← Table of contents
Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

DANIËL DE FOE. (continued 2)

Reading edition

Men kan er op aan, dat de gouverneur en zijn makker, hierdoor verschrikt, dadelijk terugliepen en de overigen wekten, en hun verhaalden in welk groot gevaar zij verkeerden, doch het was hun onmogelijk stil te blijven waar zij waren, maar allen liepen naar buiten om te zien hoe de zaken stonden. Terwijl het duister was kon dit ook geen kwaad, en hadden zij gelegenheid genoeg hen gade te slaan bij het licht van drie vuren, die zij op eenigen afstand van elkander aangelegd hadden. Wat de wilden daar verrigtten, wisten zij niet, en wat zij zelve zouden doen, evenmin; want vooreerst waren er te veel vijanden, en ten tweede bleven zij niet bij elkander, maar waren in verschillende partijen verdeeld, die op onderscheidene plaatsen aan het strand waren.

De Spanjaarden werden door dit gezigt niet weinig verontrust, en daar zij zagen, dat de wilden gedurig langs het strand zwierven, zoo twijfelden zij niet of eenigen zouden ten laatste aan hunne woning of eenige andere plaats belanden, waar zij de sporen van bewoning zouden zien; en zij waren ook vol bekommering over hunne kudde geiten, daar zoo deze uiteengejaagd en vernield werd, het gebrek hun ten deel zouden vallen; dus besloten zij eerst, voor het licht werd, drie mannen af te zenden, namelijk twee Spanjaards en een Engelschman, om al de geiten naar het dal te te drijven waar de spelonk was, en ze des noods in de grot zelve te drijven.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Zoo zij al de wilden digt bijeen en op eenigen afstand van hunne kanoes zagen, besloten zij hen aan te vallen, al waren er ook honderd, maar dit gebeurde niet, want een troep van hen was wel een half uur van de andere verwijderd, en deze waren, gelijk naderhand bleek, van verschillende volkeren. Na lang beraadslaagd en zich het hoofd gebroken te hebben, over hetgeen hun te doen stond, kwamen zij eindelijk overeen, om, terwijl het nog duister was, den ouden wilde, Vrijdags vader, op verspieding te laten uitgaan, ten einde, zoo mogelijk, iets te vernemen, waarom zij kwamen, wat zij voornemens waren te doen, en wat dies meer is. De oude man begreep dit spoedig, en na zich geheel ontkleed te hebben, gelijk meest al de wilden waren, ging hij heen. Na verloop van een paar uur kwam hij terug, zeggende, dat hij, zonder ontdekt te worden, onder hen geweest was, dat er twee partijen waren en van verschillende natiën, die in oorlog geweest waren, en elkander een grooten slag in hun eigen land hadden geleverd, waarbij van weerszijden verscheidene gevangenen gemaakt waren. Nu waren zij toevallig op hetzelfde eiland gekomen om van hunne gevangenen een feestmaal te houden, maar dit zamentreffen op dezelfde plaats had al hunne vreugde vergald; zij waren zeer verwoed en zoo nabij elkander, dat zij elkander waarschijnlijk weder zouden bevechten, zoodra het dag werd. Hij had echter niet bemerkt, dat zij eenig vermoeden hadden, dat er buiten hen nog iemand op het eiland zich bevond. Naauwelijks had hij zijn verhaal geëindigd, of aan het ongewone rumoer konden zij hooren, dat de twee kleine legers weder in een bloedig gevecht waren.

Vrijdags vader gebruikte al zijne welsprekendheid om hen te overreden, dat zij zich verbergen zouden en niet laten zien. Hij zeide, dat dit het veiligste was, en dat zij niets behoefden te doen dan zich stil te houden; de wilden zouden elkander onderling ombrengen, en dan zouden de overblijvenden heengaan; gelijk ook werkelijk zoo gebeurde. Maar het was hem onmogelijk hen hiertoe over te halen, vooral de Engelschen; bij deze had de nieuwsgierigheid zoo ver de overhand boven de voorzigtigheid, dat zij volstrekt het gevecht moesten zien. Echter gebruikten zij toch de voorzorg van er niet openlijk heen te gaan, uit hunne woning, maar zij gingen dieper het bosch in en plaatsten zich zoo, dat zij veilig het gevecht konden aanzien, zonder, naar zij geloofden, gezien te kunnen worden; het schijnt echter, dat de wilden hen zagen, gelijk later blijken zal.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Het gevecht was zeer hevig, en als men de Engelschen gelooven mag, bemerkten zij, dat er eenige mannen onder waren van groote dapperheid, onwrikbaren moed en zeer bedreven in het bestieren van het gevecht. Het gevecht duurde twee uren, zeiden zij, voor zij konden gissen, welke partij het onderspit zou delven; maar toen begon de troep, die het digtst bij onze woning was, te verflaauwen, en na eene poos namen eenigen de vlugt. Dit verwekte weder groote bekommering bij ons volk, dat eenigen in het boschje zouden vlugten voor hunne woning, om zich daarin te verbergen, en hierdoor onwillekeurig de plaats ontdekken, en de vervolgers uit dien hoofde, als zij hen najoegen, insgelijks. Hierop besloten zij gewapend binnen den muur te blijven, en als er een het boschje indrong, dien zoo mogelijk te dooden, ten einde niemand zou terugkeeren om het bekend te maken. Zij gelastten ook dit te doen met de sabels of geweerkolven, en niet op hen te schieten, uit vrees dat het schot de aandacht mogt trekken der overigen.

Gelijk zij verwachtten, zoo gebeurde het; drie man van de verslagen troep namen de vlugt, staken de kreek over en liepen regt op hunne woning aan, om zich in het boschje te verbergen. De verspieder, die buiten stond, gaf hun hiervan kennis, tevens met het aangename berigt, dat de overwinnaars hen niet vervolgden, en niet gezien hadden waarheen zij gevlugt waren. Hierop wilde de Spaansche gouverneur, een zeer menschlievend man, niet toelaten, dat de drie vlugtelingen gedood werden, maar drie man achter den heuvel omzendende, gelastte hij hun hen achterop te gaan en gevangen te nemen, gelijk ook geschiedde. Het overschot der overwonnenen vlugtte naar hunne kanoes en stak in zee; de overwinnaars trokken terug en vervolgden hen weinig of niet, maar gingen bijeenstaan en hieven tweemaal een luid geschreeuw aan, waardoor zij naar het scheen victorie riepen, en hiermede was het gevecht geëindigd. Denzelfden dag, des namiddags te drie uren, begaven zij zich ook in hunne kanoes. Aldus zagen de Spanjaards hun eiland weder van hen bevrijd; hun angst was voorbij, en verscheidene jaren achtereen vernamen zij niets van de wilden.

Nadat allen vertrokken waren, kwamen de Spanjaarden uit hunnen schuilhoek, en de plaats van het gevecht overziende, vonden zij daar tweeëndertig dooden liggen, sommigen waren met groote, lange pijlen gedood, waarvan verscheiden nog in hun ligchaam staken, maar de meesten waren afgemaakt met die groote houten zwaarden, waarvan zij nog zestien of zeventien op de plek vonden, en even veel bogen en eene menigte pijlen. Deze zwaarden waren groote, onbehouwen dingen, en men moest zeer veel kracht hebben om ze te kunnen zwaaijen. De meesten hadden dan ook het hoofd verbrijzeld en verscheidene armen of beenen gebroken, zoodat het bleek, dat zij met de uiterste verwoedheid gevochten hadden. Al die zij vonden waren dood, want of zij blijven bij hunnen vijand tot zij hem geheel afgemaakt hebben, of zij nemen al hunne gekwetsten, als er nog eenig leven in is, mede.

Deze gebeurtenis bragt onze Engelschen voor eene poos tot bedaren, want het gezigt van het gevecht had hen met afschuw vervuld, en deszelfs uitslag scheen allen allerverschrikkelijkst, vooral bij de bedenking, dat zij den een of anderen tijd in handen dier wezens konden vallen, die hen niet alleen als vijanden zouden dooden, maar hen slagten om hen op te eten, gelijk wij het vee doen. En zij verklaarden mij, dat het denkbeeld, om als ossen- of schapenvleesch opgegeten te worden, schoon het te verwachten was dat dit ook eerst na hunnen dood zou plaats grijpen, hun zoo afschuwelijk voorkwam, dat zij er van walgden, en niet konden eten, als zij er slechts aan dachten, zoodat het verscheidene weken duurde eer zij weder tot zichzelven kwamen. Gelijk ik zeide, maakte dit zelfs de drie Engelschen eene geruime poos handelbaar; die al dien tijd zeer gezellig leefden en medewerkten; zij plantten, zaaiden, oogstten, en begonnen zich aan het leven aldaar te gewennen; maar eene poos daarna gedroegen zij zich weder zoo, dat zij niet weinig onrust verwekten.

Zij hadden, gelijk ik gezegd heb, drie gevangenen gemaakt, en daar dit jonge, sterke mannen waren, hadden zij hen tot dienstboden gemaakt, en lieten hen voor hen werken, hetgeen vrij wel ging. Zij behandelden hen echter niet, gelijk ik mijn Vrijdag, namelijk, dat zij hen eerst voorstelden hoe zij hun het leven gered hadden; en hen dan onderrigtten in de eerste beginselen der wijsheid en godsdienst, hen beschavende, en door zachte taal en goede behandeling aan zich verbindende; maar gelijk zij hun iederen dag voedsel gaven, zoo gaven zij hun ook iederen dag werk, en hielden hen daarmede genoeg bezig. Maar iets misten zij, namelijk, dat zij hen zouden bijstaan en voor hen hun leven wagen, gelijk mijn Vrijdag, die niet minder aan mij verknocht was, dan mijn vleesch aan mijn gebeente.

Doch om verder te gaan; daar nu allen goede vrienden waren (want het algemeene gevaar had hen schielijk verzoend), begonnen zij over hunne omstandigheden te beraadslagen. Het eerst wat hun voor den geest kwam was, dat daar zij zagen, dat de wilden bijzonder dat gedeelte van het eiland bezochten, en er op hetzelve meer afgelegene en verborgen plekken waren, die voor hunne manier van leven even geschikt waren, en zelfs blijkbaar voordeeliger gelegen, of zij niet liever van woning zouden veranderen, en eene andere plaats voor hunne plantaadje, en vooral ter bewaring van hun vee en graan, zouden kiezen. Na lange overwegingen besloten zij echter hunne woning niet te verplaatsen, omdat zij den een of anderen tijd nog iets van hunnen gouverneur verwachtten te hooren, waarmede zij mij bedoelden, en als ik iemand anders zou zenden om hen te zoeken, zou ik hem zeker dien kant aanduiden, en als deze daar de plaats vernield vond, zou hij besluiten, dat de wilden hen vermoord hadden, of dat zij vertrokken waren, en zoo zou hun onderstand hun niet toekomen. Zij besloten echter hun graan en vee in het dal te brengen, waarin mijne spelonk was, waar het land voor weiland en bouwen even geschikt, en naar het scheen in overvloed was. Bij nader overweging maakten zij in dit besluit echter eenige verandering, namelijk een deel van hunne kudde daarheen te voeren en een deel van hun graan daar te bouwen, en zoo een gedeelte te behouden, als het andere mogt vermeld worden. Aan eene daad van voorzigtigheid deden zij ook zeer verstandig, namelijk, dat zij de drie wilden, die zij gevangen hadden genomen, nimmer iets toevertrouwden van de plantaadje of het vee, dat zij in het dal nahielden, veel minder van de spelonk, die zij in geval van nood als eene veilige schuilplaats beschouwden, en waarheen zij ook de twee vaatjes buskruid bragten, die ik hun bij mijn vertrek toegezonden had.

Zij besloten hierom niet van woonplaats te veranderen, maar daar ik die zorgvuldig eerst met een muur en daarna door boomen verborgen had, en zij nu ten volle overtuigd waren, dat hunne veiligheid er geheel van afhing, dat niemand hen ontdekte, gingen zij aan het werk om die nog meer te bedekken. Terwijl ik op een afstand van den ingang van mijn verblijf boomen had geplant, of liever stekken, die thans tot boomen opgeschoten waren, zoo gingen zij op gelijke wijze te werk en vulden het overige van die plek aan tot aan de zijde van de kreek, waar ik mijne vlotten aan wal bragt, ja zelfs tot in de bedding, die met hoogwater onder liep, en lieten er geene landingplaats of eenig spoor, dat die er geweest was. Daar, gelijk ik vroeger zeide, deze stekken van zeer welig groeijend hout waren, en zij veel grooter en zwaarder dan ik kozen en ze zeer digt bijeen plaatsten, was het na drie of vier jaren zoo digt gegroeid, dat men op geringen afstand niets van de plantaadje zien kon. De door mij geplante boomen waren thans zoo dik, dat men ze niet met de hand omspannen kon, en daar tusschen hadden zij jong hout geplant, zoodat het een paalwerk was geworden, dat ondoordringbaar was, behalve voor een leger, sterk genoeg om het geheel te doen vallen. Het was zoo digt, dat een hond er niet door had kunnen dringen.

Doch dit was hun niet genoeg, zij deden hetzelfde rondom den geheelen heuvel, en lieten geen anderen uitgang open dan langs de ladder, die tegen den heuvel geplaatst, halverwege opgehaald en waarmede dan de top beklommen moest worden. Als dus de ladder weggehaald was, kon niemand bij hen komen, die niet vliegen of tooveren kon. Dit was zeer goed bedacht, en kwam hun naderhand zeer te pas; een bewijs voor mij, dat de Voorzienigheid der menschen raadslagen bestuurt, en zoo wij oplettender naar hare stem luisterden, houd ik mij overtuigd, dat wij vele ongevallen zouden voorkomen, waaraan onze achteloosheid ons thans blootstelt. Doch ik keer tot mijn verhaal terug.

Zij leefden vervolgens twee jaren volkomen rustig en zonder bezoek van wilden. Op een ochtend hadden zij echter een valsch alarm, dat hun grooten schrik aanjoeg; want eenige Spanjaarden, die vroeg in den morgen uitgegaan waren, aan de westzijde van het eiland, waar ik nimmer ging, uit vrees van ontdekt te worden, zagen met verbazing ongeveer twintig kanoes met Indianen, die op het strand aanhielden. Zij haastten zich naar huis om hunne makkers te waarschuwen, en bleven dien geheelen dag en den volgenden in huis, en gingen alleen des nachts op verkenning uit. Zij kwamen ditmaal echter met den schrik vrij; want waar de wilden ook gingen, zij landden niet op het eiland.

Daarna hadden zij weder oneenigheid met de drie Engelschen. Een dezer, een alleronrustigste kerel, werd woedend, omdat een van de drie slaven, die zij, gelijk ik verhaald heb, bezaten, iets niet goed deed, wat hij hem belastte, en deze welligt niet begreep. Hij haalde een bijl uit zijn gordel, die hij bij zich droeg en viel op den armen wilde aan, niet om hem te bestraffen, maar om hem dood te slaan. Een van de Spanjaards, die daar in de nabijheid was, en zag hoe hij den wilde een onmenschelijke houw met de bijl toebragt, die op het hoofd gemikt was, maar hem in den arm trof, zoodat hij meende dat zijn arm afgehouwen was, liep naar hem toe, verzocht hem den armen man niet te vermoorden, en trad tusschen hem en den wilde, om verdere mishandelingen te voorkomen. De kerel, hierdoor nog woedender geworden, deed eene houw naar den Spanjaard, en zwoer hem zoo wel als den wilde te zullen doodslaan. De Spanjaard ontweek den slag, en velde den aanvaller neder met eene spade, die hij in de hand had, want hij was op het veld aan het werk. Een ander Engelschman schoot zijn makker te hulp, en deed den Spanjaard nederstorten, en toen kwamen weder twee Spanjaarden hunnen landgenoot te hulp, terwijl de derde Engelschman hen aanviel. Zij hadden geen van allen geweren of andere wapens dan hunne gereedschappen bij zich, behalve de derde Engelschman, die eene oude roestige sabel droeg, waarmede hij de beide Spanjaarden wondde. Dit gevecht bragt de geheele bevolking op de been, en toen er meer hulp gekomen was namen zij de drie Engelschen gevangen. De eerste vraag was thans wat met hen te doen. Zij waren zoo dikwijls oproerig geweest, en zoo kwaadaardig, vermetel en tot leegloopen geneigd, dat zij niet wisten wat met hen te beginnen, want het was gevaarlijk met hen om te gaan, zij bekreunden er zich niet aan hoe zij iemand aanvielen, zoodat het niet veilig was met hen te leven.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

De Spanjaard gouverneur hield hun dit alles voor, en zeide ronduit, dat, zoo zij zijne landslieden waren, hij hen allen zou laten ophangen; want alle wetten en alle regeerders zijn tot de veiligheid der maatschappij, en degenen, die voor dezelve gevaarlijk zijn, behooren daaruit geweerd te worden; maar, daar zij Engelschen waren en zij aan de edelmoedigheid van een Engelschman allen hun tegenwoordig behoud en hunne bevrijding te danken hadden, wilde hij zoo zacht mogelijk jegens hen te werk gaan en hen aan het oordeel van de twee andere Engelschen, hunne landslieden, overlaten.

Een van de twee eerlijke Engelschen stond op en zeide, dat zij verzochten hiervan ontslagen te zijn. "Want," zeide hij, "naar mijne overtuiging zouden wij hen tot de galg moeten verwijzen." Hierop verhaalde hij hoe Willem Atkins, een van de drie, voorgeslagen had, dat al de vijf Engelschen zich vereenigen zouden, om al de Spanjaards in hunnen slaap om te brengen. Toen de Spaansche gouverneur dit hoorde, vroeg hij aan Atkins: "Hoe, sennor Atkins, zoudt gij ons allen willen vermoorden? Wat hebt gij daarop aan te merken?" De verharde schurk wel verre van het te ontkennen, zeide, dat het de waarheid was, en voegde er met afgrijsselijke vloeken bij, dat hij het nog doen zou, den een of ander tijd. "Maar sennor Atkins," vervolgde de Spanjaard, "wat hebben wij u gedaan, dat gij ons zoudt willen vermoorden? en wat zoudt gij winnen door ons te vermoorden? en wat moeten wij doen om u te beletten, dat gij ons vermoordt? Moeten wij u dooden of door u vermoord worden? Waarom wilt gij ons noodzaken een van beide te kiezen?" vervolgde de Spanjaard zeer bedaard en glimlagchende.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Sennor Atkins werd echter zoo woedend, dat de Spanjaard er nog mede spotte, dat men meende, dat zoo hij niet ongewapend geweest en door drie man vastgehouden was, hij beproefd zou hebben den Spanjaard in aller bijzijn te vermoorden. Dit uitsporig gedrag noodzaakte hen ernstig na te denken wat hun te doen stond. De twee Engelschen en de Spanjaard, die den armen slaaf gered hadden, waren van oordeel, dat zij een van de drie, tot een voorbeeld voor de overigen, moesten ophangen, met name hij, die tweemaal met zijne bijl een moord had willen begaan, en misschien er een begaan had, want de arme wilde was in zulk een gevaarlijken toestand, dat men niet dacht, dat hij er van zou opkomen.

Doch de Spaansche gouverneur zeide nogmaals neen. Een Engelschman had hun allen het leven gered, en nimmer zou hij er in toestemmen een Engelschman het leven te benemen, al had hij de helft van hen vermoord, ja, hij zeide, al werd hij zelf door een Engelschman vermoord, en hij kon nog slechts eenige woorden spreken, zouden deze zijn, dat men hem vergiffenis moest schenken. Hierop stond hij zoo bepaald, dat er niet tegen in te brengen viel, en gelijk een raad tot genade gewoonlijk de overhand behoudt als hij ernstig aangedrongen wordt, stemden zij allen er in toe. Maar nu moest men bedenken hoe men hen zou beletten hun voorgenomen misdadig opzet te volvoeren, want allen, ook de gouverneur, kwamen hierin overeen, dat zij voor gevaar van hunnen kant moesten beveiligd worden. Na eenige beraadslagingen kwam men overeen, eerstelijk, dat zij ontwapend en hun noch geweer noch sabel, kruid noch lood, noch eenig wapen toegestaan zou worden, en dat zij uit het gezelschap verjaagd zouden worden, en op zichzelven, waar en hoedanig zij konden, zouden leven; maar dat geen der overigen, hetzij Spanjaarden of Engelschen, met hen omgaan, hen toespreken, of iets met hen uitstaande zou hebben; dat het hun verboden zou worden binnen een zekeren afstand te komen van de plaats, waar de overigen woonden; en dat zoo zij eenige wanorde pleegden, als rooven, branden, of iets van de veldvruchten, gebouwen, heiningen of vee, vernielen of dooden mogten, zij zonder genade zouden sterven, en men hen zou doodschieten, waar men hen aantrof.

De gouverneur, een allermenschlievendst man, overdacht dit vonnis eene poos, en keerde zich daarop tot de twee eerlijke Engelschen, zeggende: "Gij moet echter bedenken, dat het lang duren zal eer zij zelf graan geoogst of vee gefokt hebben, en zij moeten niet van honger omkomen; wij moeten hun dus voorraad geven." Hij zorgde daarop, dat hun genoegzaam graan verstrekt werd voor acht maanden en om te zaaijen; binnen welken tijd zij eenig graan zelf konden telen; tevens zouden zij ontvangen zes melkgeiten, vier bokken en zes jonge geitjes, zoowel ter aanfokking als om van te leven; en men hun werktuigen geven om den veldarbeid te verrigten, en zes bijlen, een boor, een zaag en dergelijke; maar deze werktuigen zouden zij niet verkrijgen zonder vooraf plegtig te zweren, dat zij met dezelve geen der Spanjaarden of hunne landslieden eenig kwaad zouden doen.

Aldus werden zij uit de maatschappij gezet, om voor zichzelve te zorgen. Zij vertrokken norsch en met weerzin; want zij wilden noch blijven, noch heengaan, maar daar hier geen tusschenweg was, vertrokken zij, zeggende, dat zij eene plek gingen zoeken, waar zij op zichzelven konden wonen en werken; eenige levensmiddelen werden hun medegegeven, maar geen wapens.

Vier of vijf dagen later kwamen zij terug om eenige levensmiddelen te halen, en den gouverneur te zeggen waar zij hunne tenten opgeslagen en eene plek gronds afgestoken hadden om hutten te bouwen en eene plantaadje aan te leggen. Het was inderdaad eene zeer geschikte plek, aan het N. O. einde van het eiland, ongeveer op de plek, waar ik gelukkig belandde op mijne eerste reis, toen ik naar zee gedreven was, in mijne dwaze onderneming om het eiland rond te varen. Hier bouwden zij twee knappe hutten, in den smaak van mijne eerste woning, tegen de helling van een heuvel, waar eenige boomen reeds aan drie kanten stonden, zoodat de plek, door er eenige bij te planten, spoedig, zonder scherp nazoeken, niet meer te vinden zou zijn. Zij verzochten om eenige gedroogde geitenvellen om op te slapen en zich mede te dekken, die hun gegeven werden, en nadat zij beloofd hadden geen kwaad te doen aan de overigen of hunne plantaadjen, gaf men hun bijlen en ander gereedschap, zooveel men missen kon, eenige erwten, graan en rijst om te zaaijen, en kortom alles wat zij noodig hadden, behalve wapens en kruid en lood.

Aldus afgescheiden leefden zij ongeveer zes maanden, en hadden hunnen eersten oogst binnengehaald, schoon die weinig was, daar zij slechts een klein stuk gronds bebouwd hadden. Zij hadden ook, daar zij de geheele plantaadje eerst moesten aanleggen, volop werk, en toen zij planken en potten en dergelijke zouden maken, konden zij het in het geheel niet klaren, en toen het regensaizoen kwam, liep al hun graan gevaar van te verrotten, omdat zij geen kelder hadden, om het in droog te houden. Dit maakte hen wat gedweeër; dus kwamen zij de Spanjaards smeeken hen te helpen, hetgeen deze gewillig deden, en in vier dagen voor hen eene groote spelonk delfden, in de zijde van de heuvel, groot genoeg om hun koorn en andere goederen in te bewaren. Het was echter slechts een gebrekkige bergplaats, vergeleken bij mijn kelder, vooral zoo als die nu was, want de Spanjaarden hadden dien veel vergroot en er verscheidene nieuwe vertrekken bij gemaakt.

Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden, naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten.

Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag, schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats, waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was, het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot mijn verhaal terug.

De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam. Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien.

De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken, maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na te denken.

Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken; dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom, zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden, hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden.

Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards riepen hun achterna: Buen viago, en niemand dacht, dat hij hen ooit weder zou zien.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker wilden?"—"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en wapens."—"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de wereld is er, die ons anders dan goed zou doen."

Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag. Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd. Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren; zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien, maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt.

De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen, alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden, verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe meesters moesten strekken.

Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden, vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank, welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren, gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende, doch hierover nader.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik, drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan, en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren, Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was, want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiën.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken.

De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk. De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden.

Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen, doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden.

Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was, wat dat betreft, de beste vrouw van allen.

Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand, en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden. Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid, dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen, dat er drie dorpen op ontstaan waren.

Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren, die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen; maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en net.

Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het oog.

De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was, hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten volgen.

De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger, en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom, zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld doorgaat.

Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt.

Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land, ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden. Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden, stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg, dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen, en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren, hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen; waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren.

De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij hadden dus geen regt hen van het leven te berooven.

Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb, die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken, gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal, even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig gerust gesteld en weggevoerd.

Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis, waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg, en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de twee Engelschen gemaakt hadden.

Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven, was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden, en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen, die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt, zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten gebonden, voor 's hands liggen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was, ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan.

Zij waren niet ver gegaan of zij konden van een hoogen grond het legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven, alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten af te wachten wat er verder gebeuren zou.

Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten, dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken. De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar waren.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden. Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig schreeuwende en gillende op den grond.

De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende, stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was, onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben, zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen.

Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden, aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had, thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou, waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde, ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij geen woord konden verstaan van al wat hij zeide.

Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep, geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden. Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den voet des booms.

Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar, die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb, vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was.

Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang, dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht.

Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden, dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken. Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid, voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken.

Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel tevreden van hen ontslagen te zijn.

De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen, kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was), en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen staat gezet.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood was, hadden zij niemand om dit te bevestigen.

Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten, die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar geland waren.

Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen:

17 Spanjaarden. 5 Engelschen. 1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader. 3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn. 3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden.

Om deze te wapenen hadden zij:

11 geweren. 5 pistolen. 3 jagtgeweren. 5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige matrozen ontnomen waren. 2 sabels. 3 oude hellebaarden.

Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze vrouwen hadden bijlen ook.

De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard, tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen, die allen door eenige digte boomen beschermd werden.

Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen, die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals de laag.

Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte, ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst, terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan zijn piek en een bijl.

Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven; want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten.

Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden, als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van bloedverlies sterven.

De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins, gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor, maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog warm ben."—"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven zij wachten.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen, die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten.

Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen, en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te redden.

De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld.

De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben, besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op den grond, met het hoofd tusschen de handen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren, gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad, hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees, dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan, dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden. Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen. Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: Oa, oa, waremokoa! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij vertrekken wilden en nimmer terugkomen.

Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen eerst niet wisten, wat met hun te doen.

De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat, terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die te maken, en ander wapentuig hadden zij niet.

Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was, nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden.

Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot, deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk handelbaar.

Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak, en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden, terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij allen uitgeroeid zouden worden.

De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen, goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen, overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken.

Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte. Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij het gedaan, moeijelijk gevonden hebben.

Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet weder verraden wilden hebben.

Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren, want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven, vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij eerst den slag er van hadden.

Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen, scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen, zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden, gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden, bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het vlechtwerk voor hem gedaan hadden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur, die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur, die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam, zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang, die naar de binnenste tent voerde.

Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen, namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik reeds gezegd heb.

Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme, onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken, even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren, toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden; maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne komst aldaar.

Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben, en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde.

Veel heb ik met hen gesproken over hunne omstandigheden, toen zij onder de wilden leefden. Zij verhaalden mij rondborstig, dat zij geene bewijzen konden geven van hunne vlijt of vernuft aldaar; dat zij daar eene handvol arme, ongelukkige, neerslagtige lieden waren, dat zoo zij hulpmiddelen bij de hand gehad hadden, zij toch zoo aan de wanhoop overgegeven waren, en zoo verplet door hunne ongelukken, dat zij aan niets dan aan den dood zouden gedacht hebben. Een hunner, een ernstig en zeer verstandig man, zeide, dat hij overtuigd was, dat zij ongelijk hadden; dat het geen mensch paste zich door het ongeluk geheel te laten ter nederslaan, maar dat men altijd dien bijstand moest trachten te verwerven, die ons verstand ons zoo wel voor het oogenblik als voor het vervolg aanbiedt. Hij zeide mij, dat neerslagtigheid de onverstandigste eigenschap is, die er ter wereld bestaat, want dat deze alleen op het verledene ziet, dat gewoonlijk onmogelijk herdaan of herroepen kan worden; maar geen oog op de toekomst vestigt, en zich niet toelegt op iets wat tot redding kan strekken, maar het ongeluk veeleer verzwaart dan herstelt; waarbij hij een Spaansch spreekwoord aanvoerde, dat, schoon ik het niet letterlijk mededeelen kan, zoo veel beteekende als: "treurigheid in het ongeluk verdubbelt het ongeluk." Vervolgens putte hij zich uit in loftuitingen over al de kleine verbeteringen, die ik in mijne eenzaamheid had tot stand gebragt, en hoe ik een toestand, die in den beginne op zichzelve veel erger dan de hunne was, duizendmaal gelukkiger gemaakt had dan de hunne was, zelfs nu zij allen bij elkander waren. Hij zeide, het was opmerkelijk, dat Engelschen in het ongeluk meer tegenwoordigheid van geest aan den dag leggen dan eenige andere natie, die hij ooit ontmoet had; dat hunne landgenooten en de Portugezen het minst geschikt waren om met tegenspoeden te worstelen; want dat in gevaren, na de eerste mislukte pogingen, zij dadelijk het hoofd in den schoot legden en zich aan de wanhoop overgaven, zonder meer om redding te denken.

Ik zeide hem, dat hun geval en het mijne aanmerkelijk verschilde; dat zij schipbreuk hadden geleden zonder eenige noodwendigheden of voedsel, of hoop op hun onderhoud te hebben. Wel is waar had ik het treurige ongeval van geheel alleen te zijn, maar de toevoer, dien de Voorzienigheid mij zoo onverwacht beschikt had, door het op het strand drijven van het schip, was zulk een hulp, dat het iedereen even als mij tot verdere inspanningen had moeten aansporen. "Sennor," zeide de Spanjaard, "zoo wij, arme Spanjaarden, in uw geval geweest waren, zouden wij nimmer half zooveel uit het schip gehaald hebben als gij; wij zouden nimmer een vlot hebben kunnen zamenstellen, of het zonder zeil of riemen naar den wal gekregen hebben; en hoeveel minder zouden wij dit gedaan hebben," vervolgde hij, "als een onzer alleen geweest was!"—Ik verzocht hem daarop zijne pligtplegingen te staken en het verhaal van hunne komst aan wal, waar zij landden, te vervolgen. Hij verhaalde mij, dat zij ongelukkig op eene plaats landden, waar het volk zelf geen voorraad had; terwijl, zoo zij zoo verstandig geweest waren van weder in zee te gaan en naar een ander eiland, een weinig verder af, over te steken, zij levensmiddelen, schoon geene bewoners, zouden gevonden hebben, gelijk men hun verhaald had. Spanjaarden uit Trinidad waren daar namelijk dikwijls geweest, en hadden er verscheiden malen geiten en varkens op gezet, die zich daar ontzettend vermenigvuldigd hadden, en waar zoo veel schildpadden en zeevogels waren, dat zij althans geen gebrek aan vleesch zouden gehad hebben, al hadden zij geen brood gevonden; terwijl zij thans alleen van eenige wortelen en kruiden moesten leven, die zij niet kenden en die hun geene krachten gaven, en waarvan de inwoners hun slechts weinig gaven; en deze konden hen niet meer geven, of zij moesten kannibalen worden en menschenvleesch eten, dat de grootste lekkernij van hun land was.

Zij verhaalden mij hoe menigmaal zij getracht hadden de wilden, waaronder zij woonden, te beschaven, en hen betere gewoonten in het dagelijksch leven te leeren; doch te vergeefs; en hoe deze er over gebelgd waren en het onregtvaardig oordeelden, dat zij die daar om hulp en leeftogt kwamen smeeken, zich tot leermeesters wilden opwerpen van degenen, die hun brood gaven; waarmede zij, naar het scheen, hun wilden te kennen geven, dat niemand zich tot een anders leermeester moest opwerpen, als hij niet zonder hem leven kon. Een droevig tafereel hingen zij voor mij op van den nood, dien zij geleden hadden; hoe zij somtijds verscheidene dagen zonder eenig voedsel waren; daar de bewoners van dat eiland allertraagste wezens waren, en uit dien hoofde minder van levensmiddelen voorzien dan zij meenden dat anderen in dat deel der wereld waren, en toch vonden zij deze wilden minder roof- en vraatziek dan anderen, die meer voedsel hadden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings