de grond hen in den rug, en van de hooge palmen drupte de warmte op hen neer. Het sap dat in de planten opsteeg, drong ook in hen door, gaf hun een razende begeerte naar onmiddellijken wasdom, naar reusachtige voortbrenging. Zij werden ook bevangen door de geslachtsdrift der serre.
In het bleeke maanlicht werd hun geest beneveld, kregen zij vizioenen en kwade droomen, waarin zij getuigen waren van het mingenot der palmen en der varens; de bladeren kregen vage, dubbelzinnige vormen, waarin hun begeerten wellustige beelden meenden te zien; uit de boschjes kwamen murmelende, fluisterende geluiden; kwijnende stemmen, zuchten van verrukking, onderdrukte kreten van pijn, verwijderd gelach, al wat hun eigen kussen verklapt hadden en de echo naar hen terugzond. Soms dachten zij dat de grond onder hen trilde, alsof de aarde zelve, in de crisis der verzadiging, in wellustige snikken was uitgebarsten.
Ook al hadden zij de oogen gesloten, al hadden de verstikkende warmte en het bleeke licht hun geest niet verbasterd, dan zouden toch de geuren voldoende zijn geweest om een buitengewone prikkeling op hun zenuwen uit te oefenen. De waterkom verspreidde een vochtigen, scherpen geur, waarin alle geuren der planten en gewassen vermengd waren. Nu en dan zong de vanille met het gekir van een houtduif; dan kwamen de ruwe tonen der stanhopea’s wier gestreepte monden de sterke, scherpe lucht van herstellende zieken uitademden. De orchideeën, in haar bloemkorven aan ijzeren kettinkjes, verspreidden haar uitwaseming als levende wierookvaten.
Maar de geur die boven alles merkbaar was, de geur waarin al die vage zuchten samensmolten, was een menschengeur, een geur van liefde, dien Maxime herkende als hij Renée’s hals kuste, als hij zijn hoofd in haar losse haren begroef. En zij bleven bedwelmd door dien geur van een minnende vrouw die in de serre bleef hangen, als in een alkoof, waar de aarde vruchten voortbracht.
Gewoonlijk legden de gelieven zich neder onder de tanghinia van Madagascar, onder dien vergiftigen struik, waarvan de jonge vrouw een blad in den mond had genomen. De witschemerende gestalten der beelden in het rond lachten, bij het zien van de enorme paring der gewassen. De stijgende maan verplaatste de groepen, bezielde het tooneel met haar veranderend licht.
En zij waanden zich duizend mijlen van Parijs verwijderd, ver van dat alledaagsche leven van het Bosch en de officiëele salons, in een hoekje van een Indisch woud, van een monsterachtigen tempel, waarvan de zwartmarmeren sphinx de god werd. Zij voelden zich afglijden naar de misdaad, naar de vervloekte liefde, naar een mingenot van wilde dieren. Die voortwoekering die hen overal omringde, dat verwarde gewemel in de kom, die onkuische naaktheid der bladeren, dat alles wierp hen in de Dantische hel van den hartstocht.
In die glazen kooi, waar het gistte en bruiste in een zomersche hitte, in de felle koude der Decembermaand, smaakten zij de bloedschande, als de misdadige vrucht van een sterk verwarmde aarde, met een stille, onuitgesproken vrees voor hun schrikaanjagende ligplaats.
En midden op de zwarte huid vertoonde zich het blanke lichaam van Renée, als een neergehurkte groote kat, met uitgestrekten hals en gespannen polsspieren, als buigzame, gespierde kniegewrichten. Zij was opgezwollen van wellust, en de heldere lijnen van haar schouders en lendenen, staken met eene katachtige scherpte af tegen de inktvlek die het vacht op het gele zand van het gangpad wierp.
Zij beloerde Maxime, die prooi die onder haar lag, die zich overgaf, dien zij geheel bezat. En van tijd tot tijd boog zij zich plotseling neer, en kuste hem onstuimig. Dan opende haar mond zich met den begeerigen, bloedigen glans van den Chineeschen hibiscus, wiens overvloed van groen de geheele muurvlakte besloeg. Zij was niets meer dan een gloeiende dochter der serre. Haar kussen bloeiden en verwelkten, als de roode bloemen van de groote malve, die hoogstens enkele uren duren, en die telkens weer opnieuw verschijnen, als de gekneusde, onverzadelijke lippen van een reusachtige Messalina.