← Table of contents
Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

DANIËL DE FOE. (continued 5)

Reading edition

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ons volk werd verschrikt door hun aantal, want wij waren in eene ongunstige positie om te vechten, en zij riepen ons toe, dat zij niet wisten, wat zij doen zouden. Ik gelastte dadelijk het volk dat op den steiger werkte, om er af te komen, en hen, die in de booten waren, dat zij het schip omroeijen zouden en aan boord komen, terwijl de weinigen, die met ons aan boord waren, alle krachten inspanden, om het schip overeind te halen. Maar eer het volk op den steiger en dat in de booten konden doen wat hun gelast was, hadden de Cochinchinezen hen ingehaald, en twee hunner booten kwamen onze sloep op zijde, en begonnen het volk aan te pakken als hunne gevangenen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

De eerste, dien zij aangrepen, was een Engelsche matroos, een kloeke sterke kerel, die een geweer in de hand had, maar, in plaats van vuur te geven, het in de boot nederlegde, zeer onverstandig naar mij dacht. Maar hij wist zeer goed wat hij deed, want hij greep den barbaar aan, en rukte hem uit zijne boot in de onze, waar hij hem bij de ooren greep en zijn hoofd zoo geweldig tegen het boord van de sloep stiet, dat de man onder zijne handen dood bleef. Een Hollander, die naast hem stond, nam terwijl het geweer op, en sloeg met de kolf zoo om zich heen, dat hij vier of vijf, die in de sloep wilden komen, nedervelde; maar dit hielp weinig tegen veertig of vijftig man, die onbevreesd, omdat zij hun gevaar niet kenden, in de andere sloep sprongen, waarin slechts vijf man waren. Een toeval verschafte echter ons volk eene volkomene overwinning en bovendien vrij wat stof tot lagchen.

Onze timmerman was namelijk bezig, de buitenzijde van het schip te breeuwen en de naden te vullen, waar hij die gekalfaat had, om de lekken te stoppen, en had juist twee ketels in de boot gelaten, de een met kokende pik en de andere met harpuis, olie en smeer, gelijk de scheepsbreeuwers gebruiken, en de man, die bij hem was, had een grooten ijzeren lepel in de hand, waarmede hij de lieden, die met dat kokende goed werkten, er van voorzag. Twee vijanden stapten voor in de boot, waar die man stond; hij bedeelde hen terstond met een lepel vol van zijn brouwsel, dat hen zoo zengde en brandde, daar zij bijkans naakt waren, dat zij brullende als stieren in zee sprongen. De timmerman zag het en riep: "Goed gedaan; Jaap! geef ze nog wat!" en terwijl hij zelf voorop stond, nam hij een van de dwijlen, en doopte die in de harpuispot, en hij en zijne maats besproeiden hen zoo rijkelijk, dat van al het volk in de drie booten er niet een was, zonder duchtig gebrand en verschroeid te zijn; en zulk een gehuil en getier hieven zij aan, als ik nimmer gehoord had. Ik mag hier wel opmerken, dat hoewel natuurlijk pijn iedereen schreeuwen doet, echter ieder volk eene bijzondere wijze van schreeuwen heeft, dat evenveel van elkander verschilt als hunne spraak. Ik kan het geluid van deze kerels niet gepaster noemen dan gehuil, want nimmer hoorde ik iets, dat zoo naar wolvengehuil geleek, hetwelk ik op de grenzen van Languedoc gehoord had, gelijk ik verhaald heb.

Nimmer baarde eene overwinning mij meer genoegen dan deze, niet alleen omdat wij zoo verrassend uit een waarlijk groot gevaar gered waren, maar vooral omdat wij haar zonder bloedvergieten bevochten hadden, behalve van den man, dien de Engelschman met zijne handen doodgeslagen had, en dit was mij zeer aangenaam, want ik had eenen grooten weerzin in het dooden van zulke arme wilden, schoon het ook uit zelfverdediging ontstond. Ik wist, dat zij hunne handelingen als geoorloofd beschouwden, daar zij niet beter wisten, en schoon wij misschien regt hadden, omdat het noodzakelijk was (want in de natuur is niets, wat onregt is, noodzakelijk), echter achtte ik het droevig, tot ons zelfbehoud zoovele onzer medemenschen te moeten dooden; en ik zou tegenwoordig liever al vrij wat leed willen ondergaan, dan zelfs den slechtsten mensch die mij kwaad deed, het leven te benemen. Ik geloof, dat ieder redelijk denkend mensch, die de waarde des levens beseft, bij eenig nadenken, mij hierin zal toestemmen.

Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Terwijl dit gebeurde, hadden mijn compagnon en ik met het overige volk aan boord het schip weder overeind gehaald, en de stukken weder op zijne plaats gebragt. De konstapel verzocht mij, de booten terug te roepen, want dat hij vuren wilde. Ik riep hem toe, geen vuur te geven, want de timmerman zou dat wel voor hem klaren, maar gelastte hem nog een ketel met harpuis te vuur te zetten, waarvoor onze kok zorgde. De vijand was echter van de eerste ontvangst zoo voldaan, dat zij niet terugkwamen, en toen degenen, die het verst af waren, het schip vlot zagen, schenen zij het raadzaam te achten, die onderneming op te geven. Hiermede eindigde dit koddig gevecht, en daar wij twee dagen te voren wat rijst en groenten en brood en zestien goede varkens aan boord hadden gekregen, besloten wij dadelijk te vertrekken, wat er ook van komen mogt, want wij begrepen, dat wij den volgenden morgen meer roovers om ons heen zouden zien, dan onze harpuisketel mogelijk kon verjagen. Derhalve bragten wij dien avond alles aan boord in orde, en waren den volgenden morgen zeilree. Nu wij op eenigen afstand van den wal voor anker lagen, waren wij niet zoo ongerust, daar wij gereed waren om te vechten of te vlugten, al naar het noodig was. Den volgenden morgen gingen wij onder zeil, en vonden dat ons schip thans geheel digt was. Wij wilden de baai van Tonking inloopen, want wij wenschten te weten wat daar bekend was omtrent de Hollandsche schepen, die daar geweest waren, maar omdat wij verscheidene schepen derwaarts hadden zien stevenen, durfden wij er niet binnenloopen. Wij hielden dus N. Oostwaarts naar het eiland Formosa, evenzeer vreezende, een Engelsen of Hollandsch schip te zien, als een Engelsch of Hollandsch koopvaarder in de Middellandsche zee vreest een Algerijnschen kaper te zien.

Eenmaal in volle zee zijnde hielden wij het N. Oostwaarts, alsof wij naar Manilla of de Philippijnsche eilanden wilden stevenen, ten einde buiten het vaarwater der Europesche schepen te blijven, en toen weder Noordelijk tot op eene breedte van 22° 20', op welke wijze wij Formosa bereikten, waar wij ankerden, om water en levensmiddelen in te nemen. Wij vonden de bewoners hier zeer beleefd en zij behandelden ons zeer eerlijk en volkomen volgens overeenkomst, wat men niet altijd in alle landen ondervindt, en hetgeen hier misschien ontsproot uit overblijfsel van het Christendom, dat hier eenmaal door Hollandsche zendelingen verkondigd is. Dit bewijst wat ik overal gezien heb, dat de Christelijke godsdienst altijd beschaving en betere zeden bewerkt, behalve hetgeen zij tot hun eeuwig welzijn bijdraagt.

Wij zeilden vervolgens Noordwaarts en hielden het op eenen afstand van de Chinesche kust, tot wij wisten, dat wij alle havens van China voorbij waren, die gewoonlijk door Europeërs bezocht worden, daar wij zoo mogelijk niet in hunne handen wilden vallen, hetgeen ons vooral in dit land geheel of gedeeltelijk in het verderf zou gestort hebben. Ik in het bijzonder was zoo bevreesd, van in hunne magt te geraken, dat ik liever in die der Spaansche inquisitie had willen zijn. Op 30° gekomen, besloten wij de eerste haven, die zich opdeed, binnen te loopen, en toen wij op twee mijlen afstands van de kust waren, kwam een oude Portugesche loods bij ons aan boord, om zijne dienst aan te bieden, die wij aannamen. Zonder te vragen waar wij heen wilden, zond hij daarop zijne boot weg, waarmede hij gekomen was. Daar ik begreep, dat wij ons thans door den ouden man konden laten brengen, waar wij wilden, begon ik met hem te spreken, om ons naar de golf van Nanking, het noordelijkste punt van de kust van China, te voeren. De oude man zeide, dat hij daar zeer goed bekend was, maar vroeg wat wij daar doen wilden. Ik zeide: er onze lading verkoopen en er calicots, thee, ruwe en gewerkte zijde enz. voor nemen, en zoo denzelfden weg terugkeeren. Hij antwoordde, dat de geschiktste haven daartoe Macao geweest was, waar wij eene goede gelegenheid voor onzen opium zouden gevonden hebben, en voor ons geld even goede Chinesche produkten konden inkoopen als te Nanking. Ik kon den ouden man van dit denkbeeld niet afbrengen, en zeide dus, dat wij niet alleen om handel te drijven reisden, maar ook om de wereld te zien, en dat wij de groote stad Peking en het vermaarde hof van den Chineschen keizer verlangden te zien. "Wel, dan moest gij naar Ningpo gaan," zeide de oude man, "waar de rivier, die daar in zee valt, u binnen vijf mijlen in het groote kanaal brengt. Dit kanaal is een bevaarbaar gemaakte stroom, die het geheele Chinesche rijk doorloopt, al de rivieren doorkruist, met behulp van sluizen over verscheidene groote heuvels geleid is, en tot Peking loopt, zijnde 270 mijlen lang."

"Goed," zeide ik, "maar dit is thans ons zoeken niet; de vraag is: of gij ons naar Nanking kunt brengen, vanwaar wij later naar Peking kunnen gaan?" Hij antwoordde van ja, en dat kort geleden nog een Hollandsch schip derwaarts gegaan was. Dit deed mij schrikken, want wij waren thans banger voor een Hollandsch schip dan voor den duivel. Wij waren niet in staat het te bevechten, want hunne schepen, die daarop varen, zijn veel grooter en sterker bemand dan het onze. De oude man zag mijne onrust en zeide: "Gij behoeft voor de Hollanders niet te vreezen, mijnheer! want ik geloof niet, dat zij thans met uw volk in oorlog zijn,"—"Neen," zeide ik, "maar wie weet wat zij doen, als zij buiten het bereik der wetten van hun land zijn."—"Wel," zeide hij, "gij zijt geene zeeroovers, waarvoor zoudt gij bang zijn? Zij zullen een vreedzaam koopvaarder wel ongemoeid laten." Zoo al mijn bloed niet naar mijn gelaat vloog bij deze woorden, was het zeker, dat het in mijne aderen verstijfde. Ik geraakte in de grootste verwarring en de oude man bespeurde dit dadelijk.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

"Mijnheer!" zeide hij, "het schijnt, dat mijne woorden u eenigzins verontrusten, zeg slechts welken weg gij gaan wilt, en ik zal u van dienst zijn, wat ik kan."—"Het is waar," hernam ik, "ik ben besluiteloos, waar ik heen wil gaan, en vooral na hetgeen gij van zeeroovers zegt. Ik hoop, dat er hier geene zwerven, want ik zou slecht tegen hen bestand zijn; gij ziet dat wij niet sterk gewapend en slechts zwak bemand zijn."—"Vrees niet," antwoordde hij, "ik weet niet, dat er in de laatste vijftien jaren hier zeeroovers geweest zijn, behalve dat er een, naar ik gehoord heb, eene maand geleden in de baai van Siam gezien is, en die is stellig Zuidwaarts gegaan; ook was het geen schip, dat zeer sterk of geschikt daartoe was. Het was niet voor een kaper gebouwd, maar eenige schurken daar aan boord waren er mede doorgegaan, nadat de kapitein en eenigen van het volk op of bij het eiland Sumatra vermoord waren."

"Wat!" zeide ik, mij houdende alsof ik van niets wist, "hebben zij den kapitein vermoord?"—"Neen," zeide hij, "dat zeg ik niet, maar daar zij naderhand met het schip doorgingen, gelooft men algemeen, dat zij hem aan de Maleijers verraden hebben, die hem, misschien op hun aanstoken, vermoord hebben."—"Dan verdienen zij evenzeer den dood, alsof zij het zelf gedaan hadden," zeide ik.—"Zeker verdienen zij dien," hervatte de oude man, "en zij zullen dien ook ondergaan, als zij een Engelsch of Hollandsch schip ontmoeten, want allen hebben besloten, die schurken geen kwartier te geven, als zij hen aantreffen."

"Maar," zeide ik, "gij zegt, dat de zeeroover deze zeeën heeft verlaten; hoe kunnen zij hem dan aantreffen?"—"Het is waar, dat men dit zegt," hernam hij, "maar zoo als ik zeide, werd hij in de baai van Siam, op de rivier Cambodia ontdekt door eenige Hollanders, die daar aan boord geweest en achtergebleven waren, toen men met het schip doorging, en daar eenige Engelsche en Hollandsche koopvaarders op de rivier lagen, was hij bijkans genomen. Zoo slechts de voorste booten door de achterste goed ondersteund waren geworden, dan hadden zij hem zeker genomen; maar hij vuurde op hen, en koos toen de ruimte, voordat de andere opkwamen. Zij hebben het schip echter zoo goed beschreven, dat het dadelijk herkend moet worden, en zij hebben gezworen, den kapitein en de matrozen geen kwartier te geven, maar aan de nok van de groote ra op te hangen,"—"Zoo," zeide ik, "zal men hen straffen, schuldig of onschuldig; eerst hen ophangen en dan hun proces opmaken?"—"Och!" zeide de oude loods, "met zulke schurken behoeft zooveel omslag niet gemaakt; laat men hen rug aan rug binden en dan de voeten spoelen; zulke schurken verdienen niet beter."

Ik wist, dat ik den ouden man vast aan boord had, en hij mij geen kwaad kon doen, dus zeide ik driftig: "Welnu, senhor! juist daarom wil ik, dat gij ons naar Nanking en niet naar Macao of ergens waar Hollandsche en Engelsche schepen komen, brengt; want laat mij u zeggen, dat die Engelsche en Hollandsche kapiteins een troep laatdunkende schoften zijn, die volstrekt niet weten wat de regtvaardigheid, noch wat goddelijke en menschelijke wetten eischen, maar die, trotsch op hun gezag, hunne magt te buiten gaan, en als moordenaars willen handelen, om zeeroovers te straffen, en menschen, die ten onregte beschuldigd zijn, kwaad zouden doen en hen zonder onderzoek schuldig verklaren; en misschien zal ik nog eens eenigen ter verantwoording roepen, waar zij leeren kunnen, hoe de geregtigheid gehandhaafd moet worden, en dat men niemand veroordeelen mag, zonder bewijs van de misdaad en dat hij die bedreven heeft."

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Hierop verhaalde ik hem, dat juist dit schip aangevallen was, en alles wat er met de sloepen bij hunnen aanval gebeurd was, hoe wij aan het vaartuig gekomen waren, en hoe de Hollander ons gewaarschuwd had. Ik zeide hem, dat ik geloofde, dat de kapitein door de Maleijers vermoord was geworden, en ook dat de matrozen met het schip doorgegaan waren; maar dat de zeerooverij een bloot verzinsel van hen was, en van de waarheid daarvan hadden zij zeker moeten zijn, eer zij ons zoo verraderlijk overvielen, en ik voegde er bij, dat het bloed, dat wij in onze regtmatige verdediging vergoten hadden, ter hunner verantwoording kwam.

De oude man stond zeer verbaasd, en gaf ons volkomen gelijk, dat wij Noordwaarts gehouden hadden, maar raadde ons om het schip in China te verkoopen, dat zeer goed gaan zou, en daar een ander te koopen of te laten bouwen. "Al is het dan ook zoo goed niet," zeide hij, "dan zal het u en uwe goederen toch naar Bengalen of elders kunnen brengen." Ik zeide, dat ik hierover denken zou, als ik in eene haven kwam, waar ik een kooper voor dit schip of een ander vaartuig voor mij vinden kon. Hij zeide, dat ik te Nanking koopers genoeg zou vinden, en met eene Chinesche jonk kon ik de thuisreis wel doen, en hij zou mij beide wel verschaffen.—"Maar," zeide ik, "daar het schip, gelijk gij zegt, zoo goed bekend is, zal ik, als ik uw raad volg, misschien eenige onschuldige menschen in groot gevaar brengen, en welligt oorzaak zijn, dat zij in koelen bloede vermoord worden; want alleen om het schip zullen zij hen als schuldig houden."—"Dat is zoo," hernam de oude man, "maar ik weet een middel om dat te beletten; ik ken al de kapiteins zeer goed en zal hen allen opzoeken, als zij voorbijgaan, en hen de zaak ophelderen, en zij zullen mij zeker in zoo verre althans gelooven, dat zij in het vervolg voorzigtiger zullen te werk gaan."

Wij bleven middelerwijl koers zetten naar Nanking, en na dertien dagen zeilens ankerden wij aan de Z.W. punt van Nanking, waar ik toevallig vernam, dat de twee groote Hollandsche schepen mij voorgegaan waren en ik onfeilbaar in hunne handen vallen zou. Ik raadpleegde mijnen compagnon, die even zoo verlegen was als ik, en gaarne overal behouden aan wal had willen zijn. Ik vroeg den ouden loods, of er geene kreek of haven hier omstreeks was, waarin ik zonder gevaar met de Chinezen handelen kon. Hij zeide mij, dat ongeveer tweeënveertig mijlen Zuidwaarts eene haven, Quinchang, was, waar de paters zendelingen gewoonlijk van Macao landden, als zij het Christendom in China gingen verkondigen, en waar nimmer Europesche schepen binnenkwamen, en als ik daar was, kon ik zien hoedanig ik verder handelen wilde. Het was echter geene geschikte plaats om handel te drijven, behalve dat er somtijds eene soort van jaarmarkt gehouden werd, waarop de kooplieden van Japan kwamen om Chinesche waren te koopen. Wij besloten naar die haven te gaan, wier naam ik misschien niet juist opgeef, daar ik dien met eenige anderen in een zakboekje opgeschreven had, dat bij toeval in het water viel; maar ik herinner mij, dat de Chinesche en Japansche kooplieden het anders noemden, dan onze Portugesche loods, ongeveer als ik zeide: Quinchang. Den volgenden dag gingen wij onder zeil, na slechts tweemaal aan wal geweest te zijn, om zoet water in te nemen, en beide keeren waren de inboorlingen zeer beleefd, en bragten ons eene menigte goederen als groenten, thee, rijst en eenig gevogelte, maar zij gaven niets zonder geld.

Door tegenwind kwamen wij eerst na vijf dagen aan de andere haven. Wij waren zeer verheugd en ik dankte den hemel hartelijk, toen ik mijne voeten behouden aan wal zette, en besloot, even als mijn compagnon, op iedere andere redelijke wijze met ons goed elders te gaan, liever dan weder een voet op dit heilloos vaartuig te zetten; en waarlijk, onder alle omstandigheden mijns levens heb ik ondervonden, dat niets iemand zoo ongelukkig maakt als voortdurende vrees. Teregt zegt de Heilige Schrift: "De vrees van den mensch brengt hem in eenen strik;" het is een leven des doods, en de geest wordt zoo gedrukt, dat hij tot alle inspanning buiten staat is. In ons geval deed de vrees hare gewone uitwerking, namelijk door elk gevaar te verhoogen; alle Engelsche of Hollandsche kapiteins te beschouwen als menschen, die geene reden verstonden, eerlijke lieden niet van schelmen, noch een geheel verzonnen verhaal van een waarachtig verslag van onze reis en ons oogmerk konden onderscheiden. Ieder verstandig mensch toch hadden wij kunnen overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De goederen, die wij aan boord hadden, onze koers, de wijze waarop wij ons vertoonden en deze en die havens binnenliepen, onze zwakke bemanning en weinige krijgsbehoeften en leeflogt, alles had iedereen moeten overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De opium en andere goederen, die wij aan boord hadden, bewezen dat wij van Bengalen kwamen; de Hollander, die, naar men zeide, de namen kende van het volk, dat op het schip was geweest, kon gemakkelijk zien, dat ons volk uit Engelschen, Portugezen en Hindoes bestond, en dat wij slechts twee Hollanders aan boord hadden. Deze en vele andere bijzonderheden hadden een kapitein, als wij in zijne handen gevallen waren, moeten overtuigen, dat wij geene zeeschuimers waren. Maar de vrees, die blinde en nuttelooze hartstogt, verbijsterde ons geheel en al, en spiegelde ons duizend ijselijkheden voor, die misschien nimmer konden gebeuren. Wij onderstelden, dat de Engelschen en Hollanders, vooral de laatsten, zoo woedend waren, dat wij hunne sloepen afgeslagen hadden, dat zij zich met geen onderzoek zouden inlaten, of wij zeeroovers waren of niet, maar ons ter dood brengen, zonder naar onze verdediging te hooren. Wij hielden ons voor, dat werkelijk in vele opzigten de schijn zoo tegen ons was, dat zij aan geen verder onderzoek zouden denken. Vooreerst toch was het schip hetzelfde, gelijk sommige zeelieden wisten, die er aan boord geweest waren; en ten tweede, dat toen wij de tijding kregen, dat hunne sloepen op ons afkwamen, wij deze bevochten en daarop de vlugt kozen, zoodat dit hen ten volle overtuigen moest, dat wij zeeroovers waren; gelijk ik in hun geval niet aarzelen zou, al het scheepsvolk, dat in zulke omstandigheden gevangen genomen werd, daarvoor te houden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Hoe het ook zij, deze angst kwelde ons; en zoowel mijn compagnon als ik droomden schier elken nacht van galg en strop en gevangenneming, van te dooden of gedood te worden, en op zekeren nacht werd ik in mijnen droom zoo woedend, dat ik meende, dat een Hollandsch schip ons enterde en ik een matroos nedervelde, dat ik met mijne vuist zoo geweldig tegen het beschot van de kajuit, sloeg, dat ik mij geweldig kneusde. De pijn deed mij ontwaken, en ik vreesde eerst, dat ik twee vingers verliezen zou. Nog eene vrees kwelde mij, namelijk die voor eene wreede behandeling. Toen herinnerde ik mij den moord van Amboina, en hoe wreed de Hollanders daar te werk waren gegaan, en hoe zij thans eenige onzer ook ligt door pijnigingen de bekentenis konden afpersen, dat wij zeeroovers waren, en dan zouden zij ons met eenen schijn van regt ter dood brengen; de winst van ons schip en lading was eene groote verzoeking hiertoe, want met elkander was dit wel vier of vijfduizend Pond st. waardig. Dit alles ontrustte mijn compagnon en mij dag en nacht. Wij troostten ons met de gedachte, dat koopvaardijkapiteins het regt niet hebben, om zoo te handelen, en dat, als wij ons aan hen gevangen gaven, zij onzen dood of pijniging zouden moeten verantwoorden in hun land; maar als zij ons zoo behandelden, wat kon het ons baten, dat zij daarvoor ter verantwoording geroepen werden; als wij dood waren, wat baatte het ons of zij daarvoor later gestraft werden.

Ik kan niet nalaten hier mijne gedachten te vermelden over mijne omstandigheden, hoe hard ik het achtte, dat ik, die na een veertigjarig leven vol ongemakken, als het ware in de haven gekomen, waarnaar iedereen verlangt, namelijk die van rust en overvloed, vrijwillig door mijne eigene dwaze verkiezing, nieuwe rampen in den mond was geloopen, vooral dat ik, die in mijne jeugd aan zoovele gevaren ontkomen was, nu op mijnen ouden dag, in zulk eene afgelegene plaats opgehangen moest worden, voor eene misdaad, waaraan ik niet eens gedacht, laat staan die begaan had, zonder dat mijne onschuld mij kon beschermen.

Somwijlen bedacht ik, dat ik mij aan alles wat de Voorzienigheid over mij besloten had, moest onderwerpen, en dat, hoezeer ook onschuldig voor de menschen, ik echter niet schuldeloos voor mijnen Schepper was, en dat ik behoorde na te gaan door welken misstap ik mij deze straf op den hals had gehaald, en mij daaraan te onderwerpen, even als aan eene schipbreuk of anderen rampspoed, die het God behagen mogt mij toe te zenden.

Op andere tijden kwam de stoutmoedigheid boven, en dan nam ik het besluit, om mij niet in koelen bloede door onmededoogende lieden te laten mishandelen; beter ware het in de handen der kannibalen te vallen, die mij dooden en verslinden, maar niet onmenschelijk pijnigen zouden. Ik had altijd besloten, mij tegen de wilden tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen, en waarom dan nu niet, daar het mij althans vreeselijker toescheen in de handen der Europeërs te vallen. Als deze gedachten bij mij opkwamen, begon mijn bloed te koken en mijne oogen te fonkelen, en ik besloot, mij zoolang te verdedigen als ik kon, en als dit niet langer mogelijk was, het schip in de lucht te laten springen.

Maar hoe heviger onze bekommering hierover was, des te grooter was onze vreugde toen wij behouden aan wal waren. Mijn compagnon zeide, dat hij gedroomd had, hoe hij met eene zware lading een heuvel moest opstijgen, en dat zijne krachten hem begaven, maar toen kwam de Portugesche loods en nam hem zijne lading af, en zijn weg werd effen. En waarlijk ons allen was een pak van het hart genomen. Ook ik was van eenen last ontheven, dien ik niet langer kon dragen, en wij besloten niet weder met dit schip in zee te gaan. Toen wij aan wal waren, bezorgde de Portugees, dien wij thans als een vriend beschouwden, ons een verblijf voor ons en een pakhuis voor onze goederen; het was een klein huis met een groot huis er aangetrokken, geheel van bamboes gebouwd en rondom met groote bamboezen gepalissadeerd, om de dieven te weren, die daar naar het schijnt in overvloed waren. De overheid stond ons echter bovendien een wacht toe, namelijk een soldaat, die met eene soort van hellebaard voor de deur op schildwacht stond, en dien wij eenige rijst en eenig geld, ter waarde van drie stuivers dagelijks, gaven, zoodat onze goederen veilig waren.

De gewone jaarmarkt was hier reeds voorbij, echter vonden wij eenige jonken op de rivier en twee schepen uit Japan met goederen, die zij in China gekocht hadden, en die nog niet vertrokken waren, omdat de eigenaars zich aan wal bevonden.

Het eerste wat onze loods deed, was, dat hij ons in kennis bragt met drie Roomsche zendelingen, die eenigen tijd in de stad geweest waren, om de inboorlingen te bekeeren. Ik geloof, dat zij weinig bekeerlingen maakten, doch dit ging ons niet aan. Een hunner was een Franschman, vader Simon genaamd, een hupsch, opgeruimd man, en van geen zoo ernstig en statig voorkomen als de twee anderen, een Genuees en een Portugees. Vader Simon was beleefd en vrolijk in gezelschap; de anderen waren terughoudender en schenen ijverig in hunne zaak, namelijk om met de inboorlingen om te gaan en met hen te spreken. Wij aten dikwijls met hen, maar ik moet bekennen, dat schoon hunne bekeeringen zich meestal bepaalden met den naam van Christus te leeren uitspreken, eenige gebeden tot de H. Maagd en Christus te doen, in eene taal, die zij niet verstonden, deze zendelingen echter vast vertrouwen, dat dit tot het eeuwig heil van hunne bekeerlingen strekt. In dit vertrouwen verduren zij niet alleen de moeijelijkheden der reis en de gevaren aan hun verblijf alhier verknocht, maar zij ondergaan soms welgemoed den dood en de akeligste folteringen. Hoe wij ook over hunnen arbeid denken, wij moeten altijd eerbied hebben voor hunnen ijver, die hen zoovele gevaren doet trotseren, zonder eenig uitzigt op wereldlijk voordeel.

Doch om tot mijn verhaal terug te keeren. Vader Simon was, naar het schijnt, door den superior der zending gelast, om naar Peking, het verblijf van den keizer, te gaan, en daar een ander priester af te wachten, die van Macao derwaarts zou gaan; en dan met dezen verder te trekken. Wij spraken hem bijkans nimmer of hij drong bij ons aan, om met hem die reis te doen, zeggende, dat hij mij alle merkwaardigheden van dit magtige rijk, en onder anderen de grootste stad der wereld zou laten zien; "eene stad," zeide hij, "veel grooter dan Londen en Parijs te zamen." Hier meende hij Peking mede, dat zeker zeer groot en ontzettend bevolkt is, maar daar ik de zaken niet zoo als alle menschen beschouw, zal ik mijn gevoelen in het vervolg mijner reis daarover zeggen.

Om tot mijnen zendeling weder te keeren. Op zekeren dag, dat wij zamen vrolijk aan tafel zaten, toonde ik eenigen flaauwen lust, om met hem mede te gaan, en hij drong er bij mij en mijnen compagnon op nieuw sterk op aan. "Maar vader Simon!" zeide mijn compagnon, "hoe verlangt gij zoo naar ons gezelschap? Gij weet, dat wij ketters zijn, die gij niet liefhebben kunt, noch met genoegen er mede in gezelschap zijn."—"O," antwoordde hij, "misschien wordt gij met den tijd nog goede katholijken; mijne taak is hier de heidenen te bekeeren, wie weet of ik u ook nog niet bekeer?"—"Mooi, vader!" zeide ik, "dan zult gij ons den geheelen weg over voorprediken?"—"Ik zal u niet tot last zijn," zeide hij. "Onze godsdienst belet ons niet welvoegelijk te zijn; bovendien zijn wij hier, als het ware, landslieden, en schoon gij een protestant zijt en ik een katholijk ben, zijn wij toch beide Christenen, en in allen geval beide beschaafde lieden, en dus kunnen wij met elkander omgaan, zonder elkander tot last te zijn." Dit antwoord beviel mij zeer, en deed mij denken aan den jongen priester, dien ik in Brazilië achtergelaten had; doch bij wiens karakter dat van vader Simon niet halen kon, want schoon men hem geene laakbare ligtgeloovigheid kon te last leggen, bezat hij echter niet dien Christelijken ijver en die opregte godsvrucht en vroomheid van dien waardigen geestelijke.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Wij zullen hem een oogenblik daarlaten, schoon hij nimmer ophield met aandringen, dat ik met hem zou gaan; maar wij hadden thans andere zorgen; want ons schip en onze lading lag ons nog op den hals, en wij wisten niet wat wij er mede doen zouden, want op deze plaats was weinig handel, en eens stond ik op het punt om naar Nanking te zeilen; doch de Voorzienigheid scheen thans zigtbaar voor ons te waken, en ik begon te hopen eenmaal mijn vaderland te zullen wederzien, schoon ik nog niet wist op welke wijze. In de eerste plaats bragt onze oude Portugesche loods een Japanschen koopman bij ons, die ons vroeg, welke goederen wij hadden. Hij kocht ons dadelijk al onzen opium af tot een zeer goeden prijs, en betaalde ons in goud, bij het gewigt, gedeeltelijk in Japansche muntstukjes, en gedeeltelijk aan staafjes van tien of twaalf oncen. Terwijl wij met hem over den opium handelden, kwam het bij mij op, dat hij het schip misschien ook wel koopen wilde, en ik zeide den tolk, om hem dit voor te slaan. Hij haalde bij het eerste voorstel de schouders op; maar hij kwam eenige dagen daarna terug met een van de zendelingen, om hem tot tolk te dienen, en zeide, dat hij mij eenen voorslag te doen had. Hij had namelijk eene menigte goederen van ons gekocht, zonder eenige gedachten te hebben, dat hem het schip te koop zou geboden worden; en hij had er dus nu geen geld voor; maar als wij hetzelfde volk daar aan boord wilden laten, wilde hij het schip huren, om naar Japan te gaan, en het vandaar met eene andere lading, waarvan hij de vracht betalen zou, naar de Philippijnsche eilanden zenden, en als het terugkwam zou hij het schip koopen. Ik had hier wel ooren naar, en zoo zat het zwerven mij nog in het hoofd, dat ik lust kreeg, om mede te gaan, en van de Philippijnsche eilanden naar de Zuidzee te gaan, en dus vroeg ik aan den Japanees, of hij ons niet huren wilde tot aan de Philippijnsche eilanden en ons daar ontslaan. Hij zeide neen, want dan kon hij geene retour voor zijne lading krijgen, maar hij wilde ons in Japan, als het schip terugkwam, wel ontslaan. Ik stond op het punt, om hierin toe te stemmen, maar mijn compagnon, die verstandiger was dan ik, bragt er mij van af, en hield mij de gevaren voor, zoowel van deze zeeën als van de Japanezen, die een wreed, arglistig volk zijn, en van de Spanjaarden op de Philippijnsche eilanden, die nog veel wreeder, arglistiger en verraderlijker zijn.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Om dit verhaal van onze zaken te bekorten, moet ik vermelden, dat wij eerstelijk den kapitein en het volk vroegen of zij genegen waren, om naar Japan te gaan, en terwijl dit gebeurde, kwam de jonge man, dien mijn neef, gelijk ik verhaald heb, bij mij achtergelaten had, bij mij en zeide, dat hij deze reis als zeer voordeelig zullende zijn beschouwde, en dat hij gaarne zou zien, dat ik medeging, maar als ik dit niet wilde, maar hem verlof geven, dat hij dan als koopman mede zou gaan, of zoo als ik zou goedvinden, om hem aan te stellen, dat zoo hij in Engeland terugkwam en mij daar in leven vond, hij mij getrouwe rekening zou afleggen, en dat ik hem dan kon afstaan wat ik wilde. Ik had weinig lust, om van hem te scheiden, maar als ik de voordeelige vooruitzigten overwoog, en dat hij een jongman was, op wien men rekenen kon, besloot ik er toe, maar zeide, dat ik eerst mijn compagnon wilde spreken, en hem den volgenden dag zou antwoorden. Mijn compagnon deed mij een zeer edelmoedig voorstel. "Gij weet," zeide hij, "dat dit een ongelukkig schip is, en dat wij er niet weder mede in zee willen steken; als uw hofmeester (zoo noemde hij hem) het wagen wil, zal ik mijn aandeel in het schip aan hem overlaten, en als wij elkander in Engeland aantreffen, en het is hem wel gegaan, zal hij ons de helft van de lading verantwoorden en de andere helft zal voor hem zijn."

Toen mijn compagnon, voor wien de jonge man een vreemdeling was, zulk een voorstel deed, kon ik niet wel minder doen, en daar al het scheepsvolk de reis wilde doen, droegen wij de helft van het schip aan hem in eigendom over, en ik liet hem eene verbindtenis teekenen voor de andere helft, en daarop vertrok hij naar Japan. De Japansche koopman was een zeer braaf, eerlijk man; hij beschermde hem te Japan en bezorgde hem eene vergunning om aan den wal te komen, hetgeen voor eenen Europeër zeer moeijelijk gaat. Hij betaalde prompt de vracht, en zond hem toen naar de Philippijnsche eilanden met Japansche en Chinesche goederen, waarvoor hij van de Spanjaarden Europesche goederen en eene menigte nagelen en specerijen inhandelde; en toen hij te Japan teruggekomen was en eene zeer goede vracht ontving, en hij geen lust had om het schip te verkoopen, bezorgde de koopman hem goederen voor zijne eigene rekening, waarmede hij weder naar Manilla ging. Hier wist hij zijn schip vrij te krijgen en de gouverneur huurde het, om naar Acapulco op de kust van Mexico te gaan; en gaf hem eene vergunning, om aldaar te landen, naar Mexico te gaan, en op een Spaansch schip met al zijn volk naar Europa te gaan. Hij kwam gelukkig te Acapulco en verkocht daar zijn schip, en ontving verlof om te land naar Porto Bello te gaan, vanwaar hij kans zag, om naar Jamaica te komen, en acht jaren later kwam hij als een schatrijk man in Engeland. Doch ik keer tot onze zaken terug.

Nu wij het schip en scheepsvolk verlieten, moesten wij natuurlijk denken, hoe wij de twee mannen beloonen zouden, die ons zoo van pas gewaarschuwd hadden, voor het gevaar, dat wij op de rivier Cambodia liepen. Het was waar, dat zij ons eene groote dienst gedaan en wij hun veel schuldig waren; schoon het toch een paar groote schurken waren, want daar zij geloofden dat wij zeeroovers en werkelijk met het schip doorgegaan waren, kwamen zij ons niet alleen waarschuwen voor hetgeen men tegen ons voornemens was, maar om met ons als zeeroovers in zee te steken; en een hunner liet zich naderhand eens ontvallen, dat alleen de hoop om op zeeroof uit te gaan hem daartoe had overgehaald. Dit verminderde echter de dienst niet, die zij ons bewezen hadden, en daar ik beloofd had hun dankbaar te zullen zijn, gelastte ik hun eerst de gaadje te betalen, die zij zeiden, dat zij op hun vorig schip te goed hadden gehad, dat wil zeggen den Engelschman negentien en den Hollander zeven maanden gaadje; en bovendien gaf ik hun eenig goud, waarmede zij zeer tevreden waren, en maakte den Engelschman konstapel aan boord, daar de konstapel thans tweede stuurman en schrijver was geworden, en den Hollander maakte ik bootsman. Zoo waren zij beide zeer in hun schik en tevens van veel dienst, want het waren bekwame zeelieden en moedige kerels.

Wij waren thans in China aan wal. Zoo ik in Bengalen mij ver van mijn vaderland had geacht, waar ik op verschillende wijzen voor mijn geld naar huis kon keeren, wat moest ik dan nu denken, nu ik er ongeveer duizend mijlen verder af was, en zonder eenig vooruitzigt om derwaarts te kunnen gaan. Het eenigste was dat er op de plaats waar wij waren, over vier maanden weder eene markt zou gehouden worden, waarop wij allerlei goederen konden inslaan, en welligt een of andere Chinesche jonk koopen, om ons te brengen waar wij wilden. Ik besloot dus hierop te wachten, en misschien, daar wij voor onze personen niets te vreezen hadden, konden wij, als een Hollandsen of Engelsen schip hier kwam, onze goederen daarin laden en er mede hier of daar in Indië komen, waar wij altijd digter bij huis waren. In afwachting daarvan deden wij tot ons vermaak twee of drie reizen landwaarts in. Eerstelijk deden wij een reis van tien dagen naar Nanking om dat te zien, eene stad die het wel verdient. Men Zegt, dat het een millioen bewoners heeft, wat ik echter niet geloof; de stad is regelmatig gebouwd, met regte straten, die elkander regthoekig doorsnijden, hetgeen zeer goed staat.

Toen ik echter de jammerlijke bewoners met onze landgenooten vergeleek, hunne fabrieken, hunne levenswijs, hunne regering, hunne godsdienst, hun rijkdom en pracht (gelijk men die somtijds noemt), dan moet ik bekennen, dat die geene melding verdient, en evenmin waardig is beschreven als gelezen te worden. Het is opmerkelijk, dat wij ons altijd zoo verwonderd hebben over de grootheid, rijkdom, luister, ceremoniën, regering, manufacturen, handel en zeden van dit volk; niet omdat dit alles zoo bewonderenswaardig is, maar omdat wij aldaar niet die onbeschaafdheid en domheid vinden, die wij algemeen in dit werelddeel verwachten. Maar anders, wat zijn hunne gebouwen bij de paleizen en vorstelijke gestichten van Europa? Wat is hun handel bij dien van Engeland, Holland, Frankrijk en Spanje? Wat zijn hunne steden bij de onze, ten aanzien van rijkdom, sterkte, vrolijk voorkomen, rijke meubelen en verscheidenheid? Wat zijn hunne havens, waarin eenige jonken en sloepen liggen, bij onze zeevaart? Londen alleen drijft meer handel dan geheel het Chinesche rijk. Een Engelsch, Hollandsch of Fransch oorlogschip van 80 stukken zou heel de Chinesche zeemagt vernielen. Maar hun rijkdom, handel, krachtige regering en sterk leger wekt onze verbazing, omdat wij gewoon zijn hen als onbeschaafde Heidenen, weinig beter dan wilden te beschouwen, en dus niets van dien aard bij hen verwachten. Uit dit oogpunt heeft men al hunne grootheid en magt beschouwd. Met hun leger is het even als met hunne zeemagt gesteld; al hunne strijdkrachten, al bragten zij ook twee millioen op de been, zou niets uitrigten dan het land vernielen en uithongeren. Als zij eene sterke vesting of een goed gedisciplineerd leger moesten bevechten, zou een gelid zware ruiterij al de Chinesche ruiterij over hoop werpen; een milloen van hun voetvolk zou geen stand houden tegen een troep van ons voetvolk, als dit niet omsingeld kon worden, al waren zij een tegen twintig. Ik snoef niet als ik zeg, dat dertigduizend man voetvolk en tienduizend ruiters al de legers van China zouden verslaan. Even ver gaan wij hen in vestingbouwkunde te boven; geen vesting in China zou het eene maand tegen een Europeesch leger uithouden, en al de magt van China zou Duinkerken niet kunnen innemen, in geen tien jaren zelfs, ten ware door het uit te hongeren. Zij hebben zeker geweren, maar het zijn lompe, slecht gemaakte stukken, en hun kruid draagt niet ver. Hunne soldaten zijn zonder tucht, ongeoefend, even onbekwaam tot aanval als tot verdediging. Ik verwonderde mij derhalve niet weinig, toen ik te huis gekomen zoo veel fraais hoorde van de magt, luister en rijkdom der Chinezen, daar ik wist dat het een verachtelijke troep slaven was, onder eene regering alleen in staat zulk een volk te regeren. Ware China niet zoo ver van Rusland, en ware dit land zelf niet nog zoo onbeschaafd, dan kon de Czaar van Rusland hen allen met gemak in een veldtogt uit hun land drijven en dit veroveren. Zoo Czaar Peter I dezen kant uit oorlog gevoerd had, in plaats van zich met de krijgshafte Zweden in te laten, zou hij thans Keizer van China kunnen zijn, in stede van door den Koning van Zweden te Nerva geslagen te zijn met eene zes maal mindere magt. Even als hunne kracht en grootheid zoo is ook hun handel, zeevaart en landbouw zeer gebrekkig, bij die van Europa vergeleken; even zoo is het met hunne wetenschappelijke kennis; zij bezitten aard- en hemelglobes en weten iets van de wiskunde, maar hoe onwetend vindt men al hunne geleerden bij nader onderzoek. Van de beweging der hemelligchamen weten zij niets, en zij zijn zoo dom, dat zij bij eene zonsverduistering zich verbeelden, dat eene groote draak met de zon vecht, en daarom slaat iedereen op trommen en ketels om het monster te verjagen, even als wij doen om een bijenzwerm bijeen te houden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Deze uitweiding is de eenigste van dien aard, die ik in het verhaal van al mijne reizen gedaan heb, en zij zal de laatste zijn. Het ligt niet in mijn bestek meer beschrijvingen van landen en volken te geven, maar alleen een verslag te geven van mijne eigene lotgevallen, gedurende een zoo wisselvallig en onrustig leven als men zelden zien zal. Ik zal dus niets zeggen van de vele volkeren, belangrijke plaatsen en eenzame landstreken, die ik nog moet doortrekken, anders dan voor zoo verre het tot regt verstand van mijn verhaal vereischt wordt. Ik was thans, naar mijne beste schatting in het hart van China, ongeveer 30° noordwaarts van de linie, want wij waren naar Nanking teruggekeerd. Ik had wel lust om Peking te zien, daar ik zoo veel van gehoord had, en vader Simon spoorde er mij alle dagen toe aan. Eindelijk was de andere zendeling, die met hem mede moest gaan, van Macao aangekomen, en het werd tijd, dat wij besloten al of niet te gaan. Ik liet het geheel aan mijn compagnon over, die eindelijk besliste, dat wij gaan zouden, en wij maakten ons dus daartoe gereed. Wij ontvingen verlof om in het gevolg van een mandarijn te reizen, een soort van Onderkoning of Gouverneur van eene provincie, die eene groote staatsie houdt, en met groot gevolg reist. Het volk bewijst hun veel eer, schoon zij het dikwijls vrij wat verarmen, want al de gewesten, die zij doortrekken, zijn verpligt hun levensmiddelen voor hen en hun gevolg te verschaffen. Wat ons betrof, als tot het gevolg van den mandarijn behoorende, ontvingen wij levensmiddelen genoeg, zoo voor ons als onze paarden; maar wij waren verpligt alles naar den marktprijs van het gewest te betalen aan des mandarijns hofmeester of opzigter, die dit van ons afeischte; zoodat, schoon het reizen in zijn gevolg voor ons zeer aangenaam was, het echter niet alleen eene gunst van hem, maar ook zeer voordeelig voor hem was, aangezien er nog dertig lieden even als wij in zijn gevolg of onder zijne bescherming reisden. Dit was zeer voordeelig voor hem, want het gewest gaf hem allen leeftogt om niet, en hij nam ons er ons geld voor af.

Wij deden in vijfentwintig dagen de reis naar Peking, door een zeer bevolkt, maar slecht bebouwd land; de akkerbouw en levenswijze waren er even ellendig, hoe breed men ook van de nijverheid van dit volk opgeeft; ik zeg ellendig als wij hunne levenswijze bij de onze vergelijken of zoo moesten leven, maar voor hen, die niet beter weten, is zij dit niet. De hoogmoed van dit volk is geweldig, en wordt alleen door hunne armoede overtroffen, hetgeen hun leven nog ellendiger maakt. De naakte wilden in Amerika leven, dunkt mij, gelukkiger, want schoon deze niets hebben, begeeren zij ook niets, terwijl de Chinezen trotsch en onbeschoft en voor het meerendeel smerige bedelaars zijn. Hunne opgeblazenheid is ongeloofelijk en blijkt hoofdzakelijk in hunne kleeding en gebouwen en in het houden van eene menigte slaven of bedienden, en, wat nog het bespottelijkste is, dat zij alles in de wereld verachten behalve zichzelven. Ik reisde naderhand met veel meer genoegen door de wildernissen en woestijnen van Tartarijë dan hier; schoon de wegen zeer goed bestraat en onderhouden zijn, en zeer gemakkelijk voor reizigers; maar niets hinderde mij meer dan het zien van zulk een opgeblazen trotschheid, te midden van de grootste armoede en domheid. Mijn vriend, vader Simon, en ik lachten zeer dikwijls om de armoede en trotschheid van dit volk. Een blijk hiervan zagen wij bij een landedelman, gelijk vader Simon hem noemde, ongeveer tien mijlen van Nanking, met welke wij een paar mijlen gereden hadden. Hij was een volmaakte Don Quichot, een zamenstel van armoede en grootschheid.

Zijn rok was zeer goed geweest voor een hansworst, want hij was vol lappen en gaten. Zijn onderkleed van zijde was zoo smerig, dat Zijn Hoog-Edele een allergrootste smeerpoets moest zijn. Zijn paard was een manke, magere knol, zoo als men in Engeland voor dertig schellingen kan koopen, en twee slaven volgden hem te voet om het beest voort te drijven. Hij had een zweep in de hand, waarmede hij het even hard van voren sloeg als zijne slaven van achteren, en zoo reed hij met ons, gevolgd door tien of twaalf slaven. Wij vernamen, dat hij van de stad naar zijn landverblijf, eene halve mijl verder op, ging. Wij reden langzaam en onze edelman reed ons vooruit, en daar wij een uur in een dorp gebleven waren om te ontbijten, zagen wij hem, toen wij zijn landhuis voorbijkwamen, op een pleintje voor de deur aan den maaltijd zitten; het was een soort van tuin, en wij zagen hem ligtelijk, gelijk men ons ook zeide, dat hoe meer wij naar hem zagen, hoe aangenamer het hem zijn zou.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Hij zat onder eene soort van palmboom, die hem schaduw gaf, echter had hij nog een groot zonnescherm boven zich. Hij zat in een grooten leuningstoel, want hij was zeer zwaarlijvig, en twee slavinnen bragten zijn eten op, terwijl twee anderen bezig waren met eene dienst, waarop, geloof ik, weinig heeren in Europa gesteld zouden zijn; de een namelijk stopte hem het eten in den mond, en de andere hield met de eene hand den schotel, en nam met de andere op hetgeen in zijn baard of op zijn kleed viel.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Wij lieten hem in den waan, dat wij over zijne pracht verrukt waren, terwijl wij die belachten, maar vader Simon wilde weten wat hij op zulk een feestdag at, en hij had, gelijk hij zeide, de eer gehad er van te mogen proeven; het was gekookte rijst met groene peper en eene specerij, die naar muskus riekt en bijkans als mostaard smaakt. Dit alles was met een stukje schapenvleesch door elkander gekookt, en uit dezen enkelen schotel bestond zijn geheele maaltijd. Vier of vijf dienstboden stonden op een afstand, waarschijnlijk op het overschot te wachten.

Wat den mandarijn betreft, met wien wij reisden, deze werd als een vorst geëerd; hij was altijd door zijn stoet zoo omringd en zoo bediend, dat ik hem altijd slechts op een afstand kon zien. Ik heb echter geen enkel paard in zijn gevolg gezien, dat bij een onzer gewone karrenaarden halen kon; maar zij waren allen zoo bedekt met mantels en kleeden, dat men weinig anders dan den kop en de pooten van hen zien kon.

Ik was thans welgemoed; bevrijd van al mijne onrust, reisde ik thans zeer opgeruimd, ook had ik geenerlei wederwaardigheden, dan dat bij het rijden door eene beek mijn paard viel en mij burger maakte, gelijk men zegt; dat wil zeggen, mij er in wierp; het was niet diep, maar ik werd door en door nat. Ik maak hiervan gewag, omdat ik in mijn zakboek verscheidene namen van volken en plaatsen had opgeschreven, en daar ik die bladen niet droogde, verrotten zij, en tot mijn spijt verloor ik zoo de namen van verscheidene plaatsen, die ik doorgetrokken was.

Eindelijk kwamen wij te Peking. Ik had niemand bij mij dan den jongeling, dien mijn neef den kapitein, mij tot mijne bediening had achtergelaten, die even trouw als schrander was; en mijn compagnon had slechts een dienstbode, die aan hem verwant was, bij zich. Daar de Portugesche loods ook verlangde het hof te zien, deed hij de reis op onze kosten, en hij diende ons als tolk, want hij sprak de taal van het land en zeer goed Fransch, en een weinig Engelsch. Deze oude man was ons zeer nuttig, want naauwelijks waren wij eene week te Peking of hij kwam lagchende bij mij en zeide: "O, senhor Inglese, ik heb u iets te zeggen, dat u bijzonder verheugen zal."—"Mij verheugen," zeide ik, "ik geloof niet, dat hier te lande mij iets bijzonder verheugen of bedroeven kan."—"Ja, ja," zeide hij, "het zal u blijde en mij bedroefd maken." Dit maakte mij nieuwsgierig. "Waarom zal het u bedroefd maken?"—"Omdat," zeide hij, "gij mij hier, vijfentwintig dagreizen ver, gebragt heb, en ik nu alleen zal moeten terugkeeren, zonder schip, zonder paard, zonder geld."—Kortom hij verhaalde mij, dat eene groote karavaan van Russische en Poolsche kooplieden in de stad was, die over vier of vijf weken te land naar Rusland zouden gaan, en hij achtte het als zeker, dat ik deze gelegenheid te baat zou nemen en hem alleen laten terugkeeren. Ik moet bekennen, dat dit nieuws mij onbeschrijfelijk verraste en mij eene poos sprakeloos maakte, maar eindelijk zeide ik: "Zijt gij daar zeker van? Hoe weet gij dat?"—"Ik heb dezen morgen een Armeniër ontmoet," hernam hij, "die onlangs van Astracan gekomen is, en naar Nanking wilde, waar ik hem vroeger heb leeren kennen; maar deze heeft thans zich bedacht en besloten met de karavaan naar Moscou, en zoo den Wolga af naar Astracan te gaan."—"Kom senhor," zeide ik, "wees niet ongerust over uwe terugreis; als ik langs dezen weg naar Engeland kan terug komen, behoeft gij niet weder naar Macao te gaan als gij niet wilt." Ik raadpleegde daarop mijn compagnon en vroeg hem wat hij er van dacht. Hij zeide, dat hij juist zoo handelen zou als ik, want hij had zijne zaken in Bengalen zoo goed geschikt, en in zulke vertrouwde handen achtergelaten, dat als wij de winst van onze reis in ruwe en gewerkte Chinesche zijde konden steken, hij gaarne naar Engeland wilde gaan, en vandaar met een compagniesschip naar Bengalen terugkeeren.

Na dit bepaald te hebben, besloten wij, dat als onze Portugesche loods wilde mede gaan, wij de reiskosten voor hem tot Moscou of Engeland zouden dragen; en dit was het minste wat wij voor hem konden doen voor de vele diensten, die hij ons bewezen had. Niet alleen was hij onze loods op zee, maar aan den wal onze makelaar geweest, en met ons den Japanschen koopman te brengen, had hij ons honderden guinjes in den zak gebragt. Wij besloten dus hem bovendien eenige staafjes goud te geven, ter waarde ongeveer van 175 Pond St. en de reiskosten voor hem en zijn paard, uitgezonderd alleen den aankoop van een pakpaard voor zijne goederen, te dragen. Wij riepen hem daarop om hem dit te verhalen. Ik zeide, dat hij gevreesd had dat wij hem alleen zouden laten terugkeeren, maar dat wij besloten hadden hem in het geheel niet te laten terugkeeren; dat wij besloten hadden naar Europa met de karavaan terug te keeren, en dat hij zou mede gaan, en nu wenschten wij te weten hoe hij er over dacht. Hij schudde het hoofd, zeide dat het eene lange reis was, en dat hij geen geld had om die te doen, noch om van te leven als hij daar kwam. Wij zeiden dat dit wel zoo was, maar dat wij daarom besloten hadden iets voor hem te doen, ten bewijze hoezeer wij zijne gedane diensten erkenden, en hoe veel wij van hem hielden. Ik zeide hem vervolgens wat wij hem wilden geven, en dat hij even als wij kon besteden, en dat wij hem en zijne goederen, buiten onvoorziene toevallen, in Rusland of Engeland zoude brengen, op onze kosten, behalve alleen het vervoeren van zijn eigen goed.

Hij was hierover verrukt, en zeide, dat hij de geheele wereld met ons wilde doortrekken, en derhalve maakten wij alles gereed tot onze reis. Even als wij hadden de andere kooplieden echter veel te doen, zoodat in plaats van vijf weken het ruim vier maanden duurde, alvorens alles gereed was.

Het was in het begin van Februarij, toen wij Peking verlieten. Mijn compagnon was met den ouden loods naar de haven, die wij eerst waren binnengeloopen, teruggekeerd, om eenige goederen, die daar gebleven waren, te verkoopen, en ik was met een Chineschen koopman, dien ik te Nanking ontmoet had, en die thans naar Peking was gekomen, naar Nanking gegaan, waar ik negentig stukken zware zijde, en nog tweehonderd stukken zeer fraaije zijde, waaronder met goud doorwerkt, kocht, en die tegen dat mijn compagnon terug kwam naar Peking terug bragt. Bovendien kochten wij eene groote menigte ruwe zijde en eenige andere goederen. Onze lading bedroeg alleen hieraan de waarde van drieduizend vijfhonderd Pond St., waarmede wij, met thee en eenige fijne calicots en drie kameelladingen nootmuskaten en nagelen, in het geheel achttien kameelen voor onze rekening belaadden, behalve die waarop wij reden, en twee of drie handpaarden en twee paarden met levensmiddelen, waardoor wij in het geheel zesentwintig kameelen en paarden hadden.

De karavaan was zeer groot en bestond naar ik meen uit ongeveer drie- of vierhonderd paarden en kameelen en honderdtwintig man, allen goed gewapend en uitgerust, want even als de karavanen in het Oosten dikwijls door Arabieren worden aangevallen, zoo worden deze door Tartaren, schoon deze niet zoo gevaarlijk zijn als de Arabieren, noch zoo barbaarsch na de overwinning. De karavaan bestond uit personen van verschillende natiën, voornamelijk Russen, want er waren meer dan zestig kooplieden uit Moscou, waarvan eenige echter Lijflanders waren, en tot ons genoegen waren er vijf Schotten, die lieden van veel ervaring en moed schenen te zijn.

Na een dag reizens riepen de gidsen, die vijf in getal waren, al de passagiers, behalve de dienstboden, tot een grooten raad bijeen, zoo als zij het noemden. Iedereen gaf daarbij eenig geld tot eene algemeene kas, om onder weg voeder te koopen, de gidsen te betalen, paarden te huren en dergelijke. En wijders werd hier de orde van de reis geregeld, namelijk er werden officieren benoemd, om ingeval van een aanval het bevel te voeren, en ieder had op zijne beurt het bevel. Dit was ook een maatregel die zeer noodig was, gelijk in het vervolg blijken zal.

Wij vonden hier het land overal zeer bevolkt, en vol pottebakkers en lieden, die de aarde voor het porselein mengden; en eens kwam onze Portugesche loods, die altijd op eene grap uit was, met een lagchend gezigt bij mij, en zeide, dat hij mij de grootste merkwaardigheid des lands zou laten zien, en dat ik na al het kwaad, dat ik al van China gezegd had, zou moeten bekennen, dat ik iets gezien had, welks wederga in de wereld niet te vinden was. Ik was zeer nieuwsgierig wat het was, en eindelijk zeide hij het was een huis van porselein.—"Zoo," zeide ik, "dat is mogelijk. Hoe groot is het? Kunnen wij het in een kist op een kameel pakken? Dan wil ik het koopen."—"Op een kameel laden!" riep de oude man, de handen ineenslaande, "er leeft een huisgezin van dertig zielen in."

Ik werd toen nog veel nieuwsgieriger, maar toen ik er bij kwam, was het niets dan een gewoon houten huis of wel van latten en leem gebouwd, doch met echt porselein gepleisterd, of liever met de klei waarvan het porselein gemaakt wordt. De buitenzijde, waarop de zon brandde, was verglaasd en zag er zeer goed en helder wit uit en was met blaauwe figuren beschilderd, gelijk men op het groote porselein ziet. Van binnen waren geen beschotten van hout, maar de muren waren met geschilderde platte tegels belegd, gelijk onze vierkante muurtegels, allen van het fijnst porselein en zeer fraai beschilderd, met allerlei kleuren, met goud doormengd; verscheidene steentjes vormden slechts eene figuur, maar zij waren zoo kunstig met cement van dezelfde klei vereenigd, dat men de voegen moeijelijk ontdekken kon. In de kamers was de vloer even zoo, en volmaakt effen en hard, maar niet verglaasd en geschilderd, behalve in eenige kamertjes of kabinetjes, die geheel in het rond op gelijke wijze gepleisterd waren, en ook het dak was met soortgelijke, maar donkerzwarte tegels belegd.

Dit mogt inderdaad een porseleinen pakhuis heeten, en zoo ik niet verder had moeten trekken, zou ik eenige dagen met de bezigtiging hebben kunnen besteden. Men zeide mij dat er in den tuin fonteinen en vijvers waren, waarvan de bodem en de zijden even zoo geplaatst waren, terwijl de paden bezet waren met beelden van dezelfde porseleinaarde gevormd en in hun geheel gebakken. Daar dit een der merkwaardigheden van hun land is, mogen zij er zeker wel op roemen, maar zij overdrijven geweldig, want zij verhaalden mij zulke ongelooflijke dingen van hetgeen zij van porselein konden maken, dat ik zeker weet, dat niet waar kon zijn. Een onder anderen, vertelde mij van een werkman die een schip gemaakt had, met al zijn want, masten en zeilen, groot genoeg om vijftig man te voeren. Zoo hij mij niet verhaald had, dat hij het te water had gebragt en er eene reis mede naar Japan gedaan had, had ik er iets van kunnen gelooven, maar nu wist ik, dat de geheele zaak eenvoudig een leugen was. Ik lachte daarom en zeide er niets van.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Het bezien van dit huis had mij twee uren achter de karavaan doen blijven, waarvoor de aanvoerder mij voor drie schellingen ongeveer beboette, en mij zeide, dat zoo ik drie dagreizens buiten den muur geweest was, even als thans drie dagreizens er binnen, hij mij vier malen zoo hoog had moeten beboeten, en op den volgenden raadsdag om verschooning doen vragen. Ik beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, en vond naderhand dat de bevelen, om allen bijeen te blijven, hoogst noodzakelijk waren.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Twee dagen later passeerden wij den grooten muur van China, die tot eene versterking tegen de Tartaren strekt. Het is een ontzettend werkstuk, dat eindeloos ver over heuvelen en bergen loopt, tot waar de rotsen onbeklimbaar en de afgronden niet over te trekken zijn. Men zeide mij, dat hij bijkans duizend Engelsche mijlen lang is, maar dat de uitgestrektheid van het landschap, dat hij omgeeft, in eene regte lijn slechts vijfhonderd is; hij is vier vademen hoog en op vele plaatsen even zoo dik.

Een uur of daaromstreeks besteedde ik om dien zoo ver ik kon te bezien, zonder de orders te overtreden, want zoo lang had de karavaan werk om hem door te trekken; en onze gids, die dit wereldwonder reeds dikwijls geroemd had, verlangde zeer te vernemen hoe ik er over dacht. Ik zeide, dat het een uitmuntend werkstuk was om de Tartaren af te weren, hetgeen hij anders opvatte dan ik het meende, en het voor eene loftuiting hield, maar de oude loods lachte en zeide: "O, senhor Inglese, gij spreekt verbloemd."—"Hoe zoo?" zeide ik. "Wel," hernam hij, "wat gij zegt is aan de eene zijde wit, aan den anderen kant zwart; gij zegt dat hij goed is om Tartaren af te weren, daarmede wilt gij zeggen, dat hij alleen Tartaren kan buiten houden. Ik begrijp u wel, senhor, maar senhor Chinees begrijpt u op zijne wijze."

"Wel," zeide ik, "denkt gij dat deze muur zou bestand zijn tegen een leger van onze landslieden met een goed deel geschut, of onze ingenieurs met een paar kompagniën mineurs? Zouden zij er niet in tien dagen een bres in maken, daar een geheel leger in slagorde zou kunnen doortrekken, of hem in de lucht laten springen, dat er geen spoor van overblijft?"—"Ja, ja," zeide hij, "dat weet ik." De Chinees wilde gaarne weten wat ik er van gezegd had, en ik gaf hem eenige dagen later verlof het te vertellen, want wij waren toen bijkans uit hun land, en hij zou ons kort daarop verlaten; maar toen hij vernomen had wat ik gezegd had, sprak hij verder geen woord meer, en wij hoorden niets meer van zijn gezwets over de magt en de grootheid van China, zoolang hij bij ons was.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Na dit geweldige niets, dezen vermaarden muur, doorgetrokken te zijn, vonden wij het land schaars bevolkt, en het volk meer in versterkte dorpen en steden, daar zij hier meer blootstonden voor de strooptogten en invallen der Tartaren, die altijd in groot aantal komen, en dan door de bewoners van een open land niet kunnen afgeslagen worden. Ik zag hier hoe noodzakelijk het was, ons bijeen te houden, want verscheidene hoopen Tartaren kwamen om ons heen zwerven; maar toen ik hen meer van nabij zag, kon ik niet begrijpen, hoe het Chinesche rijk door zulk een hoop onbeschaafd volk had kunnen verwonnen worden, want het is een hoop wilden, die noch van krijgstucht, noch van krijgskunde iets weten.

Hunne paarden zijn schraal, zwak, verhongerd en nergens goed voor; dit ondervonden wij den eersten dag, dat wij hen zagen, hetwelk was, nadat wij in het woestere deel des lands waren gekomen. Onze aanvoerder van dien dag gaf zestien onzer verlof op de jagt te gaan, gelijk zij het noemden, namelijk op de schapenjagt! Het mogt echter wel zoo heeten, want het waren de wildste en vlugste schapen, die ik ooit zag, doch zij loopen niet lang, en gij zijt zeker van hen, als gij de jagt begint, want zij zwerven bij kudden van dertig of veertig stuks, en blijven altijd bijeen als zij vlugten.

Terwijl wij op dit wild joegen, ontmoetten wij een troep van ongeveer veertig Tartaren, die ook op schapen of eene andere prooi uitgingen, dit weet ik niet. Zoodra zij ons zagen, blies een hunner op eene soort van hoorn, en bragt een zeer wanluidend geluid voort, als ik nimmer hoorde, en ook nimmer verlang weder te hooren. Wij begrepen, dat dit was, om hunne makkers bijeen te roepen, en zoo was het ook, want binnen een half kwartieruurs zagen wij nog een veertig- of vijftigtal op een kwartieruur afstands opdagen, doch voor dien tijd was de zaak reeds tusschen ons afgedaan.

Een van de Schotsche kooplieden uit Moscou was bij ons, en zoodra wij den hoorn hoorden, zeide hij, dat wij niets beter konden doen, dan hen dadelijk zonder eenig dralen aan te vallen, en ons in gelid plaatsende, vroeg hij of wij gereed waren. Wij antwoordden ja, en reden daarop op hen aan. Zij stonden in eenen verwarden hoop ons aan te gapen, zonder eenigen schijn van orde, maar zoodra zij ons zagen naderen, schoten zij hunne pijlen op ons af, waarvan geen ons echter trof. Het scheen, dat zij wel goed gemikt hadden, maar dat de afstand te ver was, want hunne pijlen vielen zoo digt voor ons neder, dat zoo wij tien roeden verder geweest waren, zeker verscheidene onzer gedood of gewond zouden zijn geweest.

Wij hielden dadelijk stil, en schoon de afstand nog groot was, gaven wij vuur en zonden hun voor hunne houten pijlen looden kogels toe, waarna wij in vollen galop op hen toe reden, om hen met de sabel in de vuist aan te tasten, gelijk onze moedige Schot ons gelast had. Hij was een koopman, maar hij gedroeg zich bij deze gelegenheid zoo dapper en tevens met zulk eenen bedaarden moed, dat ik nimmer iemand zag, die beter geschikt was, om een gevecht te besturen. Zoodra wij vlak bij hen waren, vuurden wij onze pistolen af, en trokken toen de sabel, maar zij sloegen in de grootste wanorde op de vlugt. Slechts drie hunner hielden aan onze regterzijde een oogenblik stand, en deden de anderen teekens dat zij zouden terugkeeren. Onze dappere aanvoerder galoppeerde naar hen toe, zonder iemand te gelasten hem te volgen, en sloeg met zijn geweer een hunner van het paard af en doodde den tweede met een pistoolschot, de derde nam de vlugt, en hiermede eindigde ons gevecht. Wij hadden er echter dit ongeval bij, dat daardoor onze jagt op niets uitliep. Niemand onzer was gedood of gewond, maar van de Tartaren waren er vier of vijf gesneuveld, en ik weet niet hoeveel gewond. De andere troep was zoo verschrikt, van ons vuur, dat zij de vlugt koos en ons ongemoeid liet.

Wij waren thans nog op Chineesch grondgebied; en derhalve waren de Tartaren niet zoo vermetel als naderhand, maar vijf dagen later bereikten wij eene groote woestijn, welker doortrekking ons drie nachten en drie dagen bezig hield, en wij waren verpligt het drinkwater in groote lederen zakken mede te nemen en den nacht in het open veld door te brengen, even als ik van de woestijn van Arabië gehoord heb. Ik vroeg mijne gidsen, wien dit land behoorde. Zij antwoordden, dat dit eene soort van grensscheiding was, die men wel Niemandsland mogt noemen; dat het een deel was van Groot-Tartarije, maar echter tot China gerekend werd, waar men echter niet zorgde, om het voor invallen van roovers te beschermen, en het derhalve de gevaarlijkste weg van den geheelen togt was, schoon wij nog grootere woestijnen moesten doortrekken.

Bij het doortrekken dezer woestijn, die mij zeer akelig toescheen, zagen wij twee of driemalen kleine troepen Tartaren, maar zij schenen niets kwaads tegen ons in den zin te hebben, en daar zij ons niets te zeggen schenen te hebben, zoo hadden wij evenmin er lust toe, en lieten hen stil gaan. Eens echter kwam eene troep ons zoo nabij, dat zij stand hielden, en ons aanstaarden; of het was om te beraadslagen of zij ons al of niet wilden aanvallen weet ik niet; maar toen wij hen voorbij waren, vormden wij eene achterhoede van veertig man, die staan bleef en de karavaan een half uur vooruit liet trekken. Na eene poos trokken zij af, maar zonden ons tot afscheid vijf pijlen toe, waarvan een een paard zoodanig kwetste, dat wij het den volgenden dag op weg moesten achterlaten; dien dag zagen wij niets meer van hen.

Wij hadden bijkans eene maand gereisd, terwijl de wegen, die zoo goed niet meer waren als vroeger, schoon nog op het gebied van den Chineschen keizer, meerendeels door dorpen liepen, die versterkt waren, uithoofde van de invallen der Tartaren. Toen wij aan een dezer dorpen kwamen (ongeveer twee en een halve dagreis van de stad Naum) verlangde ik een kameel te koopen, die men op den weg overal vindt, en paarden ook, zoo als zij dan zijn, omdat daaraan dikwijls behoefte is, dewijl zoovele karavanen hier langs komen. De persoon, dien ik over het koopen van een kameel sprak, wilde er een voor mij gaan halen, maar ik had de dwaze dienstvaardigheid van mede te gaan. De plaats waar zij waren, was ongeveer een half uur buiten het dorp, waar zij, naar het scheen, de kameelen en paarden onder eene wacht lieten weiden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Ik ging te voet mede met mijnen ouden loods en een Chinees, daar ik zeer naar eenige verscheidenheid verlangde. Aan de plaats komende, zagen wij, dat dit eene lage, moerassige plek was, door eenen muur van los opgestapelde steenen omringd, met eene kleine wacht van Chinesche soldaten aan den ingang. Na een kameel uitgezocht en den koop gesloten te hebben, ging ik heen, en de Chinees, die bij mij was, leidde de kameel, toen plotseling vijf Tartaren kwamen aanrijden; twee hunner grepen den man en ontrukten hem den kameel, terwijl de drie anderen naar mij en mijnen ouden loods toetraden, ziende dat wij genoegzaam ongewapend waren, want ik had niets bij mij dan mijne sabel, waarmede ik mij kwalijk tegen drie ruiters verdedigen kon. De eerste bleef staan, toen hij mij mijne sabel zag trekken (want het zijn groote lafaards), maar een tweede kwam mij op zijde en gaf mij eenen slag op het hoofd, dien ik eerst naderhand voelde, want toen ik weder bijkwam, wist ik niet hoe ik het had noch waar ik was, want ik was op den grond gevallen, maar mijn brave oude loods had door eene bestiering der Voorzienigheid eene pistool in zijnen zak, waarvan ik noch de Tartaren iets wisten, anders zouden zij ons zeker niet aangevallen hebben. Maar lafaards zijn altijd het moedigst als er geen gevaar is.

Toen de oude man mij zag nedervallen, stapte hij moedig op den man aan, die mij nedergeveld had, en hem met de eene hand bij den arm grijpende en een weinig naar zich toehalende, schoot hij hem door het hoofd, dat hij dood nederviel, daarop stapte hij naar den eersten toe, die ons staande gehouden had, en voor deze hem naderen kon (want het geschiedde alles in een oogenblik) deed hij eene houw naar hem met de sabel, die hij altijd droeg. Hij miste hem echter, maar trof zijn paard aan het hoofd, sloeg het een oor af en eene groote lap vel van den kop. Het arme dier, dol van pijn, werd onhandelbaar, schoon de ruiter vast genoeg in den zadel zat, ging het met hem door, en voerde hem buiten bereik van den loods, en toen het een eind ver was, steigerde het, wierp zijn berijder af en viel op hem.

Middelerwijl kwam de arme Chinees aan, die zijn kameel verloren had, doch hij was ongewapend. Toen hij den Tartaar zag vallen en zijn paard op hem, liep hij naar dezen toe en ontnam hem een lomp wapen, hetwelk wel naar eene bijl geleek, dat deze op zijde had, en sloeg er hem de hersenen mede in. De oude loods had echter nog met den derden Tartaar te doen, en ziende dat deze niet, gelijk hij gehoopt had, de vlugt koos, noch gelijk hij vreesde op hem afkwam, maar stil bleef staan, bleef de oude man ook staan en begon zijne pistool weder te laden. Zoodra de Tartaar echter de pistool zag, koos hij het hazenpad en liet den loods meester van het slagveld.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Thans begon ik een weinig bij te komen, maar eerst dacht ik, dat ik uit eenen gerusten slaap ontwaakt was, en wist niet waar ik was, noch hoe ik op den grond kwam; eenige oogenblikken daarna, weder tot bewustheid gekomen, gevoelde ik pijn, schoon ik niet wist waar, ik bragt mijne hand aan mijn hoofd, en haalde die bebloed terug, toen gevoelde ik pijn aan mijn hoofd en weldra keerde ook de herinnering terug van hetgeen er gebeurd was. Ik sprong dadelijk op de been en greep naar mijne sabel, maar er was geen vijand meer te zien. Ik zag een Tartaar dood op den grond liggen, en zijn paard bedaard naast hem staan, en wat verderop zag ik mijn bondgenoot en redder, die gaan zien was wat de Chinees deed, met zijne sabel in de hand terugkeeren. Toen de oude man mij op de been zag, kwam hij naar mij toeloopen, en omhelsde mij met groote vreugde, daar hij eerst gevreesd had, dat ik dood was. Mij bebloed ziende, wilde hij naar mijne wond zien, maar deze beteekende niet veel, en bestond slechts uit een gat in den kop, gelijk men zegt. Ook had ik naderhand geen ongemak van den slag, dan de wond, en die was binnen twee of drie dagen bijkans genezen.

Deze overwinning bragt ons echter weinig voordeel aan; wij verloren een kameel en wij wonnen een paard, doch het verdient opmerking, dat toen wij in het dorp terugkwamen, de man voor den kameel wilde betaald worden. Ik weigerde dit, en de zaak werd voor den Chineschen regter van die plaats gebragt, of gelijk wij zouden zeggen voor den vrederegter. Om hem regt te doen, hij handelde zeer voorzigtig en onpartijdig, en na beide partijen gehoord te hebben, vroeg hij ernstig aan den Chinees, die met mij medegegaan was, om den kameel te koopen, wiens knecht hij was. "Ik ben geen knecht," zeide deze, "maar ik ging met den vreemdeling mede."—"Op wiens verzoek!" vraagde de regter.—"Op des vreemdelings verzoek," was het antwoord.—"Welnu," zeide de regter, "dan waart gij in dienst van den vreemdeling te dier tijd, en daar de kameel aan iemand in zijne dienst is ter hand gesteld, is zij aan hem ter hand gesteld, en hij moet hem betalen."

Ik beken, dat dit zoo duidelijk was, dat ik er niets tegen kon inbrengen; maar bewonderde de juistheid zijner gevolgtrekking en zijne juiste uiteenzetting der zaak, en betaalde dus gewillig den kameel en zond om eenen anderen, maar gij kunt er op aan, dat ik dien niet zelf ging halen. Ik had daarvan mijn bekomst.

De stad Naum is eene grensplaats van het Chinesche rijk, zij noemen het eene vesting, en het is er ook eene voor hun doen, want dat durf ik verzekeren, dat al de Tartaren van Groot-Tartarije, die geloof ik eenige millioenen bedragen, de muren met hunne bogen en pijlen niet plat kunnen schieten, maar om het sterk te noemen, als het met geschut aangevallen werd, daar zou iedereen om lagchen, die er verstand van had. Wij waren nog twee dagreizen van deze stad, toen wij boden ontmoetten, die van alle kanten uitgezonden waren, om alle reizigers en karavanen te verwittigen, dat zij halt moesten houden tot hun eene wacht was toegezonden, want dat een bijzonder groote troep Tartaren, wel tienduizend, in de omstreek gezien was, ongeveer dertig (Eng.) mijlen van de stad.

Dat was kwaad nieuws voor reizigers; echter was het van den gouverneur zeer zorgvuldig gehandeld, en wij vernamen met blijdschap, dat wij een escorte zouden erlangen. Twee dagen later werden ons ook tweehonderd soldaten, uit een Chineesch garnizoen, links van ons, en nog driehonderd uit de stad Naum toegezonden, en met deze trokken wij moedig voort. De driehonderd soldaten van Naum trokken vooruit, de tweehonderd achteraan, en ons volk aan weerszijden van de kameelen, met onze bagaadje en de geheele karavaan in het midden. Op deze wijze en goed ten strijde toegerust, dachten wij het wel met tienduizend Mongoolsche Tartaren te kunnen opnemen, als zij verschenen waren, maar toen zij den volgenden dag kwamen opdagen, zag het er geheel anders uit.

Vroeg in den morgen, toen wij Van een klein, welgelegen dorp, Changu geheeten, opbraken, moesten wij eene rivier overtrekken, waar wij moesten overvaren, en zoo de Tartaren op kondschap uitgegaan waren, hadden zij ons hier moeten overvallen, toen de karavaan overgetrokken en de achterhoede nog aan de andere zijde was, maar zij lieten zich daar niet zien. Eerst drie uren later, toen wij op eene woeste vlakte van ongeveer vijftien of zestien mijlen gekomen waren, zagen wij aan eene opstijgende stofwolk, dat de vijand nabij was, en dit was ook zoo, want zij kwamen naar ons toerijden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

De Chinezen, onze voorhoede, die den vorigen dag zoo gesnoefd hadden, begonnen te deinzen, en de soldaten zagen dikwijls om, hetgeen bij een soldaat een zeker teeken is, dat hij op het punt staat van te vlugten. Mijn oude loods dacht er ook zoo over, want bij mij komende zeide hij: "Senhor Inglese! deze lieden moeten aangemoedigd worden of het is met ons gedaan, want als de Tartaren nader komen, zullen zij geen stand houden."—"Ik geloof het ook," zeide ik, "maar wat zullen wij doen?"—"Wel," zeide hij, "laat vijftig man van ons volk vooruittrekken, en hen de beide vleugels dekken en aanmoedigen, en dan zullen zij als dappere kerels met dappere bondgenooten strijden, maar zonder dit zal iedereen het hazenpad kiezen." Ik reed dadelijk naar onzen aanvoerder, wien ik dit mededeelde. Hij gaf mij volkomen gelijk en dus dekten vijftig onzer hunne vleugels en de overigen maakten eene reserve uit; zoo trokken wij voort en lieten de laatste tweehonderd man als eene afzonderlijke afdeeling, om de kameelen te bewaken, met afspraak, dat zij, als het noodig ware, ons honderd man tot versterking zouden zenden.

In een woord, de Tartaren kwamen in ontelbare menigte, hoe veel konden wij niet zeggen, maar wij geloofden op zijn minst tienduizend. Eerst kwam eene troep van hen ons verkennen, die dwars voorbij onze linie reed, en daar zij binnen het bereik van onze geweren kwamen, liet onze aanvoerder de twee vleugels vooruitrukken, en hen met kogels van beide vleugels begroeten. Zij trokken af en gingen denkelijk verhalen, welke ontvangst hen hier bereid werd. Dit scheen de anderen weinig te smaken, want zij hielden stil, stonden zich eene poos te bedenken, en linksaf zwenkende verlieten zij ons, hetgeen ons niet onaangenaam was, daar wij niet zeer verlangden naar een gevecht met zulk eene overmagt.

Twee dagen daarna kwamen wij in de stad Naum. Wij bedankten den gouverneur voor zijne zorgen jegens ons, en bragten ongeveer een honderd kroonen bijeen, die wij aan de soldaten gaven, die ons begeleid hadden, en wij hielden hier een dag rust. Dit is eene vesting, waarin negenhonderd soldaten lagen, maar de reden hiervan is, dat vroeger de Russische grenzen hier digterbij waren dan thans, daar de Russen het deel des lands, dat zich ongeveer 200 (Eng.) mijlen westwaarts van deze stad uitstrekt, hebben verlaten, als woest en nergens toe geschikt, en vooral omdat het zoo ver af was en moeijelijk er troepen heen te zenden, want wij moesten nog tweeduizend mijlen afleggen, eer wij aan het eigenlijke Rusland kwamen.

Hierna trokken wij over verscheidene groote rivieren en door verscheidene woestijnen, waarmede wij zestien dagen bezig waren, en die onder geen bepaald gebied behoorden. Den 12 April kwamen wij aan de grenzen van het Russische gebied. Ik meen, dat de eerste stad aldaar Arguna heette, aan de westzijde van de rivier Argun.

Met groote vreugde zag ik mij thans in een Christelijk land, althans in een land, dat door Christenen geregeerd wordt. Ieder die zooveel door de wereld gereisd had als ik, en eenige nagedachten had, zou gewis bedenken, welk een zegen het is in een land te komen, waar de naam van God en den Verlosser bekend is en vereerd wordt; en waar niet het volk den duivel aanbidt, of zich voor houten of steenen monsters nederbuigt. Nog geene stad of dorp waren wij tot hiertoe doorgetrokken, waar het volk niet zijne afgoden en tempels had, en het werk zijner eigene handen vereerde en aanbad. Nu echter kwamen wij op plaatsen, waar de knieën voor onzen Heer gebogen werden en de naam van den eenigen waren God aangeroepen werd, en dit denkbeeld verheugde mij tot in het binnenste der ziel. Ik deelde den Schotschen koopman mijne gewaarwordingen mede en hem bij de hand nemende, zeide ik: "God dank, dat wij thans weder onder Christenen zijn." Hij glimlachte en zeide: "Verheug u niet te vroeg, landsman! de lieden hier zijn een vreemd slag van Christenen, en gij zult in de eerste maanden van onze reis daar niet veel anders dan den naam van zien."—"Dat is toch altijd beter dan het heidendom en duivelaanbidding," zeide ik.—"Ja," zeide hij, "maar behalve de hier in garnizoen liggende Russische soldaten en eenige bewoners der steden, wordt het land nog duizend (Eng.) mijlen verder door de onwetendste heidenen bewoond." En de waarheid van het gezegde bleek ons later.

Wij bevonden ons thans, naar ik geloof, op het grootste gedeelte vastland, dat er, naar ik meen, op den ganschen aardbol te vinden is. Wij waren oostwaarts ten minste twaalfhonderd (Eng.) mijlen van de zee, westwaarts ten minste tweeduizend van de Oostzee, en bijkans drieduizend van het Engelsch kanaal verwijderd; zuidwaarts vijfduizend mijlen van de Indische of Perzische zee, en ongeveer achthonderd mijlen noordwaarts van de Poolzee. Zelfs als men sommigen gelooven wilde, zou er noordoostwaarts in het geheel geene zee zijn, voor men om de pool noordwestelijk was; en dus een vastland tot in Amerika hebben, niemand weet waar, schoon ik wel eenige reden voor het tegendeel zou kunnen aanvoeren.

Toen wij op het Russische gebied kwamen, lang voordat wij eene stad van eenig belang bereikten, vonden wij niets opmerkelijks, dan alleen dat alle rivieren oostelijk liepen. Naar de kaarten te zien, die sommigen onzer bij zich hadden, was het duidelijk, dat al deze stroomen in de groote rivier Jamoer of Gamoer uitliepen. Door zijnen natuurlijken loop moet deze rivier in de Chinesche zee vloeijen. Het verhaal dat men doet, dat de mond van deze rivier opgestopt is met biezen van ontzettende grootte, namelijk van drie voet dik en twintig tot dertig voet hoog, geloof ik, dat onwaar is. Maar daar derzelver bevaarbaarheid van geen nut is, dewijl er dien kant uit geen handel is, en de Tartaren, aan wie dezelve behoort, alleen in vee handelen, zoo is niemand ooit, voor zoover ik gehoord heb, zoo nieuwsgierig geweest, van naar den mond in booten op te varen, of die in schepen af te varen, maar dit is zeker, dat deze rivier op 60° breedte vlak oost loopt, en eene menigte rivieren in zich opneemt, en zich op die breedte in eene zee ontlast, die daar zeker aan te treffen is.

Eenige mijlen noordwaarts van die rivier zijn verscheidene groote stroomen, die even vlak noordelijk loopen, als de Jamoer oost, en al deze ontlasten zich in de groote rivier Tartarus, zoo genoemd naar de noordelijkste stammen der Mongoolsche Tartaren, die, naar de Chinezen zeggen, de oudste Tartaren der wereld zijn, en welke sommige zeggen, dat de Gog en Magog der Heilige Schrift zijn.

Wij trokken thans met kleine dagreizen van de rivier Arguna, en waren den Czaar van Rusland zeer verpligt voor zijne moeite, dat hij op zoovele plaatsen als mogelijk dorpen en steden had aangelegd, niet ongelijk aan de vestigingen, die de Romeinen in de afgelegenste streken van hun gebied aanlegden, ter beveiliging van den handel en opname van reizigers. Dit was ook hier het geval, want waar wij kwamen, waren wel de gouverneur en de bezetting Russen en Chinezen, maar de bewoners van het land waren heidenen, die afgoden dienden, en de zon, de maan en sterren aanbaden, en dat niet alleen, maar van al de heidenen, die ik ooit aantrof, waren dit de onbeschaafdste, behalve dat zij niet, gelijk de wilden van Amerika deden, menschenvleesch aten.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Eenige blijken hiervan vonden wij in het land tusschen Angura, waar wij het Russische gebied betraden, en eene door de Russen en Tartaren bezeten wordende stad, Nortzinskoi genaamd, welke tusschenruimte uit eene aanhoudende woestijn bestond, die ons twintig dagen kostte, om door te trekken. In een dorp nabij de laatste plaats, dreef de nieuwsgierigheid mij, om hunne leefwijze te bezien, die alleronbeschaafdst is. Zij hadden dien dag eene groote offerande, denk ik, want op een ouden boomstronk stond een houten afgod, zoo leelijk als de duivel, althans zoo leelijk als iets wat den duivel voorstellen moet, wezen kan; zijn hoofd geleek naar niets wat ooit iemand zag, zijne ooren waren zoo groot en dik, als bokkenhorens, zijne oogen zoo groot als een driegulden, een neus als een gekromde ramshoorn, en een muil met vier hoeken als die van eenen leeuw, met leelijke tanden, zoo hoekig als de sneb van een papegaai. Hij was zoo leelijk gekleed als men denken kan, zijn bovenkleed was van schapenhuiden met de wol buitenwaarts, en hij had eene groote Tartaarsche muts op het hoofd met twee hoorns er doorkomende. Het was ongeveer acht voet hoog, maar had geene beenen, noch eenige andere ligchaamsdeelen.

Deze moolik stond aan de buitenzijde van het dorp, en er bijkomende zag ik zestien of zeventien personen, mannen of vrouwen, dit kon ik niet zien, want zij zijn allen volkomen eveneens gekleed, rondom dit wanschapen beeld uitgestrekt op den grond liggen. Zij waren even bewegingloos, als hun houten afgod. Eerst dacht ik, dat zij ook van hout waren, maar toen ik naderbijkwam, sprongen zij op de been, met een krijschend gehuil, als zoovele huilende honden, en trokken terug, alsof zij misnoegd waren, dat zij gestoord waren. Een eind weegs van dit monster, aan de deur van een van gedroogde koeijen- en schapenhuiden gemaakte tent, stonden drie slagers, alshans daarvoor hield ik hen, want zij hadden lange messen in de hand, en in het midden van de tent stonden drie schapen en een jonge stier. Het waren, naar het schijnt, offers voor dat gedrochtelijk stuk hout, en deze drie mannen priesters van hetzelve, en de zeventien op den grond liggende wezens waren lieden, die de offers aanbragten, en daarbij hunne gebeden deden.

Ik beken, dat hunne domheid in deze vereering van den moolik mij meer ergerde, dan iets wat ik ooit aanschouwd had; om Gods edelste schepsel, aan wien bij de schepping zoo vele voorregten boven al het geschapene zijn toegestaan, dat begaafd is met eene redelijke ziel, en met eigenschappen om zijnen Schepper te eeren; hem zoo diep gezonken te zien, dat hij zich voor een leelijk schrikbeeld, een ingebeeld iets, nederwerpt, dat hij zelf gevormd en schrikinboezemend gemaakt en met vuile lappen bekleed had, dit achtte ik een gewrocht des duivels, die den Schepper de aanbidding zijner schepselen benijdde, en hen verleid had tot zulke walgelijke en verderfelijke dingen, als men tegen de natuur zou denken te strijden.

Maar wat baatten alle deze overwegingen? Ik zag het daar voor mijne oogen en kon dus niet denken, dat het onmogelijk was. Ik werd woedend en reed naar het beeld of monster, hoe men het noemen wil, en deed met mijne sabel een houw op de muts, die het droeg, zoodat die aan zijne horens bleef hangen, en een van mijne geleiders trok de schapenhuid er af, die het bekleedde, toen er eensklaps, onder een geweldig geschreeuw, wel twee of driehonderd man kwamen aanloopen, zoodat ik blijde was de vlugt te kunnen kiezen, want wij zagen eenige bogen en pijlen; maar ik besloot toch, het beeld nog een bezoek te geven.

Onze karavaan bleef drie dagen in het dorp, dat een uur verder lag, om zich eenige paarden aan te schaffen, die wij noodig hadden, daar door de slechte wegen verscheidene paarden kreupel waren geworden. Dus had ik gelegenheid, hier mijn oogmerk uit te voeren. Ik deelde mijn voornemen mede aan den Schotschen koopman van Moscou, van wiens moed ik de duidelijkste blijken had gezien. Ik zeide hem, wat ik gezien had, en hoe dit mijne verontwaardiging had opgewekt, en dat ik besloten had, als ik slechts vier of vijf goed gewapende lieden mede kon krijgen, dat afschuwelijke afgodsbeeld te gaan vernielen, om hun te laten zien, dat het geene de minste magt bezat, en dus geen voorwerp van vereering zijn kon. Hij begon te lagchen en zeide: "Uw ijver is misschien goed, maar wat hebt gij u eigenlijk er bij voorgesteld?"—"Wat," zeide ik, "wel om Gods eer te wreken, die door deze duivelaanbidding beleedigd wordt."—"Maar hoe zal dit geschieden," vervolgde hij, "als het volk niet weet wat gij daarmede bedoelt, ten zij gij met hen kondt spreken en het hen zeggen? En in dit geval beloof ik u, dat zij u zouden bevechten, en vooral ter verdediging van hunnen afgod zouden zij als wanhopigen vechten."—"Kunnen wij het niet des nachts doen," vroeg ik, "en hen dan schriftelijk in hunne taal er de redenen van achterlaten?"—"Schriftelijk?" herhaalde hij, "wel in al hunne vijf natiën is er niet één, die eene letter lezen kan, zelfs niet in zijne moedertaal."—"Welk eene grove onwetendheid!" zeide ik. "Maar toch heb ik mij voorgenomen het te doen; misschien zullen zij er door tot het besluit komen, dat hunne vereering van zulke plompe dingen beneden den mensch is."—"Hoor eens, mijnheer!" zeide hij, "als uw ijver er u toe aandrijft, moet gij het doen, maar vooreerst moet gij bedenken, dat deze woeste volkeren met geweld onder de heerschappij van den Russischen Czaar gebragt zijn; en als gij het doet, is het tien tegen een, dat zij bij duizenden naar den gouverneur van Nortzinskoy zullen komen, om zich te beklagen en voldoening te eischen, en als hij hun die niet geven kan, is het tien tegen een, dat zij zullen opstaan, en dit zal eenen nieuwen oorlog met al de Tartaren in het geheele land geven."

Dit moet ik bekennen, bragt mij eene poos op andere gedachten, maar ik bleef er toch mijne zinnen op zetten, en den geheelen dag verlangde ik mijn oogmerk te kunnen volvoeren. Tegen den avond ontmoette ik toevallig den Schotschen koopman op eene wandeling buiten de stad, en hij sprak mij aan. "Ik geloof, dat ik u van uw goed voornemen heb afgebragt," zeide hij, "en dat spijt mij eenigzins, want ik verfoei de afgoderij evenzeer als gij."—"Gij hebt mij zekerlijk overgehaald, de uitvoering nog uit te stellen," antwoordde ik, "maar mij er nog niet geheel van afgebragt, en ik geloof, dat ik het stuk nog bestaan zal, voordat wij deze plaats verlaten, al zou men mij ook, om hen te voldoen, aan hen uitleveren."—"Neen, neen," hernam hij, "voor de uitlevering aan zulk een hoop monsters moge de Hemel u bewaren; dat zal men niet doen, dat zou uw zekere dood zijn."—"Hoe zouden zij mij dan behandelen?" vroeg ik.—"Ik zal u zeggen," hernam hij, "hoe zij een ongelukkigen Rus behandeld hebben, die hen, zoo als gij wilt, in hunne godsdienst beleedigd had. Nadat zij hem verminkt hadden, dat hij niet kon wegloopen, ontkleedden zij hem, en zetteden hem boven op het afgodsbeeld, en allen gingen om hem staan, en schoten zoovele pijlen in zijn ligchaam, als zij konden, en verbrandden hem daarop ter eere van hunnen afgod."—"En was dat dezelfde afgod?" vroeg ik.—"Dezelfde," zeide hij.—"Nu, dan zal ik u ook iets verhalen," zeide ik. Daarop verhaalde ik hem het gebeurde te Madagascar, hoe ons volk daar het geheele dorp in brand gestoken en al de bewoners omgebragt had, omdat zij een man van ons hadden vermoord, gelijk ik vroeger verhaald heb, en toen ik geëindigd had, voegde ik er bij, dat mijns bedunkens met dit dorp even zoo moest gehandeld worden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Hij luisterde zeer oplettend naar mijn verhaal, maar toen ik sprak van dit dorp even zoo te behandelen, zeide hij: "Gij hebt groot ongelijk; het was dit dorp niet, het was bijkans honderd mijlen van hier, maar het was dezelfde afgod, want dien voeren zij in processie het land rond."—"Welnu," zeide ik, "dan zal dit beeld er voor gestraft worden, en dit zal dezen nacht gebeuren, als ik dien beleef."

Toen hij zag, dat ik bij mijn voornemen bleef, keurde hij hetzelve goed, en zeide, dat ik niet alleen, maar dat hij met mij zou gaan; maar eerst zou hij een zijner landslieden gaan halen, een zeer ondernemend man, en zoo vol ijver als iemand tegen zulke werken des duivels als deze. Hij bragt daarop zijn makker bij mij, een Schot, dien hij kapitein Richardson noemde, en dezen verhaalde ik alles wat ik gezien en gehoord had, en hij zeide, dat hij zou medegaan, al zou het hem het leven kosten. Zoo besloten wij dan met ons drieën te gaan. Ik had het ook aan mijnen compagnon voorgesteld, maar deze weigerde er deel aan te nemen. Hij zeide, mij overal en ten allen tijde tot mijne verdediging te willen bijstaan, maar dit was eene zaak, waarmede ik niets te maken had. Wij besloten dus, met ons drieën en mijn knecht dien nacht, tegen middernacht, het stuk zoo bedekt mogelijk te bestaan.

Bij nadere overweging besloten wij het nog een dag uit te stellen, omdat de karavaan den volgenden morgen vertrekken zou, en wij begrepen, dat de gouverneur hun dan geene voldoening ten onzen koste zou kunnen geven, als wij eens buiten zijn bereik waren. De Schotsche koopman, die even standvastig als moedig was in wat hij ondernam, bragt mij een Tartaarschen rok van schapenvachten en eene Tartaarsche muts, en boog en pijlen, hetwelk hij ook voor zich en zijnen landgenoot had aangeschaft, opdat als men ons zien mogt, men niet zou weten, wie wij waren.

Den geheelen avond bragten wij door met het gereedmaken van brandstoffen, door voorloop, kruid en wat wij bekomen konden ondereen te mengen, en na ons nog van een pot vol teer meester gemaakt te hebben, gingen wij ongeveer een uur na zonsondergang op onze onderneming uit. Tegen elf ure kwamen wij op de plaats, en vonden dat het volk geen zweem van vrees voor hunnen afgod koesterde. De lucht was bewolkt, maar de maan gaf ons toch licht genoeg, om te zien, dat het afgodsbeeld juist in dezelfde houding en op dezelfde plaats stond als vroeger. Al het volk scheen te slapen, behalve degenen, die in de groote hut of tent waren, waar wij de drie priesters gezien hadden, die wij voor slagers hadden aangezien; en digt bij de deur komende, hoorden wij de stemmen van wel vijf of zes personen. Wij begrepen nu, dat als wij rondom het afgodsbeeld een vuurtje maakten, deze mannen dadelijk zouden toeschieten, om hunnen afgod uit het vuur te redden, en wij wisten niet hoe wij tegen hen zouden te werk gaan; eerst dachten wij het afgodsbeeld mede te nemen, en op eenen afstand van daar het in brand te steken; maar toen wij het aanpakten, bemerkten wij, dat het voor ons te zwaar was, om te vervoeren, dus waren wij weder ten einde raad. De tweede Schot sloeg voor, de hut of tent in brand te steken, en de lieden, die er uitkwamen, neder te vellen, maar daarin wilde ik niet toestemmen, want ik wilde hen niet dooden, als het bij mogelijkheid kon vermeden worden. "Welnu, dan zal ik u zeggen, wat er gedaan moet worden," zeide de Schotsche koopman, "wij moeten trachten hen gevangen te nemen, hen handen en voeten binden, en hen de vernieling van hunnen afgod laten aanzien."

Toevallig hadden wij genoeg bindtouw of koord bij ons, daar wij onze brandstoffen mede bijeengebonden hadden, en dus besloten wij eerst deze lieden, met zoo weinig gerucht als mogelijk, te overvallen. Het eerst, wat wij deden, was, aan de deur te kloppen; toen een der priesters dezelve opende, grepen wij hem dadelijk aan, stopten hem den mond toe, knevelden hem en bragten hem tot voor het afgodsbeeld, waar wij hem aan handen en voeten gebonden, op den grond nederlegden.

Twee onzer waren aan de deur blijven staan wachten, of niet een ander naar den eerste zou komen uitzien, maar wij stonden er nog, toen de derde man bij ons terugkwam, en toen er nog niemand kwam, klopten wij weder zachtjes aan, daarop kwamen er nog twee uit, die wij even als den eerste behandelden, maar wij waren verpligt allen mede te gaan, en hen op eenigen afstand van elkander bij den afgod neder te leggen, waarna wij terugkeerden en er twee voor de deur zagen staan uitzien, terwijl de derde achter hen binnen de hut stond. Wij grepen de twee aan en bonden hen dadelijk; waarop de derde terugtrad en begon te schreeuwen. De Schotsche koopman volgde hem na, en haalde een mengsel voor den dag, dat hij gemaakt had, en hetwelk alleen rook en stank veroorzaakte, dat hij daarop in brand stak en in de hut wierp. Middelerwijl hadden de Schotsche koopman en mijn bediende de twee reeds gebonden, mannen aangegrepen, en legden hen voor hun afgodsbeeld neder, waar zij konden zien, of dit hen ook kon helpen, en keerden daarop zoo spoedig mogelijk naar ons terug.

Toen het mengsel, dat wij in de hut hadden geworpen, die tot stikkens toe met rook had opgevuld, wierpen wij een ander lederen zakje er in, dat met eene heldere vlam opbrandde, en traden die daarop binnen. Wij vonden er nog slechts vier personen in, twee mannen en twee vrouwen, die, naar het scheen, een hunner duivelsfeesten daar gevierd hadden. Zij schenen allen doodelijk verschrikt; althans zij zaten ineengehurkt en als verbijsterd, zonder dat zij eenig geluid konden geven van wege den rook. Wij grepen hen aan en bonden hen even gelijk de overigen, zonder eenig gedruisch te maken. Wij hadden hen echter eerst buiten de hut gebragt, want wij zelve konden het, evenmin als zij, in den rook uithouden. Toen dit geschied was, bragten wij hen allen naar het afgodsbeeld. Daarna gingen wij te werk met den afgod; eerst beteerden wij hem van boven tot onderen, en bestreken hem daarop met een mengsel van talk en zwavel, daarna stopten wij zijne oogen, ooren en mond vol met buskruid, vervolgens stopten wij een zak met vet in zijne muts, en behingen hem toen met al de brandstoffen, die wij hadden medegebragt. Daarna zagen wij rond naar alles, wat den brand nog kon helpen, en het viel mijnen knecht in, dat hij bij de hut of tent, waar die menschen geweest waren, een hoop droog stroo of biezen had zien liggen. Hij en een der Schotten liepen derwaarts en kwamen ieder met een arm vol terug. Dit gedaan zijnde, namen wij onze gevangenen de stoppers uit den mond, plaatsten hen voor hunnen afgod, en staken er daarop den brand in.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2

Wij bleven er ongeveer een kwartieruurs bij, tot het kruid in de oogen, mond en ooren van het beeld vlam vatte, en het geheel geen fatsoen meer had, maar niets dan een blok hout was; en daarop er het stroo voor stapelende, zagen wij, dat hij spoedig zou verbrand zijn; dus begonnen wij aan ons vertrek te denken. Een der Schotsche kooplieden echter zeide: "Neen, wij moeten niet heengaan, want deze arme onwetende schepsels zouden zich allen in het vuur storten en zich met hunnen afgod laten verbranden." Wij besloten dus te blijven, totdat alles tot asch verbrand was, en toen maakten wij dat wij wegkwamen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings