← Table of contents
Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

DANIËL DE FOE. (continued 3)

Reading edition

Ik was nu meer dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende.

Den 15 Julij begon ik mijne ontdekkingsreis. Ik ging eerst langs de kreek, waarin ik, gelijk ik gezegd heb, mijne vlotten aan wal had gebragt. Na omtrent een half uur gegaan te zijn, vond ik dat het getij niet hooger liep, en dat het slechts een beekje van loopend water, zeer frisch en goed, was; doch daar het thans het drooge saizoen was, was er hier en daar naauwelijks water in, althans niet genoeg om het te doen vloeijen. Aan de banken van deze beek vond ik verscheidene zeer fraaije, effene vlakten en met gras bedekt, en waar de grond opliep, en die door het water waarschijnlijk nimmer overstroomd werd, vond ik veel tabak, die tot een zwaren, sterken stengel opschoot. Ook verscheidene andere heesters die ik niet kende, en misschien zeer goede eigenschappen hadden, doch dit was mij onbekend. Ik zocht naar de cassave, waarvan de Indianen overal hun brood bereiden, maar vond deze niet. Ik zag groote aloë's, doch die waren mij toen onbekend; ook veel suikerriet, doch wild, bij gebrek aan kweeking. Ik stelde mij hiermede voor 's hands tevreden, en keerde terug, peinzende over de middelen, om de deugd of het schadelijke van vruchten of planten, die ik vinden mogt, te ontdekken; maar kon hierop niets vinden, want ik had in Brazilië hierop zoo weinig acht geslagen, dat ik weinig kennis van de planten had, althans geene die mij thans te stade kwam.

Den volgenden dag, den 16den, ging ik denzelfden weg, doch iets verder dan den vorigen dag. Ik vond dat de beek en de weiden hier eindigden, en het land boschachtiger werd dan vroeger. Hier vond ik verschillende vruchten, in het bijzonder meloenen, in menigte op den grond liggen, en druiven aan de takken. De wijngaarden hadden zich over de takken geslingerd en de trossen waren thans in volle rijpheid. Dit was eene aangename ontdekking, die mij zeer verheugde, doch de ondervinding had mij geleerd er matig van te eten, want ik herinnerde mij, dat ik tijdens mijn verblijf in Barbarije, er vele Engelsche slaven had zien sterven aan buikloop en koortsen, door te veel druiven te eten. Ik bedacht echter een uitmuntend gebruik van deze druiven, namelijk ze te droogen, en als rozijnen te gebruiken, welke ik meende, gelijk ook inderdaad het geval was, dat even heilzaam en aangenaam zouden zijn, als er geene druiven waren.

Ik bragt den geheelen avond daar door, en ging niet naar mijne woning terug om te slapen, en dit was, mag ik zeggen, de eerste maal dat ik buiten 's huis sliep. Ik ging des avonds weder als de eerste maal op een boom, waar ik zeer goed sliep, en den volgenden morgen ging ik weder op ontdekking uit, en legde bijkans vier (Eng.) mijlen af, gelijk ik naar de lengte van het dal rekenen mag. Ik hield regt noordwaarts aan, met eene reeks van heuvelen ten zuiden en noorden van mij.

Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar een beplanten lusttuin geleek.

Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige denkbeelden bij mij opwelden) als ik bedacht, dat dit alles mijn eigendom was; dat ik buiten alle tegenspraak koning en heer van dit geheele land was, en regt op deszelfs bezit had, en zoo ik het slechts kon overbrengen, het even goed erfelijk zou bezitten, als eenig edelman zijne heerlijkheid. Ik zag hier eene menigte kokos-, oranje-, limoen- en citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel als van limmetjes en limoenen, om mij te voorzien voor het regenachtig jaargetij, hetwelk ik wist dat naderde.

Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde, en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te huis, na drie dagen uit geweest te zijn, maar voor dien tijd waren de druiven, die overrijp waren, gebroken, en dus nergens goed voor; doch de limmetjes waren zeer goed, hoewel er weinig waren.

Den volgenden dag den 19den, ging ik terug met twee zakken, die ik gemaakt had, om mijn oogst te huis te halen; maar ik stond geheel verbaasd, toen ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, sloeg ik een anderen weg in; want ik verzamelde eene menigte druiven, en hing die aan de uiteinden der takken, om ze in de zon te laten droogen; en van de limmetjes en limoenen nam ik zoo veel mede als ik dragen kon.

Toen ik van deze reis te huis kwam, herdacht ik met veel genoegen, de vruchtbaarheid van dit dal en deszelfs aangename ligging, de veiligheid voor stormen aan die zijde van het water en van het bosch; en ik begreep thans dat ik eene plek tot mijn verblijf had uitgekozen, die verreweg de slechtste van het geheele eiland was. Over het geheel begon ik aan eene verplaatsing van mijne woning te denken, en naar eene plek te zoeken, even veilig als waar ik thans was, zoo mogelijk in dat aangename, vruchtbare gedeelte des eilands.

Dit was langen tijd een geliefkoosd denkbeeld van mij, uithoofde van de aangenaamheid dezer streek; maar toen ik het nader overwoog, bedacht ik dat ik thans aan de zeekust was, waar het althans mogelijk was, dat iets tot mijn voordeel zou kunnen gebeuren, en hetzelfde onheil dat mij hierheen had gebragt, eenige andere ongelukkigen daar zou kunnen brengen. En schoon het naauwelijks mogelijk was dat het ooit zou gebeuren, zou ik echter door mij tusschen de heuvels en boschaadjen in het midden des eilands op te sluiten, mijne gevangenschap verlengen, en eene zoodanige gebeurtenis niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs onmogelijk maken. Ik begreep dus in geen geval te moeten verhuizen. Om echter een middelweg te kiezen, begreep ik hier eene soort van lusthuis aan te leggen, en dit te omringen met eene dubbele heining, zoo sterk en hoog als ik die maken kon, met palen versterkt en met takken en loof opgevuld. Hier sliep ik veilig, soms twee of drie nachten achtereen, terwijl ik er altoos met eene ladder overklom, zoodat ik thans begreep mijne buitenplaats en mijn woonhuis aan de zeekust te hebben. Dit werk hield mij tot in het begin van Augustus bezig.

Ik had pas mijne heining voltooid, toen het regensaizoen inviel, en mij in mijn eerste woning deed blijven, want schoon ik elders ook eene tent van een zeil gemaakt, en dit zeer goed uitgespannen had, was ik hier toch niet door een heuvel voor de stormen beschut, en had geen kelder achter mij, waarin ik bij zware slagregens de vlugt kon nemen.

Tegen het begin van Augustus had ik, gelijk ik zeide, mijn lusthuis voltooid, en had het genoegen het te bewonen. Den 3 Augustus vond ik dat de druiven, die ik opgehangen had, volkomen gedroogd door de zon en zeer goede rozijnen geworden waren. Ik begon ze dus af te nemen en te goeder ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen mijn kelder niet verlaten kon.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

In dien tijd werd ik verrast met de vermeerdering van mijn huisgezin. Ik had veel spijt gehad van een mijner katten, die weggeloopen, en hier of daar naar ik dacht gestorven zou zijn; maar op zekeren dag kwam zij met drie jongen te huis. Dit bevreemdde mij te meer omdat, hoewel ik een wilde kat geschoten had, deze eene geheel andere soort dan onze Europesche katten was; de jonge katjes waren echter in alles aan onze huiskatten gelijk. Van deze drie katten kwam echter naderhand zulk eene talrijke nakomelingschap, dat deze eene ware plaag voor mij werd, en ik genoodzaakt was ze dood te schieten, en zoo ver mogelijk van huis te jagen.

Van den 14 tot den 26 Augustus regende het onophoudelijk, zoodat ik niet kon uitgaan; want ik was thans zeer bezorgd niet nat te worden. Terwijl ik aldus opgesloten was, werd mijn voedsel schraal; doch tweemaal waagde ik het buiten te gaan, en den eersten dag doodde ik eene geit, en den tweeden (den 26) vond ik een zeer groote schildpad, dat voor mij eene ware lekkernij was. Mijne maaltijden waren thans de volgende. Ik at een tros rozijnen voor mijn ontbijt, een stuk gebraden geiten- of schildpadvleesch (want ik had ongelukkig geen vaatwerk om in te koken of te stoven) voor mijn middagmaal, en twee of drie schildpadeijeren maakten mijn avondmaal uit.

In dien tijd werkte ik alle dagen twee of drie uren aan het verwijden van mijn kelder, en delfde die langzamerhand van eene zijde uit, tot ik aan de buitenzijde van den heuvel kwam, en daar een uitgang maakte, die buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan. Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was eene geit.

Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den ondergang der zon gevast te hebben, at ik eene beschuit en een tros rozijnen, ging naar bed en besloot den dag, gelijk ik dien begonnen had, met het gebed. Ik had al dien tijd geen zondag gehouden, want daar ik in den beginne geenszins godsdienstig gestemd was, had ik vergeten den zevenden dag door eene langere kerf op te teekenen, zoo dat ik niet wist welke dag het was. Nu ik echter vond, dat ik daar een jaar geweest was, verdeelde ik dit in weken en rekende elken zevenden dag voor een zondag; schoon ik bij het einde mijner rekening vond, dat ik een paar dagen verloren had.

Kort daarop begon de inkt mij te ontbreken, en ik gebruikte die dus meer spaarzaam en alleen om het merkwaardigste wat mij gebeurde op te teekenen, zonder een journaal te blijven houden.

Ik leerde thans den tijd van het natte en drooge saizoen kennen, en trachtte mij voor derzelver komst van de vereischte noodwendigheden te voorzien. De ondervinding, die ik verkreeg, kwam mij echter soms duur te staan, vooral bij de navolgende gelegenheid, die de treurigste ondervinding was die ik opdeed.

Ik heb reeds gezegd, dat ik de weinige airen graan en rijst, die zoo verrassend, en naar ik eerst dacht, uit zichzelven opgeschoten waren, had bewaard, en ik geloof dat er ongeveer dertig rijst- en twintig graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet wist of het de geschikte tijd er toe was; dus zaaide ik ongeveer twee derde gedeelten, en hield van ieder eene hand vol over. Het bleek naderhand, dat het zeer gelukkig was dat ik dit gedaan had, want van al wat ik gezaaid had, schoot thans niets op, zoo lang de thans volgende drooge maanden duurden; doch toen het natte jaargetijde weder gekomen was, schoot het op, alsof het pas gezaaid was geworden. Toen ik vond dat mijn eerste zaaisel niet opschoot, schreef ik dit natuurlijk aan de droogte toe, en zocht eene vochtiger plek grond om het te beproeven; en spitte eene plek om nabij mijn nieuw lustverblijf. Hier zaaide ik het overige van mijn zaad in Februarij, kort voor de herfstevening, en daar dit de regenachtige maanden Maart en April had, om het te bewateren, schoot het welig op en leverde een goeden oogst, doch daar ik niet alles had durven zaaijen wat ik had, was dit toch nog slechts weinig. Deze proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van eens zou kunnen oogsten.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Terwijl dit koorn groeide deed ik eene kleine ontdekking, die mij naderhand van nut was. Zoodra de regens over waren en het weder bestendig begon te worden, hetgeen tegen November was, ging ik landwaarts in, mijn buitenplaats een bezoek geven, en vond, ofschoon ik er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had, waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij zeer aangenaam ze zoo te zien uitwassen. Ik leidde ze en gaf ze eene zoo gelijke rigting in het groeijen als mogelijk was, en het is naauwelijks te gelooven hoe schoon zij in drie jaren tijds opgroeiden, zoodat, ofschoon de heining een cirkel van ongeveer vijfentwintig ellen in doorsnede maakte, deze boomen zoo veel schaduw gaven, dat ik er in het drooge jaargetij volkomen door beschut werd.

Dit deed mij besluiten nog eenige staken te kappen, en van deze in een halven cirkel een heining te maken rondom mijn oud verblijf, gelijk ik deed, en ik plaatste de takken in eene dubbele rij op ongeveer acht ellen afstands van mijn eerste heining; zij groeiden welig op, en waren eerst eene fraaije beschutting en naderhand zelfs eene verdediging voor mijne woning, gelijk ik later verhalen zal.

Ik vond thans dat de jaargetijden hier niet, als in Europa, in zomer en winter, maar in het regenachtige en drooge jaargetij verdeeld moesten worden; als volgt: van half Februarij tot half April regen; daar de zon alsdan in of bij de evennachtslijn was; van half April tot half Augustus droogte, zijnde de zon dan benoorden de linie; van half Augustus tot half October regen; keerende de zon alsdan terug, en van half October tot half Februarij regen, zijnde de zon dan bezuiden de linie.

Het regensaizoen duurde wat langer of korter naar gelang van den wind, doch over het algemeen was het gelijk ik hierboven gemeld heb. Nadat de ondervinding mij geleerd had hoe schadelijk het was mij aan den regen bloot te stellen, zorgde ik mij vooraf van levensmiddelen te voorzien, ten einde niet te behoeven uit te gaan, en ik bleef zoo veel mogelijk binnen in de regenmaanden. Ik had alsdan veel en gepast werk; want ik had dan de beste gelegenheid mij dingen aan te schaffen, die niet dan door handenarbeid en aanhoudende vlijt konden gelukken; ik beproefde bij voorbeeld dikwijls eene mand te vlechten; maar al de takken, die ik hiertoe vinden kon, waren zoo broos, dat zij mij niet dienen konden. Thans was het mij een groot voordeel, dat ik als een jongen dikwijls bij een mandemaker, die digt bij mijn vader woonde, had staan te zien naar zijn werk, en gelijk jongens zijn, had ik dan dikwijls gedienstig geweest om den man te helpen; en hierdoor wist ik zooveel van het mandemaken, dat mij slechts de grondstoffen ontbraken. Toen ik nu bedacht dat de takken van de boomen, waarvan ik mijne staken, die uitgeschoten waren, had gekapt, misschien buigzaam waren, als het wilgenrijs, besloot ik dit te beproeven. Den volgenden dag ging ik dus naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen mijne heining overeind om te droogen, en bragt ze toen ze goed waren in mijn kelder. In de eerstvolgende regenmaanden hield ik mij nu bezig met een groote menigte manden te vlechten, om aarde in weg te dragen, of om het een en ander in te bewaren; en hoewel ik ze niet zeer fraai maakte, waren zij mij echter bij uitstek van dienst, en ik zorgde dus er altijd van voorzien te zijn, en toen zij oud werden, maakte ik nieuwe; vooral sterke diepe manden, om mijn koorn in te bewaren, in plaats van in zakken, als ik er meer van zou verkrijgen.

Na deze moeijelijkheid overwonnen te hebben, schoon ik er een ontzettenden tijd aan besteedde, trachtte ik zoo mogelijk in nog twee behoeften te voorzien. Ik had niets om vloeistoffen in te bewaren, dan een paar vaatjes, die bijkans vol rum waren, en eenige flesschen, sommigen gewone, anderen vierkante kelderflesschen. Ik had zelfs geen pot om iets in te koken, behalve een grooten ketel, dien ik uit het schip gered had, maar die te zwaar was voor het gebruik, dat ik er van maken wilde, namelijk om vleesch en soep in te koken. Het tweede, dat ik gaarne wenschte, was eene tabakspijp; maar het was mij onmogelijk die te maken; eindelijk echter vond ik iets uit om die te vervangen. Den geheelen zomer hield ik mij voorts bezig met dit mandenmaken en met het planten van mijne tweede rij staken, toen eene andere bezigheid mij meer tijd wegnam, dan ik dacht.

Ik heb reeds gezegd, dat ik zeer verlangde het geheele eiland te zien, en dat ik langs de beek getrokken was en zoo verder tot waar ik mijn buitenverblijf aanlegde; en vanwaar ik de zee had kunnen zien, aan de andere zijde van het eiland. Ik besloot nu aan dien kant dwars door te steken tot aan den zeekant; dus nam ik mijn geweer, eene bijl en mijn hond mede, en een grooter hoeveelheid kruid en kogels dan gewoonlijk, met een paar beschuiten en een tros rozijnen in mijn zak, en begon mijne reis. Toen ik het dal doorkwam, waar mijn lusthuis stond, zag ik de zee westwaarts, en daar het een zeer heldere dag was, ontdekte ik duidelijk land, hetzij een eiland of vast land, dat zich van het W. ten W. Z. W. tot op grooten afstand uitstrekte; naar mijne gissing kon het niet verder dan vijftien of twintig mijlen verwijderd zijn.

Ik wist niet welk deel van de wereld dit anders zijn kon, dan een gedeelte van Amerika, en naar mijne berekeningen moest het nabij de Spaansche bezittingen zijn, en was welligt geheel bewoond door wilden, waarbij, zoo ik daar geland was, ik in een erger toestand zou geweest zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen.

Bovendien besloot ik, dat als dit land de Spaansche kust was, ik zeker den een of anderen tijd, eenig vaartuig her- of derwaarts zou zien trekken; maar zoo niet, dan was het de woeste kust tusschen de Spaansche landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik langzaam verder. Ik vond, dat deze zijde van het eiland veel bekoorlijker was dan die waar mijne woning stond. De opene vlakten waren met bloemen en gras bedekt, en vol fraai houtgewas. Ik zag eene menigte papegaaijen en had er gaarne een willen vangen, om dien tam te maken en te leeren spreken. Na eenige moeite ving ik een jongen papegaai, dien ik met een stokslag nedervelde. Toen hij weder bijkwam, nam ik hem mede naar huis, maar het duurde eenige jaren alvorens hij leerde spreken. Eindelijk echter leerde ik hem mij zeer gemeenzaam bij mijn naam te noemen, en het gevolg hiervan, schoon eene beuzeling, zal later den lezer genoegen geven.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Deze reis was mij zeer aangenaam. In de lage gronden vond ik hazen, althans ik hield ze daarvoor, en vossen; doch zij verschilden veel van de soorten, die ik gezien had; ook kon ik niet van mij verkrijgen er van te eten, schoon ik verscheidene schoot. Doch dit behoefde ook niet; want ik had geen gebrek aan zeer goed voedsel. Geiten, duiven en schildpadden, leverden met mijne rozijnen mij een maaltijd, dien ik in Engeland niet beter had kunnen verlangen, behalve wat het gezelschap betreft. En schoon mijn lot ongelukkig genoeg was, had ik groote reden tot dankbaarheid, dat mijn voedsel zoo overvloedig was.

Ik kwam op deze reis nimmer meer dan twee mijlen per dag in eene regte lijn vooruit; maar ik deed zoo vele uitstapjes ter zijde af, om iets te ontdekken, dat ik doodmoede was toen ik de plaats bereikte, waar ik den nacht wilde doorbrengen, en dan ging ik of in een boom zitten, of ik omringde mij met eene rij van staken, die ik op den grond of van den eenen boom tot den anderen plaatste, zoodat geen wild dier mij kon bereiken, zonder mij wakker te maken.

Toen ik aan de zeekust kwam, werd ik gewaar, dat het lot mij op de ongunstigste zijde van het eiland geworpen had; want hier was het strand met eene menigte schildpadden bedekt, terwijl ik aan de andere zijde er slechts drie in anderhalf jaar gevonden had. Ook was hier eene onnoembare menigte vogels van allerlei aard, van welke ik sommigen vroeger en sommigen nimmer gezien had, en waarvan vele zeer goed om te eten waren, maar van welke ik alleen de pinguïns kende. Ik had er zoo veel kunnen schieten als ik wilde, maar ik was zeer zuinig met mijn kruid en lood, en derhalve wenschte ik liever eene geit te schieten daar meer aan te eten was. Schoon hier meer geiten waren dan aan mijne zijde van het eiland, kon ik haar echter moeijelijker genaken, omdat het land zoo vlak en effen was, en zij mij veel spoediger zagen dan als ik op de heuvels was.

Hoezeer nu deze kant van het land veel aangenamer dan de mijne was, had ik toch niet den minsten lust daarheen te verhuizen; want ik was thans in mijne woning te huis, en het scheen mij toe alsof ik thans op reis was en van mijn huis af. Ik trok echter langs de zeekust, naar gissing twaalf (Eng.) mijlen, en zette daar een grooten staak op het strand tot eene baak; waarna ik besloot naar huis te keeren, en de volgende maal een togt te doen, oostwaarts van mijn woning, en zoo het eiland rond, tot ik weder op deze plaats kwam waar ik den staak gezet had.

Ik sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet, omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den juisten stand der zon op dat uur van den dag kende. Tot mijn ongeluk werd het weder bovendien mistig, gedurende de drie of vier dagen die ik in dit dal doorbragt, en daar ik de zon niet zien kon, bragt ik dezelve zeer onaangenaam door, en was eindelijk verpligt naar het strand terug te keeren, mijne baak op te zoeken, en langs denzelfden weg dien ik gegaan had, terug te keeren. Ik deed dit met kleine dagreizen, daar het zeer heet was, en mijn geweer, ammunitie, bijl en andere dingen een zware last waren.

Op deze reis verraste mijn hond eene jonge geit; ik schoot toe, en het gelukte mij het dier nog levend te redden. Ik wilde het gaarne naar huis brengen, want ik had lang gewenscht een paar geiten op te kweeken en zoo mogelijk eene kudde te bekomen, om mij tot voedsel te dienen als al mijn kruid en lood op was. Ik maakte een halsband voor het beestje, en met een touw, dat ik altijd bij mij droeg, voerde ik het, schoon niet zonder moeite mede, tot aan mijn buitenverblijf, waar ik het in de heining achterliet, want ik verlangde zeer naar mijn huis, waarvan ik thans eene maand afwezig was geweest.

Ik kan niet zeggen met welk genoegen ik dit weder bereikte en in mijne hangmat liggen ging. Deze kleine zwerftogt, zonder eenig vast verblijf, was mij zoo onaangenaam geweest, dat mijn huis, zoo als ik het noemde, mij daarbij vergeleken, eene volmaakte woning toescheen. Ik had zoo veel genoegen daar, dat ik besloot er nimmer weder zulk een tijd, zoo lang ik op het eiland was, mij van te verwijderen.

Ik bragt eene week door met van mijne vermoeijenissen uit te rusten, en besteedde gedurende dezelve mijn tijd aan het gewigtig werk om een kooi voor mijne papegaai te maken, die nu meer tam en reeds zeer aan mij gewoon werd. Daarna begon ik aan het geitje te denken, dat ik in mijne kleine heining had achtergelaten; ik besloot het te huis te halen of eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand nimmer verliet.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

De regentijd van de herfstevening was thans gekomen, en ik bragt den 30 September, den tweeden verjaardag dat ik hier aan land kwam, op dezelfde wijze als den eersten door. Ik was hier nu twee jaren geweest, en had geen meer vooruitzigt van bevrijd te worden dan den eersten dag toen ik hier kwam. Den geheelen dag bragt ik door in dankzeggingen over de vele genadebewijzen, mij in mijn eenzamen toestand te beurt gevallen. Ik dankte God dat Hij mij ontdekt had, dat ik zelfs in dezen toestand gelukkiger kon zijn dan in het midden der maatschappij en van al de genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen.

Ik begon thans levendig te gevoelen hoe veel gelukkiger het leven was, dat ik thans leidde, met al de ongemakken daaraan verknocht, dan het slechte en ruwe gedrag, dat ik tot hiertoe geleid had. Mijne begeerten, genoegens en wenschen veranderden geheel bij hetgeen zij te voren geweest waren.

Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede.

Thans echter begon ik mij met andere denkbeelden bezig te houden. Ik las dagelijks het Woord van God, en paste al de vertroostingen daarin op mijn toestand toe. Op zekeren morgen toen ik zoo neêrslagtig was, opende ik den bijbel bij deze woorden: "Ik zal u nimmer verlaten!"

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren; waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn.

Van dit oogenblik af begreep ik, dat ik in mijn eenzamen, verlaten toestand gelukkiger kon zijn, dan ik waarschijnlijk in eenigen anderen staat in de wereld ooit zou geweest zijn; en deze gedachte deed mij op het punt staan van God te danken, dat Hij mij op dit eiland gevoerd had. Er was echter iets in mij, dat zich hiertegen verzette, en mij de woorden belette uit te spreken. Hoe kunt gij zulk een huichelaar zijn, zeide ik tot mij zelven, dat gij God dankt voor een toestand, waarmede gij wel moogt trachten tevreden te zijn, maar waarbij gij gaarne zoudt willen bidden, dat God u er uit bevrijdde?—Schoon ik dus God niet dankte, dat ik mij hier bevond, dankte ik hem toch opregt, dat Hij door mijne tegenspoeden mij mijn vorig leven had doen inzien en tot berouw over hetzelve gebragt. Nimmer vatte ik den Bijbel op, of ik dankte God, dat Hij mijn vriend in Engeland dien zonder mijn orders onder mijne goederen had doen pakken, en mij dien naderhand uit het wrak laten redden.

In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om uit te gaan, zoodat ik slechts tegen vier ure na den middag kon werken; somtijds ook werkte ik des morgens, en ging tegen den avond met mijn geweer uit.

Bij deze korte werkuren moet men voegen de groote moeijelijkheid van mijn werk, en de vele uren die ieder ding, dat ik maakte, mij kostte, uit gebrek aan werktuigen, aan hulp en aan bekwaamheid. Ik was bij voorbeeld tweeënveertig dagen bezig met eene plank te maken tot eene lange tafel, die ik noodig had, terwijl twee timmerlieden met eene zaag uit denzelfden boom zes planken in een halven dag zouden vervaardigd hebben.

Ik moest in de eerste plaats een grooten boom vellen, omdat ik eene breede plank wilde hebben. Hiermede bragt ik drie dagen door en nog twee dagen met het afkappen van de takken. Ik hakte toen met ontzettende moeite zoo veel van den stam af tot hij bewogen kon worden; toen keerde ik hem op zijde, en maakte een kant, van het begin tot het einde, zoo vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte. Hetgeen met hulp van anderen en geschikte werktuigen eene kleinigheid was, werd voor een mensch alleen een allerzwaarste en langzaamste arbeid. Desniettemin deden vlijt en volharding mij vele, ja alle zaken tot stand brengen, die ik in mijne omstandigheden behoefde.

Ik was nu in November en December, en wachtte den oogst van mijne rijst en graan. De grond, dien ik er voor omgespit had was niet groot, omdat ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen kon schieten.

Ik zag geen middel hiertegen, dan om eene heining om mijn akker te maken, hetgeen mij zwaren arbeid kostte, vooral omdat het spoed eischte. Daar de omtrek echter klein was, had ik er in drie weken eene heining om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten.

Maar hadden de beesten mijn graan vernield toen het opschoot, de vogels zouden mij waarschijnlijk alles ontrooven nu het airen schoot. Toen ik er langs ging om te zien hoe het stond, zag ik eene menigte vogels van allerlei soort er nabij, die slechts schenen te wachten tot ik zou vertrokken zijn. Dadelijk schoot ik onder hen, (want ik had altijd mijn geweer bij mij) maar terstond daarop verhief zich eene wolk van vogels uit het graan, die ik nog niet gezien had.

Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke schade zij alreeds aangerigt hadden, en vond, dat hoewel zij reeds veel gegeten hadden, de schade nog niet zoo groot was, en het overige nog een goeden oogst zou geven als het behouden kon worden.

Toen ik mijn geweer laadde, zag ik de dieven overal rondom mij op de boomen zitten, alsof zij wachtten tot ik vertrokken zou zijn; ik deed alsof ik heen ging, en naauwelijks was ik uit hun gezigt of zij vielen weder in het graan. Ik was zoo verbitterd, dat ik niet wachten kon tot er nog meer waren, maar schoot weder en doodde er drie van. Dit was hetgeen ik wenschte, en ik behandelde ze gelijk men de dieven in Engeland doet, namelijk, ik hing ze op, ten voorbeeld voor anderen. Het is bijkans niet te begrijpen welk eene uitwerking dit had; want niet alleen streken de vogels niet meer in het koorn, maar kort daarop verlieten zij dat geheele gedeelte van het eiland, en ik zag geen vogel meer, zoo lang mijne vogelverschrikkers daar hingen. Ik was hierover verrukt, gelijk men wel denken kan, en in het laatst van December haalde ik mijn oogst binnen.

Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had geen maat.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Dit was mij eene groote aanmoediging en ik hoopte, dat God mij met der tijd brood zou beschikken. Hier deden zich echter weder zwarigheden op; want ik wist niet hoe ik mijn koorn zou malen, om er meel van te maken, noch hoe ik, als het tot meel was, er brood van zou maken, en al wist ik dit, hoe ik het bakken zou. Deze zwarigheden, gevoegd bij mijn verlangen naar eene groote hoeveelheid zaaikoorn, deden mij besluiten al het koorn voor het volgende saizoen te bewaren, en middelerwijl mijn gedachten en mijn tijd te besteden, om mij van meel en brood te voorzien.

Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben, hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond, ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur, van het oogenblik af, dat ik zoo onverwachts met zaaikoorn verrast werd. Eerstelijk had ik geen ploeg om den grond te beploegen, noch eene spade of schop om dien om te spitten. Dit overwon ik door eene houten spade te maken; maar schoon hare vervaardiging mij vele dagen kostte, was zij niet alleen veel spoediger versleten dan eene ijzeren, maar het werken er mede ook veel zwaarder en slechter. Ik deed het er echter mede, zoo goed als ik kon. Toen het koorn gezaaid was, had ik geen eg om het land te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren. Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te builen, gest en zout om er brood van te maken, en een oven om het in te bakken; en echter wist ik al deze dingen te maken of te doen vervangen, gelijk men in het vervolg zien zal, en het graan werd eene onschatbare aanwinst voor mij. Al mijn werk ging hierdoor langzaam en moeijelijk, maar dit was niet te verhelpen; en ook had ik er tijd genoeg voor; omdat ik er dagelijks vaste uren toe bestemd had. Daar ik besloten had niets van mijn koorn tot brood te gebruiken, voor ik er meer van zou hebben, had ik zes maanden voor mij om mij de gereedschappen aan te schaffen, die noodig waren om brood van het koorn te bereiden.

Maar eerst moest ik meer land toebereiden, want ik had nu zaad genoeg voor meer dan een morgen lands. Vooraf had ik ten minste eene week werk om mij eene spade te maken, die nog slecht en zwaar genoeg was, en mij den arbeid verdubbelde. Ik deed het echter er mede, en zaaide mijn zaad op twee groote vlakke stukken gronds, zoo digt bij mijn huis als ik die vinden kon. Ik maakte er eene goede heining om, van stekken gelijk ik er te voren om gezet had, en die ik wist dat goed groeiden, zoodat ik rekenen kon binnen het jaar eene goede heining te hebben, die slechts weinig herstelling zou behoeven. Hoezeer dit werk niet zwaar was, gingen er echter drie maanden mede heen, omdat het meerendeels in het regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen 's huis vond ik, als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: Koo, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij had.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden potten zou kunnen maken, die ik hoog noodig had. De hitte van het klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te bewaren.

De lezer zou mij beklagen of liever uitlagchen, als ik hem verhaalde, welke zonderlinge middelen ik bedacht om hierin te slagen; welke leelijke en wanvormige dingen uit mijne handen kwamen, en hoe dikwijls mijne potten invielen, omdat de klei niet sterk genoeg was om haar eigen gewigt te dragen; hoe velen er barstten door de zware zonnehitte, waaraan ik ze te haastig blootstelde; en hoe velen aan stukken vielen, als ik ze wilde optillen, zoo wel voor als nadat zij gedroogd waren; en om kort te gaan, hoe, nadat ik met veel moeite klei gevonden, uitgedolven, naar huis gebragt, aangemengd en bewerkt had, ik slechts twee groote leelijke aarden dingen, die men geen potten noemen mogt, na een arbeid van twee maanden, tot stand had gebragt.

Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met het stroo van mijne rijst en graan. Deze twee potten, die altoos droog stonden, begreep ik dat mijn koorn en misschien mijn meel zouden kunnen bevatten.

Hoe weinig het vervaardigen van groote potten mij nu gelukt was, slaagde ik echter beter met het maken van kleine ronde potten, schotels en dergelijke, die door de zonnewarmte zeer hard droogden. Dit alles voldeed echter niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven, vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit gezigt verraste mij en dadelijk begreep ik, dat de geheele pot zoo goed hard worden zou op het vuur, als een stuk daarvan. Ik dacht na hoe ik het best vuur zou aanleggen, om eenige potten te bakken. Van een oven, gelijk de pottenbakkers gebruiken, had ik geen begrip, evenmin van de wijze om die te verglazen, maar ik plaatste drie groote kruiken, en twee of drie potten boven op elkander, en het brandhout er om heen, met een grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee potten, zoo hard als ik wenschen kon, en een daarvan was door het gesmolten zand volkomen verglaasd.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van klei of stopverw maken.

Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik, toen ik gewaar werd, dat ik een aarden pot gemaakt had, die tegen het vuur bestand was; en ik had naauwelijks geduld genoeg om te wachten tot zij koud waren geworden, om een er van met wat water weder op het vuur te zetten, om er eenig vleesch in te koken, hetgeen zeer goed ging, en ik verkreeg eene zeer goede soep, schoon het mij aan meel en verscheidene andere dingen ontbrak, om die zoo goed te maken als ik wenschte.

Thans was mijne eerste zorg een steenen vijzel mij te verschaffen, om mijn koorn in te stampen, want om met mijne twee handen een molen te maken, daaraan was niet te denken. Hoe ik dit echter zou aanvangen was mij langen tijd een raadsel, want van alle handwerken ter wereld, was ik voor dat van steenzager nog minder bekwaam dan voor eenig ander. Menigen dag besteedde ik met naar een steen te zoeken, die groot genoeg was om uitgehold te worden en voor een vijzel geschikt te maken, maar ik kon er geen vinden, behalve een stuk van de rots, dat ik niet er af kon hakken. Geen der rotsen op het eiland waren ook hard genoeg; allen waren van eene soort van zandsteen, die de zwaarte van een grooten stamper niet zoude kunnen verduren, en het koorn met zand zoude vermengen bij het kneuzen. Na dus veel tijd met het zoeken naar een steen verloren te hebben, gaf ik het op, en besloot liever een groot blok van hard hout te zoeken, dat ik veel gemakkelijker vond, en toen ik er een gevonden had, zoo groot als ik slechts bewegen kon, maakte ik het rond met mijn bijl, en holde het toen uit met behulp van vuur en met oneindige moeite, op de wijze als de Indianen in Brazilië hunne kanoe's maken. Daarna maakte ik een grooten zwaren stamper van ijzerhout, en bewaarde dit toen, tegen dat ik mijn eerstvolgenden oogst zou te huis hebben gehaald, wanneer ik voornemens was mijn koorn tot meel te stampen, om daarvan brood te maken.

Thans moest ik zorgen om eene zeef te maken, om mijn meel van de zemelen te scheiden, zonder hetwelk ik begreep geen goed brood te zullen verkrijgen. Dit was allermoeijelijkst, want van hetgeen ik er toe noodig had, had ik niets, ik bedoel, fijn dun linnen of gaas. Maanden lang wist ik niet wat hieraan te doen; ik had geen ander linnen dan eenige lappen. Ik had wel geitenhaar, maar wist niet hoe dit gesponnen of geweven moest worden, en al had ik het geweten, dan had ik er geen gereedschap toe. Eindelijk echter bedacht ik, dat ik onder de matrozenkleederen, die ik uit het schip gered had, eenige neteldoeksche halsdoeken had. Van deze maakte ik drie kleine zeven, die echter voor het gebruik tamelijk geschikt waren, en waarmede ik mij eenige jaren behielp. Hoe ik later deed zal ik op zijne plaats vermelden.

Nu moest ik om het bakken denken, en hoe ik deeg zou maken als ik meel had, want ik had geen gest. Daar hieraan niets te doen viel, dacht ik er ook niet lang over, maar ik had meer zorg over een oven. Eindelijk bedacht ik een middel om mij hierin te helpen; ik maakte namelijk eenige aarden potten zeer breed maar niet diep, dat is zeggen van ongeveer twee voet in doorsnede, en negen duim hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant waren.

Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard gloeijend heet was, dan schoof ik ze ter zijde en plaatste er mijn potten of vormen op, en hoopte de kolen op zijde daartegen aan, om de hitte te vermeerderen. Aldus bakte ik mijn deeg, zoo goed als in den besten oven van de wereld, en werd weldra een heele pastijbakker, want ik maakte al aardige rijstkoekjes en poddings, maar geen pastijtjes, want daar had ik alleen geitenvleesch of dat van gevogelte in kunnen doen.

Men moet zich niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, en geen vlegel om het mede te dorschen.

En daar nu mijn voorraad van koorn vermeerderde, had ik ook een grooter bergplaats noodig. Ik had nu ongeveer twintig schepels graan en schier even veel rijst, zoodat ik het nu vrij durfde gebruiken, want mijn brood was reeds lang op. Ik besloot nu ook te zien hoe veel ik voor een geheel jaar noodig had, en dan slechts eenmaal 's jaars te zaaijen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik bevond ten laatste dat ik aan de veertig schepels rijst en graan voor een jaar meer dan genoeg had, dus nam ik voor alle jaren even veel als de laatste maal te zaaijen, in de hoop, dat ik aan den oogst hiervan ten volle genoeg zou hebben, voor brood voor een geheel jaar.

Terwijl ik mij met deze dingen onledig hield, waren mijne gedachten dikwijls gevestigd op het land, dat ik van den anderen kant van het eiland had gezien, en wenschte ik heimelijk, dat ik daar aan wal zijn mogt, in de verbeelding, dat ik het vaste land en een bewoonde plaats zien, en eenig middel ontdekken zou, om verder te komen. Ik dacht echter weinig aan de gevaren van zulk een toestand, en hoe ik in de handen der wilden zou kunnen vallen, welke welligt meer te vreezen waren dan de leeuwen en tijgers van Afrika, en dat zoo ik in hunne handen viel, het duizend tegen een was, dat ik gedood en welligt opgegeten zou worden; want ik had gehoord, dat de bewoners van de Caraïbische kust kannibalen of menscheneters waren; en naar de breedte te oordeelen, kon ik niet ver van hen verwijderd zijn. En al waren zij geene menscheneters, dan konden zij mij ligtelijk dooden, gelijk zoo vele Europeanen gebeurd was, die in hunne handen waren gevallen, zelfs bij tien en twintig te gelijk, hoe veel meer dan mij, die alleen was en mij weinig of niet verdedigen kon. Dit alles, zeg ik, hetgeen ik toen had moeten bedenken, en dat mij later inviel, boezemde mij toen geen de minste vrees in, en steeds peinsde ik op middelen om naar die kust over te steken. Hoe verlangde ik thans naar den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide, een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den storm. Deze lag nog bijkans op dezelfde plaats en was door het geweld van wind en golven bijkans onderst boven gekeerd, tegen eenen hoogen zandheuvel aan, waar zij hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen doen, daar ik dacht, dat als ik haar maar eerst omgekeerd had, ik gemakkelijk de schade zou kunnen herstellen, en daar het eene zeer goede sloep was, er mede in zee steken.

Ik spaarde geene moeite aan dezen vruchteloozen arbeid, en bragt er, geloof ik, drie of vier weken mede zoek. Toen ik eindelijk vond, dat het mij onmogelijk was haar om te keeren, bedacht ik, het zand er onder uit te delven, en haar zoo te doen vallen, nadat ik er verscheidene stukken hout onder geplaatst had, om den val te breken en te regelen.

Maar toen ik dit gedaan had, kon ik haar evenmin verwrikken, of er onder komen, laat staan haar te water brengen; dus moest ik dit opgeven; schoon ik echter alle hoop op de boot varen liet, groeide mijne begeerte, om naar het vaste land over te steken, steeds aan, naar gelang de middelen daartoe onmogelijker schenen.

Dit bragt mij op de gedachten, of het mij niet mogelijk zou zijn eene kanoe of praauw te maken, gelijk de inboorlingen onder deze hemelstreek gebruiken, zelfs zonder gereedschappen, namelijk uit een grooten boomstam. Ik achtte dit niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk, en verheugde mij zeer in het vooruitzigt, die te maken, en dat ik daartoe meer hulpmiddelen zelfs had dan de Negers en Indianen. Maar ik dacht niet aan hetgeen, waarin ik bij de Indianen te kort schoot, namelijk gebrek aan volk om te roeijen, als zij klaar was, eene zwarigheid, die voor mij veel moeijelijker te overwinnen was dan al het gebrek aan gereedschappen voor hen; want wat baatte het mij als ik een grooten boom uit het bosch had uitgekipt, dien met veel moeite gekapt, en ik daarna met behulp van mijne werktuigen in staat was, dien van buiten den vorm van een boot te geven, en van binnen met vuur of ijzer uit te hollen, zoo dat het eene boot werd; als ik na dat alles die moest laten waar zij lag, en niet in staat was haar te water te brengen?

Men zal niet kunnen begrijpen, dat ik niet de minste nagedachten over mijn toestand had, terwijl ik de boot maakte, anders had ik dadelijk moeten denken hoe ik haar in zee zou brengen; maar mijne gedachten waren zoo geheel vervuld met mijne reis over zee met haar, dat ik er zelfs nimmer aan dacht, hoe ik van het land zou komen, en toch was het inderdaad voor mij veel gemakkelijker de boot vijftien mijlen over zee te brengen, dan vijfenveertig over land, van de plaats waar zij lag tot in het water.

Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: "Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel vinden haar te gebruiken."

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Dit was eene alleronverstandigste handelwijze, maar mijne verbeelding bragt mij het hoofd op hol, en dus ging ik aan het werk, en deed een cederboom vallen. Ik weet niet of Salomo ooit een grooter had bij de bouwing van den tempel te Jeruzalem, want hij was van onderen bij den wortel vijf voet en tien duim in doorsnede, en vier voet elf duim aan het andere einde, tweeëntwintig voet hooger, daarna werd hij dunner en liep in takken uit. Met eindelooze moeite velde ik dezen boom. Twintig dagen hakte ik aan den stam, toen had ik nog veertien dagen noodig om er de takken en armen, en de wijd uitgespreide kruin af te kappen, hetgeen met mijne bijlen een ontzettende arbeid voor mij was. Daarna ging er nog eene maand heen met den stam te vormen, en er eenigermate den vorm van eene sloep aan te geven, zoodat hij, gelijk het behoorde, regt op in het water kon drijven. Het uithollen, zoo dat hij den juisten vorm van eene sloep verkreeg, deed ik zonder behulp van vuur, maar door zwaren arbeid met een hamer en beitel, tot ik eindelijk eene vrij knappe praauw voor den dag bragt, groot genoeg om zesentwintig man te voeren, en dus althans groot genoeg voor mij en mijne lading.

Toen mijn werk zoo ver gedaan was, had ik er regt genoegen in. De boot was vrij wat grooter dan ik ooit in mijn leven eene kanoe of praauw, uit één stam gemaakt, had gezien. Menig droppel zweet had zij mij gekost, dat kan ik verzekeren. Nu bleef er slechts over haar te water te laten loopen. Zoo ik dit had kunnen doen, twijfel ik niet of ik zou de dolzinnigste en gewaagdste reis ondernomen hebben, die ooit bij iemand opgekomen was.

Maar al mijne uitvindingen, om haar te water te brengen, mislukten, schoon zij mij ontzettenden arbeid kostten. De boot lag wel niet verder dan ongeveer honderd ellen van het water, maar in de eerste plaats liep de grond hoog op bij de kreek. Ik besloot deze hoogte weg te graven, zoo dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne bevrijding? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen als vroeger de andere boot.

Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon brengen, besloot ik het water naar de kanoe te brengen, door een kanaal te graven tot aan de plaats, waar zij lag. Ik begon ook hieraan, maar toen ik nu eens narekende hoe diep en breed ik dit moest graven, hoe ik de aarde er uit moest werken, vond ik, dat bij het aantal handen, waarover ik beschikken kon, te weten mijne eigene twee, er tien of twaalf jaren zouden verloopen voor ik dit kon volbrengen, want de kust lag hoog, zoo dat ik aan het einde twintig voet diep had moeten graven. Hoezeer met grooten weerzin, moest ik dus eindelijk mijn plan opgeven. Dit griefde mij bitter, en nu zag ik te laat in hoe dwaas het is een werk te beginnen, zonder eerst te bedenken, of wij in staat zijn het te volvoeren.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Midden in dit werk was ik, toen het vierde jaar van mijn verblijf alhier eindigde, en ik bragt dien dag evenzeer in gebeden door als de vorige, en met gelijke vertroosting, want door eene gestadige beoefening van Gods Woord, en ondersteund door Gods genade, had ik thans geheel andere begrippen dan te voren. Ik beschouwde nu de wereld als een afgelegen oord, als iets, waarmede ik niets te maken, waarvan ik niets te verwachten had, en waarnaar ik waarlijk niet verlangde. Kortom, daar ik er waarschijnlijk nimmer weder iets mede te maken zou hebben, beschouwde ik de wereld gelijk ik dacht, dat wij die welligt hier namaals zullen beschouwen, namelijk als een plaats, waarin ik geleefd, doch die ik thans verlaten had. Ik mogt er wel van zeggen gelijk Abraham tot den rijken man in het Evangelie: "Tusschen mij en ulieden is eene groote kloof gevestigd."

Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het goed vond. Ik had geene mededingers, niemand die mij de heerschappij of het oppergezag betwistte. Ik had scheepsladingen koorn kunnen teelen, maar kon ze niet gebruiken, dus liet ik niet meer groeijen dan ik voor mij noodig achtte. Ik had overvloed van schildpadvleesch, nu en dan een was voor mij genoeg. Ik had hout genoeg om eene geheele vloot te bouwen, en genoeg druiven om die vloot met wijn of rozijnen te laden, als zij gebouwd was.

Maar voor mij was datgene alleen van waarde, wat ik gebruiken kon. Ik had genoeg om in mijne behoeften te voorzien, en wat zou mij meer gebaat hebben? Had ik meer wild geschoten dan ik nuttigen kon, mijn hond of de roofvogels hadden het moeten eten; had ik meer koorn gezaaid dan ik noodig had, het had moeten bederven. De boomen, die ik geveld had, lagen op den grond te verrotten. Ik kon ze alleen als brandhout gebruiken, en dit had ik alleen noodig om mijn eten op te koken.

In één woord, de natuur en mijne ondervinding leerden mij, na rijp nadenken, dat alle goederen der wereld voor ons niet verder goed zijn dan zij voor ons gebruik geschikt zijn, en dat van al wat wij bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar die mij van groot nut zouden geweest zijn. Ik had, gelijk ik vroeger gezegd had, eenig geld in goud en zilver, ter waarde van ruim zesendertig pond sterling. Helaas, daar lag dat ellendig, nietswaardig goed! Ik kon er niets mede aanvangen, en dacht dikwijls bij mij zelven, dat ik er handen vol van had willen geven voor een gros tabakspijpen of een molen om mijn koorn te malen; ik had het altemaal willen geven voor de waarde van een paar dubbeltjes aan zaad van peenen en knollen, of voor eene hand vol erwten en boonen en eene flesch inkt. Thans had ik er niet het minste voordeel van, het lag in eene lade te beschimmelen door de vochtigheid in het regensaizoen; en al was die lade vol diamanten geweest, het zou hetzelfde geweest zijn, en daar zij mij van geen nut waren, hadden zij geene waarde voor mij.

Mijn levenswijze was thans voor mij veel aangenamer en geruster naar ligchaam en ziel, dan in den beginne. Dikwijls zette ik mij met een dankbaar hart aan tafel, en bewonderde de bestiering der Goddelijke Voorzienigheid, die aldus in de wildernis mij spijs had bereid. Ik leerde meer op de gunstige en minder op de ongunstige zijde van mijn toestand zien, en meer te denken aan hetgeen ik bezat dan aan hetgeen mij ontbrak, en dit verschafte mij somwijlen meer opbeuring dan ik hier kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten.

Eene andere bedenking was mij zeer nuttig, en zal dit ongetwijfeld zijn voor ieder, die zich in een tegenspoed als de mijne bevindt; deze bestond daarin, dat ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik in den beginne te gemoet zag, en die zeker mijn lot zou geweest zijn, als Gods genadige Voorzienigheid niet het schip nader bij het strand had geworpen, zoodat ik er niet alleen kon bijkomen, maar er alles uit naar den wal brengen, wat ik noodig had; zonder hetwelk ik noch gereedschap om te werken, noch wapens tot mijne verdediging, noch kruid en lood om mijn voedsel te verkrijgen, zou gehad hebben.

Geheele uren, ja geheele dagen bragt ik aldus door met mij op het levendigst voor te stellen hoe ik had moeten handelen, als ik niets uit het schip had kunnen halen; hoe ik geen ander voedsel dan visch en schildpadden had bekomen, of liever, daar het lang duurde eer ik dezen vond, hoe ik voor dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als een beest vaneen scheuren.

Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: "Is er eenige droefenis als de mijne?" Laat hen bedenken hoe veel erger sommige lieden er aan toe zijn, en zij zelven zouden zijn, als de Voorzienigheid dit gewild had.

Nog eene bedenking vertroostte mijn geest, en deze was, als ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik verdiende, en dus billijk van de Voorzienigheid had mogen verwachten. Ik had geleefd buiten alle kennis en vreeze Gods. Wel hadden mijne ouders mij onderwezen en vroegtijdig getracht mij de vreeze Gods in te boezemen, met een besef van mijne pligten en van de bestemming en het doel mijns levens. Maar, helaas, vroegtijdig was ik tot een zwervend leven vervallen, en in een gezelschap, waarin het weinige van de godsdienst werd uitgeroeid, dat ik nog bezat, door den spot mijner makkers, door eene hardvochtige verachting van gevaren en het zien van den dood, waaraan ik gewoon raakte; door mijn langdurig verstoken zijn van alle gelegenheid om met iemand van andere beginselen dan ik omtegaan, of iets te hooren, dat goed was, of eene goede strekking had.

Zoo geheel was ik buiten het bezit van al wat goed was, of van alle denkbeeld daaraan, dat bij mijn grootste weldaden, zoo als mijne ontsnapping van Salé, toen ik door den Portugeschen kapitein opgenomen werd, toen ik zoo wel slaagde in Brazilië, mijne lading uit Engeland ontving, enz., ik nimmer de woorden: "Gode zij dank," in mijn hart of in mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren.

Verscheidene maanden, gelijk ik reeds gezegd heb, was mijn geest zeer bedrukt over mijn vorig snood en verhard leven; en toen ik alles om mij heen beschouwde en overwoog, welke bijzondere bestieringen ik sedert mijne komst alhier had ontwaard, en hoe goedertieren God met mij gehandeld had; hoe Hij mij niet alleen minder gestraft had, dan mijne overtredingen verdienden, maar zoo genadig voor mij gezorgd had; gaf dit mij groote hoop, dat God mijn berouw had aangenomen, en ik nog in 't vervolg op zijne goedertierenheid hopen mogt.

Deze overwegingen maakten mij niet alleen onderworpen aan den wil van God, in mijn tegenwoordigen toestand, maar zelfs opregt dankbaar voor denzelven. Ik bedacht, dat ik, die nog in leven was, mij niet mogt beklagen, daar ik geenszins de regtmatige straf voor mijne zonden had ontvangen; maar dat ik dagelijks mij verheugen en dankbaar zijn moest voor dat dagelijksch brood, dat mij als door een wonder geschonken was, een wonder zoo groot, als dat van de voeding door de raven van den Profeet Elias, of liever door eene reeks van wonderen. Ik bedacht, dat ik van al de onbewoonde plaatsen op de wereld, geene plaats kon bedenken, waar ik gunstiger omstandigheden had kunnen aantreffen. Ik was aan den eenen kant van alle menschelijk gezelschap beroofd, hetgeen mij eene groote droefheid was, maar aan den anderen kant werd mijn leven niet bedreigd door verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen.

Ik was hier nu zoo lang geweest, dat verscheidene zaken, die ik aan wal had gebragt of geheel versleten of gebruikt waren. Mijne inkt bijvoorbeeld was geheel verbruikt, sedert eenigen tijd, op een weinig na, dat ik zoo dikwijls met water had aangelengd, tot hij zoo bleek was, dat men hem naauwelijks op het papier zien kon. Zoo lang hij duurde had ik hem gebruikt, om de dagen van de maand op te teekenen, waarin mij iets merkwaardigs gebeurde, en bij overweging van het verledene, ontdekte ik een zonderling zamentreffen van de dagen, waarop mij verschillende gewigtige gebeurtenissen bejegend waren, en zoo ik bijgeloovig genoeg was geweest, om aan ongelukkige of gelukkige dagen te gelooven, zouden mij deze niet zonder reden sterk getroffen hebben.

In de eerste plaats vond ik, dat op denzelfden dag van het jaar, dat ik mijn vaders huis verliet en naar Hull ging, om in zee te gaan, op dienzelfden dag werd ik door een Saleschen kaper genomen en tot slaaf gemaakt. Ik ontkwam aan de schipbreuk op de reede van Yarraouth op denzelfden dag, dat ik naderhand van Salé in de boot vlugtte. Eindelijk, op mijn geboortedag, te weten den 30 September, werd mijn leven zoo wonderdadig gespaard, toen ik op dit eiland op het strand geworpen werd; zoo dat mijn zondig leven en mijn eenzaam leven op dit eiland op denzelfden dag begonnen waren.

Het eerst wat na mijn inkt op raakte was mijn brood, ik bedoel de beschuit, die ik uit het schip bragt. Met deze was ik zoo spaarzaam als mogelijk geweest, en had meer dan een jaar lang er dagelijks slechts een van gebruikt; en toch had ik een geheel jaar lang geen brood, tot ik zelf eenig koorn verkreeg, hetgeen zoo wonderdadig bewaard en eene groote weldaad voor mij was.

Mijne kleederen begonnen jammerlijk te verslijten. Ik had geen linnen meer dan eenige oude hemden, die ik in de kisten van andere matrozen had gevonden, en die ik zorgvuldig bewaarde, omdat ik dikwijls niets anders dragen kon dan een hemd, en het was een groot geluk voor mij, dat er bij de matrozen kleederen schier drie dozijn hemden waren. Er waren ook verscheidene dikke buizen van de matrozen, maar deze waren te warm om te dragen, en hoewel het luchtgestel zoo geweldig heet was, dat men geene kleederen behoefde, kon ik toch niet geheel naakt gaan, al had ik er lust toe gehad, hetgeen in 't geheel het geval niet was, want ik kon, ofschoon ik geheel alleen was, het denkbeeld er van niet verdragen.

Eene reden, waarom ik niet geheel naakt kon gaan, was, dat ik geheel naakt, niet zoo goed de zonnehitte verdragen kon, als wanneer ik eenige kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd vielen, terwijl ik door het dragen van een hoed of muts hiervoor bewaard werd.

Te dien einde besloot ik eens schouwing te houden van al de lappen, die ik over had, en die ik mijne garderobe noemde. Al mijne kamizolen waren versleten, ik trachtte dus anderen te maken van de groote jassen, die ik had. Ik ging dus aan het kleedermaken of liever lappen. Het ging echter nog al dragelijk; maar de broeken, die ik alstoen maakte, zagen er jammerlijk uit.

Ik heb reeds gezegd, dat ik de huiden van al de viervoetige beesten, die ik gedood had, had bewaard, en die met eenige stokken in de zon uitgespannen, waardoor sommigen zoo hard geworden waren, dat zij genoegzaam onbruikbaar waren; van anderen echter had ik veel nut. Het eerste wat ik van deze maakte was eene groote muts met het haar naar buiten, opdat de regen er langs zou loopen. Dit ging zoo goed, dat ik een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen liep, bleef ik volkomen droog, omdat er geen regen doordrong.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Daarna besteedde ik veel tijd en arbeid, om mij een zonnescherm te maken; ik had er een hoog noodig en verlangde er zeer naar. Ik had ze te Brazilië gezien, waar zij bij de zware hitte zeer nuttig zijn; en hier, nog digter bij de evennachtslijn, was de hitte zelfs nog heviger. Bovendien was zulk een scherm voor mij even nuttig voor den regen als voor de zon. Ik gaf mij ontzettende moeite, en het duurde lang voor ik iets maken kon, dat opstond. Toen ik eindelijk dacht er achter te zijn, mislukten er nog twee of drie, maar eindelijk had ik er een die tamelijk naar mijn zin was. De grootste moeijelijkheid was om te maken, dat het neêr sloeg. Ik kon er wel een maken dat opgezet kon worden, maar als ik dit niet kon neêr doen, had ik het altijd boven mijn hoofd moeten dragen en dat ging niet. Eindelijk echter maakte ik een goed, en bedekte het met huiden, met het haar naar buiten, zoo dat de regen er goed afliep; en het weerde de zon zoo goed af, dat ik thans veel beter in het warmste weder dan vroeger in het koelste kon uitgaan. Als ik mijn scherm niet noodig had, droeg ik het toegeslagen onder mijn arm.

Aldus leefde ik zeer rustig, mijn geest was zeer bedaard, doordien ik mij geheel aan Gods wil onderworpen en aan zijne voorzienigheid toevertrouwd had. Hierdoor leefde ik beter dan in de maatschappij, want als ik naar verkeering met menschen verlangde, dan vroeg ik mij zelven af, of aldus met mij zelven en naar ik hoopte, in mijne gebeden, met mijnen Schepper te verkeeren, niet beter was dan de grootste genietingen van den omgang met anderen in de wereld?

Ik kan niet zeggen, dat mij na dien tijd, vijf jaren lang, iets buitengewoons gebeurde, ik leefde op dezelfde wijze en op dezelfde plaats voort. Hoofdzakelijk hield ik mij bezig, behalve met mijn jaarlijkschen arbeid van graan en rijst te teelen, en van mijne druiven te droogen, waarvan ik altijd voor een jaar in voorraad had; ik zeg behalve dezen arbeid en mijn dagelijks uitgaan met mijn geweer, had ik ondernomen eene kanoe te maken, die ik ten laatste voltooid had; zoodat ik, door er een kanaal van zes voet wijd en vier voet diep voor te delven, die eene halve mijl ver, in de kreek bragt. De eerste kanoe was, gelijk ik gezegd heb, zoo groot, dat ik die niet naar het water, en het water evenmin naar de kanoe kon brengen; dus lag zij daar als eene herinnering voor mij, om in het vervolg verstandiger te werk te gaan.

Den volgenden keer dan ook, schoon ik er geen geschikten boom toe vinden kon, en het op eene plek was, waar het water eene halve (Eng.) mijl ver moest gebragt worden, gaf ik het echter geenszins op, zoodra ik zag dat het uitvoerbaar was, en schoon ik er bijkans twee jaren aan bezig was, verdroot mij deze arbeid nimmer, omdat ik hoop had van eindelijk eene boot te verkrijgen, waarmede ik naar zee zou kunnen gaan.

Toen echter eindelijk mijne kleine praauw voltooid was, beantwoordde hare grootte echter volstrekt niet aan het doel, dat ik beoogde toen ik de groote maakte; ik meen van er mede naar het vaste land over te steken, waar dit ongeveer veertig (Eng.) mijlen ver af lag. De kleinte van mijn boot droeg er ook toe bij, aan dat voornemen een einde te maken, en eindelijk dacht ik er niet meer aan. Maar daar ik nu eene boot had, vatte ik thans het voornemen op eene reis rondom mijn eiland te maken. Ik was, gelijk ik verhaald heb, toen ik het eiland dwars doorgetrokken was, op eene plaats aan de andere zijde geweest, en mijne op dien togt gemaakte ontdekkingen maakten mij zeer verlangend ook de andere deelen der kust te zien, en nu ik eene boot had, maalde het denkbeeld van het eiland rond te varen, mij den geheelen dag door het hoofd.

Te dien einde, en om alles met beleid en bezadigdheid te doen, vervaardigde ik een mastje voor mijne boot, en maakte er een zeil voor, uit sommige stukken van scheepszeilen, die in groote menigte, in mijne voorraadschuur lagen.

Toen de mast en het zeil gereed waren, beproefde ik de boot, en vond dat zij zeer goed zeilde. Toen maakte ik kleine kasten of bergplaatsen van voren en achteren in mijne boot, om er leeftogt, kruid, lood en andere noodwendigheden in droog te houden, hetzij voor regen of voor het schuim der zee, en aan de binnenzijde maakte ik eene lange geul, waarin ik mijn geweer kon leggen, met eene klep er over heen, om het droog te houden.

Ik maakte mijn zonnescherm van achteren vast in de boot, zoodat het overeind stond, boven mijn hoofd, en mij even als eene zonnetent voor de hitte beschermde. Op deze wijze deed ik nu en dan een togtje naar zee, maar ging nimmer diep in zee, of ver van de kleine kreek. Eindelijk echter verlangde ik zoo, om den omtrek van mijn koningrijkje te bezien, dat ik de reis rondom hetzelve besloot te ondernemen. Diensvolgens rustte ik mijn scheepje uit voor de reis. Ik deed er in twee brooden, of liever koeken, van mijn meel gebakken, eene aarden pot vol gepelde rijst, (een voedsel dat ik veel gebruikte) een klein fleschje rum, eene halve geit en kruid en lood om er meer te schieten; en twee grove jassen, die ik, gelijk ik gezegd heb, uit de matrozenkisten gered had. Deze laatste dienden, de een om op te liggen, de ander om mij des nachts te bedekken.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Het was den 6 November, in het zesde jaar mijner regering of van mijne gevangenschap, zoo als men het noemen wil, dat ik op deze reis onderzeil ging. Ik vond dat de reis veel verder was dan ik verwacht had, want schoon het eiland op zich zelf niet zoo groot was, vond ik, toen ik aan de oostzijde kwam, een groot rif van klippen, dat zich ongeveer twee mijlen ver in zee uitstrekte, sommige waren boven water, andere blind; en achter deze strekte eene drooge zandbank zich nog eene mijl verder uit, zoodat ik verpligt was een groot eind in zee te steken, om deze kaap te omzeilen.

Toen ik dit rif het eerst ontdekte, stond ik op het punt, mijne onderneming op te geven en terug te keeren, daar ik niet wist hoe ver ik genoodzaakt zou zijn in zee te gaan, en bovenal hoe ik zou terugkeeren, dus ging ik voor anker liggen, want ik had van eene gebroken dreg, die ik uit het schip gehaald had, eene soort van anker gemaakt. Na mijne boot goed vastgelegd te hebben, nam ik mijn geweer en stapte aan land, waar ik op een heuvel klom, van welken ik dacht die kaap te kunnen overzien, en waar ik hare geheele uitgestrektheid waarnam, en besloot het te wagen.

Toen ik van den heuvel, waarop ik stond, de zee overzag, bespeurde ik eene sterke, ja eene allergeweldigste strooming, die oostelijk liep, en zelfs digt langs het rif heen; en ik nam dit te naauwkeuriger op, omdat ik inzag dat er eenig gevaar bestond, dat als ik in deze strooming geraakte, ik door hare hevigheid zeewaarts kon gesleept worden, zonder dat ik het eiland weder zou kunnen bereiken. En waarlijk, als ik niet eerst op den heuvel was geklommen, geloof ik, dat dit ook zou gebeurd zijn, want aan de andere zijde was dezelfde strooming, behalve, dat die op een verderen afstand liep, en digt onder de kust liep eene sterke tegenstrooming, zoo dat ik niets te doen had dan slechts buiten de eerste strooming te blijven, en ik zou ongetwijfeld naar de kust teruggevoerd worden.

Ik bleef echter twee dagen voor anker liggen, omdat de wind, die vrij stevig was (uit het O.Z.O., en dus juist tegen de gezegde strooming inblies) op dat punt eene zware branding maakte, zoo dat het uithoofde van de branding niet veilig voor mij was, al te digt bij de kust te houden, en niet al te ver af, uithoofde van de strooming.

Den derden dag was des morgens de zee stil, daar de wind gedurende den nacht was gaan liggen, en ik waagde den togt; maar het volgende is eene les voor alle onbedreven loodsen. Naauwelijks was ik aan het rif, zelfs nog geen bootslengte van den wal, of ik bevond mij in zeer diep water, en eene strooming, die als een molensluis liep. Deze sleepte mijne boot met zoo veel geweld mede, dat ik, wat ik ook deed, haar niet aan den rand der strooming kon houden, maar zij mij, naar ik bemerkte, al verder en verder van de tegenstrooming, die aan mijne linkerhand was, afsleepte. Er was geen wind genoeg om mij te helpen, en wat ik met mijne riemen doen kon beteekende niets. Ik begon mij thans verloren te achten, want daar de strooming aan beide kanten van het eiland was, wist ik dat zij op weinige mijlen afstands met elkander zamentreffen moesten, en dan was ik onherstelbaar verloren. Ik zag ook geene mogelijkheid het te vermijden, zoodat ik niets voor oogen had dan den dood, niet van de zee, want die was kalm genoeg, maar van den dood door honger. Ik had wel is waar, eene schildpad, zoo groot als ik maar optillen kon, aan het strand gevonden, en in de boot geworpen, en ik had eene groote kruik met zoet water, dat is te zeggen een van mijne gebakken potten; maar wat zou mij dit baten als ik in den uitgestrekten Oceaan gedreven werd, waar op misschien duizend mijlen afstands, geene kust, geen vast land of eiland was.

En nu zag ik, hoe gemakkelijk de Goddelijke Voorzienigheid den rampzaligsten toestand, waarin zich iemand bevindt, nog veel erger kan maken. Nu zag ik naar mijn eenzaam eiland uit, als naar de aangenaamste plaats der wereld, en het grootste geluk, waarnaar ik wenschen kon, was, dat ik daar maar weder zijn mogt. Verlangend strekte ik er de handen naar uit. "O, gelukkig oord," zeide ik, "ik zal u nimmer wederzien! Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen?" Vervolgens verweet ik mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts weder aan wal was! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht, voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in verkrijgen; en datgene wat wij genieten, leeren wij eerst waarderen als wij het moeten missen. Het is naauwelijks mogelijk zich de ontroering te verbeelden, waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo beschouwde ik het thans) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der strooming, waar de tegenstrooming lag, als ik bij mogelijkheid kon. Tegen den middag meende ik een windje in mijn gezigt te voelen, dat uit het Z.Z.O. kwam. Dit beurde mijn moed een weinig op, vooral toen het een half uur later eene frissche koelte begon te waaijen. Ik was thans op een vreesselijken afstand van het eiland, en als er mistig weder was opgekomen, was ik ook verloren geweest, want ik had geen kompas aan boord, en zou nooit geweten hebben hoe ik naar het eiland had moeten sturen, als ik het eens uit het gezigt had verloren, maar daar het weder helder bleef, zette ik mijn mast weder op en mijn zeil bij, en hield zoo veel noordelijk als ik kon, om uit de strooming te geraken.

Juist toen ik mijn mast en zeil bijgezet had, en er vaart in de boot was gekomen, zag ik zelfs aan de helderheid van het water, dat de strooming eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het noord-oosten; de tweede, op de klippen stuitende, keerde met eene zware strooming weder naar het N. W. terug.

Hij, die aan den voet van het schavot pardon erlangt, of die onverwachts uit de opgeheven dolken van moordenaars gered wordt, kan zich mijne tegenwoordige vreugde voorstellen, en hoe gretig ik mijne boot in deze tegenstrooming bragt, hoe vrolijk ik, daar de wind ook aanwakkerde, mijn zeil bijzette, en aldus door wind en stroom naar het land aanhield. De stroom voerde mij omtrent eene mijl naar het land, maar ongeveer twee mijlen noordelijker dan de andere strooming, die mij naar zee had gebragt. Toen ik dus digt bij het eiland was bevond ik mij aan de noordkust, of vlak de tegenovergestelde zijde van die welke ik verlaten had.

Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van het eiland stil en zonder stroom was, en daar de wind nog gunstig was, hield ik regt op het eiland aan, schoon niet met zoo veel spoed als vroeger.

Tegen vier uren des namiddags, toen ik nog ongeveer eene mijl van het land af was, trof ik het einde van het rif aan, dat de oorzaak van mijn gevaar was, en zich zuidwaarts uitstrekte, en door de strooming ook dien kant heen te brengen, eene tegenstrooming noordwaarts veroorzaakte, die zeer sterk, doch niet regt in mijn koers liep, daar ik W. N. W. moest aanleggen. Met een goeden wind kwam ik echter door deze strooming, en na verloop van een uur was ik op een kwartier uurs afstand van het land, hetwelk ik, daar het effen water was, spoedig bereikte.

Toen ik aan wal was viel ik op mijne knieën, en dankte God voor mijne redding, en besloot alle denkbeeld van bevrijding door mijne boot op te geven. Na mijn maaltijd gedaan te hebben met hetgeen ik had, legde ik mijne boot vast in een kleinen inham, dien ik onder eenige boomen ontdekt had, en begaf mij daarop ter rust, daar ik uitgeput was door de vermoeijenissen der reis.

Ik was thans zeer in het onzekere, op welke wijze ik met mijne boot naar huis zou keeren. Ik had zoo veel gevaar geloopen, en te veel kennis van den toestand, om er aan te denken van den weg te kiezen dien ik gekomen was. Wat er aan de andere zijde (de westzijde) van het eiland was, wist ik niet, en ik verlangde niet om nieuwe gevaren te loopen; dus besloot ik in den morgen, mijn weg westwaarts langs het strand voort te zetten, en te zien of er geen kreek was, waarin ik mijn vaartuig veilig liggen kon, zoo dat ik het weder vinden kon, als ik het begreep noodig te achten. Na een uur bijkans langs het strand te hebben gevaren, kwam ik aan eene zeer goede baai of inham, van ongeveer een vierde uur diep, die steeds naauwer uitliep tot in een kleine beek, waarin ik eene zeer goede ligplaats voor mijne boot vond; alsof zij daar lag in een dok, dat daar opzettelijk voor gemaakt was. Hier legde ik ze vast en ging vervolgens aan wal, om te zien waar ik mij bevond.

Spoedig vond ik, dat ik slechts weinig voorbij de plaats was, waar ik vroeger was geweest, toen ik te voet het eiland was doorgetrokken. Ik nam dus niets uit mijne boot dan mijn geweer en mijn zonnescherm, want het was bijzonder heet, en ging op marsch. De weg was gemakkelijk genoeg, na eene reis als ik gedaan had, en tegen den avond bereikte ik mijne oude buitenplaats, waar ik alles vond zoo als ik het gelaten had, want ik hield mijn landhuis altijd in goede orde.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik klom over de heining, en ging in de schaduw uitrusten, waar ik, want ik was zeer vermoeid, weldra in slaap viel. Maar oordeel, zoo gij kunt, lezer, over mijne verrassing, toen ik uit mijnen slaap wakker gemaakt werd, door eene stem, die mij verscheidene malen bij mijn naam riep: "Robinson, Robin, Robinson Crusoe! Arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij, Robinson Crusoe? Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest?"

Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen de stem herhaaldelijk bleef roepen: "Robin, Robinson Crusoe!" begon ik eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst verschrikt en sprong op in de uiterste ontsteltenis. Maar naauwelijks waren mijne oogen open of ik zag mijn papegaai op den top van de heining zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: "arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest? Hoe komt gij hier?"

Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. Maar daar ik wel overtuigd was dat het mijn papegaai en niemand anders was, hield ik mijne hand op en riep hem bij zijn naam. Oogenblikkelijk kwam de gezellige vogel op mijn vinger zitten, gelijk hij gewoon was, en bleef voortsnappen: "arme Robinson! en: Hoe zijt gij hier gekomen? Waar zijt gij geweest?" alsof hij blijde was dat hij mij weder zag, en zoo bragt ik hem naar huis terug.

Ik was nu voor eenigen tijd verzadigd van togtjes op zee, en had verscheidene dagen genoeg te doen met te bedenken in welk gevaar ik geweest was. Het zou mij zeer aangenaam geweest zijn als ik mijne boot weder aan de andere zijde van het eiland had gehad, waar ik woonde; maar ik wist niet hoe ik haar daar zou brengen. Ik kende de oostzijde van het eiland, langs welke ik gekomen was, thans te goed, om niet te weten dat ik niet wagen kon, dien weg te nemen; mijn bloed verstijfde in mijne aderen als ik er slechts aan dacht. Hoe het aan den anderen kant van het eiland was, wist ik niet, maar onderstellende, dat daar de stroom even hevig oostelijk tegen de kust aanliep, zou ik hetzelfde gevaar loopen van door den stroom medegesleept en tegen het eiland geworpen te worden, als ik vroeger geloopen had van er afgesleept te worden. Deze gedachten deden mij tevreden zijn zonder boot, schoon ik zooveel maanden had gewerkt om er eene te maken, en nog zoovele maanden om die te water te brengen.

In deze gemoedsgesteldheid bleef ik bijkans een jaar, een zeer rustig leven leidende, gelijk men denken kan, en daar ik thans met mijn toestand verzoend was en mij geheel aan den wil der Voorzienigheid onderworpen had, begreep ik dat ik in alle opzigten zeer gelukkig leefde, behalve in het gemis aan gezelschap. Ik maakte mij in dien tijd bekwamer in al die werktuigkundige verrigtingen, waartoe de nood mij dwong, en ik geloof dat ik thans een zeer goed timmerman mogt heeten; vooral als men in het oog houdt hoe weinig gereedschappen ik had. Bovendien bragt ik eene onverwachte verbetering in mijn aardenwerk te weeg; hetgeen ik thans met een rad vervaardigde, dat ik oneindig beter en gemakkelijker vond, daar ik thans de voorwerpen rond en van een goeden vorm maken kon, terwijl het vroeger leelijke, onbehouwen dingen waren. Maar ik geloof niet dat ik ooit hoovaardiger was op iets wat ik vervaardigd heb, of mij meer over eenige uitvinding verheugd, dan toen ik in staat was eene tabakspijp te maken, en schoon het een leelijk wanschapen ding, en even als mijne andere potten roodgebakken was, was ik er toch zeer mede verheugd, want zij was hard en vast en ik kon er uit rooken. Ik was dit altoos gewoon geweest, en er waren ook pijpen aan boord van het schip geweest, maar ik had die eerst laten liggen, omdat ik niet wist dat er tabak op het eiland was, en toen ik naderhand het schip weder doorzocht, kon ik ze niet terugvinden.

Ook vermeerderde ik mijn voorraad van mandewerk, en maakte eene menigte manden, zoo goed ik ze bedenken kon. Schoon niet zeer fraai, waren zij toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit alles in eene mand naar huis. Ook bewaarde ik mijn koorn in groote diepe manden; ik wreef dit altijd uit de airen zoodra het droog was, en bergde het dan in de manden.

Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald heb, in het derde jaar van mijn verblijf een jong geitje gevangen en tam gemaakt. Ik had altijd gehoopt er een bok bij te zullen bekomen; maar dit mogt mij nimmer gelukken. Eindelijk werd mijne geit oud, en ik kon het nimmer van mij verkrijgen haar te slagten, totdat zij ten laatste van ouderdom stierf.

Nu ik echter in het elfde jaar van mijn verblijf was, en mijn kruid gelijk ik zeide, sterk verminderde, begon ik mij te bedenken op een strik of val, om te zien of ik niet eenige geiten levende zou kunnen vangen, vooral eene geit met jongen wenschte ik. Ik maakte te dien einde strikken, en ik geloof dat zij er meermalen in verward raakten, maar daar zij niet zeer sterk waren, omdat het mij aan koord ontbrak, vond ik ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en ik kon gemakkelijk zien aan het spoor harer pooten dat de geiten er in geweest waren en het graan opgegeten hadden. Eindelijk zette ik drie vallen op eenen nacht, en toen ik er den volgenden morgen bij kwam, vond ik ze allen staan, en toch was het aas opgegeten en weg. Dit was ontmoedigend, doch ik veranderde mijne vallen, en om kort te gaan, toen ik er op een morgen naar ging zien, vond ik in een kuil een ouden bok, en in een anderen twee geiten en een bokje.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings