← Table of contents
Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

DANIËL DE FOE. (continued 6)

Reading edition

Des morgens kwamen wij onder onze reisgenooten, druk bezig met onze toebereidselen voor de reis, en niemand vermoedde, dat wij ergens anders dan in ons bed waren geweest, gelijk men ook niet anders van reizigers verwachten zou, om zich tot de vermoeijenissen van de dagreis in staat te stellen.

Maar daarmede was de zaak niet geëindigd. Den volgenden morgen kwam eene ontzettende menigte landvolk, niet alleen uit het dorp, maar ik geloof nog wel uit honderd andere, voor de stadspoorten, en eischten, op de onbeschaamdste wijze, voldoening van den gouverneur, voor het beschimpen van hunne priesters, en het verbranden van hunnen grooten Cham-Chi-Thangu, zulk eenen wanluidenden naam gaven zij aan het monsterachtig schepsel, dat zij vereerden. De inwoners van Nortzinskoy waren in den beginne zeer ontrust, want men zeide, dat er niet minder dan dertigduizend Tartaren waren, en dat zij binnen weinige dagen wel tot honderdduizend man zouden aangroeijen.

De Russische gouverneur zond afgezanten naar hen toe, en gaf hen alle goede woorden, die hij bedenken kon. Hij verzekerde hen, dat hij er niets van wist, en dat van de bezetting geen man de stad had verlaten; dat het niet door iemand uit de stad kon bedreven zijn, en dat, zoo zij hem te kennen gaven, wie het gedaan had, de daders streng gestraft zouden worden. Zij antwoordden op hoogen toon, dat een ieder den grooten Cham-Chi-Thangu vereerde, die in de zon woonde, en dat geen sterveling tegen zijn beeld geweld zou hebben durven plegen, dan eenige Christelijke booswichten, gelijk zij hen noemden; en dus dreigden zij hem en al de Russen, die allen euveldaders en Christenen waren, met oorlog.

De gouverneur, die ongezind was, om eene vredebreuk te bewerken, en niet wilde, dat men, bij het uitbreken van eenen oorlog, op hem de schuld daarvan zou leggen, daar de czaar hem strengelijk gelast had, de veroverde landstreek met inschikkelijkheid en goedheid te behandelen, gaf hun nog steeds goede woorden; eindelijk zeide hij hun, dat er dien morgen eene karavaan naar Rusland vertrokken was, en dat welligt iemand daarbij behoorende, hun deze beleediging had aangedaan, en dat hij, als zij hiermede tevreden waren, deze iemand achterop zou zenden, om er naar te onderzoeken. Dit scheen hen een weinig tot bedaren te brengen, en diensvolgens zond de gouverneur ons iemand achterop, die ons alles, wat er voorgevallen was, mededeelde, en ten dringendste ried, dat zoo iemand in onze karavaan het gedaan had, deze zich uit de voeten moest maken; maar dat, of dit het geval ware of niet, wij alle mogelijke haast zouden maken, en dat hij hen middelerwijl, zoo lang hij kon, op den tuil zou houden.

Dit was zeer vriendelijk van den gouverneur. Toen zijn zendeling echter bij de karavaan kwam, was er niemand, die er iets van wist, en op ons, die het gedaan hadden, viel in het geheel geene verdenking; niemand vroeg er ons zelfs naar. Echter volgde de tegenwoordige aanvoerder van de karavaan den raad van den gouverneur, en wij trokken twee dagen en twee nachten achter elkander voort, zonder van belang te rusten, dan in een dorpje, Plothus genaamd, en ook daar bleven wij niet lang, maar haastten ons naar Jarawena, eene andere Russische stichting, waar wij vertrouwden, veilig te zullen zijn. Maar om daar te komen, begaven wij ons in eene uitgestrekte woestijn, waarover ik nader zal spreken, en waarin wij, zoo wij er midden in geweest waren, waarschijnlijk allen ons graf zouden gevonden hebben. Het was de tweede dag na ons vertrek van Plothus, dat eenigen onzer, aan de groote stofwolken, die op verren afstand achter ons oprezen, begonnen te vermoeden, dat wij vervolgd werden. Wij waren de woestijn ingetrokken, en hadden een groot meer, Schaks-Oser genaamd, op zijde van ons laten liggen, toen wij aan de andere zijde van hetzelve noordwaarts van ons, een groote troep paardenvolk zagen verschijnen, terwijl wij westwaarts trokken. Wij bemerkten, dat zij, even als wij, westwaarts trokken, maar in de meening waren geweest, dat wij langs de overzijde van het meer zouden zijn getrokken, terwijl wij gelukkig de zuidzijde gekozen hadden, en twee dagen later zagen wij niets meer van hen, want daar zij geloofden, dat wij hen nog steeds vooruit waren, trokken zij verder, tot zij aan de rivier Udda kwamen; deze is hooger noordwaarts een zeer groote stroom, doch waar wij er bijkwamen, was zij smal en konden wij haar doorwaden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Den derden dag bespeurden zij hunnen misslag, of hadden zij tijding van ons ontvangen, want in de schemering van den avond kwamen zij op ons af. Wij waren zeer in onzen schik, dat wij juist voor ons nachtleger eene zeer geschikte plaats hadden uitgekozen, want daar wij aan den zoom van eene woestijn waren, die ongeveer vijfhonderd (Eng.) mijlen groot was, zoo hadden wij geene steden te wachten, noch verwachtten wij ook geene aan te treffen, buiten Jarawena, dat nog twee dagreizen van ons af lag. Aan deze zijde waren echter eenige boschaadjes en beekjes, die allen in de groote rivier Udda uitliepen. In eenen engen pas tusschen twee digte boschjes sloegen wij ons nachtleger op, in de verwachting van in den nacht aangevallen te zullen worden.

Niemand dan wij wisten, waarom wij eigenlijk vervolgd werden, maar daar de Mongoolsche Tartaren gewoon zijn, bij troepen in deze woestijn rond te zwerven, verschansen de karavanen zich iederen nacht tegen hen, als tegen rooverbenden, en dus was het niets vreemds, dat wij achtervolgd werden. Maar van al onze nachtlegers hadden wij dezen nacht eene allerbijzonderst gunstige legerplaats, want wij lagen tusschen twee boschjes, met een beekje vlak van voren, zoodat wij niet omsingeld, noch anders dan van voren en achteren aangetast konden worden. Wij zorgden derhalve ons front zooveel te versterken, als wij konden, door onze pakken en kameelen en paarden, allen in eene lijn aan deze zijde van het riviertje te plaatsen, en achter ons maakten wij eene verhakking van eenige boomen.

In deze stelling sloegen wij ons veldleger op, maar voordat onze toerustingen voltooid waren, hadden wij reeds den vijand bij ons. Zij overvielen ons niet, zoo als wij verwacht hadden, gelijk roovers, maar zonden ons drie lieden toe, om ons af te vragen de uitlevering van degenen, die hunne priesters mishandeld en hunnen afgod Cham-Chi-Thangu verbrand hadden, ten einde deze met vuur te verbranden. In dat geval, zeiden zij, zouden zij ons geen leed doen, maar aftrekken; doch zoo niet, dan zouden zij ons allen met vuur verbranden. De onzen zagen bij deze boodschap vrij onthutst, en gaapten elkander aan, om uit elkanders gelaat te lezen, wie er schuldig was; maar niemand had het gedaan, niemand wist er iets van. De aanvoerder van de karavaan gaf ten antwoord, dat hij verzekerd was, dat niemand uit ons kamp het gedaan kon hebben, dat wij vreedzame kooplieden waren, die zich alleen met hunnen handel bemoeiden, dat wij noch hen noch iemand anders kwaad hadden gedaan, en dat zij derhalve elders moesten zoeken naar de vijanden, die hen beleedigd hadden, want dat wij het niet waren; dus verzocht hij hun, om ons geen kwaad te doen, want dat wij geweld met geweld zouden vergelden.

Wel verre van met dit antwoord tevreden te zijn, kwam den volgenden morgen met het krieken van den dag eene groote troep van hen ons kamp opzoeken; maar toen zij ons in zulk eene voordeelige stelling zagen, durfden zij niet verder komen, dan de beek voor ons, waar zij staan bleven, en aan ons eene menigte vertoonden, zoo talrijk, dat wij er inderdaad van ontzetteden; want naar de geringste schatting waren er wel tienduizend. Zij bleven daar eene poos ons staan opnemen, en toen zonden zij, onder een geweldig geschreeuw ons eene wolk van pijlen toe, maar daartegen waren wij zeer goed beschut, want wij zochten eene schuilplaats achter onze pakken, en ik herinner mij niet, dat iemand onzer eene kwetsuur ontving.

Eene poos daarna zagen wij hen regtsaf zwenken, en wij verwachtten van achteren aangevallen te zullen worden; toen een doorslepen knaap, een kozak van Jarawena, die in Russische dienst was, naar den aanvoerder van de karavaan ging, en hem zeide: "Ik zal al het volk naar Siheilka terugzenden." Dit was eene stad, zeker vier of vijf dagreizen zuidwaarts en eenigzins achter ons. Daarop nam hij zijn boog en pijlen, steeg te paard en reed als het ware achterwaarts, alsof hij regt naar Nortzinskoy wilde terugkeeren; daarna nam hij eenen verren omweg en kwam zoo bij het Tartaarsche leger, alsof hij naar hen afgezonden was, en deed hen daarop een lang verhaal, dat het volk, hetwelk hunnen Cham-Chi-Thangu verbrand had, met eene troep boosdoeners, gelijk hij zeide, dat wil zeggen Christenen, naar Siheilka was gegaan; en dat zij besloten hadden, om den afgod Schal-Isar, die aan de Tunguzen behoorde, ook te verbranden.

Daar deze knaap een volkomen Tartaar was en hunne taal volmaakt sprak, speelde hij zijne rol zoo goed, dat zij hem in alles geloofden, en dat zij zich zoo haastig mogelijk naar Siheilka spoedden, dat, naar het scheen, bijkans vijf dagreizen zuidwaarts van ons lag. Binnen drie uren waren zij allen uit ons gezigt, en nimmer hoorden wij iets meer van hen, noch kwamen te weten, of zij naar Siheilka waren gegaan of niet. Wij trokken thans in veiligheid naar Jarawena, waar een Russisch garnizoen lag, en hier bleven wij vijf dagen, doordien de laatste dagreis en het gemis der nachtrust de karavaan uiterst vermoeid had.

Van deze stad hadden wij eene akelige woestijn, die ons drieëntwintig dagen ophield. Wij voorzagen ons hier van eenige tenten, ten einde het des nachts gemakkelijker te hebben, en de aanvoerder voorzag hier de karavaan van zestien wagens, om water en levensmiddelen mede te voeren; en deze wagens strekten tot verschansing van ons kamp gedurende den nacht, zoodat, als de Tartaren weder verschenen waren, zij ons weinig afbreuk hadden kunnen doen, ten ware zij in overgroot getal kwamen.

Ligt zal men begrijpen, dat wij na eene zoo lange reis rust behoefden, want in deze woestijn zagen wij huizen noch boomen, naauwelijks nu en dan wat heesters. Wij zagen echter eene menigte sabeljagers, gelijk men hen noemt; dat waren allen Tartaren uit Mongoolsch Tartarije, waarvan dit land een gedeelte uitmaakt, en dikwijls tasten zij kleine karavanen aan; maar wij zagen geene talrijke troepen van hen bijeen. Ik verlangde eenige sabelvellen van hen te zien, maar ik kon niet met hen in gesprek komen, want zij durfden ons zoo digt niet te naderen, en wij durfden ons gezelschap niet verlaten, om hen te naderen. Na deze woestijn doorgetrokken te zijn, kwamen wij in eene vrij bevolkte landstreek, dat wil zeggen wij vonden dorpen en kasteelen, door den czaar van Rusland gesticht, om de karavanen te beschermen en het land tegen de Tartaren te verdedigen, die anders het reizen allergevaarlijkst zouden maken, en zijne majesteit heeft zulke strikte bevelen gegeven omtrent het beschermen der karavanen en kooplieden, dat, als men verneemt, dat er zich in de landstreek Tartaren ophouden, er altijd afdeelingen van de bezettingen afgezonden worden, om de reizigers veilig van station tot station te geleiden. Zoo bood de gouverneur van Adinskoy, dien ik gelegenheid had een bezoek te geven, door middel van den Schotschen koopman, die hem kende, ons eene wacht van vijftig man aan, tot aan het naaste station, als wij dachten, dat er gevaar was.

Reeds lang te voren had ik gedacht, dat, daar wij nu nader bij Europa kwamen, wij het land meer bevolkt, en het volk meer beschaafd zouden vinden; maar in beide opzigten vond ik mij bedrogen; want wij moesten nog het land der Tunguzen doortrekken, waar wij dezelfde of nog ergere blijken van heidendom en barbaarschheid te zien kregen, als te voren; daar echter het land door de Russen veroverd en geheel onder hunne heerschappij gebragt is, zijn zij niet zoo gevaarlijk; doch in onbeschaafdheid, afgoderij en veelgodendom doen zij voor geen volk ter wereld onder. Zij gaan allen in beestenvellen gekleed, waarvan ook hunne huizen gebouwd zijn. Men kan geene mannen of vrouwen van elkander onderscheiden, noch aan hun ruw gelaat, noch aan hunne kleeding, en des winters als de grond met sneeuw bedekt is, leven zij onder den grond, in eene soort van gewelven, die kelders of holen hebben, die in elkander loopen.

Terwijl de Tartaren hunnen Cham-Chi-Thangu hadden voor een geheel dorp of landschap, bezaten deze een afgod in ieder huis en in ieder hol; bovendien vereeren zij de zon, de sterren, het water, de sneeuw, kortom, alles wat boven hun begrip is, en zij begrijpen slechts zeer weinig, zoodat bijkans alles, wat buitengewoon is, door hen vereerd wordt.

Maar ik zal verder geene volken of landstreken meer beschrijven, dan voor zoover het met mijne eigene lotgevallen in verband staat. Niets bijzonders gebeurde ons in deze geheele landstreek, die van de woestijn af, waarvan ik het laatst sprak, naar mijne gissing ten minste vierhonderd (Eng.) mijlen groot was, en waarbij wij eene andere groote woestijn aantroffen, die ons twaalf dagreizen kostte, waar wij noch huis, noch boom, noch struik zagen, maar levensmiddelen, zoowel brood als water, moesten medevoeren. Uit deze woestijn kwamen wij, na twee dagen reizens, te Janezay, eene Russische stad of sterkte aan de rivier Janezay. Deze rivier, verhaalde men ons, scheidt Europa van Azië, doch ik geloof niet, dat onze kaartenmakers dit zullen toestemmen. Zeker is het de oostelijke grens van het oude Siberië, dat nu slechts een wingewest van het Russische rijk is, maar zoo groot op zichzelf als geheel Duitschland.

En zelfs hier bespeurde ik nog overal onwetendheid en heidendom, behalve in de Russische garnizoenen; het geheele land tusschen de rivier Obij en de Janezay, is zoo geheel heidensch en het volk zoo onbeschaafd, als de verst afgelegene Tartaren, ja, zelfs als eenig volk, dat ik weet, in Azië of Amerika. Ik vond ook, gelijk ik de Russische gouverneurs, welke ik van tijd tot tijd sprak, deed opmerken, dat de heidenen noch verstandiger, noch nader bij het Christendom zijn, omdat zij onder de Russische heerschappij woonden, hetwelk zij erkennen moesten, dat maar al te waar was, maar zij zeiden, dat hen dit niet aanging; maar als de czaar goedvond, zijne Siberische, Tungusische of Tartaarsche onderdanen te bekeeren, dan moest hij het doen door priesters tot hen te zenden, maar geene soldaten; en zij voegden er met meer opregtheid dan ik verwacht had, bij, dat zij ondervonden, dat hun monarch er minder op gesteld was, om hen tot Christenen, dan wel tot zijne onderdanen te maken.

Van hier tot aan de groote rivier Oby trokken wij door een woest, onbebouwd land; het land is wel niet onvruchtbaar, maar het heeft gebrek aan bevolking, anders is het op zichzelf een zeer aangenaam, vruchtbaar en bevallig land. Al de inwoners, die wij aantroffen, waren heidenen, behalve zulken, die uit Rusland derwaarts gezonden waren; want in deze landstreek, namelijk aan de beide kanten van de rivier Oby, worden de Russische misdadigers, die niet ter dood veroordeeld worden, gebannen, en het is genoegzaam onmogelijk, dat zij hier ooit kunnen ontvlugten. Mijzelven wedervoer niets bijzonders, totdat ik te Tobolsk, de hoofdstad van Siberië, kwam, waar de volgende reden mij eenigen tijd deed vertoeven.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Wij waren thans bijkans zeven maanden op reis geweest, en de winter naderde met snelle schreden, weshalve mijn compagnon en ik over onze zaken beraadslaagden, dewijl wij het noodig achtten, te overleggen hoe wij verder zouden handelen, omdat onze bestemming naar Engeland, en niet naar Moskou, was. Men sprak ons van sleden en rendieren, om ons in den winter over de sneeuw te vervoeren; en inderdaad door dit middel is het, dat de Russen beter in den winter dan in den zomer reizen kunnen, omdat zij in deze sleden nacht en dag doorrijden, daar de natuur hun door de thans bevrozen sneeuw eene effene baan verschaft, en de hoogten en laagten, rivieren en meren allen effen en zoo hard als steen zijn, en zij glijden over de oppervlakte, zonder zich te bekreunen wat er onder is.

Maar zulk eene winterreis was voor mij niet voegzaam; ik moest naar Engeland, en niet naar Moskou. Twee wegen lagen thans voor mij: de een was met de karavaan mede te gaan tot Jaroslaw, en dan westwaarts naar Nerva en de Finlandsche golf, en zoo ter zee of te land naar Dantzig, waar ik mijne Chinesche goederen misschien zeer voordeelig zou kunnen afzetten; of ik moest de karavaan aan een stadje aan de Dwina verlaten, vanwaar ik in zes dagen te water naar Archangel kon komen, en daar was ik zeker scheepsgelegenheid te zullen vinden naar Holland, Engeland of Hamburg. Maar het ware niet raadzaam geweest, om een dezer togten in den winter te ondernemen, want bij Dantzig zou de Oostzee bevrozen en dus voor mij ontoegankelijk zijn, en om te land van daar te trekken, zou veel onveiliger zijn, dan onder de Mongoolsche Tartaren; even zoo als ik in October naar Archangel ging, zouden al de schepen van daar vertrokken zijn, en ik zou daar niets te wachten hebben dan veel koude en weinig levensmiddelen, en den geheelen winter in eene eenzame stad moeten doorbrengen. Na alles te hebben overwogen, achtte ik het dus veel beter; de karavaan te laten vertrekken en den winter door te brengen waar ik was, namelijk te Tobolsk in Siberië, op eene breedte van 60°, waar ik verzekerd was van drie dingen, waarmede men een kouden winter kan doorstaan, namelijk overvloed van eten en drinken wat het land oplevert; een warm huis met genoeg brandstof, en uitmuntend gezelschap, gelijk ik nader zal vermelden.

Ik was nu in een klimaat, geheel verschillend van mijn bemind eiland, waar ik nimmer koude gevoelde, dan als ik de koorts had; integendeel, het viel mij daar zuur eenige kleederen te dragen, en waar ik nimmer vuur aanlegde, dan buiten de deur en als ik het noodig had, om eten te koken. Nu liet ik mij drie goede rokken maken, met wijde jassen er over, die tot op de voeten hingen, en tot beneden toe digt toegeknoopt konden worden, en die allen met bont gevoerd en zeer warm waren.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Van een warm huis gesproken, moet ik zeggen, dat ik onze Engelsche manier zeer afkeur, om in elke kamer van het huis in opene schoorsteenen vuur aan te maken, waardoor, als het vuur uit was, de lucht in de kamer even koud wordt als de buitenlucht. Maar na mijn intrek in een goed huis in de stad genomen te hebben, liet ik een schoorsteen bouwen als een oven, in het midden van zes kamers; de pijp, door welke de rook wegtrok, liep naar de eene zijde, en de plaats om er de brandstof in te doen, was aan de andere zijde, en al de kamers werden even warm gehouden, zonder dat men het vuur zag, even als men de badstoven in Engeland heet maakt. Hierdoor was het altijd in alle kamers even warm, en hadden wij steeds eene gelijkmatige warmte, en hoe koud het ook buiten ware, binnen was het altijd warm, echter zagen wij geen vuur, en hadden nimmer eenigen last van den rook.

Het zonderlingste van alles was, dat men hier zulk goed gezelschap aantrof, in een land, zoo woest als de noordelijkste deelen van Europa, nabij de Poolzee, en slechts weinige graden van Nova Zembla. Maar daar dit het land is, waarheen, gelijk ik vroeger zeide, al de staatsgevangenen van Rusland worden gebannen, was het er vol van vorsten, edellieden, generaals, kortom, alle graden van edelen, soldaten en hovelingen van Rusland. Hier was de vermaarde prins Galopkin of Galitzin en zijn zoon, de oude generaal Robodisky en verscheidene andere aanzienlijke personen en eenige vrouwen van rang.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Door middel van mijne Schotsche kooplieden, waarvan eenige mij echter hier verlieten, geraakte ik met verscheidene van deze heeren in kennis, waaronder eenige van den hoogsten rang, waarmede ik in de lange winteravonden, die ik hier doorbragt, eenen zeer aangenamen omgang had. Ik sprak op een avond met eenen zekeren prins, een der gebannen ministers van den Moscovischen Czaar, toen het gesprek op mijne lotgevallen viel. Hij had mij veel fraais verhaald van de grootheid en luister, van het gebied en de onbeperkte magt van zijnen vorst. Ik viel hem in de rede, en zeide, dat ik een veel grooter en magtiger vorst was, dan de Russische keizer, schoon mijn gebied zoo groot niet was, noch mijne onderdanen zoo talrijk waren als de zijne. De Russische prins zette groote oogen op, terwijl hij mij strak aanzag, en begreep niet, wat ik wilde te kennen geven. Ik zeide hem, dat zijne verwondering zou ophouden, als ik hem alles verklaard had. Eerst zeide ik hem, dat ik onbeperkte magt over het leven en de bezittingen mijner onderdanen had, dat niettegenstaande mijne onbeperkte magt, niet een hunner eenig misnoegen had tegen mijne regering of mijnen persoon, op geheel mijn gebied. Hij schudde het hoofd, en zeide, dat ik in dat geval meer kon zeggen dan de czaar. Ik voegde er bij, dat al de landerijen in mijn rijk mijn eigendom waren, en al mijne onderdanen slechts mijne pachters, en dat wel vrijwillig waren, dat zij allen hunnen laatsten bloeddroppel voor mij zouden willen storten, en dat nimmer een willekeurig heerscher, want dit bekende ik te zijn, ooit zoo algemeen bemind en toch zoo ontzettend gevreesd was geworden van zijne onderdanen.

Na hem eenigen tijd met deze raadsels te hebben bezig gehouden, gaf ik hem de oplossing en verhaalde hem breedvoerig hoe ik op het eiland gekomen was, en hoe ik daar huishield, zoowel als de bevolking onder mij, gelijk ik hiervoren uitvoerig verhaald heb. Zij waren er allen zeer mede ingenomen, inzonderheid de prins, die mij met een zucht zeide, dat de ware grootheid bestond in heerschappij over zichzelven te voeren, dat hij eene levenswijze als de mijne niet voor die van czaar van Moscovië zou willen ruilen, en dat hij meer geluk vond in de afzondering, waarin hij hier gebannen scheen, dan vroeger ooit in de hoogste magt, die hij aan het hof van zijnen meester, den czaar, genoten had; dat het toppunt van menschelijke wijsheid bestond in onzen geest naar de omstandigheden te voegen, en rust en stilte van binnen te bewaren, terwijl buiten de geweldigste stormen loeiden. Toen hij eerst hier kwam, zeide hij, had hij zich de haren uit het hoofd en de kleederen van het lijf gescheurd, gelijk anderen voor hem gedaan hadden; maar eenig tijdverloop en nadenken hadden hem geleerd, een blik in zichzelven, zoowel als op de voorwerpen buiten hem te slaan; hij had bevonden, dat zoo 's menschen geest slechts eerst ernstig nadenkt over den staat van ons leven in het algemeen; en hoe weinig men voor zijn waar geluk in deze wereld noodig heeft, men volkomen in staat is, om voor zichzelven een geluk te bereiden, dat volkomen genoegzaam is, en met onze beste verlangens en bestemming strookt, en waartoe de wereld slechts weinig behoeft bij te dragen; dat lucht, om in te ademen, voedsel, om te leven, kleederen, om de koude af te weren, en gelegenheid tot ligchaamsbeweging, om zijne gezondheid te onderhouden, naar zijne meening alles waren, wat de wereld ons kon opleveren. Schoon de grootheid, magt, rijkdommen en het gezag, die sommigen in de wereld bezitten, en waarvan hij zijn deel meer dan hem lief was had gehad, in vele opzigten aangenaam voor ons waren, moest hij echter opmerken, dat al deze dingen grootendeels strekken, om onze minder edele hartstogten te voldoen, als onze hoogmoed, ijdelheid, eerzucht, gierigheid of ligtgeraaktheid, welke alle inderdaad op zichzelve misdadig zijn, en in zich de zaden van alle misdaden bevatten; terwijl zij op geenerlei wijze in betrekking staan tot die eigenschappen, die de wijsheid ons leert, of tot die deugd, die ons Christenen onderscheidt. Thans, vervolgde bij, beroofd van al het gewaande geluk, dat hij in de uitoefening van al deze ondeugden vond, had hij ruimschoots gelegenheid, om deze van de keerzijde te beschouwen, waarop hij allerlei soort van verkeerdheden vond, en thans was hij overtuigd, dat de deugd alleen iemand rijk, groot en magtig maakt, en hem op den weg houdt, die tot hooger geluk in eene andere wereld voert, en in dit opzigt, zeide hij, waren zij in hunne verbanning gelukkiger, dan al hunne vijanden, die in het volle genot waren van al die weelde en magt, die zij (de bannelingen) hadden moeten achterlaten.

"En mijnheer!" zeide hij, "het is niet door den drang der omstandigheden, die sommigen ongelukkig noemen, dat ik uit staatkunde dit aan mijnen geest zoek op te dringen. Zoo ik mijzelven eenigzins ken, zou ik thans niet terugkeeren, neen, zelfs niet, al zou mijn meester, de czaar, mij terugroepen, met aanbieding van mij in al mijne vorige grootheid te herstellen, ik zou, ik herhaal het, evenmin derwaarts terugkeeren, als ik vertrouw, dat mijne ziel, na eenmaal van de banden des ligchaams ontslagen te zijn en eenen voorsmaak gehad te hebben van eenen hemelschen staat na dit leven, zou willen terugkeeren in zijne gevangenis van vleesch en bloed, waarin zij thans is besloten, en den hemel verlaten, om in het slijk der aarde rond te zwerven."

Hij zeide dit met zooveel vuur, en op zijn gelaat blonk zulk eenen ernst, dat dit blijkbaar de ware meening zijner ziel was, en waarlijk er was geene reden, om zijne opregtheid in twijfel te trekken.

Ik zeide hem, dat ik eenmaal in mijnen voormaligen toestand, waarvan ik hem verhaald had, mijzelven eene soort van monarch gedacht had, maar dat ik hem thans niet alleen als eenen monarch, maar als een groot veroveraar beschouwde, want dat hij zijne eigene hooggaande begeerten onder het juk had gebragt, en eene volstrekte heerschappij over zichzelven voerde; en hij, wiens rede al zijne daden bestuurt, is zeker grooter dan hij, die eene stad inneemt. "Maar mag ik zoo vrij zijn van u eene vraag te doen, mijnheer?" zeide ik.—"Met al mijn hart," antwoordde hij.—"Bijaldien de deur voor de vrijheid u werd opengesteld," zeide ik, "zoudt gij die dan niet aangrijpen, om u uit deze ballingschap te bevrijden?"—"Uwe vraag is dubbelzinnig," zeide hij, "en heeft eenige juiste onderscheidingen noodig, om er een opregt antwoord op te kunnen geven, en die zal ik u uit grond van mijn hart geven. Niets ter wereld zou mij aandrijven, om mij uit dezen staat van ballingschap te verwijderen, dan twee beweegredenen; eerstelijk het verlangen, om mijne bloedverwanten weder te zien, en tweedens een warmer luchtgestel. Maar dit verzeker ik u, om terug te keeren naar den luister van het hof, den roem, de magt, de bezigheden van eenen minister, de rijkdommen, de genoegens en vermaken, dat wil zeggen dwaasheden, van eenen hoveling; als mijn meester mij op dit oogenblik liet weten, dat hij mij in het bezit herstelde van alles, wat hij mij ontnomen heeft, dan verzeker ik u, dat ik, als ik eenigzins mijzelven ken, deze woestijnen, wildernissen en ijsvelden niet voor de paleizen van Moskou zou willen verlaten."—"Maar prins!" vervolgde ik, "misschien zijt gij niet alleen verbannen van de vermaken van het hof en van de magt, het gezag en de schatten, die vroeger uw deel waren, maar gij kunt ook van eenige gemakken des levens verstoken zijn; uwe bezittingen zijn misschien verbeurd verklaard, en wat men u hier toestaat, is welligt niet voldoende, om in uwe gewone behoeften te voorzien."—"Ja," zeide hij, "dat is ook zoo, als gij mij beschouwt als een edelman, een prins, gelijk ik ook ben; maar gij moet mij thans alleen beschouwen, als een mensch, een menschelijk wezen, dat zich van geen zijner medemenschen onderscheidt, en dan kan ik geen gebrek lijden, tenzij ik met ziekte of kwalen mogt bezocht worden. Om echter deze vraag op te lossen: gij ziet onze levenswijze, wij zijn hier met ons vijven, personen van hoogen rang, wij leven zoo stil, als in eenen staat van ballingschap. Van onze fortuin hebben wij uit de schipbreuk een klein gedeelte gered, hetgeen ons van de verpligting ontslaat, om met jagen den kost te verdienen, maar de arme soldaten, die hier zijn, en die hulp niet hebben, leven even ruim als wij. Zij gaan in de bosschen en vangen sabels en vossen; eene maand hieraan besteed, verschaft hun levensonderhoud voor een jaar, en daar de levenswijze hier niet kostbaar is, is het gemakkelijk het noodige te verwerven; dus is deze tegenwerping vervallen."

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Het zou mij te ver voeren, als ik een volledig verslag wilde geven van het aangename onderhoud, dat ik met dezen waarlijk grooten man had; gedurende hetwelk hij bewees, dat zijn geest zoo vervuld was met een diep inzigt in alle zaken; zoo gesterkt werd door godsdienst, zoowel als door de uitgebreidste kennis; dat zijne versmading van de wereld werkelijk was, zoo als hij verklaarde, en dat hij zichzelven steeds gelijk bleef, gelijk in het vervolg van dit verhaal zal blijken.

Ik bragt hier acht maanden in eenen donkeren, treurigen winter door; de koude was zoo streng, dat ik mijn neus niet buiten de deur kon steken, zonder in bont gewikkeld te zijn, en een masker voor het gelaat te dragen, of liever een digte sluijer, met een gat, om te ademen, en twee, om te zien. Het korte daglicht, dat wij hadden, was ongeveer drie maanden lang niet meer dan vijf uren daags, zes op zijn hoogst, schoon het nimmer zeer donker was, daar de sneeuw voortdurend liggen bleef en het weder helder was. Onze paarden stonden in eenen kelder te verkwijnen, en onze dienstboden (want wij huurden die, om ons en onze paarden op te passen) waren telkens de handen en voeten bevroren.

Echter zaten wij binnenshuis warm, de huizen waren digt, de muren dik, de vensters klein en allen met dubbele glazen. Ons eten bestond hoofdzakelijk in gedroogd wild, goed brood, als beschuit gebakken, verschillende soorten van gedroogden visch, en eenig schapen- en buffelvleesch, dat zeer goed is. Alle levensmiddelen voor den winter worden in den zomer ingelegd. Onze drank was water, met brandewijn vermengd, en meede in plaats van wijn, voor een traktement, die zij echter zeer goed hebben. De jagers, die in elk weder uitgaan, bragten ons dikwijls zeer goed en vet wild, en somtijds beerenvleesch, doch om het laatste gaven wij niet veel. Wij hadden een goeden voorraad thee, waarop wij onze vrienden onthaalden; met een woord, wij leidden over het geheel een zeer goed leven.

Het was nu Maart; de dagen begonnen vrij wat langer en het weder althans dragelijker te worden; derhalve begonnen de andere reizigers sleden gereed te maken, om hen over de sneeuw te brengen; maar ik had besloten, gelijk ik gezegd heb, naar Archangel, en niet naar Rusland of de Oostzee te gaan, en ik bleef dus waar ik was, want ik wist zeer goed, dat de schepen uit het zuiden daar niet voor Mei of Junij heengaan, en dat, als ik in het begin van Augustus daar kwam, ik er vroeg genoeg zou zijn, om met een der eerst vertrekkende schepen mede te gaan, en derhalve maakte ik geen haast om te vertrekken, zoo als de anderen, en zag dus ook eene groote menigte volks, ja, eindelijk alle reizigers voor mij vertrekken. Het schijnt, dat zij van Moskou alle jaren herwaarts trekken, om te handelen, namelijk om pelterijen te brengen, en andere noodwendigheden te halen voor hunne winkels; en deze gaan met hetzelfde, oogmerk naar Archangel, maar deze allen, die ongeveer achthonderd mijlen terug moesten, vertrokken voor mij.

Tegen het laatst van Mei begon ik mij ook tot mijn vertrek gereed te maken, en terwijl ik dit deed, schoot mij te binnen, terwijl ik al deze lieden zag, die de czaar naar Siberië gebannen had, en die toch als zij hier gekomen waren, vrijheid hadden om te gaan waarheen zij wilden, waarom zij niet heengingen naar eenig deel der wereld, waar zij goedvonden, en ik begon na te gaan wat hen belette zulks te ondernemen.

Maar mijne verwondering hield op, toen ik hierover sprak, met den prins, van wien ik hiervoren gewag gemaakt heb, en die mij het volgende ten antwoord gaf: "In de eerste plaats, mijnheer! moet gij bedenken, waar wij zijn; ten tweede den toestand waarin wij zijn, en bijzonder den toestand van het volk, dat hier gebannen is. Wij zijn hier omgeven door sterkere sluitingen dan muren en grendels; aan de noordzijde is eene onbevaarbare oceaan, waarop nimmer een schip gezeild heeft, noch eene boot gevaren, en al bezaten wij beide, wij zouden niet weten waarheen er mede te gaan. Langs elken anderen weg," vervolgde hij, "moeten wij ongeveer duizend (Eng.) mijlen het gebied van den czaar doortrekken, langs wegen die ontoegankelijk zijn, behalve die welke de regering gemaakt heeft, en door steden, waarin zij bezetting heeft liggen, zoodat wij nimmer dien weg kunnen volgen, zonder ontdekt te worden, noch op eene andere wijze levensmiddelen erlangen; alle pogingen daartoe zijn derhalve vergeefs."

Dit bragt mij tot zwijgen, en ik zag in, dat zij inderdaad in eene gevangenis waren opgesloten, zoo zeker, alsof zij in het kasteel van Moskou achter de grendels zaten. Het denkbeeld kwam echter bij mij op, dat ik wel het werktuig kon zijn, om een zoo uitmuntend persoon te doen ontsnappen, en dat het voor mij zeer gemakkelijk was, hem mede te voeren, daar er geene wacht hier te lande over hem gehouden werd. En daar ik niet naar Moskou ging, maar wel naar Archangel, en op de wijze van eene karavaan voorttrok, waardoor ik niet verpligt was de vestigingen in de woeste streken te betrekken, maar mijne nachten kon doorbrengen waar ik wilde, konden wij gemakkelijk zonder verhindering Archangel bereiken, waar ik hem dadelijk aan boord van een Engelsch of Hollandsch schip zou brengen. Wat zijn onderhoud en andere kleinigheden betrof, hiervoor zou ik zorgen, totdat hij daarin zelf kon voorzien.

Hij hoorde mij zeer oplettend aan, terwijl ik hem dit voorstelde, en zag mij al den tijd dat ik sprak strak aan, ja, ik kon op zijn gelaat zien, dat hetgeen ik zeide zijn gemoed hevig in beweging bragt; hij veranderde dikwerf van kleur, zijne oogen vonkelden, en men kon ligt bespeuren, dat hij weifelde. Hij was eerst niet in staat om mij te antwoorden, toen ik had uitgesproken, en ik, als het ware, wachtte wat hij er van zou zeggen. Na eenigen tijd gezwegen te hebben, omhelsde hij mij en zeide: "Hoe ongelukkig zijn wij, feilbare menschen toch, dat zelfs onze beste daden van vriendschap ons tot een strik worden, en dat wij elkander in verzoeking brengen! Mijn beste vriend," vervolgde hij, "uwe aanbieding is zoo opregt, zoo goedhartig, zoo belangeloos, en zoo mijn voordeel beoogende; dat ik slechts weinig wereldkennis zou bezitten als ik er mij niet zeer over verwonderde, en de verpligting niet erkende, die ik daarvoor jegens u heb. Maar geloofde gij aan mijne opregtheid, in hetgeen ik zoo dikwijls u gezegd heb, dat ik de wereld verachtte? Geloofde gij, dat ik uit grond van mijn hart sprak, en dat ik hier werkelijk dien graad van geluk bereikt had, die mij verheft boven alles wat de wereld mij kon verschaffen of voor mij kon doen? Geloofde gij dat ik opregt was, toen ik u zeide dat ik niet zou willen terugkeeren, al zou ik teruggeroepen worden om alles te worden wat ik eenmaal was aan het hof en in het bezit van de gunst van mijn meester, den czaar? Gelooft gij, mijn vriend, dat ik een eerlijk man ben, of houdt gij mij voor een snoevenden huichelaar?" Hier zweeg hij stil, alsof hij op mijn antwoord wachtte, maar ik bespeurde spoedig dat hij eigenlijk ophield, omdat zijn gemoed geschokt en heen en weder geslingerd werd, en dat hij niet spreken kon. Ik beken dat ik verbaasd stond, zoo wel over hetgeen ik hoorde, als over den man zelven. Ik voerde eenige redenen aan, om hem over te halen de vrijheid te kiezen; dat hij beschouwen moest, dat door den Hemel eene deur ter zijner bevrijding werd opengesteld, en dat het een wenk was van de Voorzienigheid, die alle dingen bestiert, om zichzelven wel te doen, en nuttig voor anderen te worden.

Hij had thans zijne bedaardheid herkregen. "Hoe weet gij, mijnheer," zeide hij, "dat dit in plaats van een wenk des Hemels, geen aanloksel is van een anderen kant, dat mij in de verleidelijkste kleuren het geluk eener bevrijding voorspiegelt, terwijl het inderdaad een valstrik kan zijn; waardoor ik mijn eigen verderf te gemoet ga? Ik ben hier bevrijd van alle verzoeking, om mijne voormalige rampzalige grootheid weder te bereiken; ginds ben ik niet verzekerd of al de zaden van hoogmoed, eer- en hebzucht en weelde, die ik weet dat nog in mijn aard liggen, niet zullen herleven en wortel schieten, en met een woord, zich weder meester van mij maken; en dan zal de gelukkige gevangene, dien gij thans als meester van zichzelven ziet, de rampzalige slaaf zijner hartstogten zijn, bij het genot van alle mogelijke persoonlijke vrijheid. Waarde vriend, laat mij in deze gelukkige hechtenis, verbannen van de misdaden des levens, liever dan een zweem van vrijheid te koopen, ten koste van de vrijheid mijner rede, en van mijn toekomstig heil, dat ik thans te gemoet zie; maar dat ik alsdan, vrees ik, spoedig uit het oog zou verliezen, want ik ben slechts een mensch, heb vleesch en bloed, driften en hartstogten, die mij zoo waarschijnlijk als een ander zullen overmeesteren en wegslepen. O, wees niet mijn vriend en tegelijk mijn verleider!"

Stond ik vroeger verbaasd, thans was ik geheel tot zwijgen gebragt, en stond hem aan te staren en te bewonderen. De tweestrijd, waarin ik hem gebragt had, was zoo groot, dat, ofschoon het geweldig koud was, het zweet hem uitgebroken was, en daar ik zag dat hij zijn gemoed wilde ontlasten, zeide ik met een paar woorden, dat hij er nog eens over moest nadenken en ik hem weder zou opzoeken, en begaf mij daarop naar mijne kamer.

Een paar uren daarna hoorde ik iemand aan of bij mijne kamerdeur, en ik stond op om die te openen, toen de prins dit zelf deed en binnen kwam. "Mijn waarde vriend," zeide hij, "gij zoudt mij bijkans overgehaald hebben, doch thans ben ik weder tot mijzelven gekomen. Duid het mij niet ten kwade, dat ik uw aanbod niet aanneem. Ik verzeker u, het is niet omdat ik niet gevoel hoe vriendschappelijk het van u is, en ik kwam er u mijne hartelijke dankbaarheid voor betuigen; maar ik hoop thans mijzelven overwonnen te hebben."

"Prins," zeide ik, "ik hoop dat gij ten volle overtuigd zijt, dat gij u niet tegen eenen wenk der Voorzienigheid verzet."—"Ware het eene stem des Hemels geweest," zeide hij, "dan zou diezelfde magt mij aangedreven hebben het voorstel aan te nemen; maar ik acht mij ten volle overtuigd dat het 's Hemels wil is dat ik het afwijs, en als wij scheiden zal het mij eene streelende gedachte zijn, dat gij mij achterlaat als een braaf man, schoon dan ook een gevangen man."

Mij schoot niets over dan hierin te berusten, en hem te verzekeren, dat mijne eenigste bedoeling geweest was hem van dienst te zijn. Hij omhelsde mij met vuur en verzekerde mij dat hij hiervan overtuigd was, en altijd dit zou erkennen; en daarbij bood hij mij een fraai geschenk van sabelvellen; inderdaad voor mij te groot om aan te nemen, van iemand in zijne omstandigheden; en ik wilde het ontwijken, maar hij liet het zich niet afslaan.

Den volgenden morgen zond ik mijn knecht naar hem toe, met een klein geschenk van thee, twee stukken Chinesche lijnwaad, en vier stukjes Japansch goud, die te zamen nog geen zes oncen wogen; hetwelk echter niet haalde bij de waarde der sabelvellen, die ik bij mijne komst in Engeland vernam dat omtrent twee honderd Pond St. waard waren. Hij nam de thee en een stuk lijnwaad aan, en een van de Japansche goudstukjes, daar een fraaije stempel opstond, hetwelk ik begreep, dat hij om de zeldzaamheid aannam; doch meer wilde hij niet aannemen, en hij liet mij door mijn knecht zeggen, dat hij mij gaarne wilde spreken.

Toen ik bij hem kwam zeide hij, dat ik nog wel weten zou wat er tusschen ons voorgevallen was, en hij hoopte, dat ik daarover niet meer bij hem aandringen zou. Maar dewijl ik hem zulk een edelmoedig aanbod gedaan had, vroeg hij mij of ik zoo welwillend zou zijn om hetzelfde voor een ander persoon te doen, dien hij mij noemen zou, en waarin hij zeer veel belang stelde. Ik antwoordde, dat ik weinig lust had het voor iemand anders dan voor hem te doen, wien ik bijzonder hoogschatte, en dien ik gaarne had willen bevrijden. Zoo hij mij echter den persoon noemen wilde, zou ik hem bepaald antwoorden, in de hoop dat hij, zoo mijn antwoord hem niet beviel, mij dit niet euvel zou duiden. Hij zeide mij, dat hij het voor zijn zoon vroeg, die, ofschoon ik hem niet gezien had, in dezelfde omstandigheden als hij verkeerde, en ongeveer tweehonderd (Eng.) mijlen vandaar aan de overzijde der Oby was, maar dat hij, als ik toestemde, om hem zenden zou.

Zonder te aarzelen zeide ik hem dat ik het doen zou. Ik gaf hem echter daarbij te kennen, dat het alleen om zijnentwil was, en dat, aangezien ik hem niet kon overhalen, ik hem een bewijs mijner achting wilde geven door mijn gedrag jegens zijn zoon, doch het zou vervelend zijn dit alles hier te herhalen. Hij zond den volgenden dag om zijn zoon, en twintig dagen later keerde deze met den bode terug, medebrengende zes of zeven paarden met zeer kostbare pelterijen beladen, die te zamen van groote waarde waren.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Zijne knechts bragten de paarden in de stad, maar lieten den jongen prins op een afstand achter, tot in den nacht, toen hij heimelijk bij ons kwam, en zijn vader hem aan mij voorstelde, en hier overlegden wij hoe wij reizen zouden, en welken weg wij zouden kiezen.

Ik had eene groote menigte sabelvellen, zwarte vossenvellen, fijn hermelijn en ander kostbaar bont gekocht, of liever geruild voor andere goederen, die ik uit China medegebragt had, vooral voor de nagelen en nootmuskaten, die ik meerendeels hier en het overschot in Archangel verkocht, voor een veel hooger prijs dan zij te Londen hadden kunnen gelden; en mijn compagnon, die de winst berekende, en wiens bestemming veel meer dan de mijne het drijven van koophandel was, was magtig in zijn schik met ons vertoeven hier, uithoofde van onzen hier gedreven handel.

In het begin van Junij verliet ik deze afgelegene plaats; eene stad, waarvan men, geloof ik, in de wereld weinig spreekt, en geen wonder daar zij zoo ver buiten alle gewone handelswegen ligt. Wij waren thans tot eene zeer kleine karavaan gesmolten, bestaande in het geheel slechts uit tweeëndertig paarden en kameelen, die allen voor de mijnen doorgingen, schoon er vier aan mijn nieuwen gast toebehoorden. Het was dus zeer natuurlijk, dat ik meer knechts medenam dan vroeger; en de jonge prins ging voor mijn opzigter of intendant door. Voor welk groot heer ik zelf gehouden werd, weet ik niet, ook lustte het mij niet er naar te vragen. Wij moesten hier de ergste en grootste woestijn doortrekken, die wij op de geheele aarde aantroffen; ik noem haar de ergste, omdat de weg er op vele plaatsen zeer gevaarlijk en ongelijk was; het best dat wij er van konden zeggen, was, dat wij geen troepen Tartaren en roovers te duchten hadden, omdat die nimmer, of althans hoogstzelden aan deze zijde van de rivier Oby komen; doch wij ondervonden het anders.

De jonge prins had bij zich een trouwen Russischen knecht, of eigenlijk een Siberiër van geboorte, die het land volkomen kende, en ons langs zijwegen voerde, zoodat wij de voornaamste steden en dorpen aan den grooten weg vermeden; omdat de Russische bezettingen, die daar liggen, zeer nieuwsgierig, en gestreng in hun onderzoek van reizigers zijn, en vooral nasporen of ook eenige ballingen op die wijze trachten te ontkomen. Wij waren dikwijls verpligt in het open veld te liggen, en daar onder onze tenten den nacht door te brengen, terwijl wij in de steden aan den weg zeer goed ons gemak hadden kunnen nemen; hierdoor liep onze geheele reisweg als het ware door eene woestijn. Den jongen prins hinderde dit zoo, dat hij aan verscheidene steden gekomen, niet wilde dat wij in het open veld bleven, maar zelf met zijn knecht den nacht in de bosschen doorbragt, en ons den volgenden dag op eene afgesprokene plaats opwachtte.

Wij hadden juist Europa betreden, na de rivier Kama overgetrokken te zijn, die aldaar de grensscheiding tusschen Europa en Azië uitmaakt, en de eerste stad aan de Europesche zijde heette Soloi-Kamaskoi, dat zoo veel zeggen wil als de groote stad op den oever van de Kama; en hier verwachtten wij eene merkbare verandering te zullen bespeuren in de bewoners, hunne zeden, gewoonten, godsdienst en bedrijf; maar wij hadden misgerekend. Wij hadden nog eene uitgestrekte woestijn door te trekken, die, naar men ons verhaalde, zevenhonderd (Eng.) mijlen op sommige plaatsen lang is, maar niet meer dan tweehonderd mijlen breed, waar wij hem doortrokken. Tot dat wij deze achter den rug hadden, vonden wij zeer weinig verschil tusschen dit land en Tartarijë, en het volk meest heidenen en weinig beschaafder dan de wilden van Amerika; hunne huizen en dorpen vol afgoden, en hunne levenswijze allerbarbaarscht, behalve in de steden, gelijk ik zeide, en de dorpen en derzelver nabijheid, die door Christenen van de Grieksche godsdienst bewoond worden; maar ook de godsdienst van deze is zoo met bijgeloof doormengd, dat die op sommige plaatsen niet van afgoderij te onderscheiden was.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

In het doortrekken van deze woestijn, nadat wij alle gevaren zoo wij meenden, reeds achter den rug hadden, dacht ik dat wij nog uitgeplunderd en misschien vermoord zouden worden door eene troep roovers. Ik weet nog niet uit welk land zij waren; hetzij het zwerfbenden waren van de Ostiaken, eene soort van Tartaren, of woest volk van de boorden van de Oby, die tot hier heen gezworven waren, dan wel of het Siberische sabeljagers waren; maar zij waren allen te paard, droegen boog en pijlen, en waren eerst vijfenveertig in getal; zij kwamen tot op ongeveer twee geweerschoten afstands van ons, en zonder ons eenige vragen te doen, reden zij om ons heen en sloegen ons zeer ernstig gade. Eindelijk plaatsten zij zich vlak voor ons, waarop wij ons in een gelid voor onze kameelen schaarden, daar wij nog geen zestien man in het geheel uitmaakten, en zonden den Siberischen knecht naar hen toe om te zien wie zij waren. Zijn meester was te meer geneigd hem te laten gaan, daar hij zeer beducht was dat het een Siberische troep was, die men hem achterna had gezonden. De man reed naar hen toe met eene witte vlag en sprak hen aan; maar schoon hij verscheidene van hunne talen of liever tongvallen gebruikte, kon hij geen woord verstaan van hetgeen zij zeiden. Na eenige teekens die zij hem deden van niet nader te komen als hij zijn leven lief had, en een aanbod om hem dood te schieten als hij naderde, ten minste zoo verstond hij hunne bedoeling, kwam de man terug, even wijs als toen hij ging; echter zeide hij dat hij hen, naar hunne kleeding, voor Tartaren of Kalmukken, of voor eene horde Circassiërs hield, en dat er in de groote woestijn meer van hen moesten zijn, schoon hij nimmer gehoord had, dat er vroeger ooit eenige zoo ver noordwaarts waren doorgedrongen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Dit was eene slechte troost voor ons. Er viel echter niet aan te doen. Aan de linkerzijde, op ongeveer een vierde uurs was een groepje boomen, die digt bijeen en vlak bij den weg stonden. Ik besloot dadelijk ons daarheen te begeven en ons, zoo goed wij konden, te verschansen; want ik begreep dat vooreerst deze boomen ons grootendeels voor hunne pijlen zouden beschutten, en in de tweede plaats, dat zij ons dan niet in massa op het lijf konden vallen. Eigenlijk was het mijn oude Portugeesche loods die het voorstelde, en die deze uitmuntende eigenschap had, dat hij altijd in de oogenblikken van het grootste gevaar het geschiktste was om ons te leiden en aan te moedigen. Wij trokken met den meest mogelijken spoed daarheen en bereikten dat boschje, terwijl de Tartaren of dieven, wat zij dan ook waren, stand hielden, en ons geen hindernis in den weg legden. Daar gekomen, bevonden wij tot onze groote vreugd, dat het eene vochtige, moerassige plek gronds was, met aan de eene zijde eene groote bron, die in een klein beekje uitliep, dat een eind weegs nader zich met een ander van gelijke grootte vereenigde, en dat eigenlijk de oorsprong of bron van eene groote rivier was, die hooger op de Wertska heette. Er stonden om die bron niet boven de tweehonderd boomen, maar zij waren zeer groot en stonden digt opeen; zoodat, zoodra wij daar waren, wij ons volkomen voor den vijand beschut zagen, ten ware zij afstegen en ons te voet aanvielen.

Om dit echter moeijelijk te maken, kapte onze Portugees met onvermoeiden ijver takken van de boomen, en liet die hangen en niet geheel van den stam gescheiden, van den eenen boom naar den anderen; zoodat hij eene onafgebroken verschansing om ons heen vormde.

Wij bleven hier eenige uren de bewegingen des vijands gadeslaan, die echter geen lust tot eenige beweging scheen te hebben. Een paar uren voor den avond kwamen zij echter op ons aanrukken, en schoon wij het niet bemerkt hadden, zagen wij nu dat er zich nog eenigen bij hen gevoegd hadden, zoodat er thans tachtig ruiters waren, waaronder echter, naar onze meening, eenige vrouwen. Wij lieten hen tot op een half geweerschot afstands van onze legerplaats komen, waarna wij met los kruid op hen schoten, en hen in het Russisch toeriepen wat zij van ons hebben wilden, en hen gelastten zich te verwijderen. Daar zij ons echter niet verstonden, drongen zij met verdubbelde woede op ons boschje aan, zich verbeeldende, dat wij niet zoo verschanst waren of zij zouden er wel kunnen doorbreken. Onze oude loods was onze bevelhebber, gelijk hij vroeger onze ingenieur geweest was, en gelastte ons niet te vuren, voor zij op een pistoolschot afstands gekomen waren; en alsdan vooral goed op hen te mikken. Wij zeiden, dat wij op zijn bevel zouden wachten, waarmede hij zoo lang draalde tot sommigen nog slechts eenige schreden van ons af waren.

Wij mikten zoo goed, of de hemel bestierde ons vuur zoo, dat wij bij de eerste losbranding er veertien doodden, en nog verscheidenen benevens eenige paarden kwetsten, want wij hadden allen onze geweren met ten minste twee of drie kogels geladen.

Dit bragt hen geheel in verwarring, en zij trokken dadelijk wel honderd roeden terug, in welken tijd wij onze geweren weder laadden, en ziende, dat zij op dien afstand bleven, deden wij een uitval, en vermeesterden vier of vijf paarden, wier ruiters waarschijnlijk gedood waren. Bij de gesneuvelden komende, zagen wij duidelijk dat het Tartaren waren, schoon wij niet wisten uit welke streek, noch hoe het kwam dat zij een zoo buitengewoon verren togt hadden ondernomen.

Een dag daarna maakten zij eene beweging om ons op nieuw aan te vallen, en reden ons boschje rond om te zien of zij ook ergens konden doorbreken; maar ons steeds gereed vindende hun het hoofd te bieden, verlieten zij ons weder, en wij besloten dien nacht niet van de plaats te gaan.

Wij sliepen weinig, gelijk men wel denken kan, maar bragten het meerendeel van den nacht door met ons leger te versterken, en de toegangen te verschansen, en eene scherpe wacht te houden, in afwachting, dat het zou beginnen te dagen. Toen de dag doorkwam bragt hij ons eene onaangename ontdekking; want de vijand, dien wij gehoopt hadden dat door de geledene ontvangst afgeschrikt zou zijn geworden, was thans tot op zijn minst driehonderd aangegroeid, en had elf of twaalf hutten of tenten opgeslagen, alsof hij besloten had ons te belegeren. Zij hadden hun kamp opgeslagen op eene opene vlakte, ongeveer drie kwartieruurs van ons verwijderd.

Deze ontdekking was eene onaangename verrassing voor ons; en hier moet ik bekennen, achtte ik mij verloren en al wat ik had. Het verlies mijner goederen ging mij zoo veel niet aan het hart (schoon zij van veel waarde waren), als wel de gedachte van in de handen van zulke barbaren te moeten vallen, op het laatst van mijne reis, na het doorstaan van zoo vele gevaren en moeijelijkheden, en als het ware in het gezigt van de haven, waar wij veiligheid en behoud verwachtten. Mijn compagnon was woedend; hij zeide, dat het verlies zijner goederen hem in den grond zou boren, en dat hij liever wilde sterven dan tot den bedelstaf geraken, en hij wilde vechten tot den laatsten droppel bloed.

De jonge prins, een man zoo dapper als iemand, stemde ook voor het gevecht, en mijn oude loods was van meening, dat wij in onze stelling hen allen konden weerstaan. Wij bragten zoo den dag door in beraadslagingen wat wij doen wilden, doch tegen den avond bespeurden wij dat het getal onzer vijanden nog vermeerderd was. Misschien hadden zij in verschillende afdeelingen rond gezworven om buit op te sporen, en hadden de eerste verspieders uitgezonden om hen te hulp te roepen, en met den buit bekend te maken. Wij wisten niet of niet hun getal den volgenden morgen nog meer aangegroeid zou zijn, en dus vroeg ik aan de lieden, die wij van Tobolsk hadden medegenomen, of er geene andere, geene zijwegen waren, waardoor wij misschien een of ander dorp of stad konden bereiken, of wel het einde der woestijn.

De Siberische knecht van den jongen prins zeide ons, dat als wij hen wilden uit den weg gaan en niet bevechten, hij zich sterk maakte ons in den nacht op een weg te brengen, die noordwaarts liep, naar de rivier Petras, waardoor hij zich verzekerd hield, dat wij den aftogt zouden kunnen blazen, zonder dat de Tartaren wisten waar wij zouden gebleven zijn, maar hij zeide, dat zijn heer hem gezegd had niet te willen vlugten, maar liever te vechten. Ik zeide, dat hij zijn heer niet goed begrepen had, dat deze te verstandig was om gaarne te vechten zonder eenig doel; dat zijn heer reeds blijken genoeg had gegeven, dat hij onversaagd was, maar dat zijn heer zelf wel wist, dat zeventien of achttien man niet tegen vijfhonderd konden vechten, ten ware eene onvermijdelijke noodzakelijkheid hen er toe dwong, en dat als hij het mogelijk achtte in den nacht te ontkomen, wij dit volstrekt moesten beproeven. Hij antwoordde, dat als zijn heer hem dit gebood, hij zijn leven te pand zette dat hij het doen zou. Wij haalden weldra zijn heer over, doch in het geheim, om hem dit bevel te geven, en maakten ons dadelijk gereed om het uit te voeren.

In de eerste plaats legden wij, zoodra het duister werd, een vuur aan in onze legerplaats, en maakten het zoo, dat het den geheelen nacht zou kunnen doorbranden, opdat de Tartaren mogten begrijpen dat wij er nog waren; maar zoodra het duister werd, dat wil zeggen, zoodra wij de sterren konden zien (want eer wilde onze gids niet op weg gaan) volgden wij onzen nieuwen geleider, daar wij de paarden en kameelen reeds vooraf beladen hadden. Ik zag weldra, dat hij zijn weg naar de poolster rigtte, daar het land een groot eind geheel effen was.

Na twee uren zeer snel voortgetrokken te zijn, begon het nog lichter te worden; want ofschoon de nacht reeds helder was geweest, kwam nu de maan op, zoodat het eigenlijk lichter was dan wij verlangden; doch den volgenden morgen te zes ure hadden wij bijkans veertig (Eng.) mijlen afgelegd; waarmede wij onze paarden dan ook schier dood gereden hadden. Hier vonden wij een Russisch dorp, Kirmazinskoi genaamd, waar wij rust hielden en dien dag niets van de Kalmuksche Tartaren vernamen. Twee uren voor den avond trokken wij weder op weg en reisden tot den volgenden morgen te acht ure, schoon niet zoo haastig als vroeger; en tegen zeven ure trokken wij een riviertje over, genaamd Kirtza, en kwamen aan eene goede, groote en zeer bevolkte stad, door Russen bewoond, genaamd Ozomoys. Hier hoorden wij, dat er in de woestijn verscheidene troepen of horden Kalmukken rondzwierven, maar dat wij thans buiten alle gevaar voor hen waren, hetgeen, gelijk men denken kan, zeer naar ons genoegen was. Hier waren wij verpligt andere paarden aan te schaffen, en daar wij rust hoog noodig hadden, bleven wij hier vijf dagen; en mijn compagnon en ik besloten den eerlijken Siberiër, die ons hierheen geleid had, de waarde van tien pistolen te geven voor zijn geleide.

Binnen vijf dagen kwamen wij te Venessima aan de rivier Witzogda, die in de Dwina uitloopt, en dus gelukkig nabij het einde van onze reis te land, daar die rivier tot Archangel bevaarbaar is. Vandaar kwamen wij den derden nabij de Lawrenskoi, waar deze rivieren zich vereenigen, en namen daar twee vrachtscheepjes en eene bark voor ons aan. Wij gingen den zevenden scheep en kwamen behouden te Archangel den achttienden, na een jaar, vijf maanden en drie dagen op reis te zijn geweest, daaronder begrepen ons verblijf van acht maanden te Tobolsk.

Wij waren verpligt hier zes weken op de aankomst van schepen te wachten, en zouden nog langer hebben moeten wachten, zoo niet een Hamburger eene maand vroeger dan eenig Engelsen schip binnengekomen was; na overwogen te hebben, dat Hamburg misschien eene even goede markt voor onze goederen als Londen zou opleveren, bevrachtten wij alleen hem, en na onze goederen aan boord gebragt te hebben, was het zeer natuurlijk, dat ik er mijn opzigter liet blijven om er het oog op te houden. Hierdoor had de jonge prins eene voldoende gelegenheid om zich verborgen te houden, terwijl hij zoo lang wij hier bleven niet aan wal kwam, daar hij vreesde in de stad gezien te worden door eenige kooplieden van Moscou, die hem zeker herkend zoude hebben.

Wij zeilden van Archangel den 2den Augustus, en liepen zonder eenig merkwaardig wedervaren den 13den September de Elbe op. Hier vonden mijn compagnon zoo wel als ik, eene zeer goede gelegenheid om onze goederen te verkoopen, zoowel die uit China als de pelterijen van Siberië, en na het bedrag van den verkoop gedeeld te hebben, beliep mijn aandeel drieduizend vierhonderd vijfenzeventig pond Sterling, zeventien schellingen, niettegenstaande de vele verliezen die wij geleden, en onkosten die wij hadden gemaakt. Ik moet echter aanmerken, dat hieronder begrepen was de waarde van ongeveer zeshonderd Pond St. aan diamanten, die ik te Bengalen gekocht had.

Hier nam de jonge prins afscheid van ons, en ging de Elbe op, om zich naar het hof van Weenen te begeven, waar hij besloot bescherming te zoeken, en vanwaar hij briefwisseling kon houden met de vrienden zijns vaders, die nog leefden. Hij scheidde niet van mij, zonder herhaalde betuigingen van zijne dankbaarheid voor de hem bewezen dienst, en voor de genegenheid, die ik zijn vader toedroeg.

Ten besluite. Nadat ik bijkans vier maanden in Hamburg vertoefd had, reisde ik vandaar te land naar den Haag, en stak vervolgens met de pakketboot over naar Engeland, en kwam te Londen den 10 Januarij 1705, na tien jaren en negen maanden van Engeland afwezig te zijn geweest.

En hier heb ik besloten mij niet meer af te slooven; maar mij voor te bereiden voor een langduriger reize dan deze allen; daar ik thans tweeënzeventig jaren oud ben geworden, in een leven vol eindelooze afwisseling, en thans voldoende de waarde van rust heb leeren waarderen, en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings