DANIËL DE FOE. (continued 4)
Reading edition
"Al dien tijd lag mijne mevrouw bij mij als eene stervende, maar zij verdroeg het geduldiger dan ik, en gaf haar laatste stukje brood aan haren zoon, die het niet nemen wilde, maar zij dwong hem het te eten, en ik geloof dat hij zijn leven hieraan te danken heeft.
"Tegen den morgen viel ik weder in slaap, en eerst toen ik ontwaakte barstte ik in tranen uit, en daarna had ik weder eene geweldige vlaag van honger, zoodat ik half razend werd. Ware mijne meesteres dood geweest, ik zou geloof ik een stuk van haar vleesch gegeten hebben, zoo onverschillig en met zoo veel smaak, als ik ooit vroeger eenig voedsel voor ons bestemd, genuttigd had, en eens of tweemaal beet ik mij zelve in den arm. Eindelijk zag ik de kom waarin het bloed was, dat ik den vorigen dag verloren had, ik liep er heen, en verzwolg het zoo haastig en gretig, alsof ik vreesde, dat men het mij zou afnemen. Schoon ik naderhand walgde van hetgeen ik gedaan had, was echter mijn honger gestild; ik nam eene teug water en bragt eenige uren zeer kalm door. Dit was de vierde dag en dezen bragt ik zoo door tot des nachts, toen ik drie uren lang dezelfde reeks van gewaarwordingen weder had; namelijk misselijk, slaperig, uiterst hongerig, pijn in de maag, dan weder als razende, dan weder misselijk, dan ijlhoofdig, dan gillende, dan weder krankzinnig, en zoo ieder kwartier. Ik werd zeer zwak, en des nachts sliep ik in, alleen hopende, dat ik voor den morgen dood zou zijn.

"Den geheelen nacht sliep ik niet, de honger was door ziekte vervangen, en ik had zware kolijkpijnen; en zoo lag ik tot den morgen, toen ik een weinig verrast werd door het gejammer van mijn jongen heer, die mij toeriep dat zijn moeder dood was. Ik hief mij een weinig op, want ik had geen kracht om op te staan, en zag dat zij niet dood was, schoon zij slechts weinig teekens van leven geven kon.
"Toen gevoelde ik zulk eene snijdende pijn in de maag, en zulke knagingen van den honger, dat niets dan de kwellingen des doods die kunnen evenaren. In dezen toestand hoorde ik de matrozen roepen: "Een zeil! Een zeil!" en boven mij schreeuwen en rondspringen als razenden. Ik was zoo zwak, dat ik niet opstaan kon en mijne mevrouw nog minder; en mijn jonge meester was zoo ziek, dat ik dacht dat hij zieltoogde. Dus konden wij de kajuitdeur niet openen, om de reden van dit rumoer te hooren. Sedert twee dagen hadden wij niemand van het scheepsvolk gezien; zij hadden ons gezegd, dat zij zelve niets te eten hadden, en later vernamen wij, dat zij ons reeds gestorven waanden. In dezen jammerlijken toestand waren wij, toen de Hemel u zond om ons het leven te redden."
Dit was haar verhaal, en naar het mij toescheen een zoo duidelijk verslag van den hongerdood, als ik nimmer hoorde. Ik houd het voor volkomen waar, omdat de jongeling mij verscheidene omstandigheden even zoo verhaald had, schoon niet zoo juist en treffend als zijne dienstmaagd; welligt omdat zijne moeder hem nog, ten koste van haar leven, gevoed had. De arme meid echter, schoon sterker dan hare reeds bejaarde en zwakke meesteres, was er welligt het hardste aan toe geweest, daar hare mevrouw misschien nog iets langer wat bewaard, en dit alleen aan haren zoon gegeven had. Ongetwijfeld zouden allen van honger binnen weinige dagen gestorven zijn, zoo zij niet ons schip of een ander ontmoet hadden, ten ware zij elkander verslonden hadden, en dit zou hun nog weinig gebaat hebben, op vijfhonderd mijlen van alle land en zonder uitzigt op andere hulp, dan hun thans te beurt was gevallen. Doch dit in het voorbijgaan. Ik keer tot mijne schikkingen in de kolonie terug.
Om verscheidene redenen zeide ik aan niemand iets van de sloep, die ik medegenomen en bij hen gedacht had in elkander te zetten, want de zaden van tweedragt, die ik bij mijne komst bespeurde, deden mij vreezen, dat zij bij eenige nieuwe oneenigheid, het eiland verlaten zouden of misschien op zeeroof uitgaan, en mijn eiland hierdoor een dievenschuilhoek worden zou, in plaats van eene vestiging van brave en godsdienstige lieden. Hierom behield ik ook de twee koperen stukken, die ik aan boord had. Ik achtte hen genoegzaam in staat, om zich tegen elke overval te verdedigen, maar wilde hun geen gelegenheid geven tot een aanvallenden oorlog of strooptogten, die eindelijk op hun verderf moesten uitloopen. Ik behield derhalve de sloep en de kanonnen, om hen daarmede op eene andere wijs van dienst te zijn, gelijk men later zien zal.
Ik heb thans met het eiland afgedaan. Ik verliet het in een bloeijenden staat en ging aan boord den 6 Mei, na een verblijf van vijfentwintig dagen, en daar allen besloten hadden er te blijven tot ik hen kwam afhalen, beloofde ik hun nog eenigen onderstand van Brazilië te zullen zenden, als ik er gelegenheid toe vinden kon, vooral nog eenig rundvee, daar wij datgene, wat ik in Engeland gekocht had, uit gebrek aan voeder hadden moeten slagten. Den volgenden dag groette ik met een saluut van vijf schoten en ging onder zeil, en kwam na tweeëntwintig dagen reis in de Allerheiligen baai in Brazilië aan, zonder iets merkwaardigs ontmoet te hebben, dan dat wij een paar malen door de sterke strooming ten N. en N. O. uit onzen koers gedreven werden, en eens of tweemaal werd er "land ten Westen!" geroepen, doch of het een eiland of het vaste land was, weet ik niet.
Den derden dag echter tegen den avond zagen wij bij stil weder en eene effene zee, in de verte de zee met iets zwarts bedekt, doch konden niet zien wat het was. De opperstuurman echter, die met een kijker het groot want inging, riep dat het een leger was. Ik begreep niet wat hij meende met een leger, en riep wat te overijld, dat hij stapelgek was, of iets dergelijks. "Word niet driftig, mijnheer," zeide hij, "het is een leger en eene vloot ook; er zijn geloof ik wel duizend kanoes, vol volk, die naar ons toe komen pagaaijen." Ik stond een weinig verzet en mijn neef, de kapitein, ook, die verschrikkelijke dingen van de wilden op het eiland gehoord had, en nimmer te voren in deze zeeën geweest was. Hij wist niet wat hiervan te denken en herhaalde twee of drie maal: "Wij zullen allen verslonden worden!" Ik moet bekennen, dat ik ook het kwaad inzag, daar het doodstil was, en de stroom ons sterk naar het land dreef. Ik ried hem echter niet bang te zijn, maar te ankeren, zoodra zij zoo digt bij waren, dat het gevecht onvermijdelijk was.

Het weder bleef stil en zij kwamen steeds nader, dus gelastte ik te ankeren en de zeilen in te nemen. Van de wilden had men, zeide ik, niets te vreezen, dan dat zij brand verwekten, en hiertoe was het noodig de sloepen uit te zetten, en die wel bemand, voor en achter het schip te leggen, ten einde het volk daarin met putsen den brand kon blusschen, als de wilden dien verwekten. Aldus wachtten wij hen af, en kort daarop kwamen zij nader; ik geloof niet, dat ooit Christenen ontzettender schouwspel zagen. De stuurman had zich echter in het getal van duizend kanoes vergist; naar onze telling waren er niet meer dan honderd vijfentwintig, doch zwaar bemand; sommigen voerden zestien en zeventien man en meer, en de minsten zeven of acht.
Toen zij naderbij kwamen, schenen zij geheel ontzet van een gezigt, welks wederga zij waarschijnlijk nimmer te voren gezien hadden, en eerst schenen zij niet te weten wat van ons te maken. Zij naderden echter steeds meer en meer, en schenen ons te willen omsingelen, doch wij riepen het volk in de sloepen toe hen niet te laten naderen. Tegen onze begeerte bragt dit een gevecht te weeg, want vijf of zes hunner grootste kanoes, kwamen zoo digt bij onze groote boot, dat ons volk hen met de handen toewenkte om achteruit te gaan, hetgeen zij zeer goed begrepen en opvolgden, doch tevens schoten zij een vijftig pijlen op hen af, en een matroos werd zwaar gewond. Ik riep hen echter toe niet te vuren, en wij reikten hun eenige planken toe, waarvan de timmerman eene soort van waring opzette, om hen voor de pijlen te bedekken, als de wilden weder mogten schieten.
Een half uur daarna kwamen zij allen te gelijk naar den achtersteven, zoo digt bij, dat wij hen zeer goed konden onderscheiden, maar niet bevroeden wat hun oogmerk was. Ik zag dadelijk, dat het mijne oude kennissen waren, de wilden, waarmede ik zoo veel te doen had gehad; daarop roeiden zij wat terug en kwamen ons toen zoo digt op zijde, dat wij hen beroepen konden. Ik gelastte al het volk zich bedekt te houden, als zij soms weder mogten schieten, doch liet Vrijdag op het dek gaan om hen toe te spreken en te vernemen wat zij wilden. Of zij hem verstonden weet ik niet, maar zoodra hij hen aangeroepen had, wendden zes hunner, die de voorsten waren, hunne kanoe, en toonden (met verlof) hun naakt achterste. Of dit eene uitdaging of beschimping was, weet ik niet, maar onmiddellijk daarop riep Vrijdag, dat zij gingen schieten, en ongelukkig voor den armen jongen, schoten zij wel driehonderd pijlen af, en doodden tot mijne onuitsprekelijke droefheid, den armen Vrijdag, den eenigsten man dien zij zagen. De arme jongen was van drie pijlen getroffen, en drie vielen vlak bij hem, zulke goede schutters waren zij.
Ik was zoo woedend over het verlies van mijn trouwen knecht, den medgezel van mijne eenzaamheid, dat ik dadelijk vijf stukken met schroot en vier met kogels geladen, liet afvuren, en hun eene laag toezond, zoo als zij zeker nimmer in hun leven gehoord hadden. Zij waren zoo nabij en onze konstapels mikten zoo goed, dat een enkele kogel drie of vier hunner kanoes verbrijzelde.
Wij achtten ons juist niet zeer beleedigd doordien zij ons hun achterste gewezen hadden, en daar ik niet wist of deze verregaande lompheid bij ons, bij hen hetzelfde beteekende, had ik besloten vier of vijf schoten met los kruid te laten doen, dat hen genoeg schrik aangejaagd zou hebben. Maar toen zij zoo woedend op ons schoten, maar vooral toen zij mijn armen Vrijdag doodden, dien ik zoo hoog schatte en lief had, gelijk hij verdiende, achtte ik mijne handelwijze niet alleen geregtvaardigd voor God en de menschen, maar zou ik gaarne iedere kanoe overzeild en ieder hunner hebben laten verdrinken. Ik weet niet hoe velen er gekwetst of gedood werden, maar nimmer zag men onder eene groote menigte zulk een schrik, dertien of veertien hunner kanoes waren verbrijzeld of omgeslagen, en al het volk aan het zwemmen; de overigen roeiden zoo hard weg als zij konden, zonder zich te bekreunen aan hen, wier kanoes gezonken waren. Veel hunner zijn, denk ik, verongelukt. Ons volk nam een uur later, een armen kerel in, die het nog zwemmende gehouden had. Ons schroot had zeker velen gedood, maar wij vernamen er niets van, want binnen een uur of drie hadden wij hen geheel uit het gezigt verloren, op drie of vier kanoes na, die niet spoedig voort konden, en daar dienzelfden avond eene koelte opkwam, gingen wij onder zeil.
De gevangene die wij hadden was zoo woest, dat hij eten noch spreken wilde, en wij dachten, dat hij zich wilde laten doodhongeren. Maar ik wist hem wel te temmen, want ik liet hem in de sloep werpen, en hield mij alsof wij hem in zee wilden smijten, als hij niet spreken wilde. Het hielp echter niet, dus werd hij in zee gegooid, maar hij zwom de sloep na, en riep hen toe, schoon zij er niets van verslaan konden. Eindelijk namen zij hem weder in, en nu was hij wat handelbaarder; hetgeen ik alleen gewild had, want ik zou hem niet hebben laten verdrinken.
Ik was bitter ter neder geslagen door het verlies van mijn Vrijdag, en had gaarne naar het eiland willen terugkeeren, om vandaar een anderen knecht te halen, maar dit ging niet, dus vervolgden wij onze reis. Het duurde lang eer wij onzen gevangene iets konden doen begrijpen, maar met der tijd leerden de matrozen hem wat Engelsch, en werd hij wat handelbaarder. Wij vroegen van welk land hij kwam, maar konden er niets van begrijpen, zulk een zonderling keelgeluid maakte hij bij het spreken, daar zijne taal alleen uit scheen te bestaan, en hij de tong, lippen of tanden niet scheen te gebruiken bij het spreken. Later, toen de matrozen hem wat Engelsch geleerd hadden, zeide hij, dat zij met hunne koningen uitgegaan waren om te vechten. Wij vroegen hem hoe veel, en hij zeide vijf, die met hun allen tegen twee volken gingen vechten. Op onze vraag waarom zij naar ons toe gekomen waren, zeide hij, om het groot wonder te zien. Wij konden hem nimmer leeren het meervoudig even als wij aan te duiden, en bij zijn uitspraak voegde hij altijd een e achter ieder woord gelijk ook alle Afrikanen doen als zij Engelsch leeren, en dat ik niet dan met de uiterste moeite Vrijdag had kunnen afleeren.
En nu ik dezen armen jongen nogmaals noem, moet ik voor altijd afscheid van hem nemen. Arme brave Vrijdag! Wij begroeven hem zoo welvoegelijk en plegtig als ons mogelijk was. Het lijk werd in eene kist over boord gezet, waarbij ik elf schoten liet doen. Dit was het einde van den trouwsten, eerlijksten en genegensten dienaar dien ooit iemand had.

Wij zetten nu met een gunstigen wind koers naar Brazilië, en ongeveer twaalf dagen later zagen wij land op 5° Z.B., zijnde het Noordoostelijkste van dat gedeelte van Amerika. Vier dagen liepen wij Zuidoostwaars, in het gezigt van het land, toen wij kaap Augustijn zagen, en drie later lieten wij het anker vallen in de Allerheiligenbaai, de plaats mijner redding, vanwaar mijn goed en kwaad lot begonnen is.
Nimmer liep hier een schip binnen, dat minder er te verrigten had dan ik, en toch konden wij slechts met de grootste moeite verlof bekomen, om eenige gemeenschap met den wal te hebben. Noch mijn compagnon, die nog leefde en een zeer aanzienlijk man was geworden, noch mijne twee gemagtigden, noch het gerucht van mijn wonderbaarlijk behoud op het eiland, konden mij deze gunst doen verkrijgen. Mijn compagnon, die zich herinnerde, dat ik vijfhonderd gouden moidores aan den prioor der Augustijnen, en driehonderd tweeënzeventig aan de armen had gegeven, haalde den tegenwoordigen prioor over, voor mij van den gouverneur verlof te vragen, om met den kapitein en een ander, benevens acht matrozen aan wal te komen. Dit ontving ik onder uitdrukkelijke voorwaarde van geene goederen zonder verlof aan land te brengen, noch iemand van daar mede te nemen. Zij waren zoo streng, dat ik de grootste moeite had om drie balen Engelsche goederen aan land te mogen brengen, die ik tot presenten voor mijn compagnon medegebragt had.
Deze was een braaf, onbekrompen man, schoon hij, even als ik, gering begonnen was. Hij wist niet dat ik hem iets present wilde geven, maar zond mij versch vleesch, confituren en wijn present, dat met eenigen tabak en drie of vier fraaije gouden medailles, wel dertig gouden moidores waard was. Maar ik deed voor hem niet onder in mijne geschenken, die uit fijn laken, linnen en kant bestonden. Bovendien zond ik hem aan dezelfde goederen eene waarde van 100 Pond St. tot een ander einde, en verzocht hem de sloep, die ik voor mijne kolonie uit Engeland had mede gebragt, in elkander te laten zetten, om daarmede den voorgenomen onderstand naar mijn eiland te zenden. Binnen weinige dagen was de sloep gereed, en ik gaf den schipper zulke inlichtingen, dat hij het eiland niet missen kon, waar hij ook, gelijk ik later van mijn compagnon vernam, gelukkig aanlandde. Een der matrozen, die met mij aan wal geweest was, verzocht mij mede te mogen gaan en zich daar neder te zetten, als ik hem een brief aan den Spaansche gouverneur mede gaf, dat deze hem een stuk land zou geven, en ik hem eenige kleederen en gereedschap mede gaf, om dat te bebouwen, waarvan hij verstand had, daar hij in Maryland een planter geweest was, en een boekanier ook. Ik gaf hem wat hij vroeg, en tevens den gevangen wilde als slaaf mede.
Terwijl ik aan zijne uitrusting bezig was, zeide mijn oude compagnon, dat een Brazilisch planter, dien hij kende, een zeer braaf man, zich het ongenoegen der kerk op den hals gehaald had. "Wat eigenlijk van de zaak is," zeide hij, "weet ik niet, maar ik geloof, dat hij in zijn hart een ketter is; en hij is genoodzaakt zich voor de Inquisitie schuil te houden. Zulk eene gelegenheid, om met zijne vrouw en twee dochters te ontkomen, zou hem zeer welkom zijn, vooral als gij hem op een eiland een stuk gronds wilde afstaan, want al zijn goederen hier zijn in beslag genomen, en hij bezit niets dan eenig huisraad en twee slaven. En," voegde hij er bij, "schoon ik zijne stellingen verfoei, wilde ik hem toch niet in handen der geestelijke regtbank zien, want dan zou hij zeker levend verbrand worden."
Ik stond hem zijn verzoek toe, en wij hielden den man met zijn gezin aan boord verborgen, tot de sloep in zee stak, en toen deze buiten de baai was, bragten wij hem daar aan boord, waar zijne goederen kort te voren gekomen waren. Onze matroos was met zijn reisgenoot zeer in zijn schik, en zij waren beide even rijk, namelijk in gereedschappen, en de belofte van een stuk land. Het beste echter was eenig suikerriet, dat hij medevoerde om daar te planten, en welks bouwing en bewerking de ketter, de Portugees namelijk, in den grond verstond.
Onder den voorraad bevond zich voor mijn eiland drie koeijen en vijf kalven, tweeëntwintig varkens, waaronder drie zeugen, die biggen moesten, twee merriën en een hengst. Ik haalde ook drie Portugesche vrouwen over zich derwaarts te begeven, en schreef aan de Spanjaards, dat zij haar goed behandelen moesten, en als zij wilden met haar trouwen. Ik had er wel meer kunnen overzenden, maar ik herinnerde mij, dat slechts vijf Spanjaarden ongehuwd waren, terwijl de overige vrouwen in hun eigen land hadden, en dat de Portugesche vlugteling twee dochters bij zich had.

Deze geheele bezending kwam behouden over, en was den inwoners zeer aangenaam, die nu met de nieuw aangekomenen, een getal van tusschen de zestig en zeventig personen uitmaakten, eene menigte kleine kinderen niet medegerekend. Bij mijne terugkomst te Londen vond ik brieven van hen, die over Lissabon gekomen waren, en door hen met de naar Brazilië teruggekeerde sloep medegegeven waren, en waarover ik later spreken zal.
Ik stap thans geheel van mijn eiland af om er niet weer op terug te komen, en die het verdere mijner gedenkschriften lezen, moeten hunne gedachten daarvan aftrekken, en zullen in de volgende bladzijden niets anders vinden dan de dwaasheden van een oud man, die noch door zijne eigene ongelukken, noch door die van anderen zich liet afhouden om die telkens weder te begaan; wien bijkans veertig jaren vol jammer en teleurstellingen geene bezadigdheid, noch ongedachte voorspoed tevredenheid konden verschaffen, noch ongehoorde rampspoeden en nood behoedzaamheid inprenten.
Ik had even weinig noodig naar Oost-Indië te gaan, als iemand, die vrij en onschuldig is, zich naar de gevangenis behoeft te begeven, om zich achter slot te laten zetten en van ellende te vergaan. Had ik in Engeland een klein scheepje genomen, daarmede regt naar mijn eiland gestevend, had ik het, gelijk het andere schip, beladen met allerlei noodwendigheden voor het eiland en voor mijn volk, en een patent van de regering gevraagd, om het als een aan de Engelsche kroon onderworpen eiland in bezit te gaan nemen, dat ik zeker had kunnen verkrijgen; had ik geschut en wapens, bedienden en landlieden medegenomen, en er in naam van Engeland bezit van genomen en het versterkt en bevolkt, gelijk ik gemakkelijk had kunnen doen; had ik mij daar gevestigd, en het scheepje, met rijst geladen, terug gezonden, gelijk ik ook had kunnen doen in zes maanden, en het daarop weder in Engeland laten uitrusten; had ik dit gedaan en ware ik er zelf gebleven, dan hadde ik althans als een verstandig mensch gehandeld. Maar ik was bezeten met een zucht tot zwerven, die alle voordeel in den wind sloeg; ik schepte er vermaak in de beschermer van de lieden te zijn, die ik daar geplaatst had, en hen op eene aartsvaderlijke wijze wel te doen, door hen te behandelen als ware ik hun vader. Ik had geen de minste gedachte om in den naam van eenige regering het te bezitten, of de bevolking onderdanen van eenig rijk te noemen; zelfs dacht ik er niet aan het eiland een naam te geven, maar ik liet het zoo als ik het vond, als niemands eigendom, en het volk onder geenerlei oppermagt of wetten dan de mijne, die, schoon mijn invloed op hen die van een vader en weldoener was, geen ander regt hadden op hunne gehoorzaamheid, dan die uit hunne vrijwillige toestemming ontsproot. Dit zou echter voldoende geweest zijn als ik daar gebleven was, maar daar ik hun verliet en niet terugkwam, behelsden de laatste berigten, die mijn compagnon mij van hen deed toekomen, nadat hij hun nog een tweede sloep derwaarts gezonden had, hoewel ik den brief eerst vijf jaren ontving nadat hij geschreven was, dat de zaken daar niet vooruit gingen, en zij over hun lang verblijf aldaar misnoegd waren; dat Willem Atkins dood en vijf van de Spanjaarden vertrokken waren, en dat, schoon de wilden hen weinig lastig vielen, zij echter eenige schermutselingen met hen gehad hadden, dat zij hem smeekten mij mijne belofte te herinneren van hen weg te halen, opdat zij voor hunnen dood hun vaderland mogten terug zien.
Maar ik volgde steeds allerlei hersenschimmen, en die meer van mijn leven willen hooren, moeten mij volgen door eene reeks van nieuwe dwaasheden, moeijelijkheden en wilde avonturen, waaruit 's Hemels regtvaardigheid duidelijk uitblonk, en men zien kan hoe gemakkelijk de Hemel onze geliefdste wenschen tot de bron onzer rampspoeden kan maken, en ons straffen door de vervulling van datgene, wat wij het vurigste verlangden. Doch ik keer tot de geschiedenis van mijne reis terug.
Ik moet hier echter echter nog vermelden, dat de brave en waarlijk godvruchtige priester mij hier verliet; daar er een schip naar Lissabon zeilree lag, verzocht hij mij hem daarop te laten overgaan, daar het toch, gelijk hij zeide, zijne bestemming scheen, nimmer eene reis te volbrengen, die hij begon. Hoe gelukkig ware het geweest zoo ik met hem gegaan was. Doch dit was nu te laat, en al wat de Hemel beschikt, is tot ons bestwil. Ware ik met hem gegaan, ik had nimmer zoo veel reden tot dankbaarheid aan God gehad, en de lezer zou nimmer het tweede deel van de Lotgevallen van Robinson Crusoe ontvangen hebben. Ik zal dus alle vruchtelooze klagten over mij zelven sparen en mijn verhaal vervolgen.
Van Brazilië stevenden wij regt naar de Kaap de Goede Hoop, en hadden wel nu en dan eens storm of tegenwind, maar over het geheel eene gunstige reis. Mijne tegenspoeden op zee waren nu ten einde, maar andere ongevallen en rampen wachtten mij op het land, ten blijke, dat dit even zoo wel als de zee, een middel kan zijn om ons te tuchtigen.
Wij hadden een supercarga aan boord, die na onze komst aan de Kaap over alles het bestier had, alleen was hij door den vrachtbrief verbonden tot een bepaald getal legdagen in elke haven, die wij aandeden. Ik had hier mij niet mede te bemoeijen, en al wat schip en lading betrof, werd door mijn neef den kapitein en den supercarga beide bestierd naar hun goedvinden.

Ik zal den lezer niet vervelen met beschrijvingen van plaatsen, stukken uit het journaal, of met wijzingen van het compas, breedten, lengten en afstanden, passaatwinden, enz., die alleen nuttig zijn voor hen, die ook derwaarts willen gaan. Wij deden eerst Madagascar aan, waar, schoon de inboorlingen er stout en verraderlijk en zeer goed met bogen en lansen gewapend zijn, waarmede zij zeer behendig weten om te gaan; wij eene poos zeer goed met hen omgingen; zij behandelden ons zeer goed, en voor eenige kramerijen als messen, scharen, enz., die wij hun gaven, bragten zij ons elf goede vette ossen, niet groot maar goed gevoed, die wij slagtten en gedeeltelijk voor scheepsgebruik inzoutten.
Na voorraad ingenomen te hebben, moesten wij hier eenige dagen blijven, en ik, die altijd nieuwsgierig was om elken hoek van de wereld te zien, ging zoo dikwijls aan den wal als ik kon. Op een avond ging ik aan de oostzijde aan wal, en eene talrijke menigte inboorlingen drong om ons heen en bekeek ons, schoon zij op eenigen afstand bleven. Daar wij met hen handel gedreven, en vriendelijk bejegend waren, duchtten wij geen gevaar, maar toen wij al het volk zagen, kapten wij drie takken van een boom, en staken die op eenigen afstand van ons in den grond, hetwelk, naar het schijnt, aldaar niet alleen een blijk van vrede en vriendschap is, maar als men van de andere zijde ook drie takken steekt, geeft dit te kennen, dat men den vrede of wapenstilstand aanneemt. Maar het is eene bekende voorwaarde, dat men hen niet verder dan tot aan hunne drie takken naderen mag, en zij niet verder komen dan die van u. Men is dus binnen die takken volkomen veilig, en die ruimte is als het ware de markt, waarop handel gedreven wordt. Daar binnenkomende, moet men geene wapens medebrengen, en zij steken aan hunne zijde hunne spietsen en lansen bij de eerste takken, en naderen ongewapend, maar zoo jegens hun eenig geweld gebruikt, en de wapenstilstand daardoor verbroken wordt, loopen zij naar de takken, vatten de wapens op, en de wapenstilstand is geëindigd.
Op een avond, dat wij aan wal gegaan waren, kwam er veel meer volk dan gewoonlijk naar het strand, doch allen waren beleefd en minzaam. Zij bragten ons verscheidene eetwaren, die wij hun met eenige kramerijen betaalden; de vrouwen bragten ons ook melk en groenten, en alles was rustig. Wij sloegen van takken een hutje op, en bleven dien nacht op het strand. Ik had echter een tegenzin, schoon ik er geen reden voor had, om als de overigen op het strand te slapen, en daar onze sloep op een steenworp afstands voor anker lag met twee matrozen er in, liet ik er een van aan wal komen en eenige takken in de sloep brengen, waarna ik het zeil op den bodem der sloep uitspreidde, en daarop mij ter rust begaf.
Tegen twee uren in den morgen hoorden wij een vreesselijk rumoer aan den wal, en een van ons volk riep ons toe, om Gods wil aan wal te komen met de sloep om hen te helpen, want dat zij allen waarschijnlijk vermoord zouden worden; tevens hoorde ik hen al hun schietgeweer lossen, dat uit vier of vijf snaphanen bestond, en dit tot driemaal toe, want het scheen, dat de inboorlingen hier niet zoo bang voor schietgeweer waren, als de Indianen, met welke ik te doen had gehad. Zonder te begrijpen wat er gaande was, maar door het rumoer dadelijk opgewekt, liet ik de sloep dadelijk naar land gaan, en besloot met drie geweren, die wij aan boord hadden, aan land te gaan, om ons volk bij te staan. Wij bereikten spoedig het strand, maar ons volk sprong te water, om er te spoediger in te komen, daar zij door drie- of vierhonderd man vervolgd werden. De onzen waren slechts negen in getal, en slechts vier of vijf hunner hadden geweren; de overigen hadden wel pistolen en sabels, maar daarmede konden zij weinig uitrigten.
Wij namen zeven matrozen in de boot, en dit ging moeijelijk genoeg, daar drie hunner zwaar gewond waren; en het ergste was, dat terwijl wij in de boot stonden om ons volk er in te helpen, wij evenveel gevaar uitstonden als zij op het strand gehad hadden, want zij beschoten ons zoo hevig met hunne pijlen, dat wij genoodzaakt waren ons te verschansen met de doften, en twee of drie losse planken, die bij toeval, of liever door 's Hemels beschikking in de boot lagen. Ware het echter dag geweest, dan zouden zij ons zeker allen gedood hebben, zoo zij slechts iets van ons ligchaam hadden kunnen zien, zulke goede schutters zijn zij. Bij het maanlicht zagen wij echter een glimp van hen, terwijl zij ons op het strand spietsen en pijlen stonden toe te werpen, en na onze geweren geladen te hebben, gaven wij hun de laag, en konden aan de kreten van sommigen hooren, dat wij verscheidenen gewond hadden. Zij bleven echter tot het aanbreken van den dag in slagorde op het strand geschaard, waarschijnlijk om ons dan te wisser te treffen.

Terwijl wij zoo lagen, wisten wij niet hoe wij ons anker ligten of ons zeil bijzetten zouden, omdat wij dan in de boot moesten gaan staan, en zij dan ons zoo zeker zouden treffen als wij een zittenden vogel met hagel. Wij maakten noodseinen tegen het schip, dat eene mijl in zee lag, doch mijn neef de kapitein hoorde ons vuur, en door zijne kijkers ziende hoe wij lagen, begreep hij dadelijk wat er gaande was, en ten spoedigste het anker ligtende, naderde hij den wal zoo nabij als hij durfde, en zond ons eene andere sloep met tien man te hulp, maar wij riepen hun toe niet te nabij te komen, en hoe de zaken stonden. Niet ver van ons bleven zij liggen, en een van het volk zwom naar ons toe met het eind van eene lijn in de hand, terwijl hij onze boot tusschen zich en den vijand hield, zoo dat men hem van het strand niet goed zien kon, en maakte dit aan ons vast, waarop wij ons ankertouw lieten glippen, en ons anker achter lieten, terwijl zij ons buiten bereik hunner pijlen boegseerden, en wij ons achter de opgeslagen verschansing verborgen hielden. Zoodra wij niet meer tusschen het schip en den wal lagen, zonden wij hen van boord eene volle laag met schroot en kogels toe, hetwelk eene schrikkelijke verwoesting onder hen aanrigtte.

Toen wij aan boord teruggekeerd en buiten gevaar waren, konden wij naar de oorzaak van deze onlusten onderzoek doen, waarop onze supercarga, die hier meermalen geweest was, aandrong, want hij zeide, dat de inwoners ons, na het aangaan van een wapenstilstand, nimmer eenig leed zouden gedaan hebben, als wij hen niet door het een of ander daartoe getergd hadden. Eindelijk kwam het uit, dat eene vrouw, die ons eenige melk was komen verkoopen, een jong meisje had medegebragt, die eenige groenten had gebragt, en terwijl de oude vrouw (of het hare moeder was wisten zij niet) hare melk verkocht, had een van ons volk zich ruw gedragen jegens het meisje, waarop de oude vrouw een groot misbaar maakte. De matroos wilde echter zijne prooi niet laten varen, maar sleepte haar buiten het gezigt der oude, onder de takken, daar het thans genoegzaam duister was. De oude vrouw moest zonder haar vertrekken, en bragt, naar het scheen, den stam, vanwaar zij gekomen was, in opschudding, die daarop binnen drie of vier uren dit geheele leger tegen ons op de been bragt; en het was groot wonder, dat wij niet allen omgebragt waren.
Een van ons volk was bij het begin van den aanval door een werpspies gedood, zoo als hij uit de tent, die wij gemaakt hadden, te voorschijn kwam; de overigen bragten er het leven af, behalve de kerel, die het geheele onheil veroorzaakt had, en zijn lust duur genoeg boette, want wij hoorden niets van hem. Wij bleven, schoon de wind gunstig was, twee geheele dagen liggen, en deden seinen voor hem, en lieten onze booten het strand verscheidene mijlen ver op en neder zeilen, maar alles vergeefs. Dus moesten wij het opgeven, en zoo hij er alleen voor geleden had, ware het verlies zoo groot niet geweest.
Ik had echter geen rust voor ik nogmaals aan den wal beproefd had iets van zijn lot te vernemen. Den derden nacht na het gevecht verlangde ik volstrekt te weten wat kwaad wij hen gedaan hadden, en hoe de zaken bij de Indianen stonden. Ik zorgde het in den nacht te doen, ten einde wij geen gevaar van een nieuwen aanval liepen, maar ik had mij ook moeten verzekeren, dat ik volkomen gezag had over het volk, dat ik medenam, alvorens ik mij op een togt waagde, die zoo gevaarlijk was, en zoo heilloos afliep, als zonder mijn weten of wensch gebeurde.
De supercarga en ik namen twintig van de moedigste matrozen mede, en wij landden twee uren voor middernacht op dezelfde plaats, waar de Indianen tijdens het gevecht gestaan hadden. Ik landde juist hier, omdat ik hoofdzakelijk verlangde te zien of zij het veld geruimd en eenige teekens hadden achtergelaten van het door ons gestichte onheil; en ik hoopte, dat zoo wij soms een of twee hunner gevangen konden maken, wij deze misschien voor onzen matroos zouden kunnen uitwisselen. Wij landden in de diepste stilte, en verdeelden het volk in twee hoopen; de een onder mijn bevel, de andere onder dat van den bootsman. Wij zagen noch hoorden een spoor van eenig menschelijk wezen, dus trokken wij op eenigen afstand van elkander tot naar de plaats van het gevecht. In den beginne belette de duisternis ons iets te zien, maar verder op struikelde de bootsman, die vooruit ging, een paar malen over een lijk. Hierdoor wetende, dat dit de plek was waar de Indianen gestaan hadden, hielden zij halt en wachtten mij af. Wij besloten te wachten tot de maan opkwam, hetgeen binnen een uur zou geschieden, en toen zagen wij duidelijk de door ons aangerigte vernieling. Wij telden tweeëndertig lijken op het slagveld, waaronder twee die nog niet geheel dood waren. Sommigen waren een arm, anderen een been, en een het hoofd geheel afgeschoten. De gewonden schenen zij medegevoerd te hebben.
Na alles ontdekt te hebben, wat ik begreep te kunnen ontdekken, wilde ik naar boord keeren, maar de bootsman en zijn volk lieten mij zeggen, dat zij besloten hadden het dorp op te zoeken, waar die schelmen, gelijk zij hen noemden, woonden, en verzocht mij mede te gaan; want vonden zij al hen niet, dan vonden zij toch zeker een rijken buit, en misschien wel Tom Jeffries, zoo als de man heette dien wij verloren hadden.
Hadden zij mij om verlof gevraagd, dan had ik hun dadelijk bevolen naar boord te keeren, wetende, dat het ons niet betaamde dit gevaar te loopen, aan wie een schip en zijne lading toevertrouwd waren, en die eene reis te doen hadden, waartoe het leven van het volk van het hoogste belang was; maar daar zij mij lieten weten dat zij gaan wilden, en mij en mijn volk alleen verzochten mede te gaan, weigerde ik dit ronduit, en stond op, want ik zat op den grond, om naar de boot te gaan. Een of twee van mijn volk vielen mij lastig om hen mede te laten gaan, en toen ik dit ook weigerde, begonnen zij te morren, zeiden, dat zij niet onder mijn bevel stonden, en dat zij toch zouden gaan. "Ik ten minsten ga," zeide een hunner, "kom Jack, gaat gij mede?"—Jack zeide ja, en toen volgde een ander en toen nog een, en om kort te gaan, allen verlieten mij op een na, dien ik, en dat nog met veel moeite, overreedde te blijven, waarop ik met hem en den supercarga naar de sloep ging, waar ik de anderen gezegd had, dat ik op hen wachten zou, en trachten zou zooveel van hen in te nemen als heelhuids terug kwamen; want ik hield hen voor dat zij eene dwaasheid begingen, en naar het scheen hetzelfde lot als Tom Jeffries wilden ondergaan.
Als echte matrozen zeiden zij, dat alles zeker goed afloopen zou, dat zij daarvoor instonden, dat zij zeer voorzigtig zouden zijn, enz., en daarmede gingen zij heen. Ik smeekte hen om het schip en de reis te denken, en dat deze eenigermate aan hen toevertrouwd was; dat zoo hun een ongeluk overkwam, het schip uit gebrek aan volk kon verongelukken, en dat zij dit voor God noch menschen konden verantwoorden. Ik voegde er nog veel bij, maar had even goed tegen den grooten mast kunnen spreken; zij waren als verzot op den togt, doch gaven mij goede woorden, beloofden dat zij uiterst voorzigtig en zeker binnen een uur terug zouden zijn, want het dorp lag volgens hun zeggen, geen half uur vandaar; schoon zij later ondervonden, dat het twee mijlen ver was. Zij vertrokken dan op deze dolzinnige onderneming, en om hun regt te laten wedervaren, even voorzigtig als moedig. Zij waren zekerlijk goed gewapend, ieder had een geweer, een bajonet en een pistool; sommigen hadden sabels en anderen enterbijlen, en bovendien hadden zij twaalf of dertien handgranaten. Nimmer gingen moediger kerels op slechter onderneming uit. Hun hoofddoel was plunderen, en zij hoopten er veel goud te vinden; doch een onvoorzien toeval maakte hunne wraakzucht gaande, en hen tot baarlijke duivels.
Aan de plaats gekomen, waar zij het dorp dachten te vinden, en die geen half uur ver was, zagen zij zich teleurgesteld door slechts eenige weinige hutten te vinden, en nu wisten zij niet waar en hoe groot het dorp was. Zij beraadslaagden eenigen tijd of zij dit gehucht zouden overrompelen. In dat geval moesten zij al de inwoners van kant maken, en het was tien tegen een dat er een ontsnapte, die hun weldra uit het naaste dorp een geheel leger op den hals kon zenden. Zoo zij aan den anderen kant verder gingen, en de Indianen hier lieten slapen, wisten zij niet hoe het dorp te vinden. Eindelijk besloten zij er toch toe en gingen wat verder, tot zij eene koe aan een boom gebonden vonden. Deze besloten zij hun tot gids te laten dienen, want, zeiden zij, de koe behoort in het dorp voor ons of achter ons te huis; als wij haar los maken en zij gaat terug, laten wij haar gaan, maar gaat zij verder dan volgen wij haar. Zij sneden dus de koord van gevlochten takken los, en de koe ging voorwaarts, en bragten hen zoo regt naar het dorp, dat volgens hen uit tweehonderd huizen of hutten bestond, in sommige waarvan verscheidene huisgezinnen woonden.
Alles was daar even gerust in slaap, en zij hielden op nieuw krijgsraad, en besloten eindelijk zich in drie hoopen te verdeelen, en drie huizen, op drie verschillende plaatsen in brand te steken, en als het volk naar buiten kwam, hen te grijpen en te binden, en zoo zij zich verweerden wist ieder wat hem te doen stond; en dan zouden zij de overige huizen plunderen. Zij besloten echter eerst in stilte het dorp door te trekken, om te zien hoe groot het was, en of zij ook beter zouden doen met af te trekken. Dit deden zij, en besloten daarop tot den aanval; maar terwijl zij nog bijeen stonden, waren drie wat vooruitgetrokken en riepen thans, dat zij Thomas Jeffries gevonden hadden. Zij liepen allen derwaarts en het was ook zoo, want zij vonden den rampzalige naakt uitgeschud, met afgesneden hals, aan een arm hangende. Digt daarbij was een hut, waarin zestien of zeventien Indianen zaten, waaronder twee of drie, die door onze kogels getroffen waren geworden, en zij hoorden deze tot elkander spreken.

Het gezigt van hunnen ongelukkigen, mishandelden makker, maakte hen zoo verwoed, dat zij zwoeren hem te zullen wreken, en geen Indiaan, die in hunne handen viel, kwartier te geven. Zij gingen echter niet zoo onbesuisd te werk als men van hunne razende woede zou verwacht hebben. Eerst zochten zij een en ander bijeen, dat spoedig vuur vatten kon, maar zij vonden dat dit niet noodig was, daar de meeste huizen zeer laag en met biezen en dorre takken bedekt waren, derhalve maakten zij van eenig vochtig kruid een loop, en binnen een kwartier uurs stond het dorp op vier of vijf plaatsen in brand, vooral het huis waar de Indianen hadden zitten praten. Zoodra de vlammen uitsloegen, wilden de verschrikte wilden naar buiten vlugten, maar vonden den dood aan den ingang, waar de bootsman zelf twee hunner met zijne bijl velde. Daar het huis groot en er veel volk in was, wilde hij er niet ingaan, maar wierp er een handgranaat in, die bij de uitbarsting bijkans allen doodde die daar binnen waren, behalve twee of drie, die aan de deur gekomen met de bajonet afgemaakt werden. Er was een ander vertrek daar, waarin hun koning of vorst zich met verscheidene anderen bevond, en deze hielden zij met geweld binnen, tot dat het brandende dak instortte, en zij in de vlammen omkwamen.
Zij hadden middelerwijl nog geen schot gedaan, omdat zij het volk niet spoediger wilden wakker maken, dan zij hen konden vermeesteren, maar de snel voortgaande vlam deed hen spoedig genoeg ontwaken, en was zoo hevig, dat zij naauwelijks op den grond konden loopen, echter waren zij genoodzaakt den loop des vuurs te volgen. Zoodra dus de vlammen de bewoners uit hunne huizen dreven, stonden de onzen gereed om hen af te maken, terwijl zij elkander aanhoudend toeriepen: "Denk om Tom Jeffries!"
Ik was, terwijl dit gebeurde, in de grootste ongerustheid, en vooral toen ik de vlammen zag opstijgen; die in de duisternis vlak bij ons schenen te zijn. Mijn neef de kapitein, dien men bij het zien der vlammen gewekt had, was ook niet weinig ongerust, daar hij niet wist hoe de zaken stonden of in welk gevaar ik mij bevond, vooral toen hij ook hoorde schieten, want zij begonnen nu ook hunne geweren te gebruiken. Hij stond duizend angsten uit, wat er van mij en den supercarga geworden was. Eindelijk, niet wetende in wat nood wij waren, liet hij, schoon hij al zijn volk hoog noodig had, dertien man in eene andere sloep gaan, en ging zelf met hen naar den wal.
Hij zag vreemd op, toen hij mij met den supercarga en slechts twee matrozen in de boot vond, maar verlangde even hard als ik te weten wat er omging, want het getier hield aan en de vlammen werden steeds heviger. In zulk een geval is het bijkans onmogelijk het verlangen te wederstaan, om te weten wat er gebeurt en zijn volk te hulp te komen, en de kapitein zeide mij, dat hij, het kostte wat het wilde, zijn volk bijstand wilde bieden. Ik hield hem, even als vroeger het volk, het behoud van het schip, het gevaar dat hij liep en het belang der reeders, voor; en zeide, dat ik met de twee mannen op verkenning wilde uitgaan en hem berigt brengen. Maar ik had even goed spreken tegen mijn neef als vroeger tegen het volk. Hij wilde gaan, zeide hij, en hij wenschte dat hij slechts tien man aan boord gelaten had; want hij wilde zijn volk niet uit gebrek aan hulp laten omkomen; liever, zeide hij, het schip, de reis en zijn eigen leven er bij in te schieten, en daarmede vertrok hij.
Gelijk ik hen niet had kunnen overreden om niet te gaan, zoo kon ik mij zelven thans evenmin bedwingen om mede te gaan. De kapitein gelastte dus twee man met de pinnas terug te roeijen, en nog twaalf man van boord te halen, terwijl de groote boot voor anker bleef liggen, en dat als zij terug kwamen zes man op de booten zouden passen en zes ons volgen, zoodat hij slechts zestien man op het schip liet, want de geheele equipaadje bestond uit zesenvijftig man, waarvan twee bij den eersten twist, die al het onheil te weeg bragt, gesneuveld waren.
Eens op weg dachten wij er weinig aan een pad te zoeken, maar gingen regt op de vlammen aan. Had eerst het schieten ons verontrust, thans waren de jammerkreten van het arme volk van een geheel anderen aard, en deden ons bloed verstijven van ijzing. Ik had zeker nimmer het stormenderhand innemen en verbranden van eene stad bijgewoond, maar ik had van Cromwell's wreedheden in Ierland en van Tilly's plundering van Maagdenburg gehoord, maar nimmer vroeger van die zaken eenig besef gehad; ook is het niet mogelijk die te beschrijven of de ontzetting, die het hooren daarvan ons aanjaagt.
Wij gingen echter verder en kwamen eindelijk aan het dorp, schoon de vlammen ons beletten er binnen te gaan. Het eerst wat wij zagen was eene hut in puin of liever in de asch, want het vuur had haar geheel verteerd, en daar voor lagen de lijken van vier mannen en drie vrouwen, en wij meenden nog een of twee in het vuur te zien. Kortom wij troffen zoo veel blijken aan van onmenschelijke woede en wraakzucht, dat wij het onmogelijk hielden, dat ons volk die allen had kunnen bedrijven; of anders hadden allen naar ons gevoelen den gruwelijksten dood verdiend. Doch dit was niet alles; voor ons uit vermeerderden de vlammen en tevens de kreten, zoodat wij volstrekt niet begrepen wat er gaande was. Een weinig verder gekomen zagen wij tot onze verbazing drie naakte gillende vrouwen ons als razenden voorbij vlugten, gevolgd door zestien of zeventien inboorlingen, met drie van onze Engelsche moordenaars achter hen, die, daar zij hen niet konden inhalen, op hen vuurden, en een voor onze oogen doodschoten. Toen de anderen ons zagen hielden zij ons ook voor vijanden, van wie hun een gelijk lot te wachten stond als van de anderen, en zij begonnen allerakeligst te gillen, vooral de vrouwen, en twee hunner vielen neder als of zij reeds werkelijk dood waren.

Mijn bloed verstijfde toen ik dit zag, en ik geloof dat, zoo de drie Engelsche matrozen, die hen vervolgden, bij ons gekomen waren, ik mijn volk op hen zou hebben laten vuren. Wij gaven echter de arme vlugtelingen te kennen, dat wij hun geen kwaad wilden doen, en dadelijk kwamen zij naar ons toe, knielden met opgeheven handen, en hieven een droevig gejammer om bescherming aan, die wij hun door gebaren beloofden, waarop zij zich digt achter ons voegden. Ik liet mijn volk in orde oprukken en gelastte hun niemand kwaad te doen, maar zoo mogelijk eenigen van ons volk te bereiken, en te zien van welken duivel zij bezeten waren, wat zij wilden, en hun te gelasten het moorden te staken en te verzekeren, dat zij met het aanbreken van den dag honderdduizend wilden om hen heen zouden hebben, en ik begaf mij met een paar lieden onder de vlugtelingen, waar ik een jammerlijk schouwspel ontwaarde. Sommigen hadden zich, bij het redden uit de vlammen, vreesselijk gebrand, anderen waren bovendien door de onzen gekwetst, en een man, die een kogel door het lijf had ontvangen, stierf terwijl ik er bij stond.
Ik had gaarne de aanleidende oorzaak van dit alles willen vernemen, maar kon van hunne woorden niets begrijpen, schoon ik uit hunne teekens opmaakte, dat zij er zelf niets van wisten. Ik was zoo verbitterd over dezen onmenschelijken aanval, dat ik het hier niet langer uithouden kon, maar naar mijn volk terug ging. Ik zeide hun mijn voornemen en gelastte hun mij te volgen, toen op dat oogenblik vier onzer matrozen onder aanvoering van de bootsman kwamen aanloopen, over hoopen van door hen vermoorde wilden, geheel met bloed en stof bedekt, alsof zij naar nog meer moorden verlangden. Ons volk riep hen toe zoo luid zij konden, en deden zich eindelijk met veel moeite hooren, zoodat zij ons herkenden en naar ons toekwamen.
Zoodra de bootsman ons zag riep hij hoezee, omdat hij dacht hulpbenden te zien, en zonder te wachten dat ik iets zeide, riep hij: "Kapitein, ik ben blijde dat gij gekomen zijt, wij hebben nog niet half gedaan. Die honden, die helsche schurken! Ik zal er zoo veel doodslaan als de arme Tomas haren op het hoofd had. Wij hebben gezworen geen hunner te sparen, wij willen hunne geheele natie van den aardbodem verdelgen!" en zoo ging hij voort, hijgende van drift, zonder dat ik er een woord tusschen kon voegen.

Eindelijk verhief ik mijne stem om hem te overschreeuwen. "Barbaarsche schelm, wat doet gij?" zeide ik. "Ik verbied u, op doodstraffe, nog een van het leven te berooven. Blijf hier en houd uwe handen voor u, als gij uw leven lief hebt, dat gelast ik u, of gij zijt zelf in twee minuten een lijk."
"Wel mijnheer," zeide hij, "weet gij wel wat gij doet of wat zij gedaan hebben. Wilt gij de reden weten van onze handelingen, kom hier," en daarmede bragt hij mij bij den armen kerel, die met afgesneden strot aan een boom hing.
Ik moet bekennen, dat ik toen zelf warm genoeg werd en op een anderen tijd misschien de voorste onder hen zou geweest zijn; maar ik begreep dat zij hunne wraak te ver hadden getrokken, en dacht aan de woorden van Jacob tot zijne zonen Simeon en Levi: "vervloekt zij hunnen toorn, want hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard!" Maar mijne taak vermeerderde thans, want toen het volk, dat ik medegebragt had, even als ik dit schouwspel zag, had ik om hen terug te houden even veel moeite als aan de anderen, ja mijn neef zelf trok hunne partij, en zeide mij, zoodat zij het hooren konden, dat hij alleen bang was dat zij eene groote overmagt zouden vinden; maar dat de wilden allen den dood verdiend hadden, om het vermoorden van den armen man, en dat zij als moordenaars behoorden behandeld te worden. Dit hoorende, liepen acht van mijn volk den bootsman na om hem in zijn bloedig werk te helpen, en daar ik zag, dat ik volstrekt buiten staat was hen tegen te houden, ging ik bitter bedroefd heen, want ik kon het gezigt, laat staan het jammerlijk gegil en geschreeuw der ongelukkigen, die in hunne handen vielen, niet uitstaan.
Ik kon niemand mede krijgen dan den supercargo en twee matrozen, en met deze keerde ik naar de booten terug. Het was, dat beken ik, zeer dwaas van mij, mij zoo alleen terug te wagen, want daar het nu reeds bijkans dag begon te worden, en de geheele omstreek in rep en roer scheen gebragt, stonden er bij het gehucht, waarvan ik vroeger sprak, ongeveer veertig man met lansen en bogen gewapend; maar toevallig liep ik hen mis, en kwam aan het strand toen het reeds klaar dag was. Dadelijk ging ik met de pinnas aan boord, en zond haar daarop terug voor het volk. Toen ik de boot bereikte, waren de vlammen bijkans uit, en het geraas was veel verminderd, maar geen halfuur was ik aan boord, of ik hoorde een geregeld geweervuur, en zag een grooten rook opgaan. Later vernam ik, dat ons volk toen die veertig man, die, gelijk ik zeide, bij dat gehucht stonden, hadden aangevallen, en er zestien of zeventien van gedood, waarna zij de hutten in brand staken, doch de vrouwen en kinderen lieten zij hier ongemoeid.
Toen de pinnas weder aan het strand kwam, begon ons volk te voorschijn te komen, niet in twee afdeelingen, en in geregelde orde, gelijk zij opgetrokken waren, maar bij kleine troepjes, die hier en daar rondzwierven, zoodat eenige weinige moedige mannen hen gemakkelijk hadden kunnen in de pan hakken. Maar de vrees voor hen was door de geheele omstreek verspreid; en honderd wilden zouden geloof ik voor vijf matrozen gevlugt zijn. Bij deze geheele slagting had zich niemand ernstig verdedigd; zij waren zoo verrast door den schrik van de vlammen en de overrompeling der onzen in den nacht, dat zij niet wisten waar zij zich heen wenden zouden; want overal liepen zij den dood in den mond. Geen der matrozen had ook eenig letsel, behalve een, die zijn voet verstuikt had en een wiens handen zwaar gebrand waren.
Ik was zeer boos op mijn neef den kapitein, zoo wel als op al het volk, maar op hem in het bijzonder, zoo wel omdat hij zijn pligt als gezagvoerder van een schip vergeten, en het gelukken der geheele reis in de waagschaal gesteld had, als omdat hij de woede van zijn volk in hunne onmenschelijke wraak eer aangevuurd dan gestild had. Hij zeide mij, ofschoon zeer eerbiedig, dat toen hij het lijk van den matroos zag, dien zij zoo wreedaardig vermoord hadden, hij zijne drift niet had kunnen bedwingen. Hij erkende, dat hij als gezagvoerder van een schip verkeerd gehandeld had, maar dat hij een mensch was, en bij dit gezigt geen meester van zichzelven had kunnen blijven. Over het overige volk had ik niets te zeggen, gelijk zij zeer goed wisten, en zij stoorden zich dus aan mijn misnoegen in het geheel niet, en op den dag gingen wij onder zeil.
Onze matrozen verschilden van meening omtrent het getal der gedooden, doch naar de beste berekening waren er wel honderdvijftig mannen, vrouwen en kinderen gevallen, en was er in het dorp geen hut overgebleven. Daar de arme Tom Jeffries dood was, zou het weinig gebaat hebben hem mede te voeren, dus lieten zij hem waar zij hem vonden, alleen namen zij hem van den boom af waaraan hij hing.
Hoe regtvaardig ons volk ook meende gehandeld te hebben, ik was van een ander gevoelen, en zeide hun telkens, dat zij op hunne reis niet op Gods zegen konden hopen; want ik beschouwde hunne daden als zoo vele moorden. Het was wel waar, dat zij Tomas Jeffries vermoord hadden, maar het was ook waar dat Jeffries de aanvaller was geweest, dat hij den wapenstilstand verbroken en een jong meisje, dat in het vertrouwen daarop in ons kamp kwam, geweld had aangedaan. De bootsman sprak dit tegen toen wij later aan boord waren. Het was wel schijnbaar dat wij den wapenstilstand gebroken hadden, maar eigenlijk hadden de inboorlingen dit zelf gedaan, door een van ons volk te dooden, zoodat, daar wij regt hadden hen te bevechten, wij evenzeer regt hadden ons zelven regt te verschaffen; en ofschoon de arme man wat ruw tegen een meisje was geweest, had men hem daarvoor zoo schandelijk niet mogen vermoorden; en zij hadden niets gedaan dan hetgeen regtmatig was, en hetgeen volgens goddelijke wetten hun tegen moordenaars vrij stond.
Men zou denken, dat dit ons had moeten waarschuwen van niet weder onder heidenen en barbaren aan wal te gaan, maar de menschen willen niet anders dan door hunne schade leeren; en hoe duurder de ondervinding hun te staan komt, des te meer indruk schijnt zij op hen te maken.
Onze bestemming was thans naar de Perzische golf, en vandaar naar de kust van Coromandel, terwijl wij Suratte zouden aandoen; maar hoofdzakelijk was onze supercargo naar de baai van Bengalen voornemens, en als hij op de uitreis niet slaagde naar zijn genoegen, zou hij naar China stevenen, op de thuisreis daar weder de kust aandoen.
Ons eerste ongeval trof ons in de Perzische golf, waar vijf man, die het aan de Arabische zijde waagden landwaarts in te gaan, door de Arabieren afgesneden en gedood of in slavernij gevoerd werden; het overige bootsvolk kon hen niet ontzetten, maar had naauwelijks tijd het met de sloep te ontkomen. Ik bragt hen onder het oog, dat dit eene verdiende straf des Hemels was; maar de bootsman zeide mij driftig, dat ik verder ging, dan waartoe de Heilige Schrift mij regt gaf, en verwees mij op het gezegde des Heilands, dat de mannen, op wie de toren van Silo viel, geen zondaars waren geweest boven de anderen. Hetgeen mij echter hier den mond stopte was dat van de vijf man, die wij hier verloren, geen bij den moord van Madagascar was geweest, gelijk ik het altijd noemde, schoon het volk dit kwalijk verduwen kon.
Mijne gedurige berispingen hierover hadden echter rampzaliger gevolgen dan ik vermoed had, en de bootsman, die hen destijds aangevoerd had, kwam eens bij mij en zeide dat ik die zaak gestadig op het tapijt bragt, en al het volk en hem in het bijzonder er ten sterkste over gelaakt had, hetgeen zij, daar ik slechts een passagier was, die niets op het schip te bevelen had en wien de reis niets aanging, van mij niet langer verdragen wilden; dat zij vreesden, dat ik eenig kwaad opzet brouwde, en hen misschien bij onze terugkomst in Engeland zou aanklagen; en dat, zoo ik er niet mede ophield, en mij nog verder met hem of wat hij gedaan had bemoeide, hij het schip zoude verlaten, want hij achtte het dan niet veilig als ik met hen aan boord bleef.
Ik hoorde hem vrij geduldig aan, tot hij gedaan had, en zeide toen, dat ik zeker altijd den moord van Madagascar, gelijk ik dien altijd noemen zou, veroordeelde, en dat ik dit bij alle gelegenheden ronduit had te kennen gegeven, schoon niet meer tegen hem dan tegen een ander. Het was waar, dat ik op het schip niets te bevelen had, maar ik matigde mij ook niets geen gezag aan, maar nam alleen de vrijheid om over zaken, die ons allen betroffen, ronduit te zeggen wat ik dacht; dat, welk belang ik bij de reis had, hem volstrekt niet aanging, dat ik een der reeders van het schip was, en als zoodanig begreep het regt te hebben van te spreken, en meer te zeggen nog dan ik gedaan had, en noch hem, noch iemand daarvan eenige verantwoording schuldig was; en ik begon hierop warm te worden. Hij antwoordde weinig of niets, en ik dacht dat de zaak hiermede afgeloopen was. Wij waren toen op de reede van Bengalen, en daar ik de plaats gaarne wilde zien, ging ik met den supercargo met de sloep aan wal. Tegen den avond wilde ik weder naar boord gaan, toen een van het volk naar mij toekwam, en mij zeide, dat ik mij geene moeite moest geven om naar het strand te gaan, want dat zij orders hadden mij niet naar boord te brengen. Op deze onbeschaamde boodschap stond ik niet weinig verbaasd, en vroeg den man wie hem daarmede belast had. Hij zeide de bootsman. Ik maakte hierop geene aanmerkingen, maar gelastte hem te zeggen, dat hij mij zijne boodschap gedaan en ik er niet op geantwoord had.

Ik zocht dadelijk den supercargo op, en zeide hem wat er gebeurd was en wat ik er van dacht, namelijk, dat er zeker muiterij aan boord zou komen, en verzocht hem dadelijk in eene inlandsche boot naar boord te gaan, en er den kapitein van te verwittigen. Ik had die moeite kunnen sparen, want voor ik hem gesproken had, was het aan boord reeds geschied. De bootsman, de konstapel, de timmerman, en in een woord al de onderofficiers, waren, zoodra ik vertrokken was, naar achteren gekomen en hadden verzocht den kapitein te spreken, en daarop had de bootsman eene lange aanspraak gedaan (want de man was zeer goed ter taal) en na eerst alles herhaald te hebben wat hij mij gezegd had, zeide hij den kapitein, dat daar ik nu vreedzaam aan wal was gegaan, zij geen geweld jegens mij gebruiken wilden, hetwelk zij anders zouden hebben moeten doen om mij van boord te krijgen. Zij achtten zich dus genoodzaakt te verklaren, dat zij, die scheep gegaan waren onder zijn bevel, zich getrouw van hunnen pligt zouden kwijten; maar dat, als ik niet van boord wilde gaan, noch de kapitein er mij toe dwingen, zij allen het schip zouden verlaten en niet verder met hem zeilen. Op het woord allen keerde hij zich om, hetwelk, naar het schijnt, een vooraf beraamd sein was, waarop al de matrozen, die bijeen stonden, riepen: "Ja, allen; allen, iedereen!"
Mijn neef de kapitein bezat zoo wel moed als tegenwoordigheid van geest, en schoon het voorgevallene hem zeer trof, zeide hij zeer bedaard dat hij er over denken zou, maar dat hij niets kon doen zonder mij eerst gesproken te hebben. Hij trachtte hun daarop het onbillijke en onregtvaardige van hunnen eisch onder het oog te brengen, maar niets baatte. Zij zwoeren en gaven elkander in zijn bijzijn er de hand op, dat, zoo hij hun zijn woord niet gaf, zij mij niet zouden toelaten weder aan boord te komen.
Dit was eene harde voorwaarde voor iemand, die zoo veel aan mij te danken had, en niet wist hoe ik het op zou nemen; dus sprak hij hun ernstig toe, zeide, dat ik de voornaamste reeder van het schip was, en dat men mij niet kon beletten bij mijn eigendom te blijven; dat dit bijkans even zoo gehandeld zou zijn als die zeeroover deed, die den kapitein op een woest eiland zette en met het schip doorging; dat dit hen bitter zou opbreken als zij ooit weder in Engeland kwamen, dat het schip mij toebehoorde en hij er mij niet kon afjagen, en dat hij liever het schip en de reis in de steek zou laten, dan mij zoo slecht te behandelen. Echter wilde hij aan den wal gaan en er met mij over spreken, en hij noodigde den bootsman met hem mede te gaan, ten einde te zien de zaak te schikken.
Zij weigerden dit echter eenstemmig en zeiden, dat zij niets meer met mij te doen wilden hebben, noch aan boord, noch aan den wal, en dat, als ik op het schip kwam, zij allen het zouden verlaten. "Nu," zeide de kapitein, "als dat uw voornemen is, zal ik aan den wal gaan en er met hem over spreken." Kort nadat de bootsman mij het berigt had gebragt, kwam hij dan ook bij mij.
Ik was zeer verheugd mijn neef te zien, want ik was bang dat zij hem met geweld zouden aan boord houden, zeil bijzetten en met het schip vertrekken, en dan had ik naakt en bloot in een vreemd land moeten achterblijven. In dat geval ware ik er erger aan toe geweest, dan toen ik alleen op het eiland was.
Gelukkig waren zij zoo ver niet gegaan, en toen mijn neef mij verhaalde wat zij hem gezegd en hoe zij gezworen hadden, tot den laatsten man het schip te zullen verlaten als ik aan boord kwam, zeide ik, dat hij zich om mij niet bekommeren moest, want dat ik aan den wal zou blijven. Ik verzocht hem alleen, dat hij zorgen zou mij al wat ik noodig had aan den wal te zenden, en mij genoeg geld te laten, en dat ik dan, zoo goed ik kon, zou zien hoe ik naar Engeland kwam. Dit was mijn neef niet zeer aangenaam, maar er was niet anders te doen; hij ging dus aan boord en zeide het volk, dat zijn oom aan hun onbescheiden verlangen had toegegeven en zijne goederen van boord liet halen. Hiermede was de zaak afgeloopen, het volk keerde tot zijnen pligt terug, en ik begon te overwegen welken weg ik thans moest inslaan.
Ik was nu alleen aan het einde der wereld, gelijk ik wel zeggen mag, want ik was ter zee drieduizend mijlen verder van Engeland dan toen ik op mijn eiland was; het is waar, ik kon van hier te land reizen, door het land van den grooten Mogol naar Suratte, vandaar naar Bassora te water, de Perzische golf op, en zoo den reisweg der karavanen op, door de Arabische woestijn naar Aleppo, en vandaar naar Italië en zoo over land naar Frankrijk, en dit zou te zamen gerekend, zeker meer dan de helft van den diameter des aardbols bedragen.
Een ander middel was er nog, namelijk te wachten op Engelsche schepen, die van Sumatra naar Bengalen kwamen, en daarmede naar Engeland terug te gaan. Maar ik was hier gekomen zonder eenige betrekking tot de Oost-Indische compagnie, zoodat het moeijelijk zijn zou zonder haar verlof te vertrekken, tenzij door bijzondere gunst van de kapiteins of kooplieden van de compagnie, en bij dezen was ik geheel onbekend.

Thans had ik het hartzeer het schip te zien vertrekken zonder mij; eene behandeling, die iemand, geloof ik, nimmer wedervaren is, dan van zeeroovers, die het schip afliepen, en hen, die niet wilden mededoen, hier of daar op de kust zetten. Mijn geval verschilde hiervan niet veel. Echter liet mijn neef mij twee bedienden, of liever lotgenooten, achter, de een was de onderschrijver, dien hij overreed had, om bij mij te blijven, en de andere was zijn eigen knecht. Ik nam mijnen intrek in het huis van eene Engelsche vrouw, waar verscheidene kooplieden logeerden, doch slechts een Engelschman. Hier had ik het zeer goed, en ten einde niets overijld te doen, bleef ik hier negen maanden, alvorens ik tot een besluit kwam, wat ik doen en hoe ik verder trekken zou. Ik had eenige Engelsche goederen van groote waarde en vrij wat geld bij mij, daar mijn neef mij duizend stukken van achten en een kredietbrief voor meer achtergelaten had, ten einde ik in geen geval geldgebrek zou hebben.
Ik ontdeed mij spoedig en zeer voordeelig van al mijne goederen, en gelijk ik altijd voornemens was geweest, kocht ik er eenige fraaije diamanten voor, dat in mijne omstandigheden het best was, omdat ik dan altijd mijne bezittingen kon medevoeren.
Na lang hier gebleven te zijn, zonder dat het mij gelukte, eene gelegenheid naar Engeland te vinden, die mij aanstond, kwam op eenen morgen de Engelsche koopman bij mij, die in hetzelfde huis logeerde, en met wien ik bevriend was geraakt. "Landsman!" zeide hij, "ik heb u eenen voorslag te doen, welke ik vertrouw, dat u even goed zal aanstaan, als hij mij doet, nadat gij er goed over nagedacht zult hebben. Hier zijn wij geposteerd, gij bij toeval en ik uit eigene verkiezing, in een deel der wereld, dat zeer ver van ons vaderland verwijderd is, maar waar door ons, die verstand van zaken hebben, vrij wat geld te verdienen is. Als gij duizend pond wilt toeleggen, even als ik, zullen wij het eerste het beste schip huren, dat wij krijgen kunnen; gij zult kapitein en ik koopman zijn, en wij zullen een reisje naar China doen. Waarom zouden wij stilzitten? De wereld en alle schepselen Gods, die er op zijn, de hemelligchamen zelfs, zijn allen vol beweging en leven. Waarom zouden wij alleen werkeloos zijn? Er zijn op Gods aardbodem geene andere luiaards dan menschen. Waarom zouden wij ons daaronder scharen?"

Deze voorslag smaakte mij zeer, vooral omdat hij op eene zoo goedhartige en minzame wijze gedaan werd. Ik zal niet zeggen, dat mijne omstandigheden mij te geschikter voor eenen handelstogt maakten, want de koophandel was eigenlijk mijn element niet. Maar was deze mijn element niet, het zwerven wel, en dus moest iedere voorslag, om eenig deel der wereld te zien, dat mij nog onbekend was, mij smaken. Het duurde echter eenigen tijd, voordat wij een schip naar ons genoegen konden vinden, en toen wij dit hadden, was het niet gemakkelijk, om zooveel Engelsche matrozen te verkrijgen, als noodig waren, om de reis te kunnen doen en de overige matrozen, die wij hier en daar opraapten, in bedwang te houden. Na eene poos kregen wij een stuurman, een bootsman en een konstapel, alle drie Engelschen; een Hollandsche timmerman en drie Portugezen voor eerste matrozen; met deze meenden wij het wel te kunnen doen, daar wij overigens Hindoes namen, om de verdere bemanning uit te maken.
Zooveel reizigers hebben hunne togten en lotgevallen beschreven, dat het weinigen smaken zou, hier een breed verhaal van de plaatsen, die wij bezochten, en derzelver bewoners te ontvangen. Ik laat het aan anderen over, naar wier werken ik mijne lezers verwijs. Alleen zal ik zeggen, dat wij eerst Achim op het eiland Sumatra aandeden, en vandaar naar Siam gingen, waar wij eenige onzer goederen voor opium en arak verruilden; daar het eerste bij de Chinezen zeer duur betaald wordt en toen juist zeer schaars was. Om kort te gaan, wij gingen naar Susam, deden eene zeer groote reis, bleven acht maanden uit, en keerden naar Bengalen terug, zeer tevreden over onze reis. In Engeland verwondert men zich dikwijls, hoe de beambten en kooplieden der Oost-Indische compagnie, in zoo goeden doen geraken en dikwijls met zeventig, ja honderdduizend pond Sterl. huiswaarts keeren. Maar dit is gemakkelijk te begrijpen, als men nagaat, dat op al die plaatsen en markten, waar Engelsche schepen komen, gestadig vraag is naar de voortbrengselen van andere landen, zoowel als retourgoederen voor de tehuisreis.
Wij hadden gelijk ik zeide, eene voordeelige reis, en door onze eerste onderneming zooveel geld gewonnen, en ik zooveel inzigt in de wijze van handel drijven, dat, ware ik twintig jaren jonger geweest, ik in verzoeking zou gekomen zijn, om daar te blijven en mijne fortuin te maken. Maar waartoe zou dit dienen bij iemand, die boven de zestig jaren oud was, geld genoeg bezat, en meer reisde uit eene onbedwingbare zucht om de wereld te zien, dan uit hebzucht, en waarlijk ik mag die zucht wel onbedwingbaar noemen, want te huis verlangde ik op reis te zijn, en in een vreemd land verlangde ik naar huis. Ik herhaal het, wat baatte mij de winst? Ik was rijk genoeg, en verlangde niet naar schatten; derhalve was het voordeelige van de reis voor mij geene drangreden, om mij tot verdere ondernemingen aan te zetten, en ik achtte zelfs deze reis als zonder gewin voor mij, omdat ik tot de plaats, vanwaar ik vertrokken was, was teruggekeerd, alsof daar mijn vaderland was, terwijl mijn oog, dat, gelijk dat waarvan Salomo spreekt, onverzadigbaar was van zien, maar altijd verlangde om meer te zwerven en te zien. Ik was in een deel der wereld gekomen, waar ik vroeger nimmer geweest was, en van hetwelk ik vooral veel gehoord had, en had besloten, er van te zien zooveel als ik kon, dan meende ik, had ik al het bezienswaardige in de wereld gezien.
Mijn compagnon bezag de zaken uit een ander oogpunt. Ik zeg dit niet, om het mijne te verdedigen, want het zijne was het beste en het meest voor eenen koopman geschikt, die, als hij op avontuur uitgaat, verstandig handelt als hij zich houdt aan hetgeen waarschijnlijk hem het meeste voordeel zal geven. Mijn nieuwe vriend hield zich aan het wezen van de zaak, en zou even als een paard in eenen molen, altijd denzelfden kring hebben willen rondloopen, mits hij er zijne rekening bij vond; aan den anderen kant was mijne denkwijze, hoe oud ik ook was, die van eenen dollen jongen, die als hij eens iets gezien heeft, er dadelijk van verzadigd is.
Maar dit was niet alles. Ik verlangde vurig digter bij mijn vaderland te zijn, en kon volstrekt tot geen besluit komen, welken weg daartoe in te slaan. Terwijl ik hierover nadacht, stelde mijn vriend, die altijd om zijne zaken dacht, mij eene andere onderneming voor, naar de Specerij-eilanden, en om van de Manilla's of dien kant uit, eene lading nagelen mede te brengen. Wel handelen de Hollanders op deze plaatsen, maar zij behooren gedeeltelijk aan de Spanjaarden. Wij gingen echter zoo ver niet, maar naar eenige andere, waar hunne magt niet zoo gevestigd is, als te Batavia, Ceylon enz. De toebereidselen tot deze reis waren spoedig gedaan, de grootste zwarigheid was alleen om er mij toe over te halen. Daar echter niets anders zich voordeed en ik ondervond, dat reizen en handelen met eene zoo groote, en ik mag zeggen, zekere winst, aangenamer en streelender was dan stil zitten, dat vooral voor mij, het rampzaligste leven was, besloot ik ook deze reis mede te doen. Wij volbragten die reis gelukkig, legden te Borneo aan, en op verscheidene eilanden, wier namen mij ontgaan zijn, en kwamen binnen vijf maanden terug. Onze specerijen, die voornamelijk in nagelen en eenige notenmuskaat bestonden, verkochten wij aan Perzische kooplieden, die ze naar de golf voerden, en daar wij vijf malen ons kapitaal terug ontvingen, wonnen wij inderdaad veel geld.
Toen mijn compagnon de rekening opgemaakt had, zeide hij, glimlagchend en als om mijne onverschilligheid te hekelen: "Welnu, is dat nu niet beter dan hier rond te loopen als iemand, die niets te verrigten heeft, en onzen tijd te verkwisten met den onzin en domheid der heidenen aan te gapen?"—"Ik geloof waarlijk van ja, mijn vriend!" antwoordde ik, "en ik begin de leerstellingen der kooplieden te omhelzen; maar ik moet u zeggen," vervolgde ik, "gij weet niet wat ik doen kan, want als ik er lust in krijg en met hart en ziel er deel in neem, zal ik, zoo oud als ik ben, u de wereld doorslepen, tot gij er uw bekomst van hebt, want ik zal het zoo ijverig aanleggen, dat gij geen oogenblik zult stilzitten."
Doch om voort te gaan. Eene poos daarna kwam een Hollandsen schip van Batavia binnen; het was geschikt voor reizen langs de kust en niet naar Europa, en van ongeveer tweehonderd ton. Het volk gaf voor, dat zij zooveel aan ziekte geleden hadden, dat de kapitein geen volk genoeg had, om weder naar zee te gaan, en daarom binnengeloopen was, en hetzij dat hij geld genoeg had of om andere redenen naar Europa verlangde, hij maakte openlijk bekend, dat hij zijn schip wilde verkoopen. Dit kwam mij vroeger ter oore dan mijn compagnon, en ik kreeg lust het te koopen. Ik ging dus naar hem toe en sprak er hem over. Hij dacht eene poos er over na, want hij overijlde zich nooit, en zeide eindelijk: "Het is wel wat groot; maar wij zullen het nemen." Diensvolgens kochten wij het schip, betaalden het, en namen er bezit van. Toen dit afgeloopen was, besloten wij, om aan het volk te vragen, of zij met onze matrozen bij ons dienst wilden nemen, maar plotseling waren zij allen verdwenen, nadat zij, gelijk wij later vernamen, niet alleen hunne gagie, maar ook hun aandeel van den koopprijs hadden ontvangen. Wij deden veel navraag naar hen, en eindelijk zeide men ons, dat zij allen over land naar Agra, waar de groote mogol zijn verblijf hield, waren gegaan, en van daar naar Suratte, en zoo te scheep naar de Perzische golf trokken.
Niets speet mij eenen geruimen tijd zoo zeer, dan dat ik de gelegenheid van met hen te gaan, had verzuimd, want zulk eene reis, in een gezelschap, dat mij zoowel tot bescherming als tot genoegen verstrekt zou hebben, zou juist met mijne wenschen gestrookt hebben. Ik zou dan de wereld gezien hebben, en tevens huiswaarts gekeerd zijn. Maar eenige dagen later dacht ik er anders over, toen ik vernam, wat het voor knapen waren, want de man, dien zij kapitein noemden, was slechts de konstapel. Zij waren op eene reis door eenige Maleijers aangevallen, die den kapitein en drie van zijn volk gedood hadden. Nadat deze gesneuveld waren, besloten de overigen aan boord, elf in getal, met het schip door te gaan, gelijk zij deden, en het in de baai van Bengalen bragten, terwijl zij den stuurman met vijf man aan den wal achterlieten, van welke wij later meer zullen hooren.

Doch hoe zij ook aan het schip kwamen, wij geraakten er op eene eerlijke wijze aan, naar wij meenden, schoon wij misschien dat wat scherper hadden moeten onderzoeken, want zoo wij de matrozen ondervraagd hadden, zouden zij elkander zeker tegengesproken en ons grond tot achterdocht gegeven hebben; maar de kapitein toonde ons eene overdragt van het schip op zekeren Emanuel Kloosterhoven (waarschijnlijk alles valsch) en gaf voor, dat hij zoo heette. Wij konden hem niet tegenspreken, en daar wij wat onvoorzigtig waren, of liever in het geheel geen kwaad vermoeden hadden, sloten wij den koop.
Wij namen vervolgens nog eenige Engelsche en Hollandsche matrozen aan, en besloten nu tot eene tweede reis, om specerijen naar de Philippijnsche en Moluksche eilanden; en om den lezer niet met beuzelingen te vermoeijen, ik bragt in het geheel in dit werelddeel zes jaren door met van de eene haven naar de andere te varen, en ging nu in het laatste jaar met mijnen compagnon op reis naar China, doch eerst zouden wij Siam aandoen om rijst in te koopen. Tegenwinden noodzaakten ons hier eenen langen tijd in de engte van de Molucco's en tusschen de andere eilanden te kruisen, doch naauwelijks waren wij uit dit moeijelijke vaarwater of wij vonden dat het schip lek was, zonder dat wij bij mogelijkheid konden vinden, waar dit lek zat. Hierdoor waren wij verpligt, om eene haven op te zoeken, en mijn compagnon, die hier beter dan ik bekend was, gelastte den kapitein de rivier Cambodia op te varen, want ik had een Engelschen stuurman, zekeren Thomson, kapitein gemaakt, omdat ik geen lust had, om zelf het gezag te voeren. De rivier ligt noordwaarts van de golf of baai die tot Siam zich uitstrekt.
Terwijl wij hier lagen en dikwijls om ververschingen naar den wal gingen, ontmoette ik daar eens een Engelschman, naar het scheen, konstapelsmaat op eenen Engelschen Oost-Indiëvaarder, die op dezelfde rivier digt bij Cambodia ten anker lag. Hij kwam naar mij toe, en sprak mij in het Engelsch aan, zeggende: "Mijnheer! wij zijn onbekend, maar ik heb u iets te zeggen, dat van veel belang voor u is." Ik zag hem strak aan, en dacht eerst, dat ik hem kende, maar dat was zoo niet. "Zoo het iets van belang voor mij en niet voor u is," zeide ik, "wat beweegt u dan, om het mij te zeggen?"—"Het groot gevaar, waarin gij u bevindt, en dat gij, naar ik meen te zien, geheel niet vermoedt, treft mij," hernam hij.—"Ik weet niet in welk gevaar ik mij bevinden zou," zeide ik, "behalve dat mijn schip een lek heeft, dat ik niet vinden kan, maar ik denk het morgen op zijde te halen, en te zien of ik het vinden kan."—"Lek of niet, gij zult wel wijzer doen, dan uw schip morgen hier te laten, als gij gehoord hebt, wat ik u zeggen zal," hernam hij. "Weet gij wel, dat de stad Cambodia slechts vijftien mijlen van hier ligt, en dat er vijf mijlen aan deze zijde twee groote Engelsche en drie Hollandsche schepen liggen?"—"Wel, wat gaat mij dat aan?" hernam ik.—"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde hij, "iemand, die op zulke avonturen uitgaat als gij, is het niet geraden, om eene haven binnen te loopen, zonder eerst te onderzoeken welke schepen daar zijn, en of hij in staat is, om ze het hoofd te bieden. Ik geloof niet, dat gij tegen hen opgewassen zijt." Ik lachte over deze woorden, die mij geene zorg baarden, want ik kon niet vatten wat hij meende, dus zeide ik eenigzins scherp: "Ik wenschte wel, dat gij duidelijker spraakt, mijn vriend! waarom zou ik bang zijn voor eenig kompagnies of Hollandsen schip; ik ben geen smokkelaar. Wat kunnen zij tegen mij hebben?"
Hij zette een misnoegd gelaat; doch zeide na eene poos zwijgens, met eenen glimlach: "Welnu, mijnheer! als gij u veilig acht, moogt gij afwachten wat er komen zal. Het spijt mij, dat gij blind zijt voor goeden raad, maar wees verzekerd, dat zoo gij niet dadelijk in zee steekt, gij met het volgende getij door vijf groote booten vol volks zult aangevallen worden; en als gij misschien genomen mogt worden, zal men u als een zeeroover ophangen en daarna uw proces opmaken. Ik had gedacht," vervolgde hij, "dat gij een berigt van zulk eene belangrijke zaak anders zoudt hebben opgenomen."—"Ik ben nimmer ondankbaar," antwoordde ik, "voor eenige dienst, noch jegens iemand, die mij eene dienst doet, maar ik begrijp niet, hoe zij zulk een oogmerk tegen mij kunnen hebben. Daar gij echter zegt, dat er geen tijd te verliezen is, en dat er een schelmsch voornemen bestaat, zal ik dadelijk aan boord gaan en in zee steken, als mijn volk het lek kan stoppen of wij zonder dat zee kunnen bouwen. Maar," vervolgde ik, "ik zou gaarne de reden hiervan weten. Kunt gij mij hieromtrent geene opheldering geven?"
"Slechts gedeeltelijk, mijnheer!" zeide hij, "maar ik heb een Hollandsen zeeman bij mij, en ik geloof, dat hij u wel alles zal willen verhalen, maar er is naauwelijks tijd toe. De hoofdzaak echter is deze, waarvan het begin u wel bekend zal zijn, namelijk dat gij met dit schip te Sumatra geweest zijt, dat daar uw kapitein met drie of vier man door de Maleijers vermoord is geworden, en dat gij, of eenigen die met u daar aan boord waren, met het schip doorgingen, en sedert zeeroof gepleegd hebben. Dit is de hoofdinhoud der zaak; en gij zult allen als zeeroovers opgepakt en zonder vele pligtplegingen opgehangen worden, want gij weet, dat koopvaarders den zeeroovers een kort proces aandoen, als die in hunne handen vallen."
"Nu spreekt gij rond en duidelijk," zeide ik, "en ik bedank u, en schoon ik weet, dat wij niets van dit alles bedreven hebben, maar op eene eerlijke wijze aan dit schip gekomen zijn, zal ik echter op mijne hoede zijn als er zoo iets gebeurt, en daar gij het eerlijk schijnt te meenen."—"Spreek niet van op uwe hoede te zijn, mijnheer!" zeide hij, "uwe beste handelwijze is het gevaar te ontwijken. Zoo gij op uw leven en op dat van uw volk eenigen prijs stelt, zoo kies de ruimte, zoodra het hoogwater is, en daar gij een geheel getij voor u hebt, zult gij al ver in zee zijn, voordat zij bij u kunnen komen, en daar zij twintig (Eng.) mijlen moeten afleggen, wint gij bovendien twee uren door het verschil van het getij, en daar zij slechts met sloepen afkomen, zullen zij u niet te ver in zee kunnen volgen, vooral als het wat waait."—"Ik heb waarlijk veel verpligting aan u," zeide ik, "hoe zal ik u dit vergelden?"—"Spreek daarvan niet, mijnheer!" zeide hij, "zoolang gij niet weet, of het waarheid is wat ik u gezegd heb. Ik zal u iets voorstellen. Ik heb negentien maanden gagie te goed op het schip, waarmede ik uit Engeland ben gekomen, en de Hollander, die bij mij is, zeven maanden. Zoo gij ons deze geven wilt, zullen wij met u gaan, en zoo gij overtuigd wordt, dat wij uw leven en dat van uw volk en de lading gered hebben, laten wij de meerdere belooning aan u over."
Ik stemde dadelijk hierin toe en ging onmiddellijk met hen naar boord. Zoodra ik op zijde kwam, riep mijn compagnon, die op het dek stond, mij verheugd toe: "Wij hebben het lek gevonden en al gestopt ook."—"Goddank, dat ik het hoor," zeide ik, "maar ligt dadelijk het anker."—"Dadelijk ankerligten?" herhaalde hij, "waarom, wat is er gaande?"—"Vraag niet," zeide ik, "maar roep alle mannen aan het werk, en laat het anker ligten, zonder een oogenblik te verliezen." Hij zag vreemd op, maar riep dadelijk den kapitein, en gaf hem orders, en schoon de eb nog niet doorgekomen was, dreef een koeltje van het land ons echter naar zee. Daarop riep ik hem in de kajuit en verhaalde hem wat er gaande was, en riep toen de twee mannen binnen, en zij verhaalden ons het overige; maar daar hiermede vrij wat tijd verliep, hadden zij nog niet gedaan, toen reeds een matroos aan de kajuitdeur kwam, om ons te zeggen, dat de kapitein ons liet weten, dat er jagt op ons gemaakt werd.—"Jagt, door wie?" vroeg ik.—"Door vijf sloepen met volk," zeide de man.—"Het is goed," zeide ik. "Dan is er waarschijnlijk wat aan." Ik liet daarop al het volk achterop komen, en verhaalde hun, dat men voornemens was, om het schip prijs te verklaren en ons als zeeroovers te behandelen, en vroeg hun, of zij ons trouw wilden bijstaan. Zij antwoordden welgemoed, dat zij ons tot in den dood zouden getrouw blijven. Toen vroeg ik den kapitein, hoe wij hen het best zouden afslaan, want dat ik mij tot den laatsten droppel bloeds wilde verdedigen. Hij zeide, dat het best ware, hen met onze stukken zoo lang mogelijk op eenen afstand te houden, en daarna hen met ons handgeweer te beletten, dat zij ons enterden, maar als dat alles vergeefs was, dat wij ons dan omlaag moesten begeven, in de hoop, dat zij geene gereedschappen mogten hebben, om onze beschotten open te breken.
De konstapel ontving middelerwijl order om twee stukken voor en achter te plaatsen, zoodat zij het dek bestreken, en die te laden met geweerkogels, oud ijzer en wat hij maar vond. Terwijl wij ons zoo gereed maakten om te vechten, hielden wij het echter zeewaarts met eene tamelijke koelte en konden de sloepen op eenigen afstand zien, zijnde vijf groote barkassen, die ons vervolgden met zooveel zeil als zij slechts konden bijzetten. Twee daarvan, die wij door onze kijkers konden zien, dat Engelschen waren, waren de anderen bijkans twee mijlen vooruit, zoodat wij zagen, dat zij ons zouden inhalen. Hierop deden wij een schot met los kruid, tot een sein dat zij zouden bijleggen, en heschen eene witte vlag, tot teeken dat wij onderhandelen wilden, maar zij hielden vol totdat zij binnen het bereik van ons geschut kwamen. Hierop streken wij de witte vlag, daar zij er niet op geantwoord hadden, heschen de roode en vuurden op hen met scherp. Desniettemin hielden zij vol, totdat zij zoo digt genaderd waren, dat wij hen met eenen roeper konden praaijen; dus riepen wij hun toe om af te houden, als zij hun leven liefhadden.
Het baatte alles niets; zij bleven ons volgen en trachtten onder onzen spiegel te komen, om ons zoo te enteren; waarop ik, ziende dat wij alles van hen te vreezen hadden en dat zij op de andere booten, die hen volgden, rekenden, gelastte het schip te wenden, zoodat zij ons op zijde kwamen, waarop wij dadelijk vijf stukken op hen afvuurden. Een schot trof zoo goed, dat het den achtersteven van eene boot wegsloeg, waardoor het volk de zeilen moest innemen en allen voorop loopen, om de boot niet te doen zinken; deze was dus buiten gevecht gesteld, maar daar de andere boot nog volhield, besloten wij op deze alleen te vuren.
Terwijl dit geschiedde had een van de drie achterste booten, die de andere twee vooruitgeraakt was, de door ons gehavende boot bereikt, en wij zagen naderhand, dat zij er het volk uit had overgenomen. Wij riepen de voorste boot weder aan, en boden eenen wapenstilstand aan, om te onderhandelen en te weten wat zij van ons wilden hebben, maar ontvingen geen antwoord, terwijl zij nader onder onzen spiegel schoot. Hierop haalde onze konstapel, die een vlugge knaap was, zijne twee jagers uit en gaf vuur op haar, zonder te treffen. Het volk in de boot juichte en wuifde met hunne mutsen; maar de konstapel had spoedig weder geladen, en een schot trof het volk, schoon het de boot miste, en deed veel kwaad onder hen, gelijk wij duidelijk zagen. Maar wij stoorden ons hieraan niet, maar wendden weder, en deden nog drie schoten, waarmede wij de boot bijkans verbrijzelden, vooral was het roer en een deel van den steven geheel weggeschoten; zij streken dus ijlings het zeil en waren geheel in wanorde. Maar om hun ongeluk te voltooijen, gaf de konstapel nog tweemaal vuur op hen. Waar hij hen trof weet ik niet, maar de boot begon te zinken en eenigen lagen reeds in het water. Dadelijk bemande ik hierop onze pinnas, die wij op zijde hadden liggen, met last om eenigen van het volk, zoo het mogelijk was, te redden en dadelijk met hen aan boord te komen, omdat de andere booten ook opkwamen. Ons volk vischte drie man op, waarvan een reeds half verdronken was, die wij eerst na veel moeite weder bijbragten. Zoo als zij aan boord waren, zetten wij zooveel zeil bij als wij konden en hielden zeewaarts, en toen de andere drie booten bij de twee voorste gekomen waren, zagen wij, dat zij de jagt opgaven.

Aldus van een gevaar bevrijd, dat veel grooter scheen, dan ik verwachtte, schoon ik er nog de reden niet van begreep, zorgde ik, dat wij onzen koers veranderden, zoodat niemand wist waar wij heengingen. Wij legden dus eerst oostwaarts aan, geheel buiten het vaarwater van alle Europesche schepen, hetzij naar China of naar eenige andere handelplaats. Toen wij op zee waren begonnen wij de beide zeelieden te ondervragen naar de reden van dit alles. De Hollander helderde ons nu het geheim op, zeggende, dat de kerel, die ons het schip verkocht had, niet anders dan een dief was, die met het schip was doorgegaan. Hij verhaalde vervolgens hoe de kapitein, dien hij mij noemde, doch wiens naam mij ontgaan is, op de kust van Malacca, met drie van zijn volk, vermoord was geworden; en dat hij met nog vier anderen in het bosch gevlugt was, waar zij eenen geruimen tijd hadden rondgezworven, tot hij in het bijzonder zich gered had op een Hollandsen schip, dat daar eene boot aan wal gezonden had, om zoet water in te nemen.
Vervolgens verhaalde hij, hoe hij, op Batavia gekomen, twee matrozen van het geroofde schip had ontmoet, die de overigen op reis verlaten hadden, en hoe deze hem gezegd hadden, dat de kerel, die met het schip doorgegaan was, het in Bengalen aan een hoop zeeroovers verkocht had, die er mede waren gaan kruisen, en dat zij reeds een Engelsch en twee Hollandsche schepen genomen hadden, alle rijk geladen. Dit laatste gedeelte sloeg op ons, en schoon wij wisten dat het valsch was, echter, gelijk mijn compagnon aanmerkte, het ware vruchteloos geweest ons te verdedigen of lijfsbehoud van hen te verwachten, als wij in hunne handen waren gevallen, terwijl zij zulk eene meening van ons koesterden, en te meer, daar onze beschuldigers tevens onze regters waren en alleen naar hunne blinde driften te werk gingen. Hij sloeg derhalve voor, om regtstreeks naar Bengalen, vanwaar wij kwamen, terug te keeren, zonder eenige haven aan te doen, omdat wij daar konden bewijzen, hoe wij aan het schip gekomen waren. In alle gevallen, als wij genoodzaakt waren tot de regtbank ons te wenden, konden wij ten minste verwachten, volgens regten behandeld te worden, en niet eerst gehangen en dan ons proces opgemaakt te worden.
Eenigen tijd dacht ik er ook zoo over, maar na rijp overleg zeide ik hem, dat ik het zeer gevaarlijk achtte, om naar Bengalen te willen terugkeeren, want daar wij tusschen de Moluccos waren, konden wij verwachten overal door de Hollanders en Engelschen aangevallen te worden, en als wij genomen werden, terwijl wij als het ware vlugtten, zouden wij ons eigen vonnis uitspreken, en men zou geen verder bewijs tegen ons noodig achten. Ik vroeg den Engelschen zeeman naar zijn gevoelen, die mij gelijk gaf, en het zeker achtte, dat wij genomen zouden worden. Dit gevaar smaakte mijn compagnon en het scheepsvolk weinig, en wij besloten naar de kust van Tonking en zoo naar China te stevenen, en daar op eene of andere wijze ons schip trachten te verkoopen, en met een vaartuig van het land, dat wij bekomen konden, terug te keeren. Dit werd goedgekeurd, en dus stevenden wij N. N. Oostwaarts, en hielden ons ongeveer vijftig mijlen ten Oosten van het gewone vaarwater.
Dit had echter dat ongemak, dat wij gestadig tegenwind hadden, daar de passaat bijkans altijd uit het O. en O. N. O. blies, zoodat wij eene lange reis hadden, terwijl wij slecht van levensmiddelen voorzien waren, en wat nog erger was, er was eenige kans, dat die schepen, wier booten ons vervolgd hadden, waarvan sommigen dien kant heen moesten, daar voor ons waren aangekomen, of aan eenen anderen Chinavaarder tijding van ons gegeven hadden, en dat die ons even fel vervolgden. Ik moet bekennen, dat ik vrij ongerust was, en mij in den gevaarlijksten toestand achtte, waarin ik mij nog ooit bevonden had. Want in welke hagchelijke omstandigheden ik ook geweest was, nimmer te voren was ik als een dief vervolgd, noch had ik ooit iets gedaan wat oneerlijk, ongeoorloofd, laat staan diefachtig was. Ik was voornamelijk mijn eigen vijand geweest of liever niemand vijandig dan mijzelven. Maar nu was ik er zoo slim aan toe als mogelijk was, want schoon volmaakt onschuldig, zag ik geene kans, om die onschuld te doen blijken, en als ik genomen mogt worden, zou dit zijn, omdat men mij hield voor eenen misdadiger van de ergste soort, althans naar de schatting van die lieden, met welke ik te doen zou hebben.
Dit maakte mij hoogst ongerust, schoon ik niet wist hoe er mij uit te redden, noch waar ik zou heengaan. Mijn compagnon, die mij zoo neerslagtig zag, schoon hij in den beginne er het meest verzet van was geweest, trachtte mij een riem onder het hart te steken, en terwijl hij mij de verschillende havens van die kust beschreef, zeide hij mij, dat hij op de kust van Cochinchina of de baai van Tonking zou binnenloopen, en daarna naar Macao gaan, eene stad, die vroeger aan de Portugezen behoorde, en waar nog zeer vele Europeërs woonden; voornamelijk de zendelingen, die gewoonlijk zich daarheen begeven, om vandaar naar China te gaan. Wij besloten daarheen te gaan, en na eene langdurige en moeijelijke reis, terwijl wij slechts schraal van levensmiddelen voorzien waren, kregen wij op eenen vroegen morgen de kust in het gezigt. Toen wij nadachten in welke gevaarlijke omstandigheden wij waren, besloten wij een riviertje op te varen, dat smal maar diep genoeg voor ons was, en te zien of wij, hetzij te land of met de sloep, te weten konden komen, welke schepen er in de havens daaromstreeks lagen. Dit gelukkig besluit was ons behoud, want er lagen in de baai van Tonking wel geene Europesche schepen, maar den volgenden morgen kwamen er twee Hollanders binnen en een derde schip, dat geen vlag voerde, maar dat wij ook voor eenen Hollander aanzagen, voer ons op twee mijlen afstands voorbij, koers zettende naar de Chinesche kust, en des namiddags zagen wij twee Engelschen denzelfden koers houden, en dus zagen wij ons van alle kanten omringd van vijanden. De plaats waar wij lagen was dor en woest, het volk diefachtig; en schoon wij weinig met hen verlangden om te gaan, dan om eenigen leeftogt op te doen, was het echter dikwijls moeijelijk genoeg dat wij allen twist met hen konden vermijden.
Wij lagen op eene kleine rivier, op weinige mijlen afstands van het noordelijk uiteinde van dat land, en met onze boot verkenden wij de kust tot aan het punt van de groote baai van Tonking, en op deze vaart langs de kust ontdekten wij, hoe wij als het ware van vijanden omringd waren. Het volk van dit land was het onbeschaafdste van al de kustbewoners aldaar; het had geenerlei omgang met andere natiën, en handelde alleen in visch en olie en dergelijke. Als een blijk van hunne woestheid, kan ik vermelden, dat zij onder andere gewoonten ook die hebben, dat zoo eenig schip bij ongeluk op hunne kust strandt, zij al het scheepsvolk tot gevangenen, dat wil zeggen tot slaven maken, en wij hadden weldra een blijk van hunne geaardheid bij de volgende gelegenheid.
Ik heb reeds gezegd, dat ons schip op zee een lek had gekregen, dat wij eerst niet hadden kunnen stoppen; echter was het gelukkig digt gemaakt op het oogenblik, dat wij door de Hollandsche en Engelsche schepen bij de baai van Siam zouden genomen worden. Het schip was echter niet zoo digt als het wel behoorde, en dus besloten wij, terwijl wij hier waren, onze zwaarste goederen aan wal te brengen, die gelukkig weinig waren, en het schip te kalfaten en zooveel mogelijk de lekken te stoppen. Na dus het schip verligt te hebben, en onze stukken en wat vervoerbaar was, naar de eene zijde gebragt te hebben, haalden wij het op zijde, om bij den bodem te kunnen komen. De inboorlingen, die nimmer zoo iets gezien hadden, kwamen naar het strand, en toen zij het schip zoo op zijde zagen liggen, en ons volk niet zagen, dat aan de andere zijde op steigers en in booten aan het werk was, begrepen zij, dat het schip op zijde geslagen was en aan den grond zat.
In deze meening kwamen zij allen, een paar uren later, met tien of twaalf groote booten, waarin acht tot tien man waren, op ons af, ongetwijfeld met oogmerk, om het schip te plunderen, en als zij ons vonden, als slaven weg te voeren naar hunnen koning of opperhoofd, want hoe zij geregeerd worden weet ik niet. Toen zij het schip genaderd waren, en er rondom roeiden, zagen zij ons allen hard aan het werk aan de buitenzijde van het schip, wasschende en schrapende en stoppende, gelijk ieder zeeman weet hoe. Zij stonden eene poos naar ons te zien, en wij, die eenigzins verrast waren, konden ons niet verbeelden wat hun oogmerk was; maar om zeker te gaan, lieten wij eenigen in het schip gaan, om aan de anderen, die aan het werk waren, wapens en kruid en lood toe te reiken, om zich mede te verdedigen, als het noodig was. Het was spoedig noodig, want na een kwartier uurs beraadslaagd te hebben, schenen zij begrepen te hebben, dat wij werkelijk gestrand waren, en nu allen bezig waren, om het schip vlot te krijgen of ons met de sloepen te redden, en toen wij wapens in de booten lieten, begrepen zij, dat wij eenige goederen trachtten te bergen. Zij begrepen, dat thans van zelve sprak, dat alles hun toekwam, en dus voeren zij in slagorde regt op ons aan.