← Table of contents
Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

DANIËL DE FOE. (continued 3)

Reading edition

Zij voegden er bij, dat zij in hun geval op nieuw de blijken hadden gezien van Gods goedertierene Voorzienigheid, want zoo zij, door hunne ontberingen en de onvruchtbaarheid van het land gedrongen, naar een ander eiland de wijk hadden genomen, zou de hulp, die hun door mij beschikt was, hen niet bereikt hebben. Zij verhaalden mij vervolgens hoe de wilden, waar onder zij woonden, verlangd hadden, dat zij met hen ten oorlog zouden trekken. En het is waar, dat daar zij geweren hadden, zoo hun kruid en lood niet ongelukkig verloren was gegaan, zij hunne vrienden niet alleen veel dienst bewezen, maar zich ook bij vriend en vijand geducht gemaakt zouden hebben. Maar zonder kruid, en terwijl zij toch billijkerwijs hunne gastheeren niet konden weigeren, mede te veld te trekken, waren zij er op het slagveld erger aan toe dan de wilden, want zij hadden bogen noch pijlen, en konden die, welke de wilden hun gaven, niet hanteren; dus konden zij slechts stilstaan en pijlen op zich laten afschieten, tot zij den vijand bereiken konden, en dan waren de drie hellebaarden, die zij hadden, hun van veel dienst, en dikwijls dreven zij een geheel leger op de vlugt met deze hellebaarden, en scherpe stokken, die zij in den loop hunner geweren staken. Dit belette echter niet, dat zij soms door een overgroot aantal omringd werden en in groot gevaar voor hunne pijlen waren; tot zij eindelijk bedachten groote houten schilden te maken, die zij met dierenhuiden overtrokken, en deze beschermden hen voor de pijlen der wilden. Desniettemin kwamen zij soms in groot gevaar, en eens was dan vijf hunner door de houten knuppels der wilden nedergeveld, hetwelk op dat tijdstip was, dat een hunner gevangen werd genomen, namelijk de Spanjaard, dien ik verloste, en welke zij eerst dachten, dat gesneuveld was, maar toen zij naderhand hoorden, dat hij gevangen was, waren zij er allerbitterst bedroefd over, en hadden gaarne allen hun leven op het spel gezet om hem te verlossen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Zij verhaalden mij, dat toen de vijf zoo ter aarde stortten, hunne overige makkers hen ontzetten, en om hen heen staande, bleven vechten tot allen bijgekomen waren, behalve de een, die men dacht dat dood was; en toen sloegen zij, digt aaneengesloten, zich door een troep van meer dan duizend wilden heen, dreven alles voor zich uit wat hen in den weg kwam, en behaalden de overwinning, doch tot hun groot verdriet, omdat die gekocht was met het verlies van hunnen vriend, welke de anderen, die nog leven in hem vonden, medevoerden, met eenige wilden, gelijk ik vroeger verhaald heb.

Aandoenlijk was hunne beschrijving van de vreugde, die zij smaakten bij de terugkomst van hunnen vriend en deelgenoot in hun lijden, dien zij door wilde dieren van de ergste soort, namelijk door kannibalen, verslonden waanden, en hoe zij nog meer verrast werden door zijne mededeeling van het doel zijner komst, en dat er een Christen op een eiland in de nabijheid woonde, niet alleen, maar ook een, die in staat en menschlievend genoeg was om tot hunne bevrijding mede te werken. Vervolgens beschreven zij hoe verbaasd zij stonden, toen zij den voorraad zagen, dien ik hun toegezonden had, en vooral de stukken brood, dat zij sedert hunne komst op die rampzalige plaats niet gezien hadden; hoe dikwijls zij het kruisten en zegenden, als eene gave des Hemels, en hoe het hun aller moed opbeurde, toen zij het proefden; even als het overige, dat ik hun gezonden had. En vervolgens verhaalden zij mij van hunne vreugde bij het zien van eene boot en van een loods, om hen te brengen naar den persoon en de plaats, vanwaar die giften kwamen; doch dit, zeiden zij, konden zij met geene woorden uitdrukken, want hunne bovenmatige vreugde dreef hun tot buitensporige blijken daarvan aan, waarvan zij alleen konden vermelden, dat zij gevaar hadden geloopen van hun verstand er bij te verliezen, daar zij niet wisten hoe zij hunne vreugde lucht zouden geven. Bij de eene openbaarde zich dat op deze, bij de ander op gene wijze; sommigen barstten in hunne eerste verrukking in tranen uit, anderen waren half zinneloos en anderen vielen in zwijm. Dit verhaal trof mij uitermate en herinnerde mij Vrijdags verrukking, toen hij zijnen vader terug vond, en de buitensporigheden van het arme scheepsvolk, dat ik op zee opnam, toen hun schip in brand stond; de vreugde van den kapitein, toen hij zich bevrijd zag op de plaats, waar hij dacht te sterven, en mijne eigene blijdschap, toen ik na eene achtentwintigjarige gevangenschap een goed schip gereed zag, om mij naar mijn vaderland te voeren. Al deze zaken maakten het verhaal van deze arme lieden voor mij te treffender.

Na aldus den staat van zaken, zoo als ik die vond, medegedeeld te hebben, moet ik vermelden wat ik voor deze lieden deed, en hoe ik hen achter liet. Zij waren met mij van gevoelen, dat zij niet meer door de wilden verontrust zouden worden, of dat, als het gebeurde, zij hen zouden afslaan, al waren zij ook tweemaal zoo sterk als vroeger; dus baarde hun dit geen zorg. Daarop had ik een ernstig onderhoud met den Spaanschen gouverneur over hun verder verblijf op het eiland, want daar ik niet gekomen was om eenigen hunner af te halen, zou het onregtvaardig geweest zijn sommigen mede te nemen en anderen achter te laten, die tot dit laatste misschien ongenegen zouden zijn als hunne magt verminderd werd. Aan den anderen kant zeide ik hem, dat ik gekomen was niet om hen vandaar te voeren, maar om hen daar te vestigen, en dat ik een aantal goederen van allerlei aard voor hen medegebragt had, en geen geld ontzien om hun zoo wel van het noodige als wat tot hun gemak dienen kon, te voorzien, en dat ik deze en die lieden bij mij had, zoo wel om hun aantal te vermeerderen, als om de beroepen, waartoe zij opgeleid waren, en waardoor zij hun konden bijstaan in die dingen, die hun thans moeijelijk vielen. Zij waren allen bijeen, toen ik hun aldus toesprak, en alvorens ik hun de medegebragte goederen overgaf, vroeg ik hun een voor een af of zij geheel en al hunne vroegere vijandelijkheden vergeten en uitgedelgd hadden, en elkander de hand wilden geven en strikte vriendschap zweren, zoo dat er noch oneenigheid, noch naijver tusschen hen heerschte.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Willem Atkins zeide met veel openhartigheid en opgeruimdheid, dat zij genoeg tegenspoeden hadden geleden om hen allen bezadigd, en genoeg vijanden aangetroffen om hen allen tot vrienden te maken; dat hij, wat hem betreft, met hen wilde leven en sterven, en wel verre van eenigen wrok tegen de Spanjaarden te hebben, bekennen moest, dat zij hem alleen behandeld hadden, gelijk zijn kwaad karakter hem noodzaakte, en hij zelf in hun geval zou gedaan hebben, zoo al niet meer; en hij wilde hen om verschooning vragen, als zij het verlangden, voor zijne dwaze en onbescheiden handelwijze jegens hen; en zeer gaarne met hen in de beste vriendschap en eendragt leven, en alles doen wat hij kon, om hen hiervan te overtuigen. Het was hem wijders onverschillig of hij in de eerste twintig jaren naar Engeland ging of niet.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

De Spanjaarden zeiden, dat zij wel eerst Willem Atkins en zijne makkers om hun wangedrag ontwapend en verjaagd hadden, gelijk zij mij verhaald hadden, en mij zelf lieten oordeelen of dit niet noodig geweest was. Maar Willem Atkins had zich in het gevecht met de wilden en later meermalen zoo goed gedragen en zoo voor het algemeen welzijn zich in de bres gesteld, dat zij al het verledene vergeten hadden, en hem met wapens en andere noodwendigheden voorzien, gelijk ieder ander, en hem hun vertrouwen getoond, door hem onder den gouverneur het bevel op te dragen. Niet alleen stelden zij thans een volkomen vertrouwen in hem en zijne landslieden, maar zij erkenden ook, dat deze dat vertrouwen op allerlei wijzen getoond hadden te verdienen. Eene allerhartelijkste omhelzing bevestigde van weerszijden deze verklaringen.

Na deze openhartige vriendschapsbetuigingen besloten wij allen den volgenden dag een vriendschappelijken maaltijd te houden. Ik liet daartoe den kok en zijn maat van boord halen, en de gewezen koksmaat hielp hen. Wij bragten zes stukken ossenvleesch en vier zijden spek van het schip, met onze punschkom en wat er vereischt werd om die te vullen; en bovendien gaf ik hun tien flesschen rooden wijn en tien flesschen Engelsch bier; hetgeen noch de Spanjaards, noch de Engelschen vele jaren geproefd hadden, en hun dus uiterst aangenaam was. De Spanjaarden voegden daarbij vijf geiten, die de kok braadde, en waarvan ik drie naar boord zond aan de matrozen, ten einde deze zich aan versch vleesch konden vergasten, gelijk wij aan gezouten deden.

Na den maaltijd waren wij onschuldig vrolijk; ik haalde mijne goederen te voorschijn, en wees hun, om allen twist te vermijden, dat er voor allen genoeg was, en verlangde, dat zij ieder evenveel zouden hebben, namelijk als het tot kleedingstukken gemaakt was. Eerst deelde ik genoeg linnen uit, dat ieder vier hemden had, en op het verzoek der Spanjaarden vermeerderde ik dit tot zes. Deze waren hun uiterst aangenaam, want zij hadden sedert lang vergeten wat het was een hemd te dragen. Ik bepaalde, dat ieder zooveel dun laken zou hebben als voor een kiel genoeg was, dat de beste dragt in dit klimaat was, als zijnde ruim en luchtig. Ik zeide, dat als zij versleten waren, zij uit den voorraad nieuwe konden maken, en even zoo met de schoenen, kousen, hoeden, enz.

Ik kan niet zeggen hoeveel genoegen op het gelaat dezer arme lieden te lezen stond, toen zij zagen hoe ik voor hen gezorgd had. Zij zeiden, dat ik een vader voor hen was, en dat met een correspondent als ik, zij zich niet vergeten geloofden in dezen afgelegen hoek der wereld. En allen beloofden mij vrijwillig de plaats niet zonder mijne toestemming te verlaten.

Daarop stelde ik hun de lieden voor, die ik medegebragt had, zoo als den kleedermaker, den smid en de twee timmerlieden; maar bovenal mijn duizendkunstenaar, wien zij niets konden noemen daar hij tegen opzag. De kleedermaker ging, om zijne gewilligheid te toonen, dadelijk aan het werk om voor ieder een hemd te maken, en leerde de vrouwen daarbij met de naald omgaan, en deed zich door haar helpen. Dat de timmerlieden nuttig waren, behoef ik ook niet te zeggen; zij namen dadelijk al het lompe onhandige huisraad onderhanden, en maakten knappe tafels, stoelen, bedsteden, kasten, planken, en al wat zij van dien aard noodig hadden.

Maar eerst wilde ik hen laten zien hoe knappe kunstenaars uit zichzelve iets kunnen doen, en nam hen mede naar Willem Atkins manden huis, gelijk ik het noemde; en beiden verzekerden nimmer zulk een vernuftig werkstuk gezien te hebben, noch iets wat in zijne soort zoo regelmatig en knap gebouwd was. Een hunner, na er lang op gestaard te hebben, zeide tot mij: "Gij kunt er op aan, dat die man ons niet noodig heeft; gij behoeft hem slechts gereedschap te geven."

Vervolgens bragt ik al mijne gereedschappen aan wal, en gaf iedereen een spade, een schop en een hark, want wij hadden geene eggen of ploegen; en voor iedere plantaadje een houweel, een breekijzer en een dissel; met bepaling, dat als een daarvan brak of versleten was, deze dadelijk zonder misnoegen uit den algemeenen voorraad aangevuld moest worden. Spijkers, krammen, hengsels, hamers, beitels, messen, scharen en allerlei gereedschappen en ijzerwerk ontving ieder ongeteld zooveel hij noodig had, want niemand verlangde meer dan hij gebruiken kon. Voor den smid liet ik twee ton onbewerkt ijzer achter.

Mijn voorraad van kruid en wapens, dien ik hun medebragt, was zoo groot, dat zij er verrukt van stonden; want nu konden zij, gelijk ik gewoon was, met een geweer op ieder schouder uitgaan, en wel duizend wilden het hoofd bieden, zoo zij slechts eene niet onvoordeelige standplaats kozen, gelijk zij altijd gemakkelijk doen konden.

Ik had den jongeling mede naar den wal genomen, wiens moeder van honger gestorven was, en ook de dienstmaagd. Deze laatste was een zedig, welopgevoed, godsdienstig meisje, dat zich zoo innemend gedroeg, dat iedereen haar gaarne lijden mogt. Zij leidde onder ons een onaangenaam leven, daar zij de eenigste vrouw aan boord was, maar droeg dit met geduld. Na eenigen tijd, toen zij alles op mijn eiland zoo goed geordend en bloeijend zag, en bedacht, dat zij in Oost-Indië niets te verrigten en geene bekenden hadden, kwamen beide mij verlof vragen op het eiland te blijven bij mijn huisgezin, gelijk zij het noemden. Ik stemde gereedelijk hierin toe, en hun werd een stuk lands aangewezen, waar drie huizen of tenten opgeslagen werden met vlechtwerk, gelijk die van Atkins verschanst, en aan zijne plantaadje grenzende. Deze tenten waren zoo ingerigt, dat aan weerszijden een slaapvertrek was, en in het midden eene groote kamer of schuur om hunne goederen in te bewaren en te eten en te drinken. En daar de twee andere Engelschen hunne woning naar dezelfde plaats verlegden, zoo bleven er slechts drie kolonies op het eiland, en niet meer; namelijk die van de Spanjaards met den ouden Vrijdag en hunne drie slaven, in mijne oude woning aan den heuvel, dat inderdaad eene uitmuntende stad was, welker vestingwerken zij zoo wel aan de binnen- als buitenzijde der heuvels uitgebreid hadden, zoodat zij zoo wel veilig als in de ruimte woonden. Nimmer zag men zulk een stadje in een bosch, of ergens ter wereld, geloof ik, zoo verborgen. Duizend man hadden het eiland eene maand lang kunnen doorzoeken, en zoo zij niet geweten hadden, dat het bestond, zouden zij het niet gevonden hebben, want de boomen stonden zoo digt opeen, en waren zoo door elkander gegroeid, dat men ze eerst moest vellen om de plaats te naderen, behalve door twee naauwe ingangen, die niet gemakkelijk te ontdekken waren; de een kwam vlak aan het water uit, wel tweehonderd schreden van de plaats, en de ander was de reeds beschreven ladder, en de plaats, waar deze uitkwam, was ook digt met hout begroeid.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

De tweede kolonie, die van Atkins, bestond uit vier Engelschen, die ik daar vroeger achtergelaten had, met hunne vrouwen en kinderen; drie slaven, de weduwe en kinderen van den gedooden Engelschman, de jongeling en de kamenier, die wij ook voor ons vertrek uittrouwden. Daar woonden ook de twee timmerlieden, de kleedermaker en de smid, die vooral zeer nuttig was voor hunne geweren, en mijn duizendkunstenaar, die alleen zoo veel kon als twintig man, en iedereen door zijne grappen opbeurde. Wij trouwden hem uit aan de kamenier, die met den jongeling met ons aan wal gegaan was. Dit trouwen brengt mij natuurlijk op den Franschen geestelijke, dien ik van het brandende schip verlost had. De man was zeker Roomschgezind, en in de oogen van sommigen zal het vreemd zijn, dat ik met zoo veel lof van hem gewaag. Maar om hem regt te laten wedervaren, moet ik zeggen, dat hij een ernstig, bedaard, vroom en godsdienstig man was, onberispelijk van zeden, liefderijk van aard en een voorbeeld in al wat hij deed. Wie kan mij laken, dat ik de waarde besef van zulk een man, onverschillig of zijn geloof al dan niet het mijne was.

Het eerste gesprek, dat ik met hem had, nadat wij bepaald hadden, dat hij mede naar Oost-Indië zou gaan, was mij uiterst aangenaam. "Mijnheer," zeide hij, "gij hebt niet alleen naast God mij het leven gered, maar mij toegestaan deze reis met u te doen; mijn gewaad toont u mijn geloof, en aan uwe natie kan ik het uwe gissen. Ik mag het als mijn pligt beschouwen, gelijk het ongetwijfeld is, te allen tijde mijn uiterste best te doen, alle zielen tot de kennis der waarheid en de aanneming van het Roomsche geloof over te halen; maar daar ik hier met uwe toestemming, en als het ware in uw huisgezin mij bevind, eischt zoo wel de kieschheid als de billijkheid, dat ik mij naar uw verlangen schik, en ik zal derhalve niet zonder uwe toestemming over godsdienstpunten spreken, waarin wij niet overeenstemmen."

Ik antwoordde, dat ik getroffen was over de kieschheid van zijn gedrag; dat wij, wel is waar, tot degenen behoorden, die men elders Ketter noemt, maar dat hij niet de eerste Katholijke priester was, met wien ik vriendschappelijk verkeerd had, en zonder dat onze verschillende meeningen kwaad bloed zetten. Ik verzekerde hem, dat hij niet minder zou behandeld worden om dat zijn geloof van het mijne verschilde, en dat zoo er uit dien hoofde ongenoegen tusschen ons rees, het mijne schuld niet zijn zou.

Hij zeide, dat zijns inziens niets gemakkelijker was dan te spreken zonder te twisten, en hij niet met ieder, dien hij aantrof, over geloofspunten behoefde te twisten, en liever als een welopgevoed man met mij wilde verkeeren. Wilde ik later met hem over zaken van godsdienst spreken, dit zou hem aangenaam zijn, maar dan moest ik hem vrij laten zijne meeningen te verdedigen zoo goed hij kon, doch zonder mijne toestemming zou dit niet gebeuren. Hij zeide verder, dat hij daarom niet nalaten zou alles te doen wat zijn pligt als priester en Christen van hem eischte, ten beste van het schip en scheepsvolk; en schoon wij misschien niet in zijn gebed konde instemmen, hoopte hij toch voor ons te bidden.—Aldus spraken wij veel, en hij was niet alleen een man van een allerbeschaafdst gedrag, maar ook van gezond verstand, en ik geloof ook zeer geleerd.

Hij gaf mij een zeer belangrijk verhaal van zijn leven, gedurende de weinige jaren, dat hij in de wereld rondzwierf, vooral was het merkwaardig, dat hij op zijne tegenwoordige reis vijf malen van schip en bestemming veranderd was. Eerst was hij te St. Malo op een schip, naar Martinique bestemd, gegaan, doch toen zij door storm Lissabon moesten inloopen, hadden zij bij het opzeilen van de Taag gestooten, en moeten lossen. Hij vond een schip zeilree liggen naar Madera, waar hij aan boord ging, denkende ligtelijk een schip naar Martinique te zullen ontmoeten, maar de Portugesche kapitein, die een bedroefd zeeman was, geraakte zijn bestek kwijt en belandde te Fial, waar hij echter zijne lading zeer goed afzette, en dus besloot niet naar Madera te gaan, maar zout op het eiland Mai in te laden, en vandaar naar Newfoundland te verzeilen. Hij was genoodzaakt mede te gaan, en had eene vrij gunstige reis tot aan de banken, waar hij een Fransch schip ontmoette, dat naar Quebec en vandaar naar Martinique bestemd was; hiermede dacht hij zijne bestemming te bereiken, maar de kapitein stierf en het schip bleef daar. Daarop ging hij naar Frankrijk scheep in het schip, dat verbrandde, en ging toen bij ons aan boord om mede naar Oost-Indië te gaan. Aldus had hij vijf mislukte reizen gedaan op slechts eene reis als het ware.

Doch ik wil niet uitweiden over andere lotgevallen, die niet tot de mijne betrekking hebben, en keer tot ons eiland terug. Hij vertoefde al dien tijd op het eiland onder ons, en kwam op een morgen bij mij, juist toen ik de kolonie der Engelschen, die het verst af lag, wilde bezoeken. Hij zeide mij met een zeer ernstig gelaat, dat hij twee of drie dagen lang eene gelegenheid gezocht had tot een onderhoud met mij, hetwelk hij hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn, omdat het, naar zijne meening, eenigzins met mijn oogmerk strooken zou, namelijk den voorspoed van mijne kolonie, en om op deze, misschien meer dan thans, Gods zegen verwerven.

Ik was door dit laatste eenigzins verrast, en zeide levendig: "Hoe, mijnheer, denkt gij dat Gods zegen niet op ons rust, na zulken bijstand en wonderbare redding, als ik u gisteren breedvoerig verhaald heb?"—"Zoo gij de goedheid gehad hadt, mijnheer, mij te laten uitspreken," zeide hij zeer zachtaardig en toch zeer levendig, "zoudt gij niet misnoegd op mij geweest zijn, althans mij niet verdacht hebben, dat ik niet geloofde, dat God u beschermd had. Ik vertrouw ook, dat Gods zegen op u rust; want uwe oogmerken zijn nuttig en heilzaam. Maar," vervolgde hij, "al waren zij dit nog meer dan u zelfs mogelijk is, zoo kunnen er toch eenigen onder u zijn, die niet even regtvaardig handelen, en gij weet uit de geschiedenis der kinderen Israëls, dat de zonde van Achan de goddelijke straf op zesendertig anderen deed nederdalen, en Gods toorn tegen hen verwekte."

Ik werd hierdoor zeer getroffen, en zeide hem, dat zijne bedoelingen mij zoo welgemeend toeschenen, dat het mij speet, dat ik hem gestoord had, en hem verzocht voort te gaan. Tevens zeide ik hem, dat ik naar de plantaadje der Engelschen wilde gaan, en verzocht hem mede te wandelen, en mij onder weg mede te deelen wat hij te zeggen had. Hij zeide mij, dat hij mij gaarne wilde vergezellen, omdat hij mij juist over dezen wilde spreken. Dus wandelden wij voort, en ik verzocht hem rondborstig en openhartig met mij te spreken.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "laat mij u eerst eenige grondstellingen openleggen, als beginselen, waarop hetgeen berust, wat ik u zeggen wilde, ten einde daaromtrent geen verschil te hebben, schoon vrij in de beoefening van sommige bijzonderheden mogten verschillen. Eerstelijk, mijnheer, schoon vrij in sommige punten van godsdienst verschillen, en dit vooral in dit geval, gelijk ik u nader aantoonen zal, zeer ongelukkig is, zijn er echter eenige punten waaromtrent wij overeenstemmen. In de eerste plaats gelooven wij beide, dat er een God is, en dat deze ons eenige vaste regelen, om hem te dienen en te gehoorzamen, gegeven heeft, en dat wij die niet opzettelijk mogen overtreden, hetzij door zijne geboden te veronachtzamen of te doen wat deze verbieden. En hoedanig ook ons geloof moge zijn, gereedelijk erkennen wij allen, dat Gods zegen gewoonlijk niet volgt op eene opzettelijke overtreding zijner geboden, en ieder goed Christen zal ijverig trachten anderen te beletten, die onder zijne hoede zijn, dat zij God en zijne geboden geheel veronachtzamen. Dat uwe landslieden Protestanten zijn, ontslaat mij niet van de bezorgdheid voor hunne ziel, en van mijn pligt, om te trachten, als het mij mogelijk is, dat zij hunnen Schepper zoo min beleedigen als mogelijk; vooral als gij mij toestaat mij in deze zaken te mengen."

Ik begreep zijne bedoeling nog niet, maar stemde alles toe wat hij gezegd had, en dankte hem voor zijne zorg voor ons welzijn, en verzocht hem mij zijne meening nader uiteen te zetten.

"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "ik zal van uw verlof gebruik maken, en er zijn drie dingen, die, als ik wel heb, Gods zegen op uwe pogingen moeten beletten, en die ik om uwent en hunnent wil gaarne uit den weg geruimd zou zien. En ik vertrouw, dat gij met mij zult instemmen als ik ze u opnoem, vooral als ik u aantoon, dat zij gemakkelijk en naar uw genoegen hersteld kunnen worden. Eerstelijk hebt gij hier vier Engelschen, die onder de wilden vrouwen genomen hebben, en ieder verscheidene kinderen hebben, zonder aan haar gehuwd te zijn, op eenigerlei wijze, gelijk Goddelijke en menschelijke wetten vereischen, en die derhalve voor beide in overspel leven. Gij zult hiertegen aanvoeren, dat er geenerlei geestelijke was om de plegtigheid te volbrengen, noch zelfs pen, inkt of papier, om eene trouwbelofte of huwelijkscontract aan te gaan of te teekenen. En ik weet ook wat u de Spaansche gouverneur verhaald heeft, namelijk van de verbindtenis tusschen hen, dat ieder zijne eigene vrouw zou houden. Dit is echter geheel geen huwelijk, geen overeenkomst tusschen hen en hunne vrouwen, maar alleen eene onderlinge verbindtenis om twisten te voorkomen. Maar de hoofdzaak van het huwelijk bestaat niet alleen in de onderlinge toestemming van beide partijen, om elkander tot man en vrouw te nemen, maar in de plegtige en wettige verbindtenis, die man en vrouw verpligt elkander te allen tijde als zoodanig te erkennen, de mannen verbiedt met eenige andere vrouw eene verbindtenis aan te gaan, zoo lang deze leeft, en gelast bij alle gelegenheid voor haar en hare kinderen te zorgen; en de vrouwen dezelfde of soortgelijke pligten oplegt."

"Maar nu, mijnheer, kunnen deze mannen, als zij goedvinden, of de gelegenheid zich opdoet, deze vrouwen verlaten, hunne kinderen verzaken, aan het gebrek ten prooi geven, en andere vrouwen ten huwelijk nemen, terwijl deze nog leven." En met eenige warmte vervolgde hij: "Hoe, mijnheer, wordt God door deze ongeoorloofde losbandigheid geëerd? En hoe zal zijn zegen op uwe ondernemingen alhier nederdalen, hoe goed die op zich zelve, en hoe welgemeend uwe oogmerken zijn, terwijl deze lieden, die thans uwe onderdanen zijn, en onder uwe volstrekte heerschappij staan, met uw goedvinden, in openlijk overspel leven?"

Ik moet bekennen, dat de zaak zelf mij trof, maar nog veel meer de krachtige redenen, die hij bijbragt; want het was waar, dat, hoewel er geen geestelijke aanwezig was, een plegtig contract, voor getuigen opgemaakt en bevestigd door een of ander teeken, al ware het slechts door het breken van een stok, waardoor deze lieden zich verpligtten deze vrouwen te allen tijde voor hunne echtgenooten te erkennen, en haar noch hare kinderen ooit te verlaten; en de vrouwen desgelijks van haren kant, een wettig huwelijk voor God zou geweest zijn, en dat het zeer te laken was, dat het niet geschied was.

Ik dacht den jongen priester tevreden te stellen door de opmerking, dat dit geschied was, terwijl ik niet hier was, en dat zij nu zoo vele jaren zoo geleefd hadden, dat, al ware het overspel, dit toch thans niet meer te herstellen was, en er thans niets aan te doen viel.

"Gij hebt in zoo verre gelijk, mijnheer," zeide hij, "dat het u niet tot verwijt kan strekken, daar het in uwe afwezigheid geschied is. Maar ik smeek u, denk niet, dat gij daarom thans niet verpligt zoudt zijn dit te doen ophouden. Hoe kunt gij anders denken, dan dat voor het toekomende al het misdadige daarvan ten uwen laste zal komen, al zijt gij aan het verledene onschuldig, daar het thans in uwe magt staat het te doen ophouden, en in niemands magt anders."

Ik begreep hem nog niet geheel, maar verbeeldde mij, dat hij bedoelde, door een eind er aan te maken, dat ik hen van elkander zou scheiden, en niet toelaten, dat zij langer met elkander leefden; en ik zeide hem, dat ik dit volstrekt niet doen kon, want dat het geheele eiland hierdoor in verwarring zou geraken. Hij scheen verwonderd, dat ik hem zoo verkeerd kon begrijpen. "Neen mijnheer," zeide hij, "ik bedoel niet, dat gij hen zoudt scheiden, maar hen wettig laten huwen. En daar mijne wijze van een huwelijk in te zegenen hen misschien niet zou aanstaan, schoon dit zelfs naar uwe landswetten verbindend zou zijn, zoo kunt gij dit even goed voor God en even wettig voor de menschen doen; ik meen door eene schriftelijke verbindtenis, onder getuigen, die bij alle regtbanken in Europa geldig zal geacht worden."

Ik was getroffen door zooveel echte godsvrucht, en zoo opregten ijver aan te treffen, bij zulke treffende onpartijdigheid omtrent zijne kerk, en zulke vurige belangstelling, om lieden, die hij niet kende of eenige betrekking op had, voor overtreding van Gods wetten te bewaren; welks gelijken ik nimmer ontmoet had. Doch toen ik overwoog wat hij van een schriftelijk contract gezegd had, antwoordde ik, dat ik alles wat hij gezegd had toestemde, als zeer regtvaardig en zeer liefderijk van hem, en dat ik er met de mannen over spreken zou. Ik zag geene reden waarom zij door hem zich niet zouden laten trouwen, hetwelk in Engeland even geldig zou geacht worden, alsof een Engelsch geestelijke het gedaan had. Later zal ik verhalen hoe wij dit schikten.

Vervolgens vroeg ik hem naar de tweede reden tot klagten; terwijl ik mijne verpligting voor de eerste jegens hem erkende, en er hem hartelijk voor dank zeide. Hij zeide even rondborstig en vrij met mij daarover te zullen spreken; het was dat, niettegenstaande deze mijne Engelsche onderdanen, gelijk hij ze noemde, nu bijkans zeven jaren met deze vrouwen geleefd hadden, en haar Engelsch hadden leeren spreken, en zelfs lezen, en zij, naar hij opgemerkt had, vrij bevattelijke en verstandige vrouwen waren, dat zij nog tot op dit oogenblik haar niets van de Christelijke godsdienst geleerd hadden, zelfs niet zooveel, dat er een God was, of eene eerdienst, of hoe God gediend worden moet, of dat hare eigene afgoderij en aanbidding van zij wisten zelf niet wat, valsch en ongerijmd was. Bat was, zeide hij, eene onverschoonbare achteloosheid, die zij voor God zouden moeten verantwoorden. Hij vervolgde met veel vuur: "Ik ben overtuigd, dat zoo deze lieden in het land woonden, vanwaar hunne vrouwen gekomen zijn, de wilden meer moeite zouden gedaan hebben om hen tot afgodendienaars en duivelaanbidders te maken, dan een hunner, zoo ver ik zien kan, gedaan heeft, om de kennis van den eenigen waren God te verspreiden. En ofschoon, mijnheer, uw geloof en het mijne verschillend zijn, zouden wij echter beide gaarne aan dienaren van het rijk des duivels de algemeene beginselen van de Christelijke leer zien ingeprent; opdat zij ten minste van eenen God, van den Verlosser, van de opstanding en van een toekomstigen staat hoorden; zaken, waarin wij allen gelooven; dan zouden zij althans de ware kerk veel meer genaderd zijn dan thans in de openbare belijdenis der afgoderij en aanbidding des duivels."

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ik kon mij niet langer bedwingen; ik sloot hem in mijne armen en drukte hem met vervoering aan mijn hart. "Hoe ver ben ik verwijderd van de kennis van eens Christens grootsten pligt, namelijk van de liefde voor Christus kerk en voor het geestelijk welzijn van anderen!" riep ik uit. "Ik weet naauwelijks wat een Christen betaamt!"—"O, zeg dat niet, mijnheer," zeide hij, "deze zaak is uwe schuld niet."—"Neen, neen," hernam ik, "maar waarom nam ik ze niet zoo wel als gij ter harte?"—"Het is nog niet te laat," antwoordde hij, "veroordeel u zelven niet te overijld."—"Wat thans echter te doen?" hernam ik, "gij ziet, ik sta op mijn vertrek."—"Wilt gij mij toestaan er met deze arme lieden over te spreken?" vroeg hij.—"Met al mijn hart," antwoordde ik, "en ik zal zorgen, dat zij op uwe woorden acht geven."—Hij hernam: "Dat moeten wij aan de genade van Christus overlaten, maar het is onze pligt hen behulpzaam te zijn, aan te moedigen en te onderrigten, en zoo gij het mij toestaat en God zijnen zegen geeft, twijfel ik niet of de arme onwetende zielen zullen tot het rijk van Christus gebragt worden, tot het geloof, dat wij allen belijden, en dat nog terwijl gij hier zijt."—"Ik zal u niet alleen verlof, maar ook den hartelijksten dank daarvoor geven," zeide ik. Ook hiervan zal ik den uitslag mededeelen.

Nu vroeg ik hem naar het derde punt, waarin wij te laken waren, "Het is van gelijken aard," zeide hij, "en ik zal het, met uw verlof, even rondborstig openleggen. Het betreft gindsche wilden, die, als ik mij zoo uitdrukken mag, uwe overwonnen onderdanen zijn. Het is eene grondstelling, mijnheer! die alle Christenen, tot welke kerk zij ook behooren, erkennen of behooren te erkennen, dat de kennis van het Christendom door alle mogelijke middelen en bij elke gelegenheid behoort te worden uitgebreid. Van dit beginsel uitgaande, zendt onze kerk zendelingen naar Perzië, Indië en China, en zelfs onze hoogere geestelijken begeven zich gewillig op de gevaarlijkste togten en in de gevaarlijkste verblijven onder moordenaars en barbaren, om hun de kennis van den waren God te leeren en tot het Christelijk geloof over te halen. Nu hebt gij hier, mijnheer! eene zoodanige gelegenheid, om zes- of zevenendertig wilden van de afgoderij tot de kennis van hunnen Schepper en Verlosser te brengen, dat het mij verwondert, dat gij zulk eene gelegenheid, om goed te doen, kunt laten voorbijgaan, welke waarlijk de belooning voor een geheel leven zou uitmaken."

Ik was nu inderdaad verstomd en wist geen woord in te brengen. Ik zag hier voor mij een Christen vol waren ijver voor God en de godsdienst, wat dan ook zijne bijzondere geloofsbelijdenis was; en ik had zelfs geen oogenblik hier ooit aan gedacht, en zou er, geloof ik, nooit aan gedacht hebben, want ik beschouwde die wilden als slaven, die wij zoo behandeld zouden hebben, als wij er eenig werk voor gehad hadden, of gaarne verkocht en naar een ander werelddeel gezonden hebben; zoo wij slechts van hen ontslagen werden en zij niet naar hun eigen land konden terugkeeren. Maar ik moet bekennen, dat zijne woorden mij verstomd deden staan en ik niet wist, wat ik zeggen zou. Hij zag mij ernstig aan, en mij eenigzins verbijsterd ziende, zeide hij: "Het zou mij spijten, mijnheer! als gij misnoegd waart over iets wat ik gezegd heb."—"Neen, neen," antwoordde ik, "ik ben alleen misnoegd op mijzelven; en ik ben geheel verslagen, dat ik er vroeger niet alleen niet aan dacht, maar dat ik ook nu niet weet wat ik er nu aan doen kan. Gij weet," vervolgde ik, "in welke omstandigheden ik mij bevond. Ik moet naar de Oost-Indiën, met een schip, welks reeders ik groot nadeel toebreng, met het schip hier op te houden, terwijl het volk al dien tijd voor rekening van de reeders komt. Wel is waar, wij zijn overeengekomen, dat ik hier twaalf dagen zou blijven, en dat ik voor ieder dag daar boven drie pond sterl. als liggeld per dag zou betalen. Maar ik mag niet langer dan acht dagen op liggeld blijven liggen, en ik ben nu reeds dertien dagen hier; zoodat het mij volstrekt onmogelijk is iets hieraan te doen, of ik moest zelf hier achterblijven; en als dan dit schip op reis verging, zou ik in denzelfden toestand zijn, als toen ik hier het eerst kwam, en waaruit ik zoo wonderbaarlijk verlost ben."

Hij bekende, dat dit zeer hard voor mij was, maar drukte mij op het hart, of niet het geluk van zevenendertig zielen te redden, verdiende, dat ik daarvoor alles wat ik in de wereld had, in de waagschaal stelde. Dit wilde er bij mij nog zoo niet in, en ik antwoordde: "Zeker, mijnheer! is het een onwaardeerbaar geluk, in Gods hand het werktuig te zijn, om zevenendertig heidenen tot de kennis van Christus te brengen. Maar daar gij een geestelijke zijt en daarvoor opgebragt, zoodat het, als het ware, uw beroep is, hoe komt het, dat gij het niet liever zelf onderneemt, dan het van mij te eischen?"

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Hierop bleef hij vlak voor mij staan, en maakte eene diepe buiging voor mij. "Ik dank allerhartelijkst God en u, mijnheer!" zeide hij, "voor zulk eene blijkbare roeping tot eene zoo gezegende onderneming, en zoo gij er u van ontslagen acht en het van mij verlangt, wil ik het gaarne doen, en het als eene ruime belooning beschouwen voor al de gevaren en moeiten van mijne ongelukkige reis, dat mij eindelijk zulk eene heerlijke loopbaan geopend is." Terwijl hij sprak, zag ik eene zekere verrukking op zijn gelaat, zijne oogen fonkelden, zijn gelaat gloeide, hij werd beurtelings bleek en rood, kortom, hij was verrukt van vreugde over het werk, dat zich voor hem opdeed. Het duurde eene poos, eer ik wist, wat ik hem zeggen zou; want ik stond inderdaad verrast een man te vinden, zoo opregt en zoo vol ijver, en die zich door zijnen ijver zoo ver liet vervoeren. Maar na eenig nadenken vroeg ik hem, of hij het ernstig meende, en of hij op het vooruitzigt van deze arme lieden te bekeeren, het wagen wilde, zich misschien levenslang op een schraal bevolkt eiland te laten opsluiten, terwijl hij zelfs niet wist, of hij hun eenig goed kon doen of niet.

Hij zag mij verbaasd aan, en vroeg wat ik wagen noemde. "Weet gij, mijnheer!" vroeg hij, "waarom ik met u naar de Indiën wilde gaan?"—"Neen," zeide ik, "ik weet dat niet, maar ik denk, om den Indianen te prediken."—"Ongetwijfeld," hernam hij, "en denkt gij, dat, als ik deze zevenendertig wilden tot het Christelijk geloof kan bekeeren, dat dan mijn tijd niet wel besteed is, al verliet ik nimmer het eiland weder? Is het behouden van zoovelen niet oneindig meer waard dan mijn leven, ja, dat van twintig menschen als ik. Dagelijks," vervolgde hij, "zou ik Christus en de H. Maagd danken, als ik het gezegend werktuig mogt zijn, om deze arme lieden te behouden, al zou ik nimmer het eiland verlaten, of mijn geboorteland wederzien. Maar daar gij mij de eer doet, mij dit werk op te dragen (waarvoor ik u al mijn leven dankbaar zal zijn), heb ik u nog een verzoek te doen."—"Wat is dat?" vroeg ik.—"Dat gij," antwoordde hij, "uw knecht Vrijdag hier bij mij laat, om mijn tolk en medehelper te zijn, daar ik hen en zij mij niet kunnen verstaan."

Dit verzoek was mij hoogst onaangenaam, want ik kon om verscheidene redenen niet aan eene scheiding van Vrijdag denken. Hij was mijn reisgezel geweest, hij was mij niet alleen getrouw, maar ook zeer genegen, en ik had besloten, vrij wat voor hem te doen, als hij, gelijk te verwachten was, mij zou overleven. Bovendien, daar ik Vrijdag tot een Protestant had gemaakt, zou een ander geloof hem geheel verbijsteren, en zoolang hij leefde zou hij nimmer willen gelooven, dat zijn oude meester een ketter en een verdoemde was, en dit kon ten laatste hem weder tot zijne vroegere afgoderij brengen. Echter schoot mij iets te binnen, en ik zeide hem, dat ik geenen lust had, mij van Vrijdag te ontdoen, schoon het waar was, dat een werk, dat hem hooger dan zijn leven toescheen, bij mij zwaarder dan het behoud van eenen knecht moest wegen, maar aan den anderen kant wist ik, dat Vrijdag mij nimmer zou willen verlaten, en om hem tegen zijnen wil daartoe te dwingen, zou eene schandelijke onregtvaardigheid zijn, omdat ik hem het tegendeel beloofd had, gelijk hij beloofd had mij nimmer te zullen verlaten. Dit scheen hem te verontrusten, want hij kon onmogelijk met deze lieden omgaan, daar hij evenmin een woord van hen kon verstaan, als zij van hem. Deze zwarigheid ruimde ik uit den weg, door te zeggen, dat Vrijdags vader Spaansch geleerd had, dat hij ook verstond, en dus als tolk dienen kon. Thans was hij tevreden en niets kon hem overhalen, zijn voornemen ter bekeering der zevenendertig wilden op te geven. Doch de Hemel beschikte dit later anders.

Ik kom thans tot zijn eerste bezwaar terug. Toen wij bij de Engelschen kwamen, liet ik hen allen bijeenroepen, en na hen te hebben voorgehouden, wat ik voor hen gedaan had, namelijk van welken voorraad ik hen voorzien had, waarvoor zij zeer dankbaar waren, begon ik te spreken over het schandelijke leven, dat zij leidden, en verhaalde hen juist hoe de geestelijke het beschouwd had, en terwijl ik hen bewees hoe onchristelijk en goddeloos het was, doch vooraf vroeg ik hun of zij gehuwd of ongehuwd waren. Twee hunner waren weduwnaars en de anderen waren ongehuwd. Ik vroeg hen, hoe zij met een goed geweten met deze vrouwen konden zamenwonen en zoovele kinderen bij haar hebben, zonder dat zij wettig met haar gehuwd waren.

Zij gaven allen ten antwoord, gelijk ik wel verwacht had, dat er niemand was, die hen trouwen kon, dat zij zich voor den gouverneur verbonden hadden, haar steeds als hunne wettige vrouwen te zullen behandelen en behouden, en zij vermeenden, dat zij in deze omstandigheden even wettig met haar gehuwd waren, alsof het huwelijk door eenen geestelijke en met alle plegtigheden der wereld ingezegend was geworden. Ik antwoordde, dat zij ongetwijfeld voor God gehuwd waren, en voor hun geweten verpligt haar als hunne vrouwen te beschouwen; maar dat de menschelijke wetten anders waren, dat zij later konden voorgeven niet gehuwd te zijn, en de arme vrouwen en kinderen verlaten, en dat deze arme vrouwen, zonder bloedverwanten of geld, zichzelve niet door de wereld zouden kunnen helpen. Ik zeide, dat ik derhalve niets voor hen doen kon, zonder verzekerd te zijn, dat zij het eerlijk meenden, maar dat ik zorgen zou alles te doen, wat ik kon, voor hunne vrouwen of kinderen buiten hen, en dat, ten ware zij mij blijken gaven, dat zij de vrouwen wilden trouwen, ik het niet voegzaam oordeelde, dat zij als man en vrouw bleven voortleven, want dat dit streed met alle goddelijke en menschelijke wetten, en zij, zoo voortgaande, niet op Gods zegen konden hopen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Alles ging zoo als ik verwacht had; zij zeiden mij, bijzonder Willem Atkins, die voor de anderen het woord scheen te voeren, dat zij hunne vrouwen zoo lief hadden, alsof zij hunne landgenooten waren, en dat zij haar in geen geval zouden verlaten, en zij geloofden, dat hunne vrouwen zoo zedig en deugdzaam waren, en zoo veel voor hen en hunne kinderen deden, als zij bij mogelijkheid konden. En Atkins voegde er bij, dat wat hem betrof, als iemand hem aanbood, om hem naar Engeland mede te nemen en daar kapitein van het beste schip uit de marine te maken, hij niet zou medegaan, als hij zijne vrouw en kinderen niet kon medenemen, en als er een geestelijke aan boord was, wilde hij zich dadelijk laten trouwen met al zijn hart. Dit was juist wat ik wenschte. De priester was op dat oogenblik niet bij mij, maar toch in de nabijheid; om hem verder op de proef te stellen, zeide ik, dat ik een geestelijke bij mij had, die, als hij het meende, hem den volgenden morgen zou trouwen, en verzocht hem er zich op te bedenken en er met de overigen over te spreken. Hij zeide, dat hij voor zich er zich niet op behoefde te bedenken, maar blijde was, dat ik een geestelijke aan boord had, en dat hij dacht, dat de anderen het ook gaarne doen zouden. Ik zeide vervolgens, dat mijn vriend, de geestelijke, een Franschman was, en geen Engelsch kon spreken, maar dat ik als tolk zou handelen. Hij vroeg mij volstrekt niet of het een Roomsch of Protestantsch geestelijke was, waarvoor ik eigenlijk gevreesd had, doch hij vroeg er niet naar, en ik vertrok daarop naar mijnen priester en Atkins naar zijne makkers. Ik verzocht den priester tegen hen nergens over te spreken voor de zaak haar geheel beslag had, en verhaalde hem wat het volk mij gezegd had.

Alvorens ik hunne streek verliet, kwamen zij weder bij mij en zeiden, dat zij over mijne woorden nagedacht hadden, dat zij met vreugde vernomen hadden, dat ik een geestelijke bij mij had, en gaarne, ingevolge mijn verlangen, wilden trouwen, zoo spoedig ik begeerde, want dat zij in het geheel niet verlangden van hunne vrouwen te scheiden, en het beste met haar voorhadden. Wij stelden het dus op den volgenden morgen, en bepaalden, dat zij middelerwijl hunne vrouwen zouden verklaren wat het huwelijk was, en dat dit ook van haar eischte, hare mannen in geen geval te verlaten.

De vrouwen begrepen dit gemakkelijk en waren er zeer mede tevreden, gelijk zij ook reden hadden. Den volgenden morgen kwamen zij dus allen in mijn vertrek, waar ook mijn geestelijke zich bevond. Schoon hij noch een Engelsen geestelijke kleeding, noch een Fransch priesterkleed droeg, droeg hij echter een zwart overkleed met een sjerp, hetgeen veel naar de kleeding van een Engelsch geestelijke geleek. Ik diende voor tolk van hetgeen hij zeide. Maar zijne ernstige taal jegens hen, en zijne aarzeling om de vrouwen te trouwen, omdat zij ongedoopt waren en het Christelijk geloof niet beleden, boezemden eerbied voor hem in, en nam allen twijfel weg of hij een geestelijke was. Ik vreesde zelfs in den beginne, dat deze zwarigheid hem zou verhinderd hebben haar in het geheel te trouwen. Al wat ik ook zeide baatte niet, en hij weigerde volstandig het huwelijk te sluiten, alvorens hij met de mannen en ook de vrouwen gesproken had. Schoon ik hier eerst iets tegen had, deed echter zijne welmeenende opregtheid mij daarin toestemmen. Hij zeide hun daarop, dat ik hem hunne omstandigheid en tegenwoordig voornemen had medegedeeld, dat hij gaarne, volgens mijn verlangen, hun huwelijk wilde sluiten, maar eerst eenige woorden tot hen rigten moest. Hij bragt hun daarop onder het oog, dat zij in de oogen van iedereen, en volgens alle maatschappelijke wetten, tot hiertoe in openbare ontucht hadden geleefd; dat dit, wel is waar, thans alleen verholpen kon worden als hij hen trouwde of zij zich van elkander scheidden; maar dat zich bij hen nog eene zwarigheid tegen een Christelijk huwelijk opdeed, die moeijelijk weg te nemen was, namelijk die van een Christen aan eene heidensche, afgodische vrouw te verbinden; terwijl hij echter zag, dat er geen tijd was om de vrouwen vooraf te doopen en tot de leer van Christus over te halen, daar zij ongetwijfeld nimmer iets van gehoord hadden, en zonder welke hij haar niet doopen kon.

Hij zeide het er voor te houden, dat zij zelf slechts weinig van de godsdienst wisten, en derhalve niet verwachten kon, dat zij er hunne vrouwen veel van medegedeeld hadden, maar dat hij hen niet trouwen kon, ten ware zij hem beloofden hun uiterste best te doen om hunne vrouwen over te halen Christenen te worden, en dat zij haar zoo goed zij konden zouden onderrigten nopens hunnen Schepper, en hunnen Verlosser leeren dienen, want hij wilde geene Christenen en heidenen verbinden, hetgeen strijdig was met alle beginselen der Christelijke leer; en door Goddelijke wetten verboden.

Zij hoorden dit alles zeer oplettend aan, gelijk ik het hen, zoo na mogelijk met zijne eigene woorden, mededeelde, terwijl ik er slechts somtijds iets bijvoegde om hen te overtuigen hoe billijk het was, en hoe volkomen naar mijne overtuiging; en ik zorgde steeds goed de woorden van den geestelijke, en hetgeen ik er bijvoegde, te onderscheiden. Zij zeiden, dat alles zeer waar was, dat zij zelve slechts laauwe Christenen waren, en nimmer met hunne vrouwen over de godsdienst hadden gesproken. "En hoe zouden wij haar de godsdienst leeren, mijnheer?" zeide Willem Atkins. "Wij zijn zelf onwetend, en als wij haar spraken van God en Christus, en Hemel en hel, zouden zij ons uitlagchen, en vragen wat wij zelf geloofden. En als wij dan zeiden, dat wij alles zelf geloofden wat wij zeiden, zoo als, dat de brave lieden naar den hemel gaan en de slechten naar den duivel, dan zouden zij ons vragen waar wij zelf wenschten heen te gaan, die dit alles gelooven, en toch zulke groote schelmen zijn. Waarlijk, mijnheer, dat is genoeg om haar al aanstonds tegen de godsdienst in te nemen. Men moet, als men anderen leeren wil, zelf eenige godsdienst hebben."—"Willem Atkins," zeide ik, "ik vrees, dat het maar al te waar is wat gij zegt, maar kunt gij daarom uwe vrouw niet zeggen, dat zij een verkeerd geloof belijdt, dat er een God en een godsdienst is, beter dan de hare, dat hare goden afgoden zijn, die noch spreken, noch hooren kunnen; dat er een opperst Wezen is, die alles geschapen heeft, die de goeden beloont, de kwaden bestraft, en door wien wij eindelijk voor al onze daden geoordeeld zullen worden. Gij zijt zoo onwetend niet, maar uw eigen verstand zal u zeggen, dat dit alles de waarheid is, en ik vertrouw, dat gij dit ook weet en gelooft."

"Dat is waar, mijnheer," zeide Atkins, "maar hoe zal ik mijne vrouw daar iets van zeggen, als zij mij dadelijk zal tegenwerpen, dat dit niet waar zijn kan?"—"Waarom zou zij dat zeggen?" vroeg ik.—"Wel, mijnheer," zeide hij, "zij zal zeggen, het is niet waar, dat die God regtvaardig is of straft en beloont, daar een kerel als ik, die zich zoo slecht jegens haar en iedereen gedragen heeft, niet gestraft en naar de hel gezonden is geworden; en dat mij het leven gelaten is, terwijl ik altijd het tegendeel gedaan heb van hetgeen ik haar zeggen moet, dat goed is, of wat ik behoorde gedaan te hebben."—"Ik vrees, dat hetgeen gij zegt maar al te waar is, Atkins," zeide ik, en deelde daarop het gesprokene aan den geestelijke mede. "O," zeide deze, "zeg hem, dat ééne zaak hem tot den besten leermeester zijner vrouw zal maken, en dat is berouw. Opregt berouw leert hem het best zijne misstappen kennen, en zoo hij dit slechts gevoelt, is hij volkomen geschikt zijne vrouw te onderrigten; hij zal haar dan zeggen, dat God niet alleen een regtvaardig vergelder van goed en kwaad is, maar ook de hoogste Genade, die met eindelooze goedheid en langmoedigheid de straf des zondaars ophoudt, en niet den dood des zondaars wil, maar dat hij leve en zich bekeere; dat Hij dikwijls de slechten langen tijd laat voortgaan, en zelfs spaart tot den dag des oordeels; dat dit een duidelijk bewijs van Gods bestaan en van een toekomstigen staat is, dat de regtvaardige zijn loon en de slechte zijne straf niet ontvangt op deze wereld. Dit zal hem aanleiding geven zijne vrouw de leer der opstanding en van het laatste oordeel mede te deelen. Laat hem slechts opregt berouw gevoelen."

Ik zeide dit alles tot Atkins, die het met een zeer ernstig gelaat en blijkbare ontroering aanhoorde, tot hij, toen ik nauwelijks uitgesproken had, in drift uitriep: "Ik weet dat alles, mijnheer, en meer dan dat; maar ik ben niet zoo schaamteloos van er tegen mijne vrouw over te spreken, terwijl het God en mijn eigen geweten bekend is, en mijne vrouw ook getuigen kan, dat ik altijd geleefd heb alsof ik nooit iets van God en een toekomstig leven gehoord had. En wat berouw betreft, helaas! (hier loosde hij een diepen zucht, en ik zag de tranen in zijne oogen) daar is voor mij geen denken meer aan."—"Geen denken meer aan," zeide ik, "hoe meent gij dat?"—"Ik weet wel wat ik zeg," hervatte hij, "ik meen, dat het te laat is, en dat is maar al te waar."

Ik herhaalde den geestelijke woord voor woord wat hij zeide. De ijverige, liefderijke priester (die, wat ook zijn geloof was, zeer voor het eeuwig heil van anderen bezorgd was) kon zijne tranen niet bedwingen, maar zeide daarop tegen mij: "Doe hem slechts eene vraag. Is hij tevreden, dat het te laat is, of doet het hem leed en wenschte hij, dat het anders ware?" Ik zeide dit aan Atkins, die met drift antwoordde: hoe iemand tevreden zou zijn in een staat, die noodwendig tot zijn eeuwig verderf moet uitloopen, dat hij alles behalve gerust was, maar integendeel er den een of anderen dag een eind aan zou moeten maken.—"Wat meent gij daarmede?" vroeg ik. Hij antwoordde, dat hij geloofde, dat hij den een of anderen tijd zich zelf van kant zou maken, om aan zijne ellende en angst een einde te maken.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

De priester schudde zeer ontroerd het hoofd, toen ik hem dit mededeelde, maar zeide daarop: "Als dat het geval is, kunt gij hem verzekeren, dat het niet te laat is: Christus zal hem berouw schenken. Verklaar hem, bid ik u, dat daar alle menschen door Christus behouden zijn, en door zijn lijden de Goddelijke genade verwerven, hoe kan het voor iemand te laat zijn om de genade te ontvangen? Denkt hij, dat hij zich buiten het bereik kan stellen der Goddelijke barmhartigheid? Zeg hem, dat het nimmer voor iemand te laat is, om vergiffenis van zonden af te smeeken; en dat alle dienaren der godsdienst gelast zijn te allen tijde vergiffenis te verkondigen aan hen, die opregt berouw gevoelen; en dat het daartoe nimmer te laat is."

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ik deelde dit alles aan Atkins mede, die het zeer ernstig aanhoorde, maar daarop het gesprek scheen te willen afbreken, want hij zeide, dat hij thans zijne vrouw eens moest spreken. Hij vertrok dus, en wij spraken tot de overigen. Deze waren allen even onkundig in het stuk van godsdienst als ik, toen ik mijne ouders ontliep. Echter luisterden zij gretig naar hetgeen wij zeiden, en beloofden er met hunne vrouwen over te spreken, en te zullen trachten haar tot het Christendom over te halen.

De geestelijke glimlachte, toen ik hem dit mededeelde, schudde het hoofd, en zeide: "Wij dienaars van Christus kunnen niets doen dan vermanen en onderrigten, en als men ons aanhoort en belooft te doen wat wij verlangen, moeten wij met hunne beloften ons vergenoegen. Maar geloof mij, mijnheer, hoe ook het gedrag van dien Willem Atkins geweest is, ik geloof, dat hij alleen opregt bekeerd is. Ik wil aan de anderen niet wanhopen, maar die man heeft blijkbaar een juist besef en berouw van zijn vroeger leven, en zoo hij tot zijne vrouw over de godsdienst spreekt, zal hij zichzelven tevens bekeeren; want de beste wijze om zelf te leeren is somtijds, anderen te onderwijzen. Ik heb iemand gekend, die weinig met de godsdienst ophad, en een overgegeven booswicht was, maar geheel van zijn slechten weg teruggebragt is, door zijne pogingen, om een Jood te bekeeren. Zoo Atkins tot zijne vrouw over den Heiland zal spreken, zal hij zelf zich daardoor tot Hem leeren wenden."

Na dit gesprek en op de belofte, dat zij hunne vrouwen tot het Christendom zouden trachten over te halen, trouwde hij de drie andere paren, maar Willem Atkins en zijne vrouw waren nog niet terug. Na eene poos wachtens werd de geestelijke nieuwsgierig te weten, waar Atkins gebleven was, en verzocht mij met hem uit het doolhof te gaan, zeggende, dat hij vast vertrouwde dien armen man hier of daar te zullen vinden, waar hij zijne vrouw de beginselen der godsdienst leert. Ik dacht hetzelfde en geleidde hem door een weg, dien ik alleen kende, en waar het geboomte zoo digt was, dat men er naauwelijks door kon zien. Aan den rand van het bosch gekomen, zag ik Atkins en zijne vrouw, in de schaduw zeer ijverig zitten praten. Ik wachtte tot de geestelijke bij mij was, en toen bleven wij hen eene poos gadeslaan. Wij bemerkten, dat hij zeer ernstig met haar sprak, haar naar de zon en de lucht, dan naar de aarde, dan naar de zee, dan op haar en zich zelven, dan naar de boomen wees. "Gij ziet, dat ik gelijk had," zeide de geestelijke, "thans onderrigt hij zijne vrouw. Hij leert haar, dat God de aarde, de lucht, de zon, de zee, hen zelven gemaakt heeft."—"Ik geloof het ook," zeide ik.—Atkins stond thans op, knielde neder en vouwde de handen. Wij waren te ver af om te hooren of hij iets zeide. Daarop ging hij weder naast zijne vrouw zitten en tegen haar spreken. Zij scheen zeer oplettend, doch wij konden niet opmerken of zij iets zeide of niet. Toen hij nederknielde, zag ik den geestelijke de tranen over de wangen loopen, en ook ik kon de mijne moeijelijk bedwingen. Het speet ons, dat wij niet konden hooren wat zij zeiden, doch wij durfden niet naderbij komen, om hen niet te storen; ook gaven hunne gebaren genoeg den aard van hun onderhoud te kennen. Atkins zat naast zijne vrouw, en sprak haar met zigtbare ontroering toe; twee of drie malen omhelsde hij haar hartelijk, daarop zagen wij, dat hij hare oogen afwischte en haar met buitengewone vervoering kuste, eindelijk nam hij haar bij de hand, sprong op, en een paar stappen voorttredende, knielden beide neder.

Mijn vriend kon zich niet langer bedwingen, maar riep luidkeels uit: "Heilige Paulus, zie, hij bidt!" Ik vreesde, dat Atkins hem hooren zou, en verzocht hem dus zich te bedwingen, om het verdere te zien van dit tooneel, het treffendste en streelendste, dat ik ooit zag. De jonge priester bedwong zich met moeite, want het denkbeeld, dat deze afgodische vrouw eene Christin werd, bragt hem in vervoering. Hij weende, kruiste zich en dankte God bij zichzelven in het Latijn en Fransch, waarbij de vreugdetranen soms zijne woorden verstikten. Ik smeekte hem zich te matigen en het verdere van dit tooneel gade te slaan. Na opgestaan te zijn, hervatten de man en zijne vrouw hun gesprek, en hare gebaren gaven de grootste aandacht en ernst te kennen. Dit duurde ongeveer een half kwartieruurs, waarna zij vertrokken. Ik trad thans met den geestelijke in gesprek, en betuigde hem mijne vreugde over hetgeen wij gezien hadden, dat, schoon ik niet veel geloof sloeg aan die spoedige bekeeringen, ik deze echter als opregt beschouwde, zoowel bij den man als bij zijne vrouw, hoe onwetend deze ook nog was. "En wie weet," voegde ik er bij, "of niet deze twee, in vervolg van tijd, door voorbeeld en onderrigt, weldadig op sommigen der overigen zullen werken."—"Op sommigen!" herhaalde hij, "neen, op allen, daar kunt gij staat op maken, en zoo deze twee wilden (want hij schijnt volgens u weinig beter dan een wilde) het Christendom omhelzen, zullen zij het ook onvermoeid aan de anderen mededeelen. Een waar Christen zal nimmer een heiden bij zijn geloof laten als hij hem daaraan ontrukken kan." Ik stemde toe, dat dit een waar Christelijk beginsel was, en een blijk van zijn opregten ijver en edel karakter. "Maar mijn vriend," zeide ik, "sta mij toe u hier eene vraag te doen. Ik kan niets inbrengen tegen uwen ijver om deze arme lieden van heidenen tot Christenen te bekeeren. Maar hoe kan u dit voldoen, daar deze lieden buiten den schoot der Roomsche kerk blijven, waar binnen, volgens u, alleen de zaligheid te vinden is; dus moet gij dezen nog als ketters beschouwen, en evenzeer verdoemd als de heidenen zelve."

Met veel opregtheid antwoordde hij: "Mijnheer, ik ben Roomsch Katholijk, een priester, monnik van de Benediktijner orde, en gehecht aan al de leerstellingen van het Roomsche geloof. Echter, en geloof mij, dat ik niet spreek uit beleefdheid jegens u, of om de verpligtingen, die ik aan u heb, beschouw ik u, Protestanten, niet liefdeloos en als van de Goddelijke genade uitgesloten. Ik wil geenszins de verdiensten van Christus in zoo verre beperken van te denken, dat Hij u niet in zijne kerk kan opnemen, op eene wijze, die voor ons verborgen is, en ik hoop, dat gij eveneens over ons denkt. Dagelijks bid ik God, dat hij u allen tot de kerk van Christus brenge, op de wijze, die de hoogste Wijsheid goedvindt. Middelerwijl zult gij het in een Katholijk niet vreemd vinden, dat hij een groot onderscheid maakt tusschen een Protestant en een heiden; tusschen iemand, die Jezus Christus aanroept, schoon dan op eene wijze, die naar mijne denkwijze niet met het ware geloof strookt, en een heiden, die noch van God, noch van den Verlosser iets weet; en zoo gij niet binnen den schoot der Katholijke kerk zijt, hopen wij, dat gij er naderbij zijt dan diegenen, die nooit van den Heiland en zijne eerdienst hebben gehoord. Het verheugt mij dus, dat ik dezen man, die gelijk gij zegt, een deugniet en bijkans een doodslager geweest is, zie nederknielen en tot Christus bidden, gelijk wij meenen, dat hij deed, schoon hij dan nog niet tot het volle licht gekomen is; geloovende, dat God, van wien alle goede werken komen, hem te zijner tijd verdere kennis der waarheid zal schenken, en als door Gods invloed deze man zijne heidensche vrouw onderrigt en bekeert, kan ik niet gelooven, dat hij zelf zou verloren gaan. En zou ik mij dan niet verheugen als zij nader bij de kennis van Christus gebragt zijn, schoon zij dan juist niet op het oogenblik, dat ik zulks wenschte, in den schoot der Katholijke kerk zijn gekomen, en laten het aan 's Heilands wijsheid over zijn werk te zijner tijd te voltooijen? Zeker zou ik mij verheugen als al de wilden van Amerika zoo ver waren, dat zij even als deze arme vrouw tot God baden, al werden zij ook in den beginne Protestanten, liever dan dat zij heidenen bleven; want ik zou vast gelooven, dat Hij hun het eerste licht geschonken had, een straal der Hemelsche genade op hen zou laten nederdalen, en als Hij goedvond, in den schoot zijner kerk brengen."

Ik was verbaasd over de opregtheid en gematigdheid van dezen vromen Katholijk, en weggesleept door de kracht zijner redenering, en thans bedacht ik, dat als alle menschen zoo gematigd dachten, wij allen Katholijke Christenen konden zijn, tot welke kerk of sekte wij ook behoorden; dat een geest van liefde ons alsdan weldra tot de waarheid zou brengen. Ik zeide hem, dat als alle leden zijner kerk zoo gematigd dachten, zij spoedig allen Protestantsch zouden zijn; en hierbij lieten wij het berusten. want wij kwamen nooit tot redetwisten.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ik viel hem echter op eene andere wijze aan, en zeide, hem bij de hand vattende: "Mijn waarde vriend, ik deel volkomen in uw gevoelen, maar als gij in Spanje of Italië zulke leerstellingen verkondigt, zal de Inquisitie u spoedig beet pakken!"—"Het kan zijn," zeide hij, "ik weet niet wat men in Spanje of Italië zou doen, maar deze gestrengheid zou hen geen beter Christenen maken, want overmaat van liefde is geen ketterij." Daar Atkins en zijne vrouw weg waren, hadden wij hier niets meer te verrigten en keerden huiswaarts, en daar vonden wij hen op ons wachten. Ik vroeg den priester of wij hen zeggen zouden dat wij hen gezien hadden, maar hij zeide liever eerst te willen hooren wat hij ons te zeggen had. Daar er niemand anders bij was, begon ik met hem te vragen: "Willem Atkins, welke opvoeding hebt gij wel gehad? Wie was uw vader?"

Atkins. Een aanzienlijker man dan ik ooit worden zal; hij was een geestelijke.

Robinson Crusoe. En uwe opvoeding?

A. Hij wilde mij goed onderwijzen, mijnheer, maar ik had een afschuw van alle onderrigt, vermaning en berisping, als een wild dier.

R. C. Ja, Salomo zegt reeds, dat hij, die berisping veracht, naar een beest gelijkt.

A. Ja, mijnheer, ik leefde als een beest. Ik heb mijn vader den dood aangedaan; om Gods wil, mijnheer, spreek er niet meer over, ik heb mijn armen vader den dood aangedaan!

Terwijl ik dit alles den priester vertolkte, werd hij bleek, sprong op bij de laatste woorden en riep uit: "Hemel! een moordenaar!"

R. C. Neen, neen, mijnheer, gij begrijpt hem verkeerd. Atkins, gij hebt uwen vader niet met eigen hand vermoord?

A. Neen, mijnheer, maar ik heb hem het hart gebroken en het verdriet over mij heeft zijne dagen verkort, doordien ik op de ondankbaarste, onnatuurlijkste wijze de liefderijkste en teederste zorgen beantwoordde.

R. C. Ik bedoelde niet u deze belijdenis af te persen, ik bid God dat Hij er u berouw over schenke, en u deze en uwe overige zonden vergeve; maar ik vroeg u dit, omdat ik zie dat gij, ofschoon niet geleerd, toch niet zoo onwetend zijt in het goede, en dat gij meer van de godsdienst wist, dan gij in uw gedrag aan den dag legde.

A. Gij hebt mij die belijdenis niet afgeperst, maar mijn geweten heeft het gedaan. Als wij op onze levensbaan terugzien zijn de zonden, jegens onze liefderijke ouders gepleegd, zeker de eersten die zich opdoen; die wonden zijn het diepst en van alle zonden drukken deze ons het zwaarste.

R. C. Hetgeen gij zegt treft mij te sterk, Atkins, ik kan het niet aanhooren.

A. Gij mijnheer? Deze wroegingen zullen u toch wel niet bekend zijn.

R. C. Ja, Atkins, ieder strand, iedere heuvel, ja ik mag wel zeggen elke boom van dit eiland is getuige van mijne wroegingen over mijne ondankbaarheid en mijne slechte handelwijze jegens mijn vader; een vader zoo als ook de uwe was, Atkins, maar ik geloof toch dat mijn berouw op verre na zoo groot niet is als het uwe.

Mijne aandoeningen beletten mij meer te zeggen, maar ik achtte 's mans berouw zoo veel sterker dan het mijne, dat ik op het punt stond het gesprek te staken en mij te verwijderen, want ik begreep, dat in plaats van hem te leeren en te onderrigten, ik in hem zeer onverwachts, een treffend leeraar en onderwijzer gevonden had. Ik deelde dit alles aan den geestelijke mede, die er zeer door getroffen was, en mij zeide: "Heb ik u niet gezegd, mijnheer, dat zoo deze man bekeerd was, hij ons allen onderrigten zou? Men heeft mij hier niet noodig, hij zal alles op het eiland tot Christenen maken."

Na mij eenigzins hersteld te hebben, hervatte ik mijn gesprek met Atkins. "Maar, Atkins," zeide ik, "hoe komt gij juist nu zoo tot inzigt in deze zaak?"

A. Mijnheer, gij hebt mij een werk opgedragen, dat mij als een zwaard het hart doorboort. Ik heb mijne vrouw over God en de godsdienst gesproken, gelijk gij mij gelastte, om haar tot het Christendom over te halen, en zij heeft mij eene predikatie gehouden, die ik nimmer zal vergeten.

R.C. Neen, neen, uwe vrouw heeft die niet gehouden, maar uw geweten, dat uwe bewijzen tegen u zelven heeft aangevoerd.

A. Ja, mijnheer en met onweerstaanbare kracht.

R.C. Verhaal mij, als gij wilt, wat er tusschen u en uwe vrouw is voorgevallen; ik weet er reeds iets van.

A. Mijnheer, u daarvan een volledig verslag te geven is mij onmogelijk; ik ben er vol van en kan het toch niet uitspreken; maar wat zij ook moge gezegd hebben, dit kan ik u verzekeren, dat ik besloten heb boete te doen en mijn leven te verbeteren.

R.C. Maar verhaal er ons iets van. Hoe zijt gij aangevangen. Dit is waarlijk buitengewoon; zij heeft u inderdaad eene boetpreek gehouden als zij dat bewerkt heeft.

A. Welnu dan, ik verhaalde haar eerst van den aard onzer wetten op het huwelijk, en waarom mannen en vrouwen verpligt waren zulk eene onverbreekbare verbindtenis aan te gaan; dat anders de orde en geregtigheid niet gehandhaafd konden worden, en de mannen hunne vrouwen en kinderen zouden verlaten, geen bloedverwantschap zou gekend blijven, en geen opvolging of erfdeel wettig kunnen genoten worden.

R.C. Gij spreekt als een advokaat, Atkins. Kondt gij haar doen begrijpen wat gij door erfenissen en door bloedverwantschap meende? Bij de wilden kennen zij dat niet, maar trouwen naar ik gehoord heb, zonder op maagschap acht te geven, broeder en zuster, zelfs vader en dochter.

A. Ik geloof mijnheer, dat gij dwaalt. Mijne vrouw verzekert het tegendeel en zegt, dat zij bloedschande verfoeijen zoo wel als wij, maar misschien zijn zij omtrent verdere verwantschap niet zoo naauwgezet als wij.

R.C. En wat zeide zij op uwe voorstellingen?

A. Dat dit haar zeer goed beviel, en beter was dan in haar land.

R.C. Maar zeide gij haar wat het huwelijk was?

A. Ja, daarmede begon ons gesprek. Ik vroeg haar of zij op onze wijze met mij wilde trouwen. Zij vroeg wat dat was. Ik zeide haar, dat het eene Goddelijke instelling was, en hierop hebben wij het zonderlingste gesprek gehad, dat ooit man en vrouw te zamen voerden.

Dit gesprek tusschen Atkins en zijne vrouw heb ik dadelijk opgeschreven, nadat hij het mij verhaald had. Hier volgt het:

De vrouw. Door uw God ingesteld. Hebt gij dan een God in uw land?

Atkins. Ja, mijne lieve, God is overal.

V. Neen, uw God is in mijn land niet. In mijn land is de groote oude Benamoekie God.

A. Kind, ik ben weinig in staat u den aard van God te leeren. God is in den Hemel, en heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is gemaakt.

V. Neen, uw God heeft de geheele aarde niet gemaakt, mijn land niet.

Atkins lachte over deze uitdrukking.

V. Waarom lacht gij? niet lagchen. Dit is geen ding om mede te lagchen.

Hij gevoelde hoe regtmatig zij hem berispte, want zij was in den beginne ernstiger dan hij.

A. Gij hebt gelijk; ik zal niet meer lagchen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

V. Gij zegt dus, dat uw God alles gemaakt heeft?

A. Ja kind, onze God heeft de geheele wereld en u en mij en alle dingen gemaakt, want Hij is de eenige ware God; er is geen God buiten hem. Hij leeft eeuwig in den Hemel.

V. Waarom hebt gij mij dat niet al lang gezegd?

A. Gij hebt gelijk, maar ik was een deugniet, die niet alleen vergat u met iets van dien aard bekend te maken, maar zelf buiten God leefde.

V. Wat, hebt gij een groote God in uw land, en kent Hem niet! Zegt niet o tegen Hem? Doet niets goeds voor Hem? Dat is niet mogelijk.

A. Het is toch maar al te waar. Wij leven alsof er geen God in den Hemel was en als had Hij geene magt op aarde.

V. Waarom laat God u dat doen? Waarom laat Hij u niet goed leven?

A. Dat is onze eigene schuld.

V. Maar gij zegt, Hij is groot, zeer groot, heeft zeer groote magt; kan u dooden als Hij wil. Waarom slaat Hij u niet dood als gij Hem niet dient, hem niet aanroept, geene goede dingen doet?

A. Dat is waar, Hij kon mij dooden en ik mogt het verwachten; maar God is genadig en straft ons niet naar verdiensten.

V. Maar zegt gij uwen God daarvoor dan niet dank?

A. Neen, ik heb God niet gedankt voor zijne genade, evenmin als ik Hem gevreesd heb om zijne magt.

V. Dan is uw God geen God. Ik geloof niet dat Hij zoo groot, zoo sterk, zoo magtig is, als Hij u niet doodslaat als gij Hem beleedigt.

A. Hoe, zou mijn slecht leven u verhinderen in God te gelooven. Ellendige, die ik ben! Welk eene droevige waarheid, dat het slechte leven der Christenen de bekeering der Heidenen belet!

V. Hoe kan ik denken, dat gij zulk een grooten God dáár hebt (naar den Hemel wijzende) als gij geene goede dingen doet. Kan Hij spreken? Zeker weet Hij niet wat gij doet?

A. Ja wel, Hij weet en ziet alles; Hij hoort ons spreken, ziet wat wij doen, weet, wat wij denken, al spreken wij niet.

V. Wat? Hoort Hij u vloeken, zweren, anderen verdoemen?

A. Ja, ja, Hij hoort dat alles.

V. Waar is dan zijn zoo sterke, groote magt?

A. Hij is genadig, dat is al wat wij er van kunnen zeggen, en dat bewijst dat Hij de ware God is; Hij is God en geen mensch en daarom worden wij gespaard.

Atkins zeide, dat hij hier zelf ijsde van de gedachte, dat hij zijne vrouw zoo duidelijk kon zeggen dat God alles ziet en hoort en de geheimste gedachten des harten kent; en dat hij toch al zijne euveldaden had durven verrigten.

V. Genadig; wat meent gij daarmede?

A. Hij is onze Vader en Schepper, en Hij heeft ons lief en spaart ons.

V. Dan doodt Hij nimmer, wordt nimmer boos als gij kwaad doet, dan is Hij ook zelf niet goed en niet magtig.

A. Ja wel, ja wel; Hij is oneindig goed en oneindig magtig om te straffen. Somwijlen geeft Hij blijken van zijnen toorn jegens zondaren. Menigeen wordt te midden zijner boosheden verdelgd.

V. Maar Hij heeft u niet gedood; dan hebt gij misschien een verdrag met hem gemaakt, dat gij kwaad zoudt doen en Hij niet boos op u worden als Hij het op anderen is.

A. Neen waarlijk niet; al mijne zonden zijn zoo veel tergingen zijner langmoedigheid, en met regtvaardigheid kon Hij mij verdelgen als andere zondaren.

V. Zoo, en toch maakt Hij u niet dood? Wat zegt gij daarvoor tegen hem? Zegt gij hem geen dank daarvoor?

A. Ik ben een ondankbaar voorwerp, dat is waar.

V. Waarom maakt Hij u niet veel beter? Gij zegt, dat Hij u gemaakt heeft.

A. Hij heeft mij gemaakt, zoo wel als de geheele wereld; ik ben het, die mij zelven verlaagd en zijne goedheid misbruikt heb.

V. Ik wenschte, dat God mij leerde kennen; ik zou hem niet boos maken, ik zou geen kwade slechte dingen doen.

Hier zeide Atkins dacht hij van schaamte te vergaan, dat een dom onwetend schepsel naar de kennisse Gods verlangde; en dat hij zulk een snoodaard was, dat hij haar omtrent God geen woord schier zeggen kon, wat niet door zijn eigen gedrag haar schier ongeloofelijk moest voorkomen; ja, dat zij reeds niet in God kon gelooven, omdat een zoo slecht schepsel als hij niet verdelgd was geworden.

A. Gij verlangt, mijn lieve, dat ik u God leer kennen, maar God kent u reeds en elke gedachte van uw hart.

V. Zoo, als Hij weet wat ik nu tegen u zeg, dan weet Hij, dat ik Hem verlang te kennen. Hoe zal ik weten wie mij gemaakt heeft?

A. Arm schepsel, God moet u leeren, ik kan het niet. Ik zal Hem bidden, dat Hij zich aan u leert kennen, en mij vergiffenis schenkt, dat ik onwaardig ben u te onderrigten.

De arme man was zoo beangst, toen zij verlangde, dat hij haar God zou leeren kennen, dat hij voor haar op de knieën viel, en God bad haar te willen verlichten door de zaligmakende kennis aan Jezus Christus, en hem zijne zonden vergeven en het werktuig worden, om haar de beginselen der godsdienst mede te deelen. Vervolgens ging hij weder naast haar zitten, en het gesprek ging voort. Het was toen dat wij hem zagen nederknielen en de handen opheffen.

V. Waarom knielt gij? waarom heft gij de handen omhoog? Tegen wien spreekt gij? Wat zegt gij? Wat beteekent dat alles?

A. Mijn lieve, ik boog mijne knieën met onderdanigheid aan mijnen Schepper. Ik zeide "O" tegen Hem, gelijk gij het noemt, en zoo als uwe oude lieden tegen uwen afgod Benamoekie doen, dat wil zeggen ik aanbad Hem.

V. Waarom zeide gij O tegen Hem?

A. Ik smeekte Hem uwe oogen en verstand te openen; ten einde Hij zich aan u leerde kennen, en Hij zich uwer aannam.

V. Kan Hij dat doen?

A. Ja. Hij kan alles doen.

V. Maar hoort Hij wat gij zegt?

A. Ja, Hij heeft ons gelast tot Hem te bidden, en beloofd ons te zullen verhooren.

V. U dat gelast? wanneer? en hoe? Hebt gij Hem hooren spreken?

A. Neen, wij hooren Hem niet spreken, maar Hij heeft zich op verschillende wijzen aan ons geopenbaard.

Hier wist hij niet hoe hij haar zou doen begrijpen, dat God zich aan ons in zijn Woord heeft geopenbaard, en wat zijn woord was: maar eindelijk zeide hij haar het volgende:

A. God heeft in vroegere dagen tot eenige goede menschen gesproken, uit den Hemel, in duidelijke woorden, en God heeft eenige goede menschen met zijn geest vervuld en deze hebben al zijne wetten in een boek geschreven.

V. Dat begrijp ik niet. Waar is dat boek?

A. Ik heb helaas dat boek niet, maar ik hoop het den een of anderen tijd te bekomen en u daarin te leeren lezen.

Hier omhelsde hij haar met veel aandoening, maar zeer bedroefd, dat hij geen Bijbel had.

V. Maar hoe zult gij mij leeren, dat God hun geleerd heeft, dat boek te schrijven?

A. Op dezelfde wijze, als waarop wij weten, dat Hij God is.

V. Hoe weet gij dat?

A. Omdat hij niet leert of beveelt dan wat goed, regtvaardig en heilig is, en ons zoowel volmaakt goed als volmaakt gelukkig tracht te maken, en omdat Hij ons gelast alles te vermijden wat slecht is, wat boos van aard of boos in de gevolgen is.

V. Dat zou ik wel begrijpen, dat zou ik wel willen zien; als Hij alle goede dingen beloont, alle slechte dingen bestraft; alle goede dingen leert, alle kwade verbiedt, als Hij alles maakt, alles geeft, als Hij mij hoort als ik O tegen Hem zeg, als Hij mij goed maakt als ik goed wil zijn; mij spaarde, mij niet dood maakt als ik niet goed ben. Dat alles zegt gij, dat Hij doet; ja, Hij is een groote God, ik denk, ik geloof, dat Hij de groote God is; ik zal tot Hem "O" zeggen met u.

Hier kon de arme man zich niet langer bedwingen, maar opstaande, deed hij haar nederknielen, en bad God met luider stemme haar door den H. Geest in de kennisse Gods te onderrigten; en dat hij te eeniger tijd den Bijbel mogt bekomen, ten einde zij Gods woord mogt hooren en door hetzelve Hem leeren kennen.

Dit was het oogenblik, waarop wij hem haar bij de hand zagen vatten en nederknielen, gelijk ik vroeger gezegd heb.

Naar het schijnt wisselden zij nog vele woorden, te veel om hier mede te deelen, en in het bijzonder deed zij hem beloven, daar, volgens zijne eigene bekentenis, zijn leven eene reeks van schandelijke overtredingen van Gods geboden was geweest, dat hij zich zou beteren, en God niet langer tergen, opdat Hij hem niet dood maakte, gelijk zij zeide, en dan zou zij verlaten zijn, en nimmer God leeren kennen, en hij zou rampzalig zijn, gelijk hij haar verhaald had, dat slechte lieden na hunnen dood waren.

Dit verhaal trof ons beide, maar vooral den jongen geestelijke, wien het echter bitter speet, dat hij niet tot haar spreken kon, daar hij geen Engelsch en zij het zeer gebrekkig sprak. Hij zeide tot mij, dat hij geloofde, dat bij deze vrouw nog iets anders te doen was dan haar te trouwen. Ik begreep hem eerst niet, maar hij gaf mij zijne meening te kennen, dat zij gedoopt moest worden. Ik stemde dit volmondig toe, en wilde er dadelijk toe overgaan. "Neen, neen, mijnheer," zeide hij, "schoon ik haar in allen geval wilde doopen, moet ik u doen opmerken, dat Willem Atkins haar op eene wonderbaarlijke wijze den lust tot een godsdienstig leven heeft bijgebragt, en haar zeer juiste denkbeelden van het wezen van God, van zijne magt, regtvaardigheid en genade, gegeven; maar ik wenschte wel van hem te weten of hij haar iets gezegd heeft van Jezus Christus en van de behoudenis der zondaren, van den aard van het geloof in Hem en der verlossing door Hem, van den Heiligen Geest, de opstanding, het laatste oordeel, en een toekomstigen staat."

Ik riep Willem Atkins terug en vroeg hem dit, maar de arme kerel barstte dadelijk in tranen uit, en zeide, dat hij haar over dat alles gesproken had, maar dat hij zelf zoo slecht was, en zijn eigen geweten hem over zijn goddeloos leven knaagde, dat de vrees hem deed beven, dat hare bekendheid met hem haar belangstelling hierin zou verhinderen, en haar de godsdienst eer doen verachten dan beminnen. Maar hij was, zeide hij, zoo verzekerd; dat haar geest voor alle goede indrukken geopend was, dat zoo ik slechts met haar wilde spreken, het spoedig blijken zou, dat mijne moeite bij haar niet vruchteloos zou blijven.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ik riep haar dus binnen en plaatste mij als tolk tusschen den priester en de vrouw, en verzocht hem met haar te beginnen; maar waarlijk nimmer werd een tweede predikatie als deze, in de laatste eeuwen, door een Roomsch priester gehouden. Hij had, gelijk mij voorkwam, al de opregtheid van een Christen, zonder de dwalingen der Roomsch-Katholijken, en ik hield hem voor een geestelijke, gelijk de eerste bisschoppen der Christelijke kerk ongetwijfeld geweest zijn. Om kort te gaan, hij bragt de arme vrouw zoo ver, dat zij de kennis van Christus en van de verlossing door Hem aannam, niet alleen met verwondering en verbazing, gelijk zij de eerste begrippen van Gods wezen ontving, maar met vertrouwen en vreugde, met aandoening, en met eene treffende bevatting, die men zich naauwelijks verbeelden, laat staan beschrijven kan, en op haar eigen verzoek werd zij gedoopt. Toen de geestelijke hiertoe aanstalten maakte, verzocht ik hem hierbij voorzigtig te zijn, opdat zoo mogelijk, de man niet bemerkte, dat hij Roomsch-Katholijk was. Hij zeide mij, dat daar hij geene gewijde kapel, noch eenige dingen, tot den doop geschikt, had, hij het op eene wijze doen zou, dat ik, zoo ik het niet wist, niet zeggen zou, dat het door een Roomsch-Katholijk geschiedde. Zoo deed hij ook, want na eenige woorden in het Latijn bij zichzelven gezegd te hebben, stortte hij eene schaal vol water over het hoofd der vrouw, daarbij in het Fransch zeggende: "Maria," zoo als haar man mij verzocht had, dat zij heeten zou, want ik was haar peet, "ik doop u in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes!" zoodat niemand daaraan kon hooren van welk geloof hij was. Daarop sprak hij den zegen uit in het Latijn, maar Willem Atkins wist niet beter of het was Fransch, of sloeg er geen acht op.

Onmiddellijk hierop trouwde hij hen, en zoodra het huwelijk gesloten was, wendde hij zich tot Atkins, en vermaande hem op eene treffende wijze, niet alleen in zijne goede voornemens te volharden, maar door eene verbetering van zijn leven zijn geloof te bewijzen. Hij zeide, dat zijn berouw niets baatte, zoo hij geen afstand deed van het kwaad; hield hem voor hoe God hem tot het werktuig had gekozen om zijne vrouw tot het Christendom te bekeeren, en dat hij zorgen moest Gods genade niet te verwaarloozen, want dat anders de bekeerde heiden een beter Christen zou zijn dan hij. Hij voegde daarbij nog vele goede lessen en gaf hun daarop in korte woorden den zegen, terwijl ik al wat hij zeide in het Engelsch overbragt. Hiermede eindigde deze plegtigheid. Steeds heb ik dezen dag voor de aangenaamste mijns levens gehouden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Maar mijn geestelijke hield zijne taak nog niet voor volbragt; zijn hart hing aan de bekeering der zevenendertig wilden, en gaarne wilde hij daartoe op het eiland blijven; maar ik overtuigde hem, dat deze onderneming op zichzelve zeer bezwaarlijk was, en ten tweede, dat deze misschien in zijne afwezigheid kon geschieden, waarover straks nader.

Na de zaken aldus op het eiland geschikt te hebben, maakte ik toebereidselen tot mijn vertrek, toen de jongeling, die ik van de uitgehongerde equipage had medegenomen, bij mij kwam, zeggende, dat hij vernomen had, dat ik een geestelijke bij mij had, en de Engelschen met hunne vrouwen had doen trouwen; dat hij ook een huwelijk gesloten wenschte tusschen twee Christenen, hetgeen hij hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn.

Dit, wist ik, moest de jonge dienstmaagd zijner moeder zijn, want er was geene andere Christenvrouw op het eiland; ik vermaande hem dus hierin geen overijlden stap te doen, of omdat hij zich in deze eenzaamheid bevond. Ik hield hem voor, dat hij, gelijk ik van hem en ook van de dienstmaagd gehoord had, eenige bezittingen en goede vrienden in de wereld had, dat het meisje niet alleen arm, en eene dienstbode was, maar ook niet met hem gelijk stond, daar zij zes- of zevenentwintig, en hij zeventien of achttien jaar oud was; dat hij met mijne hulp waarschijnlijk van hier en weder in zijn land zou komen, en dat het duizend tegen een was, dat zijne keus hem later zou berouwen, en dat beider leven alsdan even onaangenaam zou zijn. Ik wilde hier nog veel bijvoegen, toen hij mij glimlagchend zeide, dat ik mij vergiste, dat hij daar volstrekt niet aan dacht, daar zijn tegenwoordig lot treurig genoeg was; dat hij met vreugde hoorde, dat ik op middelen bedacht was, hem naar hun vaderland terug te voeren, en dat niets hem zou overhalen hier te blijven, dan dat mijne voorgenomen reis zoo uiterst lang en gevaarlijk was, en hen zoo ver van al zijne vrienden zou voeren, dat hij niets van mij verlangde, dan dat ik hem op het eiland een stuk land gaf met eenige noodwendigheden, en een paar dienstboden, en dat hij dan als een planter leven zou, in afwachting, dat ik hem zou vandaar helpen als ik in Engeland terugkwam; in welk geval hij hoopte, dat ik hem niet zou vergeten; dat hij mij eenige brieven aan zijne familie in Londen zou medegeven, met vermelding hoe goed ik jegens hem geweest was, en hoe en waar ik hem gelaten had; en dat als hij vandaar kwam, de plantaadje, hoeveel die ook dan waard mogt zijn, geheel mijn eigendom zou zijn.

Dit was voor een zoo jeugdig mensch zeer verstandig gesproken, en mij te meer aangenaam, omdat hij mij stellig zeide, dat het voorgenomen huwelijk hem niet aanging. Ik beloofde hem, dat zoo ik behouden in Engeland terugkwam, ik zijne brieven verzenden zou, en hij er staat op maken kon, dat ik nimmer zou vergeten in welke omstandigheden ik hem verlaten had. Op mijn verlangen om te weten wie er trouwen wilden, noemde hij mijn duizendkunstenaar, en Suzanna, zijne dienstmaagd. Dit beviel mij uitstekend, want ik hield hen voor een zeer geschikt paar. Het karakter van den man heb ik reeds geschetst, en het meisje was zeer braaf, zedig, godsdienstig en ingetogen; zij wist zich zeer wellevend en van pas uit te drukken, en schroomde niet zich te laten hooren als het noodig was, zonder dat zij, waar het onnoodig was, zich onbescheiden op den voorgrond stelde; zij was zeer handig en huishoudelijk in haar gedrag, en zeer goed tot het huisbestier geschikt, ja zij had het geheele eiland wel kunnen bestieren. Zij had zeer goed den slag van met alle menschen om te gaan, ook met aanzienlijker dan zij hier aantrof.

Wij trouwden het paar nog dienzelfden dag, en daar ik de bruid als vader naar het altaar geleidde, gaf ik haar ook een bruidschat; want ik schonk aan haar man en haar eene fraaije uitgestrekte plek gronds, voor eene plantaadje. Dit huwelijk en het verzoek van den jongeling hem een stuk grond af te staan, gaf aanleiding, dat ik de landerijen onder hen verdeelde, opdat er naderhand geen twist over zou ontstaan.

Deze land verdeeling droeg ik aan Willem Atkins op, die nu een zeer ingetogen, bezadigd, ernsthaftig man, geheel veranderd en zeer vroom en godsdienstig was geworden; en voor zoo verre men in zulk een geval stellig spreken kan, en naar ik geloof, zich opregt bekeerd had. Hij deed deze verdeeling zoo regtvaardig en naar ieders genoegen, dat zij alleen eene algemeene door mij geteekende acte voor zich allen verzochten, die ik deed opstellen en teekende, waarbij de ligging en grenzen van iedere plantaadje bepaald werden, met bepaling, dat ik het regt op het geheele bezit en beschikking der verschillende plantaadjen met derzelver aanhoorigheden, aan hen en hunne erfgenamen afstond terwijl ik mij het overige des eilands als mijn bijzonder eigendom voorbehield, met eene zekere rente of erfpacht, na verloop van elf jaren, als ik, of iemand van mijnentwege met een echt afschrift van deze acte kwam, om die te vragen.

Aangaande het bestier en wetten onder hen, zeide ik hun, dat ik hun geen beter voorschriften geven kon dan zij zichzelven konden geven; doch ik nam hun de belofte af met elkander in liefde te leven en goede buurschap te onderhouden. En vervolgens maakte ik mij gereed tot mijn vertrek.

Ik moet echter nog eene zaak vermelden, dat is, dat daar zij thans eene soort van gemeenebest uitmaakten, en volop werk hadden, het ongerijmd was, dat zevenendertig Indianen, onafhankelijk, en zonder iets te verrigten, in een hoek van het eiland woonden; want deze hadden niets te doen dan zich voedsel te verschaffen, dat hun soms moeijelijk genoeg viel, maar anders hadden zij niets te verrigten. Ik stelde derhalve voor, dat de Spaansche gouverneur naar hen toe zou gaan, met Vrijdags vader, en hun voorstellen of voor zich zelven te bouwen, of bij hen als dienstboden ingedeeld te worden, om voor hunnen arbeid onderhoud te erlangen, maar zonder eigenlijke slaven te zijn, want daartoe wilde ik hen noch door geweld, noch door eenige middelen gemaakt hebben, omdat zij zich als het ware bij een verdrag hadden overgegeven, en dit niet behoorde geschonden te worden. Zij namen verheugd het voorstel aan, en gingen welgemoed met hem mede. Wij gaven hun dus landerijen, die drie of vier aannamen, maar de overigen wilden liever als dienstboden bij de verschillende huisgezinnen gaan. Dus was mijne kolonie nu op de volgende wijze zamengesteld. De Spanjaarden bezaten mijne oude woning, die de hoofdstad uitmaakte, en hunne plantaadje strekte zich uit langs den inham, die de zoo dikwijls door mij beschrevene kreek vormde, tot aan mijne buitenplaats, terwijl zij hunne ontginningen steeds oostwaarts uitbreidden. De Engelschen woonden aan de noordoost zijde, waar Atkins en zijne makkers begon, en zij zich zuid- en zuidwestwaarts uitbreidden. Ieder plantaadje had eene menigte woeste gronden, om als er gelegenheid toe was, er bij aan te trekken, zoo dat zij niet uit gebrek aan ruimte oneens behoefden te worden. Het geheele westeinde van het eiland was woest gelaten, ten einde als de wilden daar alleen aan wal kwamen, om hunne gewone barbaarsche feestmalen te houden, zij ongehinderd gaan en komen konden, en zoo zij niemand deerden, zou niemand hun deren, en ongetwijfeld kwamen zij dikwijls aan land en vertrokken, schoon de planters niet door hen verontrust werden.

Nu bedacht ik, dat ik mijn vriend, den geestelijke gezegd had, dat de bekeering der wilden, misschien in zijne afwezigheid, naar zijn genoegen kon verrigt worden, en ik zeide hem, dat ik nu een goed vooruitzigt daarop meende te hebben, daar de wilden thans onder de Christenen verdeeld waren, en zoo ieder zich nu slechts moeite gaf op degenen, die onder zijne handen waren, hoopte ik, dat dit zeer goed afloopen zou.

Hij stemde daarin toe, bijaldien ieder zich moeite gaf, "maar," zeide hij, "hoe zullen wij dat van hen gedaan krijgen?" Ik zeide hen bijeen te willen roepen, en het hun allen op het hart te drukken, of wel hen een voor een te gaan spreken, wat hij het best oordeelde. Wij verdeelden het zoo, dat hij tot de Spanjaarden spreken zou, die allen Roomsch Katholijk waren, en ik tot de Engelschen, die Protestanten waren, en wij bevolen hen aan en deden hen beloven, dat zij nimmer eenig onderscheid tusschen Roomsch en Protestantsch zouden maken in hunne vermaningen aan de wilden, maar hun de algemeene grondstellingen van den eenigen waren God en den Heiland leeren; en zij beloofden ons ook, dat zij nimmer onder elkander over de Godsdienst zouden twisten.

Toen ik aan het huis van Willem Atkins kwam (dat ik wel zoo noemen mag, want zulk een huis of stuk mandewerk zag men geloof ik nooit ergens ter wereld) vond ik, dat de jonge vrouw, waarvan ik hiervoor gesproken heb, en de vrouw van Atkins boezemvriendinnen waren geworden, en deze verstandige, godsdienstige vrouw had het werk, dat Atkins begonnen had, voltooid, en schoon het verhaalde eerst vier dagen geleden was, was deze pas gedoopte Indiaansche vrouw zulk eene Christin, waarvan ik de wederga in al mijne ontmoetingen in de wereld zelden aangetroffen heb.

Den morgen voor ik naar hen toeging bedacht ik, dat ik bij al de noodwendigheden, die ik voor hen achterliet, geen Bijbel gevoegd had; waarin ik mij minder bezorgd voor hen betoonde, dan de goede weduwe voor mij was, toen zij mij de lading van honderd Pond St. van Lissabon zond, waarbij zij drie Bijbels en een gebedeboek voegde. Deze liefderijkheid van de goede vrouw had nuttiger gevolgen dan zij voorzien kon, want zij werden gespaard tot stichting en onderrigt van hen, die er veel beter gebruik van maakten dan ik gedaan had. Ik stak een der Bijbels in mijn zak, en toen ik bij Willem Atkins tent of huis kwam, vernam ik, dat de jonge vrouw en die van Atkins over de Godsdienst hadden gesproken, hetgeen Atkins mij met veel vreugde verhaalde. Hoorende, dat zij nog bij elkander waren, ging ik binnen en zij met mij, en vond haar beide ernstig in gesprek. "O, mijnheer," zeide Atkins, "als God zondaars met zich verzoenen wil, en verlorenen terug brengen, heeft Hij altijd boden. Mijne vrouw heeft eene nieuwe leermeesteres. Ik weet, dat ik onwaardig was tot dat werk; die jonge vrouw is door den Hemel hierheen gezonden; zij is in staat een geheel eiland vol wilden te bekeeren." De jonge vrouw stond blozende op en wilde heengaan, doch ik verzocht haar te blijven, zeide, dat zij een goed werk verrigtte, waarin ik hoopte, dat Gods zegen met haar zijn mogt.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Wij spraken eenige oogenblikken en ik zag niet, dat zij eenig boek hadden, doch ik vroeg daar niet naar, maar haalde mijn Bijbel uit den zak. "Hier," zeide ik tot Atkins, "hebt gij een onderwijzer, die u misschien ontbrak." Hij was zoo verbijsterd, dat hij in het eerst niet spreken kon, maar zich vervolgens herstellende, nam hij het boek met beide handen aan en zeide tegen zijne vronw: "Heb ik u niet gezegd dat God, schoon in den Hemel, hooren kan wat wij zeggen? Hier is het boek waarom ik gebeden heb. God heeft ons gebed verhoord en het ons gezonden." Hij weende als een kind van vreugde en dankbaarheid. Zijne vrouw was uiterst vatbaar, en schier in eene dwaling vervallen, die wij eerst later bemerkten; zij geloofde, dat God dit boek, op haar mans gebed had gezonden. Het is waar, dat dit ook door de Voorzienigheid zoo beschikt was, maar zij was geloof ik, geneigd te gelooven, dat er een bode uit den Hemel gekomen was, om haar dat boek te brengen. De zaak was te ernstig, om hier eenige misleiding te gedoogen, dus verzocht ik aan de jonge vrouw onze nieuwbekeerde te verklaren, hoe onze gebeden verhoord kunnen worden door den gewonen loop der zaken, en zonder dat daarbij een wonder behoeft te geschieden. De jonge vrouw deed dit later, zoodat hier geen vroom bedrog plaats greep, hetgeen ik voor onverantwoordelijk zou gehouden hebben. De vreugde van Atkins echter was onbeschrijfelijk. Nimmer gevoelde iemand meer dankbaarheid dan hij voor zijn Bijbel, en niemand verheugde zich ooit over het bezit eens Bijbels om beter redenen, en hoewel hij een zeer woest, kwaadaardig en losbandig mensch was geweest, bewijst hij echter door zijn voorbeeld aan alle ouders, dat zij nimmer het onderrigt hunner kinderen moeten staken, of aan het goed gevolg hunner pogingen daartoe wanhopen, al zijn de kinderen ook schijnbaar nog zoo halsstarrig en ongevoelig, want zoo zij immer tot een waar inzigt hunner zonden geraken, komen deze vroegere indrukken, die zoo lang geslapen hadden, weder levendig en weldadig voor den geest. Zoo was het ook hier; het weinige onderrigt in de Godsdienst, dat hij genoten had, kwam dezen armen man thans van pas, daar hij met nog onwetender dan hij te doen had.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Vooral herinnerde hij zich, wat zijn vader hem zoo dikwijls van de hooge waarde des Bijbels gezegd had, welk een voorregt deze voor geheele volkeren, huisgezinnen en personen was, maar nimmer had hij dit naar waarde beseft, dan nu hij de behoefte daaraan tot onderrigting van heidenen en barbaren gevoelde. De jonge vrouw was er ook zeer blijde mede, hoe wel zij en de jongeling onder hunne goederen, die nog aan boord waren, er ieder een hadden. Na zooveel van deze brave vrouw gezegd te hebben, kan ik niet nalaten er iets bij te voegen.

Ik heb verhaald welk gebrek zij geleden had, hoe hare meesteres van honger gestorven was op dat ongelukkige schip, terwijl zij door het scheepsvolk eerst onmeedoogend behandeld en vervolgens geheel aan hun lot overgelaten waren. Eens hierover met haar sprekende, vroeg ik haar of zij, na hetgeen zij had uitgestaan, mij beschrijven kon wat het is van honger te sterven. Zij zeide, dat zij geloofde van ja, en deed mij het volgende verhaal:

"Eerst," zeide zij, "hadden wij verscheidene dagen het zeer hard en leden geweldigen honger, tot wij eindelijk niets geen voedsel meer hadden dan een weinig suiker en wat wijn met water. Den eersten dag, nadat ik geheel geen voedsel gehad had, gevoelde ik mij tegen den avond flaauw en misselijk en zeer geneigd tot geeuwen en slapen. Ik ging op eene bank in de groote kajuit liggen, en sliep bijkans drie uren, waarna ik eenigzins verkwikt ontwaakte, daar ik, voor ik slapen ging, een glas wijn gedronken had. Na drie uren wakker geweest te zijn, werd ik weder misselijk, ik ging weder liggen, maar kon niet slapen, terwijl ik duizelig was en dan weder neiging tot braken had, en dit ging zoo den geheelen volgenden dag. Dien avond moest ik te rust gaan, zonder iets dan eene teug water genuttigd te hebben; ik droomde toen dat ik te Barbados op de markt was, die vol met levensmiddelen was, dat ik eenige voor mijne meesteres kocht, en een goed middagmaal deed; maar bij mijn ontwaken was ik zeer neerslagtig van denzelfden honger te gevoelen. Ik dronk het laatste glas wijn dat ik had, met wat suiker tot voedsel; maar door de zwakte van mijne maag, werkte de wijn onaangenaam op mijne hersenen, en naar men mij zeide, lag ik eenigen tijd bedwelmd en als iemand die dronken is.

"Den derden dag, na een nacht dien ik vol verwarde droomen, meer dommelend dan slapend had doorgebragt, ontwaakte ik woedende van honger, en zoo mijne rede niet teruggekeerd was, weet ik niet of, zoo ik moeder ware geweest, mijn kind wel veilig bij mij zou geweest zijn. Dit duurde ongeveer drie uren, gedurende welke ik, gelijk mijn jonge meester mij gezegd heeft, ik in volslagen razernij verkeerde. In een der vlagen van verbijstering, struikelde ik en viel met mijn gelaat tegen den kant van een rustbed, waarop mijne mevrouw lag, zoodat mijn neus aan bloed sprong. De kajuitjongen reikte mij eene kom toe, ik ging zitten en verloor veel bloed, en naar gelang dat ik dit verloor, bedaarde de hevigheid van de koorts en tevens de knagingen van den honger. Vervolgens werd ik gekweld door neiging tot braken. Na eenigen tijd viel ik van bloedverlies flaauw, en allen hielden mij voor dood, doch spoedig kwam ik weder bij, en had toen de vreeselijkste maagpijn, die men zich denken kan, niet als een kolijk, maar als een knagende, woedende trek tot honger, die tegen den avond overging in een allerhevigst verlangen naar voedsel, misschien gelijk zwangere vrouwen wel ondervinden. Ik nam nog een glas water met suiker, doch mijn maag walgde van de suiker en gaf die weder terug. Toen nam ik eene teug zuiver water, en hield dat er in, waarna ik liggen ging en God allervurigst bad, dat Hij mij van de wereld mogt wegnemen. De hoop hierop deed mij wat bedaren, ik sluimerde eenigen tijd en toen ik ontwaakte, dacht ik dat ik lag te zieltogen, want mijne zwakke en ledige maag verbijsterde mij het brein. Ik beval mijne ziel aan God en verlangde hartelijk, dat iemand mij in zee wierp.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings