DANIËL DE FOE. (continued 6)
Reading edition
Hij verhaalde mij, dat zij eenige wapens hadden, die hun echter volstrekt van geen nut waren, omdat zij kruid noch lood hadden; het zeewater had al hun kruid bedorven, op een klein weinig na, dat zij gebruikt hadden toen zij het eerst aan land waren gekomen, om zich eenig voedsel te verschaffen. Ik vroeg hem wat hij dacht, dat er daar van hen worden zou, en of zij geen plan tot ontvlugting ooit gemaakt hadden. Hierover zeide hij, hadden zij dikwijls beraadslaagd, maar daar zij noch vaartuigen, noch werktuigen om ze te bouwen, bezaten, noch eenigen voorraad hoegenaamd, was hunne overlegging altijd in wanhoop en tranen geëindigd. Ik vroeg hem hoe hij dacht, dat een voorstel van mij ten aanzien van hunne redding, zou opgenomen worden, en of dit niet geschieden kon als zij allen hier waren. Ik zeide hem ronduit, dat ik bovenal vreesde voor verraad en mishandeling van hunnentwege, als ik mijn leven in hunne handen stelde, want dat de dankbaarheid geene aangeboren deugd der menschen is; en dewijl de menschen niet alleen handelen naar gelang van hunne verpligtingen, maar veeleer naar het voordeel, dat zij verwachten. Ik zeide hem, dat het zeer hard zou zijn, als ik de bewerker hunner bevrijding was, en dat zij mij naderhand in Nieuw-Spanje tot hun gevangene maakten, waar een Engelschman van zijn dood zeker was, welke nooddwang of welk toeval hem ook derwaarts voerde, en dat ik liever aan de wilden overgeleverd en geslagt wilde worden, dan in de onbarmhartige handen der inquisitie te vallen. Ik voegde er bij, dat ik mij overigens overtuigd hield, dat zoo zij allen hier waren, wij een boot konden bouwen, groot genoeg om ons allen of zuidwaarts naar Brazilië of de eilanden, of noordwaarts naar de Spaansche kust te voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn zou dan vroeger.
Hij antwoordde met veel openhartigheid en verstand, dat hun toestand zoo jammerlijk was, en zij dit zoo zeer inzagen, dat hij geloofde, dat zij het denkbeeld van iemand, die iets tot hunne bevrijding had bijgedragen, ondankbaar te behandelen, zouden verafschuwen; en dat hij, als ik het verkoos, met den ouden man naar hen toe zou gaan, er met hen over spreken, en mij hun antwoord terug komen brengen; dat hij hen een plegtigen eed zou afeischen, dat zij zich geheel onder mijn bevel stelden, als hun kapitein en bevelhebber; en dat zij mij op de Heilige Sacramenten en het Evangelie trouw zouden zweren, en naar zoodanig Christenland gaan als ik verlangde, en naar geen ander; dat zij zich geheel en volkomen onder mijne orders zouden beschouwen tot wij behouden geland waren, in zoodanig land als ik verkoos, en dat hij een contract daarover, door hen onderteekend, zou medebrengen.
Vervolgens zeide hij, dat hij zelf eerst wilde zweren mij nimmer, zoolang hij leefde, te zullen verlaten, zonder mijn bevel, en dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij zou vergieten; als zijne landslieden zich aan de minste verbreking hunner beloften schuldig maakten.
Hij verhaalde mij, dat het allen zeer beschaafde, brave lieden waren, die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en dood op hen kon rekenen.
Op deze verzekeringen besloot ik het te wagen hen zoo mogelijk te verlossen, en den ouden wilde en den Spanjaard naar hen toe te zenden, om met hen te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. Het geval was namelijk dit.
Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem had laten zien hoe ik, met bijstand der Voorzienigheid, voor mijn levensonderhoud gezorgd had; en hij zag toen mijn voorraad van rijst en graan, die hoewel meer dan genoeg voor mij zelven, echter niet voldoende was, ten minste slechts schraal, voor mijn nieuw gezin, nu dit uit vier personen bestond; maar nog veel minder zou het genoeg zijn als zijne landslieden, waarvan, gelijk hij zeide, nog veertien in leven waren, overkwamen, en nog veel minder was er genoeg om ons vaartuig te provianderen, als wij er een gebouwd hadden, voor eene reis naar een der vestigingen in Amerika. Dus zeide hij mij, dat hij het raadzamer achtte, als ik hem en de twee anderen nog eenig land liet omspitten en bezaaijen, met zooveel zaaikoren als ik thans besparen kon, opdat wij genoeg graan in voorraad mogten hebben voor zijne landslieden, als die komen mogten; want het gebrek mogt hen in verzoeking brengen om hunne belofte te verbreken, en zij zich slechts uit de eene ongelegenheid in de andere gestort zien. "Gij weet," zeide hij, "dat schoon de kinderen Israëls zich eerst verheugden over hunne verlossing uit Egypte, zij echter tegen God zelf, die hun verlost had, opstonden, toen zij in de woestijn aan brood gebrek leden."

Zijne omzigtigheid was zoo prijsselijk en zijn raad zoo goed, dat ik niet dan genoegen in zijn voorstel kon nemen, zoowel als voldaan zijn over zijne getrouwheid. Dus gingen wij alle vier aan het spitten, zoo goed als dit met onze houten spaden ging, en ongeveer na eene maand, wanneer het zaaitijd was, hadden wij zooveel land ontgind, dat wij tweeëntwintig schepels graan en zestien potten rijst zaaiden, hetwelk al het zaaikoren was, dat wij missen konden, zelfs hielden wij naauwelijks genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef.
Daar ik nu gezelschap had, en wij ook talrijk genoeg waren om niets te vreezen van de wilden, als die gekomen waren, tenzij hun aantal bovenmate groot was, gingen wij zoo dikwijls wij er den tijd toe hadden, het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun werk nagaan en bestieren. Ik wees hem met wat onvermoeiden arbeid ik zware boomen tot planken had gekapt, en liet hem hetzelfde verrigten, tot zij ongeveer een dozijn eikenhouten planken bijeen hadden, van bijkans twee voet breed, vijfendertig voet lang en van twee tot vier duim dik. Welke ontzettende arbeid dit vereischte, zal iedereen ligt begrijpen.
Te gelijker tijd trachtte ik mijne kudde van tamme geiten zooveel mogelijk te vermenigvuldigen, en te dien einde gingen Vrijdag en de Spanjaard den eenen dag, en Vrijdag en ik den anderen dag, beurtelings uit, en vingen ongeveer twintig jonge geiten, om bij de overigen op te kweeken, want als wij de moeder doodschoten, spaarden wij de jongen en voegden die bij onze kudde. Maar vooral deed ik, toen de tijd tot het droogen van druiven gekomen was, zulk eene groote menigte in de zon hangen, dat ik geloof, als wij te Alicante, waar men de druiven in de zon droogt, geweest waren, wij zestig tot tachtig vaten gevuld zouden hebben. Deze maakten met ons brood, grootendeels onze spijs uit; en het was een zeer goed voedsel, dat kan ik verzekeren, want zij zijn zeer voedzaam.
Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst naar evenredigheid; hetwelk voor ons voedsel genoeg was tot aan den volgenden oogst, al waren ook al de zestien Spanjaarden bij mij geweest, of zoo wij tot eene reis gereed waren hadden wij hiermede ons ruim kunnen provianderen voor eene reis naar iedere plaats, dat is te zeggen van Amerika. Toen wij aldus ons koorn te huis gehaald hadden, gingen wij aan het vlechten van groote manden om het in te bewaren, waarin de Spanjaard vooral zeer handig was, die mij dikwijls laakte, dat ik hiervan geene verdedigingsmiddelen maakte, maar ik zag er de noodzakelijkheid niet van in.

Nu ik voor al de gasten, die ik verwachtte, genoeg te eten had, gaf ik den Spanjaard verlof den overtogt te doen en te zien, wat hij kon doen met de achtergeblevenen. Ik gaf hem een schriftelijken last, niemand mede te brengen, die niet eerst in tegenwoordigheid van hem en den ouden wilde gezworen had, dat hij op geenerlei wijze den persoon, dien hij op het eiland vinden zou, die zoo goed was hen te hunner bevrijding af te halen, zou beleedigen, bevechten of aanvallen, maar dat zij hem zouden bijstaan en verdedigen tegen al zoodanige ondernemingen, en dat waar zij ook gingen, zij geheel en al onder zijn bevel en gezag zouden staan, en dat dit in schrift gesteld en door hen onderteekend zou worden. Hoe dat laatste zou geschieden, daar ik wist, dat zij pen noch inkt hadden, was eene zaak daar wij in het geheel niet over gedacht hadden.
Met deze lastgevingen vertrokken de Spanjaard en de oude wilde, de vader van Vrijdag, in een der kanoes, waarmede zij gekomen of liever gebragt waren door de wilden om verslonden te worden. Ik gaf ieder een geweer en zes of acht scherpe patronen mede, met last hiermede zuinig te zijn en ze niet dan bij dringende noodzakelijkheid te gebruiken. Dit was voor mij eene aangename verrigting, want het waren de eerste maatregelen, die ik sedert meer dan zeven-en-twintig jaren, ter mijner bevrijding genomen had. Ik gaf hun zooveel brood en rozijnen mede, als niet alleen genoeg was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben, liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen.
Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, volgens mijne rekening in de maand October, doch nadat eens mijne rekening van de dagen in de war was geraakt, kon ik die nimmer weder in orde brengen; zelfs wist ik niet zeker, of ik de jaren wel volkomen juist had berekend, doch naderhand bleek het, dat mijne rekening van de jaren volkomen juist was.
Het was nu acht dagen, dat ik reeds op hen wachtte, toen een zeldzaam en onverwacht voorval, en welks gelijken welligt niet in de geschiedenis is vermeld, gebeurde. Ik lag op een morgen gerust te slapen toen Vrijdag kwam binnenstuiven, luidkeels roepende: "Meester, meester, daar komen zij, daar komen zij!"—Ik sprong op, en zonder om eenig gevaar te denken, ging ik, zoodra ik mijne kleederen aangeschoten had, door mijn boschje, dat thans een dik bosch geworden was, ik zeg, zonder aan eenig gevaar te denken, ging ik zonder wapens uit, hetgeen anders mijne gewoonte niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende, op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen, met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag, maar van het zuidelijkste einde van het eiland. Hierom riep ik Vrijdag en gelastte hem zich te verbergen, want dat dit niet de lieden waren, die wij verwachtten; en wij nog niet wisten of dit vrienden of vijanden waren.
In de eerste plaats ging ik mijn kijker halen, om te zien wat ik van hen ontdekken kon, en na de ladder opgezet te hebben, klom ik naar den top van den heuvel, gelijk ik gewoon was als ik ergens voor vreesde, en goed wenschte te zien zonder ontdekt te worden. Ik had naauwelijks mijn voet op den heuvel gezet, of ik ontdekte duidelijk een schip, dat op twee en een halve mijl van mij af, maar slechts anderhalve mijl van het strand in het Z. Z. O. voor anker lag, en scherper toeziende bemerkte ik duidelijk, dat het een Engelsch schip, en de boot eene Engelsche sloep was.
Ik kan niet zeggen, hoezeer mij dit verraste; schoon de vreugde van een schip te zien, hetwelk ik reden had te gelooven, dat door landgenooten en dus bevriend volk van mij, bemand was, onbeschrijfelijk was, werd ik echter door eene geheime en onverklaarbare angstvalligheid aangedreven, om op mijne hoede te zijn. In de eerste plaats begreep ik niet wat een Engelsch schip in dit oord kon komen doen, daar dit niet de weg was naar of van eenig deel der wereld, waarop de Engelschen handel dreven; en ik wist, dat er geen stormen geheerscht hadden, die hen daarheen hadden kunnen slaan; zoodat als zij werkelijk Engelschen waren, zij met geen goed oogmerk hier waren, en ik beter deed te blijven waar ik was dan in de handen van dieven en moordenaars te vallen.

Laat niemand dit geheime voorgevoel van gevaar verachten, dat hij somwijlen ontvangt, als hij zelfs aan de mogelijkheid van het gevaar geen geloof kan slaan. Weinigen geloof ik, die gewoon zijn gade te slaan wat er om hen heen gebeurt, kunnen ontkennen, dat ons zulke waarschuwingen gegeven worden; wij kunnen niet dan die aan de werking van eene onzigtbare magt, buiten ons, toeschrijven, en waarom zouden wij niet onderstellen, dat die ons tot ons bestwil gegeven worden.
Hetgeen er thans voorviel, levert hiervan een blijk op, want zoo deze geheime stem mij niet tot behoedzaamheid had aangedreven, ware ik mijn verderf in den mond geloopen, en in veel erger toestand dan te voren geraakt, gelijk men zien zal.
Ik was niet lang op den heuvel geweest, of ik zag de sloep digt langs het strand komen, alsof men naar eene kreek zocht om haar in te brengen, om gemakkelijker aan land te kunnen komen. Daar zij echter niet ver genoeg gingen, zagen zij den kleinen inham niet, waar ik vroeger mijne vlotten aan land gebragt had, maar zetten de boot op het strand op eene halve (Eng.) mijl van mij af, hetgeen zeer gelukkig was, want anders zouden zij als het ware voor mijne deur geland, en mij spoedig uit mijn kasteel gejaagd, en welligt van alles beroofd hebben wat ik had.
Toen zij aan wal waren zag ik duidelijk, dat het Engelschen waren, althans de meesten; een of twee hield ik voor Hollanders, maar dit was zoo niet. Er waren in het geheel elf mannen, waarvan drie ongewapend, en naar ik meende, gebonden; en toen er vier of vijf van de eersten op strand gesprongen waren, deden zij de drie gevangenen uit de boot gaan. Een van de drie stelde zich aan als een wanhopige, de beide anderen hieven slechts een paar malen de handen hemelwaarts, en schenen zeer neêrslagtig, schoon niet zoo ontsteld als de eerste. Ik was geheel verbaasd over hetgeen ik zag, en wist niet wat ik er van begrijpen moest. Vrijdag riep mij toe: "O meester, gij ziet, dat de Engelsche mannen ook hunne gevangenen opeten, zoo goed als de wilden!"—"Denkt gij, dat zij hen zullen opeten, Vrijdag?" vroeg ik.—"Ja," zeide hij, "zij zullen hen opeten."—"Neen, neen, Vrijdag," hernam ik, "ik vrees wel, dat zij hen zullen vermoorden, maar gij kunt er op aan, dat zij hen niet zullen opeten."
Al dien tijd wist ik niet wat ik denken moest, maar stond te beven van afschuw, daar ik ieder oogenblik verwachtte, dat de gevangenen vermoord zouden worden; en zelfs zag ik, dat een der schurken zijn sabel ophief, om een der gevangenen te dreigen, en ik verwachtte ieder oogenblik, hem te zien toeslaan, bij welk gezigt mij het bloed in de aderen verstijfde. Ik wenschte thans hartelijk, dat de Spanjaard en de oude wilde, die met hem vertrokken was, bij mij waren, of dat ik eenig middel wist, om, zonder ontdekt te worden, hen binnen bereik van mijn geweer te brengen, om de drie mannen te verlossen, want ik zag geen vuurwapenen bij hen; maar mij werd eene andere gelegenheid hiertoe verschaft.
Nadat de matrozen deze drie lieden zoo mishandeld hadden, zag ik, dat zij hier en daar heenzwierven, als om het land te gaan bezien. Ik bemerkte ook, dat de drie mannen konden gaan, waar zij wilden, maar zij bleven alle drie op het strand zitten in een allerneêrslagtigste houding. Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen zou, doordien wind en tij het schip digter bij het land drijven zouden, waardoor ik sedert zoo lang voedsel en kleederen had erlangd, evenzoo wisten deze drie wanhopigen niet, hoe gewis zij op bijstand en bevrijding konden rekenen, en hoe zij werkelijk in veiligheid Waren, toen zij zich verloren en hunne zaak wanhopig achtten.
Zoo weinig kunnen wij in de wereld vooruitzien, en zooveel reden hebben wij om welgemoed van onzen Schepper te vertrouwen, dat hij zijne schepselen niet zoo geheel zal verlaten, maar dat zij in de ongelukkigste omstandigheden altijd stof tot dankbaarheid hebben, en somtijds nader bij hunne redding zijn dan zij zich verbeelden, ja hunne redding zelfs te danken hebben aan de middelen, die zij als oorzaak van hun verderf beschouwen.
Het water was juist op zijn hoogst toen deze lieden aan den wal kwamen, en terwijl zij gedeeltelijk stonden te spreken met de gevangenen, die zij medegebragt hadden, en gedeeltelijk rondzwierven om te zien, op welke soort van plaats zij waren, hadden zij zorgeloos getoefd, totdat de eb was doorgekomen, en hunne sloep hoog en droog op het strand zat. Zij hadden twee man in de boot achtergelaten, die, gelijk ik naderhand bevond, wat te veel brandewijn gedronken hadden en vast in slaap gevallen waren. Een van hen echter ontwaakte, en vindende, dat hij de boot niet in beweging kon brengen, riep hij zijne kameraden, die in de nabijheid rondzwierven, maar zij waren met hun allen niet sterk genoeg, om de sloep, die zeer zwaar was, vlot te krijgen, daar het strand aldaar uit fijn en los zand bestond.
In dezen staat van zaken gaven zij het op, als echte zeelieden, die van alle menschen misschien het minste gewoon zijn aan voorzorgen te denken, en gingen weder landwaarts in, en ik hoorde een hunner luid tot een ander roepen, terwijl hij hem uit de boot riep: "Kom, Jack, laat haar liggen; het volgende tij zal haar vlot maken." Hierdoor wist ik thans zeker van welke natie zij waren.
Al dien tijd hield ik mij verborgen, en durfde zelfs niet verder dan mijn schuilhoek op den heuvel, mijn kasteel verlaten, en ik was blijde als ik bedacht, hoe goed het versterkt was. Ik wist, dat de sloep niet dan na tien uren vlot kon komen, en dan zou het duister zijn, en ik hunne bewegingen gade slaan, en hunne gesprekken, als zij die voerden, afluisteren. Middelerwijl maakte ik mij tot een gevecht gereed, even als vroeger, maar met meer behoedzaamheid, daar ik wist, dat ik thans met een geheel ander slag van vijanden dan de vorige te doen had. Ik gelastte Vrijdag, die thans een zeer goed schutter was geworden, zich te wapenen. Ik nam twee jagtgeweren en gaf hem drie geweren. Mijn voorkomen was waarlijk schrikbarend genoeg. Ik had mijn rok van geitenvellen aan, en mijne muts op, waarvan ik vroeger gesproken heb, een bloote sabel in de hand, twee pistolen in mijn gordel, en op ieder schouder een geweer.
Het was gelijk ik hiervoor zeide, mijn oogmerk, niets te ondernemen voor het duister was, maar tegen twee ure, op het heetste van den dag, vond ik, dat zij allen het bosch ingegaan, en waarschijnlijk in slaap gevallen waren. De drie ongelukkigen, te ongerust over hunnen toestand om te slapen, waren echter in de schaduw van een grooten boom gaan zitten, ongeveer een kwartier van mij af, en naar ik meende, buiten het gezigt van een der overigen. Ik besloot hierop mij aan hen te ontdekken, en iets naders omtrent hunnen toestand te vernemen. Onmiddellijk trok ik, in bovengemelde uitrusting op weg; en Vrijdag een eind weegs achter mij, die om zijne wapens ontzag genoeg moest inboezemen, maar niet zulk een schrikbarende spookgestalte als ik was. Ik naderde hen zonder opgemerkt te worden, en toen, voor een hunner mij bespeurd had, riep ik hen luid in het Spaansch toe: "Wie zijt gij, heeren?"
Zij sprongen verbaasd op, maar stonden tienmaal meer verbijsterd, toen zij mijn schrikbaarlijke gestalte zagen. Zij gaven geen antwoord, maar ik verbeeldde mij, dat zij de vlugt wilden nemen, waarop ik hen in het Engelsch toesprak: "Ontstel u niet, heeren; misschien vindt gij in mij een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."—"Dan moet gij regtstreeks van den hemel gezonden zijn," zeide een hunner ernstig, en te gelijk den hoed afnemende, "want menschelijke bijstand kan ons niet baten."—"Alle bijstand komt van den hemel," zeide ik. "Maar kunt gij een vreemdeling onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote ongelegenheid te zijn? Ik zag u toen gij aan land kwaamt, en toen gij de kerels, die u hier bragten, iets scheent af te smeeken, zag ik, dat een hunner zijne sabel tegen u ophief."
De arme man, wien de tranen over het gelaat biggelden, stond geheel verbijsterd, en zeide: "Spreek ik tot een mensch of tot een engel?"—"Wees daar niet ontsteld over," zeide ik. "Zoo God u een engel toegezonden had, zoude deze beter gekleed en anders gewapend zijn dan ik. Leg uwe vrees af; ik ben een mensch, een Engelschman, en geneigd u van dienst te zijn, dat ziet gij. Ik heb maar een knecht, doch wij hebben kruid en lood. Zeg ons ronduit: kunnen wij u van dienst zijn? Wat is het geval?"

"Ons geval," zeide hij, "is te lang om u te verhalen, mijnheer, terwijl onze moordenaars zoo nabij zijn; doch in korte woorden, ik was kapitein op gindsch schip; mijn volk is aan het muiten geslagen; zij zijn met moeite overgehaald om mijn leven te sparen, en hebben mij eindelijk op dit woeste eiland aan land gezet, met deze twee lieden, mijn stuurman is de eene, en de andere is een passagier, waar wij den dood verwachtten, daar wij niet wisten, dat het eiland bewoond was, en nog niet weten wat er van te denken."
"Waar zijn die schelmen, uwe vijanden?" vroeg ik. "Weet gij waar zij heengegaan zijn?"—"Daar zijn zij, mijnheer," zeide hij, naar een bosch wijzende. "Ik beef van angst, dat zij ons gezien en u hebben hooren spreken, want dan zullen zij ons zeker allen vermoorden."
"Hebben zij vuurwapenen?" vroeg ik. Hij zeide, dat zij slechts twee geweren hadden, waarvan een in de sloep was gebleven. "Welnu, laat dan alles aan mij over," zeide ik. "Het is gemakkelijk hen allen te dooden, maar willen wij ze niet liever gevangen maken?" Hij zeide, dat er twee aartsschurken onder hen waren, wien het ongeraden was genade te verleenen, maar dat hij geloofde, dat zoo zij vermeesterd waren, de overigen wel tot hunnen pligt zouden terugkeeren. Ik vroeg hem wie dat waren. Hij zeide, dat hij ze mij op dien afstand niet uitduiden kon, maar dat hij bereid was, mij in alles te gehoorzamen.—"Welnu," zeide ik, "laat ons dan buiten hun gehoor gaan, om hen niet wakker te maken, en dan zullen wij verder zien." Zij gingen daarop met mij terug tot de boomen, om voor hen verborgen te zijn.
"Nu, mijnheer," zeide ik, "als ik het waag u te bevrijden, zult gij dan twee voorwaarden met mij willen aangaan?" Hij kwam mijn voorstel voor door mij te verzekeren, dat hij en zijn schip, als hij bevrijd werd, geheel tot mijn bevel, en volkomen tot mijne beschikking waren, en dat zoo het schip niet weder bekomen mogt worden, hij met mij wilde leven en sterven, in welk werelddeel ik hem ook wilde voeren, en de twee anderen zeiden hetzelfde.
"Welnu," zeide ik, "ik heb slechts twee voorwaarden. Vooreerst, dat zoolang gij hier op het eiland vertoeft, gij op geenerlei gezag hier aanspraak maakt, en dat zoo ik u wapens ter hand stel, gij die bij alle gelegenheden, mij zult teruggeven, en mij noch het mijne op dit eiland eenige schade toebrengen, en middelerwijl mijne bevelen gehoorzamen.
"Ten tweede, dat als het schip hernomen mogt worden, gij mij en mijne goederen, zonder passagegeld te vorderen, naar Engeland zult medenemen."
Hij gaf mij alle verzekeringen van zijne trouw, die hij slechts kon bedenken, en dat hij aan deze allerbillijkste eischen zou voldoen, en bovendien zoolang hij leefde erkennen zou, dat hij zijn leven aan mij te danken had.
"Welnu dan," zeide ik, "hier zijn drie geweren voor u met kruid en lood. Zeg mij nu wat gij thans geraden acht te doen." Hij herhaalde zijne betuigingen, maar bood aan, zich geheel door mij te laten leiden. Ik zeide hem, dat het altijd gevaarlijk was wat wij ook ondernamen, maar dat het best wat ik bedenken kon was, te gelijk op hen vuur te geven, in hunnen slaap, en dat, als sommigen hunner bij deze eerste losbranding niet gedood werden, en om genade vroegen, wij hen dan konden sparen, en aldus aan de Voorzienigheid over te laten hoedanig onze kogels te rigten. Hij antwoordde zeer menschlievend, dat hij ongaarne menschenbloed zou vergieten, maar dat die twee lieden onverbeterlijke schurken en de aanleggers der geheele muiterij waren; dat zoo zij gespaard werden, zij zeker aan boord zouden terugkeeren en al het scheepsvolk medebrengen en ons allen vermoorden. "Welnu," zeide ik, "dan wettigt de noodzakelijkheid, hetgeen ik geraden heb, want het is het eenigste middel om ons leven te sparen." Daar ik echter zag, dat hij nog huiverde voor bloedvergieten, zeide ik, dat ik alles aan hem overliet, en dat zij konden handelen, zoo als zij goed vonden.
Onder dit gesprek hoorden wij, dat eenigen hunner ontwaakten, en kort daarna zagen wij twee man vertrekken. Ik vroeg hem of een van deze ook onder de belhamels behoorde. Hij zeide: "neen." "Welnu," zeide ik, "laat hen dan gaan, de Voorzienigheid schijnt het, heeft hen doen ontwaken, om hun leven te sparen. Zoo de overigen u nu ontgaan, is het uwe eigene schuld."
Hierdoor aangemoedigd nam hij het geweer op, dat ik hem gegeven had, en stak een pistool in zijn gordel, en ging met zijne twee makkers, ieder met een geweer in de hand, heen. De twee mannen, die bij hem waren en vooruit gingen, maakten eenig gerucht, waardoor een der matrozen, die wakker was, zich omkeerde, en hen ziende naderen, de overige te hulp riep; maar het was te laat; want op het oogenblik, dat hij riep gaven zij vuur, terwijl de kapitein wijsselijk zijn schot bespaarde. Zij hadden zoo goed de mannen uitgekozen, die zij kenden, dat een hunner op de plek dood bleef, en de ander zwaar gewond was; maar toch overeind kwam, en de anderen luid te hulp riep. De kapitein echter trad naar hem toe, en zeide hem, dat het thans te laat was om hulp te vragen, dat hij God vergiffenis mogt vragen voor zijne euveldaden, en velde hem daarop met de kolf van zijn geweer neder, en sloot hem den mond voor altoos. Er waren nog drie over, waarvan een ligt gekwetst was. Thans was ik er bij gekomen en toen zij hun gevaar zagen, en dat alle tegenstand vruchteloos was, smeekten zij om genade. De kapitein zeide hun, dat hij hun leven sparen zou, als zij hem betuigden, dat zij hunne verraderij verfoeiden, en beloofden hem getrouw te zullen bijstaan in het hernemen van zijn schip, en het terug te voeren naar Jamaica, vanwaar hij kwam. Zij gaven hem alle beloften, die hij verlangde, en hij wilde gaarne hun leven sparen, waar ik niet tegen was, evenwel ried ik hem hen aan handen en voeten gebonden, te bewaren, zoolang hij op het eiland was.

Terwijl dit voorviel zond ik Vrijdag met den stuurman naar de sloep, met last die vast te leggen, en de riemen en het zeil er uit te nemen, hetgeen zij deden, en kort daarop kwamen drie knapen, die, gelukkig voor hen, van hunne rondzwervende makkers afgeraakt waren, terug op het hooren der geweerschoten, en ziende, dat hun kapitein van hun gevangene nu hun overwinnaar geworden was, onderwierpen zij zich om op dezelfde wijze als de anderen gebonden te worden, en dus was onze overwinning voltooid.
Nu bleef er slechts over, dat de kapitein en ik elkander mededeelden wat ons overkomen was. Ik begon het eerst en verhaalde hem mijne geheele geschiedenis, die hij met opmerkzame verbazing aanhoorde, bijzonder over de wondervolle wijze, waarop ik met levensmiddelen en kruid en lood voorzien was geworden; en daar inderdaad mijne geheele geschiedenis eene reeks van wonderen is, trof dezelve hem diep; maar wanneer hij vervolgens om zichzelven dacht, en hoe ik scheen gespaard te zijn om hem het leven te redden, liepen de tranen hem over het gelaat, en hij was niet in staat een woord te uiten.
Na deze mededeeling bragt ik hem en zijne twee makkers in mijn vertrek, langs denzelfden weg, waarop ik er uitgekomen was, zette hun zoodanige verkwikkingen voor als ik had, en wees hun al de inrigtingen, die ik gedurende mijn lang, lang verblijf in deze plaats had tot stand gebragt. Zij verwonderden zich over al wat ik hun aanwees, al wat ik hun verhaalde, maar bovenal stond de kapitein verbaasd over mijne verschansingen, en hoe volkomen ik mijn verblijf had verborgen door eene reeks van boomen, die daar zij nu omstreeks twintig jaren gestaan hadden, en het hout hier veel sneller groeide dan in Engeland, een klein bosch en zoo digt was geworden, dat het overal ondoordringbaar was geworden, behalve op die plaats waar een smal kronkelend pad liep. Ik verhaalde hem, dat dit mijn kasteel en residentie was; maar dat ik, gelijk de meeste vorsten een landverblijf had, waar ik nu en dan heentrok, en dat ik hem bij gelegenheid zou aanwijzen, maar thans was het zaak te bedenken hoe wij ons weder van het schip zouden meester maken. Hij stemde zulks toe, maar bekende, dat hij volstrekt niet wist wat maatregelen te nemen, want dat er nog zesentwintig man aan boord waren, die daar zij in eene muiterij hadden deel genomen, waardoor zij volgens de wet het leven verbeurd hadden, thans door wanhoop gedreven, daarin zouden volharden, wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal aan te tasten.
Ik dacht eenigen tijd na over hetgeen hij gezegd had, en vond zijne gevolgtrekking allezins gegrond, en dat er derhalve tot nog niets anders kon gedaan worden, dan het volk aan boord door verrassing in een valstrik te lokken, zoodat zij niet aan land kwamen en ons vermoordden. Het viel mij thans in, dat het scheepsvolk, niet begrijpende wat er van hunne makkers en van de sloep geworden was, zeker binnen korten tijd in de andere boot aan land zou komen, om hen op te zoeken, en dat zij dan misschien gewapend en met te groote overmagt voor ons zouden komen; dit moest hij ook toestemmen.
Ik zeide hem daarop, dat het eerst wat ons te doen stond, was, een gat in de sloep, die op het strand stond, te maken, en er alles uit te nemen, zoodat zij onbruikbaar werd en geen zee kon bouwen. Diensvolgens gingen wij er heen, namen er de wapens uit en wat wij er verder in vonden, hetgeen bestond uit eene flesch brandewijn en eene met rum, eenige scheepsbeschuiten, een kruidhoorn en een groot stuk suiker, in een zeildoekschen zak; het stuk suiker was vijf of zes pond zwaar; en dit alles was mij hoogst welkom, vooral de brandewijn en suiker, die ik sedert vele jaren niet geproefd had. Toen wij dit alles aan wal gebragt hadden (de riemen, mast, zeil en roer hadden wij, gelijk ik gezegd heb, er reeds vroeger uitgenomen), hakten wij een groot gat in den bodem, zoodat als zij in te groot getal voor ons kwamen, om hen te overmeesteren, zij toch de boot niet konden medenemen.
Ik had er weinig gedachten op, dat wij in staat zouden zijn het schip te herwinnen; maar ik begreep, dat als zij vertrokken zonder de boot mede te nemen, het ons gemakkelijk zou vallen die weder in staat te brengen, om ons naar de benedenwinds eilanden te brengen, en onze vrienden, de Spanjaarden, onder weg op te nemen, want ik had hen niet vergeten.
Terwijl wij aldus onze toebereidselen maakten, en met alle man de boot zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er kwam geene boot opdagen, en zij deden verscheidene schoten en maakten andere seinen voor de boot.
Toen eindelijk al hun seinen en schieten vruchteloos bleef, en hun boot onbewegelijk bleef, zagen wij door mijn kijker hen eene andere boot uitzetten, en naar den wal roeijen, en wij bespeurden, toen deze naderkwam, dat er niet minder dan tien man in waren, en dat deze vuurwapens bij zich hadden. Daar het schip bijkans twee mijlen van den wal aflag, hadden wij een goed gezigt van hen toen zij aankwamen, en wij konden zelfs hunne gelaatstrekken duidelijk zien, omdat, daar het getij hen een weinig oostelijk medegesleept had, zij onder het strand heenroeiden, om op dezelfde plaats, waar de andere boot lag, te landen.
Hierdoor, zeide ik, konden wij hen duidelijk zien, en de kapitein, die al de personen en hun karakter kende, zeide, dat er drie brave knapen onder hen waren, die, hiervan was hij zeker, door de overigen door bedreigingen tot de zamenspanning gedwongen waren; maar dat de bootsman, die naar het scheen hun opperhoofd was, en al de overigen zoo slecht waren als het verdere scheepsvolk, en ongetwijfeld in hunnen aanslag zouden volharden. Hij beefde van angst, dat zij voor ons te sterk zouden zijn.
Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op bevrijding, hetzij dan levend of door den dood, behoorden bedacht te zijn. Ik vroeg hem wat hij van mijne lotgevallen dacht, en of hij niet meende, dat eene bevrijding wel verdiende, dat men er iets voor waagde. "En waar," zeide ik, "blijft uw geloof, dat ik hier gespaard ben geworden, ten einde u het leven te redden, hetwelk u kort geleden zoo veel moeds gaf? Wat mij betreft, ik vind in dit alles slechts eene zwarigheid."—"En welke is die?" vroeg hij.—"Deze," antwoordde ik, "dat er, gelijk gij mij gezegd hebt, drie of vier brave knapen onder hen zijn, die gespaard moeten worden; zoo zij allen tot het slechtste deel van het scheepsvolk behoord hadden, zou ik gedacht hebben, dat de Voorzienigheid hen uitgekozen had, om hen in uwe handen te leveren; want reken er op, dat ieder man, die aan wal komt, in onze magt is, en leven of sterven zal, naar gelang hij zich gedraagt."
Toen ik dit met eene krachtige stem en opgeruimd gelaat zeide, bemerkte ik, dat hij wat meer moed schepte, en dus gingen wij onverwijld aan het werk. Zoodra wij de sloep van het schip hadden zien afsteken, hadden wij besloten de gevangenen afgescheiden van elkander en in veilige bewaring te houden. Twee hunner, waarop de kapitein het minste staat maakte, zond ik met Vrijdag en een der bevrijden naar mijne grot, waar zij goed bewaard waren, en buiten gevaar van gehoord of ontdekt te worden, of uit het bosch den weg te vinden als zij zich wisten los te maken. Hier lieten zij hen gebonden achter, maar met levensmiddelen, en onder belofte van, zoo zij zich stil hielden, binnen een dag of twee in vrijheid gesteld te worden, maar dat zoo zij poogden te ontsnappen, zij zonder genade ter dood gebragt zouden worden. Zij beloofden hunne gevangenschap geduldig te dragen, en waren zeer dankbaar, dat zij zulke goede levensmiddelen en licht hadden, want Vrijdag had hun eenige kaarsen gegeven, en zij wisten niet beter of hij stond als schildwacht aan den ingang.

De andere gevangenen werden beter behandeld; wel werden twee hunner geboeid, omdat de kapitein hen niet vertrouwde, maar de beide anderen in mijne dienst genomen op zijne aanbeveling, en hunne plegtige belofte van met ons te leven en te sterven, dus waren wij met hen zeven man sterk, en ik twijfelde niet of wij zouden tegen de tien, die er kwamen, opgewassen zijn; vooral daar de kapitein zeide, dat er onder deze ook drie of vier brave knapen waren.
Zoodra zij aan de plaats kwamen, waar de andere sloep lag, liepen zij met hunne boot op het strand, en kwamen allen aan wal, hetgeen mij zeer verheugde, want ik was bang, dat zij de boot op eenigen afstand, en met eenig volk er in, om er op te passen, zouden gelegd hebben; wij hadden in dat geval de boot niet kunnen vermeesteren.
Het eerst, dat zij, aan den wal gekomen, deden, was, dat zij naar de andere sloep gingen, en wij zagen, dat zij zeer verbaasd stonden van haar zonder roer of riemen, en met een gat in den bodem terug te vinden. Na eenig nadenken begonnen zij uit alle magt te schreeuwen, ten einde hunne makkers hen zouden hooren, doch dit hielp niet, toen gingen zij allen bij elkander staan en gaven te gelijk vuur met hun klein geweer, zoodat het door het bosch weergalmde, doch dit was even vruchteloos; die in de grot waren konden het, dit wisten wij, niet hooren, en zij, die in onze bewaring waren, hoorden het wel zeer goed, maar durfden er geen antwoord op geven. Zij waren hierover zoo verbaasd, dat zij, gelijk zij naderhand ons verhaalden, besloten dadelijk naar boord terug te keeren, en daar te berigten, dat al hunne makkers vermoord, en in de boot een gat gemaakt was, derhalve gingen zij allen weder in de boot en staken onmiddellijk af.
De kapitein was bij dit gezigt zeer ontsteld, daar hij geloofde, dat zij naar boord terugkeeren en onder zeil zouden gaan, en hunne makkers als verongelukt beschouwen; en hij het schip verliezen zou, dat hij nog hoopte te herkrijgen; doch spoedig nam zijne ontsteltenis eene andere rigting.
Zij waren niet lang weg geweest of wij zagen hen terugkeeren, maar ditmaal gingen zij anders te werk, gelijk zij naar het schijnt beraamd hadden, namelijk, zij lieten drie man in de boot, terwijl de anderen aan wal gingen en landwaarts in liepen om hunne makkers te zoeken. Dit was voor ons eene groote teleurstelling, want nu wisten wij niet wat wij doen zouden. Het zou ons niet gebaat hebben de zeven man, die aan land waren, te vatten, zoo wij de overige lieten ontsnappen, die dan zeker naar het schip roeijen zouden en onder zeil gaan, waardoor wij alle hoop zouden verliezen van het schip te hernemen.
Er was echter niet aan te doen dan af te wachten, welken loop de zaken zouden nemen. De zeven matrozen stapten aan wal, en de drie, die in de boot bleven, roeiden haar op een goeden afstand van den wal af, en gingen daar voor anker liggen, om hen af te wachten, zoodat het ons onmogelijk was hen te bereiken. Degenen, die geland waren, bleven digt bijeen en klommen op den top van den heuvel, waar onder mijne woning lag, en wij zagen hen duidelijk, schoon zij ons niet konden gewaar worden. Wij zouden gaarne gezien hebben, dat zij digterbij waren gekomen, zoodat wij op hen hadden kunnen vuren, of verder weggegaan, zoodat wij naar buiten konden komen. Toen zij echter op den heuvel geklommen waren, vanwaar zij een wijd uitzigt over de dalen en bosschen hadden, die aan de noord-oostzijde, en waar het eiland het laagste was, lagen, begonnen zij zoo hard te schreeuwen als zij konden, en daar zij, naar het schijnt, het niet durfden wagen te ver van de kust te gaan, of zich in kleine partijen te verdeelen, gingen zij onder een boom zitten om te raadplegen. Zoo zij goedgevonden hadden daar te gaan slapen, zoo als de anderen gedaan hadden, zouden zij ons ligt werk gemaakt hebben; maar zij vreesden te veel gevaar om te durven slapen, schoon zij niet wisten voor welk gevaar zij te vreezen hadden.

Terwijl zij zaten te beraadslagen, deed de kapitein een zeer verstandig voorstel. Hij begreep namelijk, dat zij weder allen te gelijk hunne geweren zouden afvuren, ten einde hunne makkers dit zouden hooren, en dan stelde hij voor hen te overvallen, op het oogenblik, dat hun schietgeweer nog niet weder geladen was, wanneer zij zich waarschijnlijk zouden overgeven, en wij ons zonder bloedstorting van hen meester maken. Ik stemde hierin toe, mits het gebeuren kon als wij digt genoeg bij hen waren, om bij hen te zijn voor zij weder konden geladen hebben. Zij deden dit echter niet, en wij lagen nog een langen tijd, zonder te weten wat wij zouden doen. Eindelijk zeide ik, dat naar mijn gevoelen er niets kon gedaan worden voor het avond was, en dat als zij dan niet naar hunne boot terugkeerden, wij misschien tusschen hen en het strand konden komen, en door eene of andere list de matrozen in de boot aan land lokken.
Wij wachtten eene lange poos, zeer ongerust en zeer verlangend hen te zien vertrekken. Eindelijk zagen wij hen na eene lange beraadslaging, allen opstaan en naar het strand gaan. Het schijnt, dat zij zoo bevreesd waren voor de gevaren van dit eiland, dat zij besloten hadden naar boord terug te keeren, hunne verloren makkers in de steek te laten en hunne voorgenomen reis met het schip te vervolgen.
Zoodra ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen terug te lokken, die mij volmaakt gelukte.
Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de wilden met Vrijdag bij zich aan land waren gekomen, over te trekken, en zoodra zij op eene kleine hoogte op ongeveer een half kwartier uurs afstand gekomen waren, zoo hard te schreeuwen als zij konden, en te wachten of zij bespeurden, dat de matrozen hen hoorden, dat zoodra zij dezen hun hoorden antwoorden, zij weder moesten roepen, en dan steeds uit hun gezigt blijvende, in de rondte trekken, altijd op het geroep der anderen antwoordende, ten einde hen zoo ver landwaarts in en tusschen de bosschen te lokken, als mogelijk was, en dan weder op de wijze als ik hun voorschreef, tot mij terug keeren.
Zij gingen juist in de boot toen Vrijdag en de stuurman begonnen te roepen. Zij hoorden en antwoordden hen en liepen westwaarts het strand langs, op de stemmen af, die zij gehoord hadden. Hier stuitten zij op de kreek, waar zij, daar het hoog water was, niet over konden, en de matrozen in de boot riepen om bij hen te komen en hen over te zetten, gelijk ik vermoed had.
Nadat deze hen overgezet hadden, zag ik, dat zij de boot een goed eind weegs in de kreek, en dus als het ware in een haven gelegd hadden; zij namen dan ook een van de drie man er uit met hen mede, en lieten er slechts twee in de boot, die zij met een touw aan den stam van een boom hadden vastgemaakt.
Dit was juist wat ik verlangde, en terwijl ik Vrijdag en den stuurman aan hunne taak liet, nam ik de overigen mede, en na de kreek buiten hun gezigt overgetrokken te zijn, verrasten wij de twee man, waarvan een op het strand en een in de boot zat, voor zij ons bemerkt hadden. Die aan den wal was half slapende, en wilde juist opspringen, toen de kapitein, die de voorste was hem nedervelde, en daarop den matroos in de boot gelastte zich over te geven als hij zijn leven lief had. Er was weinig aandrang noodig om den man te bewegen zich over te geven, toen hij zijn makker geveld, en vijf lieden voor zich zag; bovendien was dit, naar het schijnt, een van de drie, die niet zoo ijverig als de overigen in de muiterij had deel genomen, en derhalve werd hij niet alleen gemakkelijk overreed om zich over te geven, maar later ook om gemeene zaak met ons te maken.
Middelerwijl hadden Vrijdag en den stuurman zich zoowel van hunne taak gekweten, dat zij de matrozen door hun geroep van den eenen heuvel naar den anderen, en van het eene boschje in het andere gelokt hadden, totdat zij hen niet alleen verschrikkelijk afgemat, maar ook verlaten hadden met de zekerheid, dat zij voor den donker den weg niet naar de boot zouden kunnen terugvinden, en zij zelven waren geheel afgemat toen zij bij ons terugkwamen. Wij hadden nu niets anders te doen dan hen in het duister te bespieden en te overvallen, om ligt werk met hen te hebben.
Verscheidene uren, nadat Vrijdag bij mij teruggekomen was, kwamen zij weder bij hunne boot, en lang voor zij bij ons waren, hoorden wij de voorsten de achtersten van hen toeroepen: toch spoed te maken, en wij hoorden de laatsten antwoorden, en klagen hoe zij lam van vermoeijenis waren en niet harder voort konden, hetgeen voor ons eene aangename tijding was. Eindelijk kwamen zij aan de boot, maar onmogelijk is het hunne verbijstering te beschrijven, toen zij de boot vast zitten, het water afgeloopen en hunne twee makkers verdwenen vonden. Wij hoorden hoe zij elkander op den klagendsten toon toeschreeuwden, dat zij op een betooverd eiland waren, dat er of inwoners op waren, die hen allen zouden vermoorden, of dat het door duivels of helsche geesten bewoond was, die hen verscheuren of naar de hel slepen zouden.
Zij begonnen weder te schreeuwen en hunne makkers herhaalde malen bij hunnen naam te roepen. Na eenigen tijd konden wij hen bij het weinige licht, dat er was, als wanhopigen en de handen wringende, heen en weder zien loopen; somwijlen gingen zij om wat te rusten in de boot zitten, dan weder sprongen zij op den wal en liepen heen en weder, en zoo telkens weder.
Mijn volk had gaarne verlof van mij willen hebben, om hen in het duister te overvallen; maar ik wilde er zooveel van sparen, en zoo weinig van doodschieten als mogelijk, en vooral wilde ik niet gaarne een van ons volk aan het gevaar blootstellen van een kogel van hen te ontvangen; daar ik wist, dat zij zeer goed gewapend waren. Ik besloot af te wachten of zij zich niet zouden verdeelen, en om derhalve te beter de overmagt op hen te hebben, liet ik mijne hinderlaag naderbij rukken, en gelastte Vrijdag en den kapitein op handen en voeten, en zoo digt langs den grond als zij konden, naar hen toe te kruipen en hen zoo digt mogelijk te naderen, alvorens zij vuur gaven. Niet lang waren zij in die houding gebleven of de bootsman, die de voornaamste belhamel van de muiterij was geweest, en die zich van allen het snoodst en laaghartigst gedragen had, kwam met nog twee van het volk naar hen toe. De kapitein werd woedend, toen hij den voornaamsten aanlegger zoo digt onder zijn bereik zag, dat hij zich naauwelijks tijd gunde om hem zoo digt te laten naderen, dat hij zeker van hem was, want hij had nog alleen zijne stem gehoord; maar toen zij naderkwamen sprongen de kapitein en Vrijdag op de been en gaven vuur op hen. De bootsman viel dood neder; de man, die bij hem was, had een kogel in het lijf gekregen en viel naast hem, schoon hij eerst een paar uur daarna stierf, en de derde liep weg.

Toen ik het vuren hoorde, rukte ik onmiddellijk met mijn geheele leger op, dat thans uit acht man bestond, te weten, ik als generaal en chef, Vrijdag als mijn luitenant-generaal; de kapitein en zijne twee lieden, en de drie gevangenen, dien wij wapens hadden toevertrouwd. Wij overvielen hen in het duister, zoodat zij ons getal niet zien konden, en ik liet den man, dien zij in de boot hadden achtergelaten, en nu tot onze partij behoorde, hen bij hunne namen noemen, om te trachten met hen tot onderhandeling te komen, hetgeen volkomen naar wensch uitviel. Zoo riep hij, zoo hard hij kon, tot een hunner: "Thomas Smith! Thomas Smith! Thomas Smith!"—Thomas Smith antwoordde dadelijk: "Wie is daar, is het Robinson?" want hij scheen de stem te herkennen. De ander Antwoordde: "Ja, ja, om Gods wil, leg de wapens neder, Thomas Smith, en geef u over, of gij zijt allen kinderen des doods!"
"Aan wie moeten wij ons overgeven? Waar zijn zij?" riep Thomas Smith weder. "Hier zijn zij," antwoordde de ander. "Hier is onze kapitein met vijftig man, die u twee uren lang heeft nagezeten. De bootsman is doodgeschoten, Willem Frije gewond en ik gevangen, en zoo gij u niet overgeeft, zijt gij allen verloren."
"Zal men ons dan kwartier geven als wij ons overgeven?" vroeg Thomas Smith. "Ik zal heengaan en het vragen, als gij belooft u over te geven," zeide Robinson. Hij vroeg het den kapitein, en deze riep: "Thomas Smith, gij kent mijne stem, zoo gij dadelijk de wapens nederlegt en u overgeeft, zal u allen het leven geschonken worden, behalve aan Willem Atkins."—Dit hoorende, begon Willem Atkins te roepen: "Om Gods wil, kapitein, geef mij kwartier. Wat heb ik misdreven? Zij zijn allen even slecht geweest als ik," hetwelk eigenlijk niet waar was, want het schijnt, dat Willem Atkins de eerste was geweest, die de hand aan den kapitein had durven slaan, en hem ruw behandeld, de handen gebonden, en uitgescholden had. Echter zeide de kapitein hem, dat hij zich op genade of ongenade moest overgeven, en op de genade van den gouverneur hopen, waarmede hij mij meende, want allen noemden mij gouverneur.
Om kort te gaan, allen legden de wapens neder en smeekten om lijfsgenade, en ik zond den man, die met hen gesproken had, met nog twee af, die hen allen bonden; en toen rukte mijn leger van vijftig man op, maar dat met die drie eigenlijk uit acht man bestond, en maakte zich van hen en van hunne boot meester, schoon ik mij met nog een man, uit staatkundige redenen, buiten gezigt hield.
Ons eerste werk was thans de boot weder in orde te brengen, en te denken om de herovering van het schip, en de kapitein, die nu den tijd had om met hen te onderhandelen, haalde hen scherp door over hun schelmsch gedrag jegens hem, en vervolgens over hunne verdere snoode oogmerken, en hoe dit alles op het laatst hen gewis tot ellende en armoede en misschien tot de galg moest leiden. Zij schenen allen vol berouw en smeekten ootmoedig om genade. Hierop zeide hij, dat zij niet zijn gevangenen, maar van den kommandant van het eiland waren; dat zij gedacht hadden hen in een woest onbewoond eiland aan wal te zetten, maar dat het God behaagd had dit anders te beschikken, dat het eiland bewoond en de gouverneur een Engelschman was; dat hij hen allen kon ophangen als hij het goed vond; maar dat, daar hij hun allen lijfsgenade geschonken had, hij begreep, dat hij hen naar Engeland zou zenden om daar aan de justitie overgeleverd te worden; behalve Atkins, dat de gouverneur hem gelast had dezen aan te zeggen, dat hij zich ter dood moest bereiden, want dat hij met den morgenstond zou opgehangen worden.
Schoon dit alles slechts een verdichtsel van hem was, had het echter de gewenschte uitwerking, Atkins viel op zijne knieën om des kapiteins voorspraak bij den gouverneur om zijn leven, en al de overigen smeekten hem, om Gods wil, niet naar Engeland gezonden te worden.
Thans begreep ik, dat het tijdstip onzer bevrijding naderde, en dat het gemakkelijk zou zijn, deze knapen tot een aanslag op het schip over te halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als voren te spreken, en te zeggen: "kapitein, de kommandant laat u roepen!" De kapitein antwoordde: "zeg aan zijne excellentie, dat ik oogenblikkelijk kom." Dit bragt hen geheel in den waan, dat ik met mijne vijftig man vlak in de nabijheid stond. Toen de kapitein bij mij kwam, deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed doordacht te verrigten, zeide ik hem, dat wij de gevangenen moesten verdeelen, en dat hij Atkins en nog twee van de ergsten gebonden naar de grot moest laten brengen. Dit werd aan Vrijdag en de twee mannen, die met den kapitein aan wal gekomen waren, toevertrouwd. Zij bragten hen naar de grot, alsof dit de gevangenis was, en werkelijk was het eene treurige plaats, vooral voor lieden in hunnen toestand.

De anderen liet ik naar mijne buitenplaats brengen, die ik hiervoor uitvoerig genoeg beschreven heb, en daar deze omheind en zij gekneveld waren, was de plaats sterk genoeg om hen te bewaren. Naar deze zond ik in den ochtend den kapitein om met hen in onderhandeling te treden, namelijk hen te toetsen en mij te zeggen, of hij het geraden achtte hen mede naar boord te nemen om het schip te verrassen. Hij sprak hen aan over hunne handelwijze jegens hem, den toestand, waarin zij zich gebragt hadden, en zeide, dat schoon de gouverneur hen allen voor het oogenblik, lijfsgenade geschonken had, zij allen naar Engeland gevoerd en daar ongetwijfeld in ketens opgehangen zouden worden; maar, dat als zij mede wilden werken tot het heroveren van het schip, hij den gouverneur zou overhalen hun pardon te geven.
Iedereen kan begrijpen, hoe gretig menschen in hunnen toestand zulk een voorstel aannemen, zij vielen voor den kapitein op de knieën, en beloofden hem met de krachtigste betuigingen, dat zij hem tot den laatsten druppel bloeds zouden bijstaan, hun leven lang hem zouden dankbaar zijn en hem door de geheele wereld volgen, en zoolang zij leefden zijn gedrag als dat van eenen vader jegens hen beschouwen.
"Nu," zeide de kapitein, "ik zal den gouverneur mededeelen, wat gij zegt, en zien wat ik doen kan, om hem over te halen." Hij verhaalde mij daarop hunne gemoedsgesteldheid, en dat hij geloofde, dat zij inderdaad getrouw zouden zijn. Om echter zeker te gaan, zeide ik hem, dat hij terugkeeren zou en vijf van hen uitkiezen, en zeggen, dat zij zien zouden, dat wij hunne hulp niet noodig hadden; maar dat hij deze vijf zou medenemen om hem bij te staan, en dat de gouverneur de andere twee benevens de drie, die als gevangenen naar het kasteel (mijne grot) gezonden waren, als gijzelaars zou houden, en dat zoo zij hunnen pligt niet getrouw volbragten, deze vijf gijzelaars allen in ketens op het strand zouden opgehangen worden.—Dit zag er ernstig uit, en overtuigde hen, dat de gouverneur het ernstig meende; er schoot hun echter niet anders over dan het aan te nemen, en het was thans evenzeer het belang van de achterblijvende gevangenen als van den kapitein, de anderen te overreden, zich trouw van hunnen pligt te kwijten.
Onze strijdmagt voor den kapitein werd thans geregeld als volgt: Eerstelijk de kapitein, zijn stuurman en de passagier. Dan de twee gevangenen van den eersten troep, dien ik op aanbeveling van den kapitein, hunne vrijheid gegeven, en wien ik wapens toevertrouwd had. Ten derde, de andere twee, die ik tot nu toe in mijne buitenplaats bewaard, maar op des kapiteins verzoek ontslagen had. Ten vierde, de vijf die het laatst ontslagen waren, zoodat zij in alles met hun twaalven waren, behalve vijf, die wij als gijzelaars in de grot hadden achtergehouden. Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf man in de grot, ik besloot hen daar te houden, en Vrijdag ging tweemaal des daags hun levensmiddelen brengen. De twee andere gevangenen droegen de leeftogt een eind weegs en dan nam Vrijdag ze hen af.
Toen ik mij aan de twee gijzelaars vertoonde, was ik vergezeld van den kapitein, die hun zeide, dat ik afgezonden was door den gouverneur, en dat deze gelast had, dat zij niets zouden doen zonder mijn bevel, en zoo zij dit bevel overtraden, zouden zij naar het kasteel gebragt en daar in de boeijen geslagen worden. Daar ik als gouverneur nimmer voor den dag was gekomen, verscheen ik nu als een ander persoon, en sprak waar het te pas kwam van den gouverneur, van de bezetting, het kasteel en dergelijke.
De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken, het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat zij tegen middernacht aan boord kwamen. Zoodra zij digtbij genoeg waren, deed hij Robinson het scheepsvolk toeroepen en hem zeggen, dat zij het volk in de sloep terugbragten, maar dat het lang geduurd had, eer zij hen hadden kunnen vinden. Aldus hield hij hen aan de praat, totdat zij aan boord kwamen, waarop de kapitein en zijn stuurman, die het eerst met hunne wapens op het dek gesprongen waren, dadelijk den tweeden stuurman en den timmerman met de kolf van hunne geweren nedervelden, terwijl hun volk hen dapper bijstond. De overigen, die op het halfdek en den bak waren, maakten zij gevangen, en gingen de luiken digt maken, om hen, die beneden waren, daar te houden, toen het volk van de andere boot over de fokkerusten klom, en het voorschip en de kombuis, waarin drie man waren, vermeesterden.
Toen dit afgeloopen was, gelastte de kapitein den stuurman met drie man de kajuit open te breken, waar de nieuwe kapitein lag, die het alarm gehoord had, en met twee man en een jongen zich van vuurwapens voorzien had; en toen de stuurman met een koevoet de deur opengebroken had, gaf de nieuwe kapitein met zijne makkers vuur op hen en wondde den stuurman in zijn arm met nog twee man, doch niemand werd er gedood.

De stuurman riep om hulp doch drong te gelijk de kajuit binnen, zoo gewond als hij was, en schoot met een pistool den nieuwen kapitein dwars door de keel, zoodat de kogel zijn mond inging, achter het oor weder uitkwam en hij zonder een woord te uiten, dood nederviel, waarop de anderen zich overgaven en het schip zonder meer bloedvergieten hernomen was. Zoodra de kapitein weder meester van zijn schip was, liet hij zeven schoten doen, welk sein hij met mij afgesproken had, om mij van den goeden uitslag te verwittigen. Men kan denken of ik verheugd was dit te hooren, daar ik tot bijkans twee uren in den morgen er op had zitten wachten.
Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij roepen: "gouverneur! gouverneur!" en herkende de stem van den kapitein, die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in zijne armen. "Mijn waarde vriend en redder," zeide hij, "daar ligt uw schip, want het is geheel ter uwer beschikking, even als wij en al wat tot het schip behoort." Ik sloeg mijne oogen op het schip, dat op ongeveer eene halve (Eng.) mijl van het strand voor anker lag; want zoodra zij het vermeesterd hadden, hadden zij het anker geligt, en daar het fraai weder was het vlak voor den mond van eene kleine kreek gelegd, en daar het hoog water was, was de kapitein met de pinnas tot bij de plaats gekomen, waar ik het eerst mijne vlotten aan land gebragt had, en dus als het ware vlak voor mijne deur geland.

Ik dacht in den beginne van verrassing door den grond te zinken, want nu zag ik inderdaad mijne redding zigtbaar voor oogen, alles was in orde, en een goed schip gereed mij te brengen, waarheen ik verlangde. Eerst was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking, die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben, ging ik op den grond zitten, en schoon ik weder tot mijzelven was gekomen, duurde het nog eene geruime poos voor ik een woord tot hem spreken kon. Al dien tijd was de arme man even verrukt als ik, schoon niet zoo van verrassing; echter zeide hij mij duizend dingen om mij tot bedaren te brengen; maar mijn hart was zoo vervuld van vreugde, dat mijn geest geheel verbijsterd was; eindelijk barstte ik in een vloed van tranen uit, en kort daarop was ik weder in staat te spreken.
Toen omhelsde ik hem op mijne beurt als mijn bevrijder, en onze vreugde was wederkeerig. Ik zeide, dat ik hem als iemand beschouwde, dien de hemel ter mijner redding gezonden had, en dat al wat er gebeurd was, eene reeks van wonderen scheen; dat zulke dingen een blijk van het onzigtbaar wereldbestier der Voorzienigheid waren, en een bewijs, dat de oogen van den Almagtige tot in de afgelegenste schuilhoeken der aarde doordringen, en de ongelukkigen te hulp kwamen als het zijne wijsheid behaagde.
Ik vergat niet mijn hart dankbaar hemelwaarts te verheffen, en welk hart kon nalaten Hem te danken, die niet alleen iemand wonderdadig in de wildernis verzorgd had, en in zulk een jammerlijken verlaten toestand, maar van wien altijd elke redding erkend moet worden afkomstig te zijn?
Na eene poos gesproken te hebben verhaalde de kapitein mij, dat hij eenige ververschingen, die hij aan boord had, en waarvan de schelmen, die er eenigen tijd meester van waren geweest, hem niet beroofd hadden, voor mij had medegebragt. Daarna riep hij het bootsvolk toe, dat zij de presenten voor den Gouverneur aan den wal zouden brengen; en inderdaad waren het geschenken, die voor een Gouverneur voegden, en alsof ik niet met hen zou medereizen, maar op het eiland blijven wonen, en zij zonder mij vertrekken.
Eerstelijk had hij mij eene flesschenkelder met uitmuntende likeuren, zes groote flesschen, ieder van twee pinten, maderawijn, twee pond besten tabak, twaalf stukken ossenvleesch, en zes stukken spek, met een zak erwten en een honderd pond beschuit medegebragt.
Wijders bragt hij mij een kistje met suiker, een kistje met fijn meel, een kistje met limmetjes en twee flesschen citroensap mede, benevens eene menigte andere dingen. Maar bovendien bragt hij, hetgeen mij duizendmaal nuttiger was, mij zes schoone, nieuwe hemden, zes zeer goede halsdoeken, twee paar handschoenen, een paar schoenen, een hoed en een zeer goeden broek van hem zelven, met één woord, hij stak mij van top tot teen in de kleeren. Dit was voor iemand in mijne omstandigheden een zeer aangenaam geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas aangetrokken had.
Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten graad onverbeterlijk en muitziek waren; en die de kapitein zeide, als zulke schelmen te kennen, dat er geen goed aan te doen was, en dat als hij ze meênam, dit in de boeijen moest zijn, om ze in de eerste Engelsche kolonie, daar hij binnen vallen kon, aan de regtbank over te geven. Hiervan vond ik, dat de kapitein niet af te brengen was.
Hierop zeide ik, dat, als hij het verlangde, ik op mij nam de twee kerels zoo ver te brengen, dat zij zelfs verzoeken zouden op het eiland te mogen blijven. "Met al mijn hart," zeide de kapitein; "niets zou mij aangenamer zijn."

"Goed," zeide ik, "ik zal hen laten halen en in uw bijzijn met hen spreken." Ik zond dus Vrijdag en de twee gijzelaars, die thans, omdat hunne kameraden hun woord hadden gehouden, losgelaten waren, naar de grot, en liet hen de vijf man, zoo gebonden als zij waren, naar mijn priëel brengen. Eenigen tijd daarna kwam ik daar in mijn nieuw gewaad aanstappen, en heette nu weder Gouverneur. Toen de kapitein bij mij was, liet ik het volk voor mij brengen, en zeide hun thans een volledig verslag van hunne schelmsche handelwijze van den kapitein ontvangen te hebben, en hoe zij met het schip hadden willen vertrekken, en verdere rooverijen bedrijven, maar dat de Voorzienigheid hen in den kuil had doen vallen, dien zij voor anderen gegraven hadden. Ik zeide hun, dat men op mijn bevel zich van het schip verzekerd had, dat nu op de reede lag, en dat zij zien konden hoe hun nieuwe kapitein de belooning voor zijn verraderij had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij ontwijfelbaar regt gaf.
Een hunner antwoordde voor de overigen, dat zij niets hadden bij te brengen, dan alleen, dat de kapitein, toen zij gevangen genomen waren, hun lijfsbehoud had toegezegd, en dat zij mijne barmhartigheid inriepen. Ik zeide echter, dat ik niet wist, welke barmhartigheid ik hun zou bewijzen, daar ik besloten had met al mijn volk het eiland te verlaten, en met den kapitein den overtogt naar Engeland te doen. De kapitein kon hen niet anders naar Engeland medenemen dan als gevangenen in de ijzers, om daar wegens muiterij en zeeroof teregt te staan; waarvan, gelijk zij wisten, de galg het einde zou zijn, zoodat ik hun niet zeggen kon wat voor hen het best was, ten ware zij besloten hadden hun lot op het eiland te beproeven, hetgeen mij, daar ik verlof had het te verlaten, onverschillig was, en dat ik niet ongeneigd was hun het leven te schenken, als zij begrepen, dat zij zich aan den wal zouden kunnen redden. Hiervoor schenen zij zeer dankbaar te zijn, en verklaarden veel liever hier te willen blijven dan naar Engeland te gaan, om daar opgehangen te worden; dus liet ik het daarbij berusten. De kapitein maakte echter eenige tegenwerpingen, alsof hij hen daar niet mogt achterlaten. Ik hield mij hierop zeer boos, en zeide den kapitein, dat zij mijne gevangenen en niet de zijne waren, en dat ik, na hun deze gunst beloofd te hebben, mijn woord zou houden, en als hij er iets tegen had, hij maar zien moest, dat hij hen weder in zijne magt kreeg, als hij kon.
Zij schenen hiervoor zeer dankbaar, en ik stelde hen in vrijheid, met last het bosch in te gaan, vanwaar zij gekomen waren, en de belofte van eenige geweren en kruid en lood, benevens aanwijzingen hoe zij, als zij wilden, hier een zeer goed leven konden leiden. Vervolgens maakte ik mij gereed aan boord te gaan, maar zeide den kapitein, dat ik dien nacht aan wal zou blijven, om mijne goederen gereed te maken, maar dat hij middelerwijl het schip in orde brengen en den volgenden morgen de boot naar den wal zenden zou om mij te halen; terwijl ik hem tevens gelastte den nieuwen kapitein, die doodgeschoten was, aan den nok van de ra te laten hangen, opdat het volk hier hem zou kunnen zien.
Toen de kapitein vertrokken was, liet ik de matrozen bij mij in mijn verblijf komen, en hield een ernstig gesprek met hen over hunnen toestand. Ik zeide, dat hunne keus zeer verstandig was, want dat, zoo de kapitein hen medenam, zij zeker zouden opgehangen worden. Ik wees hun hun vorigen aanvoerder, die aan den nok van de ra hing, en zeide, dat zij niets minder te wachten hadden. Toen zij allen verklaard hadden te willen achterblijven, zeide ik hun, hun mijn geheelen levensloop aldaar te zullen verhalen, en te dien einde verhaalde ik hun hoe het eiland was, hoe ik er gekomen was; toonde hun mijne verschansingen, hoe ik er mijn brood gebakken, mijn koorn geplant, mijne druiven gedroogd had, in een woord, al wat hun van nut kon zijn. Ook verhaalde ik hun van de zestien Spanjaarden, die verwacht werden, voor welke ik een brief achterliet, en die ik hen deed beloven, als hunne makkers te zullen behandelen.
Ik liet hun mijne wapenen, namelijk vijf musketten, drie jagtgeweren en twee sabels achter. Ik had nog anderhalf vat buskruid, want na het eerste jaar of twee had ik er weinig van gebruikt, en niets van verspild. Ik beschreef hun hoe ik de geiten behandelde, hoe zij gemolken en verzorgd moesten worden, om er boter en kaas van te erlangen. Kortom, ik verhaalde hun al mijn wedervaren, en beloofde den kapitein te zullen overhalen hun nog twee vaatjes kruid en wat tuinzaden achter te laten; ook gaf ik hun den zak met erwten, die de kapitein medegebragt had, en noodigde hen uit die te zaaijen.
Na den afloop hiervan verliet ik hun den volgenden dag en ging aan boord. Wij maakten ons zeilree, maar bleven dien nacht voor anker liggen. Den volgenden morgen vroeg kwamen twee man van de vijf aan boord zwemmen, en terwijl zij allerbitterst over de andere drie klaagden, smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen, en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens zijn zij steeds rustige en knappe kerels gebleven.
Wat later ging ik met den vloed naar den wal, om den matrozen het hun beloofde te brengen, waarbij de kapitein door mijne bemiddeling hunne kleederen en kisten gevoegd had, waarvoor zij zeer dankbaar waren. Ik moedigde hen wat aan door de verzekering, dat als ik eenig vaartuig ontmoette dat het eiland kon aandoen en hen innemen, ik hen niet vergeten zou.
Toen ik het eiland verliet, nam ik tot eene gedachtenis, de groote geitenvellen muts, mijn zonnescherm en een mijne papegaaijen mede; ook vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak had gevonden.

Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den 19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, twee maanden en negentien dagen op had doorgebragt, terwijl ik mijne ballingschap verliet op denzelfden dag der maand, waarop ik van de Mooren te Salé wegvlugtte. Na een lange reis kwam ik den 11 Junij 1687 in Engeland aan, waarvan ik vijfendertig jaren afwezig was geweest. Toen ik daar kwam, stond ik in de wereld als een vreemdeling, die er nimmer geweest was. Mijne weldoenster, wie ik mijn geld had achtergelaten, was nog in leven, maar had veel tegenspoeden gehad, was ten tweedenmale weduwe en in zeer behoeftige omstandigheden. Ik stelde haar omtrent mijne schuldbekentenis gerust, en verzekerde, dat ik haar niet lastig zou vallen, maar integendeel uit dankbaarheid voor hare vroegere zorgen voor mij, ondersteunde ik haar zooveel mijne geringe bezittingen toelieten, hetgeen op dit oogenblik slechts weinig was, doch ik verzekerde haar, dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger te helpen, gelijk ik ook later deed.
Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had, had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat ik geenerlei ondersteuning te wachten had en dat het weinige geld dat ik had, mij weinig baten zou om door de wereld te komen. Echter ondervond ik een staaltje van dankbaarheid, dat ik niet verwacht had; de kapitein van het schip, dien ik zoo gelukkig gered, en daardoor schip en lading behouden had, had van al het gebeurde een trouw verslag aan zijne reeders gedaan. Deze verzochten mij hun een bezoek te geven; allen overlaadden mij met loftuitingen, en boden mij een geschenk van tweehonderd pond Sterling aan.
Doch na rijp beraad, en ziende hoe moeijelijk ik mij hiermede een bestaan zou verschaffen, besloot ik naar Lissabon te gaan, om te trachten iets nopens mijne plantaadje in Brazilië te vernemen, en wat er van mijn compagnon was geworden, die ik onderstelde dat mij thans verscheidene jaren voor dood had gehouden. Ten dien einde scheepte ik mij in naar Lissabon, waar ik in April aankwam, terwijl Vrijdag mij trouw volgde, en steeds bewees mijn trouwe dienaar te zijn. Toen ik te Lissabon kwam, vond ik na eenige navraag, en tot mijn groot genoegen mijn ouden vriend, den kapitein van het schip, die mij het eerst op de Afrikaansche kust aan boord had genomen. Hij was nu oud geworden; had de zee vaarwel gezegd, en zijn zoon, die nu ook reeds een bejaard man was, voer thans in zijne plaats op Brazilië. De oude man kende mij niet meer, en ik zou hem ook moeijelijk herkend hebben, echter herinnerde hij zich spoedig mijner, toen ik hem verhaalde wie ik was.
Na onze oude kennis met hartelijkheid vernieuwd te hebben, vroeg ik, gelijk men wel denken kan, naar mijne plantaadje en mijn compagnon. De oude man verhaalde mij, dat hij thans in geen negen jaren in Brazilië was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de plantaadje aan den fiscaal hadden ingeleverd, die, zoo ik niet terug mogt komen, verklaard had dat een derde den koning, en twee derden aan het Augustijner klooster zouden toevallen, voor de armen en tot uitbreiding van het Christendom onder de Indianen. Zoo ik of iemand van mijnentwege echter opkwam, zou het mij teruggegeven worden, hoewel de jaarlijksche opbrengst niet, als zijnde tot werken van liefdadigheid besteed, maar hij verzekerde mij, dat de opzigter der koninklijke inkomsten van landerijen, en die van het klooster er voor gezorgd hadden, dat mijn compagnon hen jaarlijks prompt verrekening deed, waarvan zij de helft ontvingen. Ik vroeg hem of hij wist hoe ver de verbeteringen der plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou betwist worden.
Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was, maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij, dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij niet alleen aan het bezit helpen, maar bovendien eene goede som gelds ter hand zouden stellen, zijnde de opbrengst tijdens de vorige gevolmagtigden het bestuurden, en vóór de in beslagneming, die voor ongeveer twaalf jaren voorgevallen was.
Dit verslag stelde mij echter niet geheel gerust, en ik vroeg den kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. Hij zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede belast.

"Maar," zeide de oude man, "ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen naam de verrekening aanboden van de opbrengsten van de zes of acht eerste jaren, die ik ontving; doch daar er tweemaal groote verbeteringen gemaakt werden, als het bouwen van een suikermolen, het aankoopen van slaven enz., waren die opbrengsten zoo groot niet als de volgende. Echter," vervolgde de oude man, "zal ik u eene behoorlijke rekening geven van al wat ik ontvangen, en hoe ik er mede gehandeld heb."
Eenige dagen later bragt mijn oude vriend mij de rekening van de inkomsten der vijf of zes eerste jaren der plantaadje, geteekend door mijn compagnon en de gemagtigden, die altijd goederen afgeleverd hadden, zooals tabak in rollen en suiker in kisten, benevens rum en melassie, de voortbrengselen van eene suikerplantaadje, en ik zag hieruit, dat de inkomsten telken jare aanmerkelijk grooter geworden waren. Doch daar in den beginne de uitgaven groot waren geweest, was de som eerst gering. Echter liet de oude man mij zien, dat hij mij vierhonderd en zeventig gouden moidores schuldig was, behalve zestig kisten suiker en vijftien dubbele rollen tabak, die verloren waren gegaan, toen hij ongeveer elf jaren na mijn vertrek, te Lissabon, met verlies van zijn schip, was gekomen.
De oude man begon over zijne ongelukken te klagen, hoe hij verpligt was geweest mijn geld te besteden om zijn verlies te herstellen, en een aandeel in een nieuw schip te koopen. "Doch, mijn oude vriend," zeide hij, "gij zult voor 's hands wat op rekening hebben, en zoodra mijn zoon terugkomt, alles wat u toekomt." Daarop haalde hij eene oude beurs voor den dag en gaf mij honderd en zestig gouden moidores, en zijne bewijzen van het aandeel dat hij en zijn zoon ieder voor een vierde in hun schip hadden, uithalende, stelde hij die als onderpand voor het overschot in mijne handen.
Deze blijken van eerlijkheid en braafheid van den ouden man troffen mij geweldig, en bedenkende wat hij voor mij gedaan had, hoe hij mij op zee opgenomen, en hoe edelmoedig hij mij bij alle gelegenheden behandeld had, en in het bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er misschien meer behoefte aan had dan hij.
Alles wat de goede man zeide, was zoo welgemeend, dat ik, terwijl hij sprak, mijne tranen naauwelijks bedwingen kon. Om kort te gaan, ik nam honderd moidores, en vroeg om pen en inkt, om er hem kwitantie van te geven, daarop gaf ik hem het overige terug, en zeide, dat zoo ik ooit in het bezit der plantaadje geraakte, ik ook het overige hem zou teruggeven, gelijk ik ook naderhand deed; dat ik zijn bewijs van aandeel in zijn zoons schip volstrekt niet wilde aannemen, daar ik begreep, dat zoo ik geldgebrek had, hij braaf genoeg was om mij te betalen; en zoo dit niet het geval was, maar ik datgene ontving, waarop hij mij hoop gaf, ik nimmer van hem een penning meer wilde aannemen.
Toen dit afgeloopen was, vroeg de oude man hoe ik mij weder in het bezit van mijne plantaadje dacht te stellen. Ik zeide er zelf heen te willen gaan. Als ik dit goed vond kon ik dit doen, zeide hij, maar zoo niet dan waren er middelen genoeg om mijne regten te handhaven, en mij onmiddellijk de voordeelen toe te eigenen; en daar te Lissabon schepen op de rivier zeilree lagen naar Brazilië, deed hij mijn naam in een openbaar register inschrijven, terwijl hij beëedigde, dat ik in leven en dezelfde persoon was, die het eerst voor de bedoelde plantaadje het land had aangevraagd. Nadat dit door een notaris met eene procuratie opgemaakt was, deed hij het mij naar een koopman aldaar zenden, dien hij kende, en stelde mij toen voor, tot aan het ontvangen van een antwoord bij hem te blijven.
Nimmer handelde men eerlijker dan bij het ontvangen van deze procuratie, want binnen zeven maanden ontving ik een groot pakket van de overgeblevenen mijner gemagtigden, de kooplieden, voor wier rekening ik naar zee was gegaan. Hierin bevonden zich eerstelijk eene rekening courant van de opbrengst mijner plantaadje, van het jaar af, waarin hunne vaders met den ouden Portugeschen kapitein hadden gesloten, zijnde voor zes jaren, de balans sloot met elfhonderd vier en zeventig moidores in mijn voordeel. Ten tweede was er de verrekening van nog vier jaren, gedurende welke zij het bewind gevoerd hadden, vóór de regering de administratie eischte, als van een persoon, dien men burgerlijk dood achtte, en deze balans sloot, daar de waarde der plantaadje vermeerderd was, met een batig slot van drie duizend twee honderd en een en veertig moidores. Ten derde was er een brief bij van den prioor van het Augustijner klooster, die ruim veertien jaren de inkomsten ontvangen had, doch daar hij niet in staat was datgene te verrekenen wat tot liefdadige einden uitgegeven was, eerlijk verklaarde, dat hij nog achthonderd twee en zeventig moidores niet uitgegeven had, die ter mijner beschikking waren. Het deel des konings leverde niets op.
Wijders was er een brief van mijn compagnon, die mij hartelijk geluk wenschte, dat ik nog in leven was, en mij verslag deed hoe veel de plantaadje verbeterd was, en wat zij 's jaarlijks opbragt, met opgave hoe veel morgen zij besloeg, hoe sterk de slavenmagt was en eindigende met het berigt, dat hij twee-en-twintig Ave Maria's had opgezegd tot dankbaarheid aan de H. Maagd voor mijne wonderbare behoudenis; terwijl hij mij ten sterkste uitnoodigde over te komen en van mijn eigendom bezit te nemen, en hem, zoo ik niet zelf kwam, orders te geven aan wien mijne goederen af te schepen, en eindigende met eene hartelijke verzekering van zijne vriendschap en die van zijne familie. Tot een geschenk zond hij mij zeven fraaije tijgervellen, die hij naar het schijnt van Afrika ontvangen had met een ander schip, dat hij derwaarts gezonden had, en dat eene voorspoediger reis scheen aan te hebben dan ik. Hij zond mij ook vijf kisten met confituren en een honderd stukken ongemunt goud, niet wel zoo groot als moidores.
Met dezelfde vloot zonden mijne twee gevolmagtigden mij twaalf honderd kisten suiker, achthonderd rollen tabak en het overige van onze rekening in goud.
Thans mogt ik wel zeggen, dat het laatste einde van Job beter was dan het begin. Onmogelijk is het mijne aandoeningen te beschrijven, toen ik deze brieven doorlas, en vooral toen ik al mijn rijkdom voor mij zag; want daar de schepen uit Brazilië altijd met eene geheele vloot te gelijk komen, ontving ik mijne brieven te gelijk met mijne goederen, en deze laatsten lagen reeds veilig op de Taag, voor de brieven mij ter hand gesteld worden. Ik werd bleek en ongesteld, en zoo niet de oude man mij eene hartsterking had gehaald, geloof ik dat de plotselinge vreugde mij te sterk geweest, en ik op de plaats dood gebleven zou zijn. Zelfs bleef ik nog ziek, tot eenige uren daarna een geneesheer geroepen werd, en deze de ware reden van mijne ongesteldheid vernemende, mij eene aderlating liet doen, die mij veel verligtte, en waarna ik beter werd.

Ik was nu plotseling bezitter geworden van meer dan vijfduizend pond sterling in geld, en had eene bezitting in Brazilië, die meer dan duizend ponden 's jaars opleverde, zoo goed als eenig landgoed in Engeland; in een woord, in een toestand, waarin ik mij naauwelijks wist te voegen, of hoe ik dien genieten zou.
Het eerste wat ik deed was mijn ouden weldoener, den goeden kapitein, te beloonen, die mij het eerst in mijn tegenspoed had bijgestaan, van den beginne af menschlievend, en tot aan het einde eerlijk jegens mij gehandeld had. Ik toonde hem al wat mij gezonden was. Ik zeide hem, dat na de Voorzienigheid, die alles bestiert, ik dat alles aan hem te danken had, en dat het nu mijn pligt was hem te beloonen, hetwelk ik honderdvoudig doen wilde. Vooreerst gaf ik hem dus de honderd moidores, die ik van hem ontvangen had, terug, daarop liet ik een notaris roepen, en deze een volkomen kwijtschelding opmaken, zoo volledig als mogelijk, van de vierhonderd en zeventig moidores, die hij opgegeven had mij schuldig te zijn, waarna ik eene procuratie op hem liet vervaardigen, tot den ontvangst der jaarlijksche inkomsten mijner plantaadje, en mijn compagnon opdroeg met hem te sluiten, en de jaarlijksche opbrengst op de gewone wijze met de vloot aan hem over te maken. Een clausule in het einde behelsde eene jaarlijksche gift aan hem van honderd moidores, zoo lang hij leefde, en van vijftig aan zijn zoon, zoo lang deze leefde, alles uit de goederen te voldoen. Op deze wijze vergold ik den ouden man zijne goedheden.
Nu moest ik begrijpen welken koers thans in te slaan, en wat te doen met het goud, dat de Voorzienigheid mij aldus gegeven had. Ik had thans waarlijk meer zorg en hoofdbreken dan in mijne stille levenswijze op het eiland; waar ik geene behoeften had dan die ik voldoen kon; terwijl ik nu een grooten last op mijne schouders had. Ik had hier geene grot om mijn geld in te bergen, noch geen plaats waar ik dit zonder slot of grendel kon nederleggen, tot het roestig en beschimmeld werd; integendeel, ik wist niet waar ik het laten of wien ik het toevertrouwen zou; mijn oude beschermer, de kapitein, die een braaf man was, was inderdaad mijne eenigste toevlugt.
Mijne bezittingen in Brazilië schenen vroeger mijne tegenwoordigheid aldaar te vereischen, maar nu kon ik niet denken daar naar toe te gaan, voor ik eerst mijne zaken beschikt en mijne goederen in vertrouwde handen achtergelaten had. Eerst dacht ik aan mijne oude vriendin, de weduwe, wier eerlijkheid mij bekend was, maar zij was hoogbejaard en arm, misschien wel in schulden stekende; zoodat ik begreep zelf naar Engeland te moeten terugkeeren en mijne bezittingen mede te nemen.
Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was door een Lissabonsche koopman aan zijn correspondent in Londen te doen schrijven, haar op te zoeken, en haar niet een wissel, maar honderd pond in geld te brengen, haar te gaan spreken en in hare armoede te troosten, door haar te zeggen, dat zij, zoo lang ik leefde, onderstand van mij zou ontvangen. Tegelijker tijd zond ik honderd pond aan ieder van mijne zusters, die, ofschoon niet behoeftig, toch in geene ruime omstandigheden waren, de eene was eene weduwe, en de andere had een echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid.
Eens vatte ik het plan op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde het mij, dat ik mij voor een Katholijk uitgegeven had, daar ik niet gaarne in de belijdenis van die leer wilde sterven. Echter was het dit niet, wat mij voornamelijk terughield van naar Brazilië te gaan; maar de onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug te gaan.
Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar Brazilië weder zeilree lag, op de eerlijke en brave verrekeningen, die ik van daar ontvangen had, antwoord te geven. Eerst schreef ik den prioor van het Augustijner klooster een brief tot dankzegging voor zijne edelmoedige handelwijze en de aanbieding der 872 onuitgegeven moidores, waarvan ik verlangde, dat vijfhonderd aan het klooster, en de overige aan de armen zouden gegeven worden, naar des prioors goedvinden; terwijl ik den goeden Pater verzocht mij in zijne gebeden te bedenken.
Daarop schreef ik een dankbaren brief aan mijne twee gemagtigden, met al de erkentelijkheid, die hunne braafheid en eerlijkheid verdienden; hun eenig geschenk te zenden, ware water in de zee dragen geweest. Eindelijk schreef ik aan mijn compagnon mijn dank, voor de verbetering mijner plantaadje, en zijn ijver daarin; gaf hem last omtrent zijn verder bestier derzelve van mijn aandeel; in overeenstemming met de volmagt, die ik aan den ouden kapitein had gegeven, aan wien ik hem verzocht alles wat mij toekwam over te maken, tot hij nader van mij zou hooren. Ik verzekerde hem, dat ik niet alleen voornemens was naar hem toe te komen, maar ook het overschot mijns levens er te blijven doorbrengen. Hierbij voegde ik een fraai geschenk van eenige Italiaansche zijde voor zijne vrouw en twee dochters, (welke hij, volgens berigt van des kapiteins zoon had) met twee stukken fijn Engelsch laken, het beste dat ik in Lissabon bekomen kon, en eenige Vlaamsche kant van hooge waarde.
Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een sterken tegenzin om ter zee naar Engeland te gaan. Schoon ik er geene reden voor had, werd deze tegenzin zoo sterk, dat toen mijne bagaadje reeds aan boord was, ik nog van gedachten veranderde, en dat wel niet eens maar twee- of driemalen. Het is waar, ik was op zee zeer ongelukkig geweest, en dit kon er de reden van zijn, doch het is niemand geraden in zaken van zooveel belang zijn voorgevoel te verachten. Twee der schepen, waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten; het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik niet weet op welk schip ik ongelukkiger zou geweest zijn.
In dezen tweestrijd nam ik mijne toevlugt tot mijn ouden raadsman, die mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar Dover, dat ik besloot den geheelen weg te land af te leggen; hetwelk, daar ik geen haast had en het geld niet behoefde te ontzien, verre weg de aangenaamste was; vooral toen mijn oude kapitein een Engelsen heer, den zoon van een koopman uit Lissabon, bij mij bragt, die de reis mede wilde maken, waarna wij nog twee Engelsche kooplieden en twee jonge Portugesche heeren vonden, waarvan de laatsten alleen naar Parijs gingen; zoodat wij in alles met ons zessen en vijf knechten waren. De twee kooplieden en de Portugezen namen ieder een knecht met hun beide om de onkosten, en ik nam voor mij als knecht een Engelsch matroos mede, behalve Vrijdag, die veel te onbedreven was om op reis als knecht te gebruiken.

Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. Daar ik den lezer met geen mijner zeetogten lastig gevallen ben, wil ik dit ook niet met het journaal van mijne landreis doen; echter mag ik eenige avonturen niet verzwijgen, die wij op deze lange en bezwaarlijke reis ontmoetten.
Te Madrid gekomen, bleven wij daar eenigen tijd vertoeven, daar wij allen vreemdelingen in Spanje waren, om het Spaansche hof en al wat merkwaardig was te bezigtigen, doch daar het laat in den zomer was, hielden wij er ons niet lang op, en verlieten Madrid omstreeks het midden van October. Maar toen wij aan de grenzen van Navarra kwamen, werden wij op verscheidene plaatsen verontrust door de tijding, dat er aan de Fransche zijde zoo veel sneeuw was gevallen, dat verscheidene reizigers verpligt waren geweest naar Pampeluna terug te keeren, na met veel gevaar den overtogt beproefd te hebben.
Te Pampeluna aangekomen, vonden wij dat dit de waarheid was, en voor mij, die altijd in een heet klimaat, waar men naauwelijks kleederen verdragen kon, had geleefd, was de koude onuitstaanbaar. Nog onaangenamer dan verrassend was het, dat wij slechts tien dagen te voren Oud-Kastilië hadden verlaten, waar het niet alleen warm, maar zeer heet was, en onmiddellijk een zoo strengen, snijdenden wind uit het Pyrenesche gebergte voelden, dat die ondragelijk was, en wij bang werden, dat onze handen en voeten zouden bevriezen. De arme Vrijdag was inderdaad in doodsangst, toen hij de bergen met sneeuw bedekt zag, en voor het eerst van zijn leven de koude gevoelde.