DANIËL DE FOE. (continued 2)
Reading edition
Drie dingen moedigden mij aan; eerstens was de zee volkomen kalm; ten tweede dreef het getij naar het strand en eindelijk was de weinige wind die er was, regt op de kust aan. Na dus twee of drie gebroken riemen van de boot, en behalve mijne kist met gereedschappen, nog twee zagen, eene bijl en een hamer gevonden te hebben, stak ik met mijne lading af. Eene mijl ongeveer ging alles goed; alleen bespeurde ik, dat ik een weinig zijwaarts afdreef van de plaats, waar ik eerst aan land gekomen was, zoodat ik bemerkte, dat daar eenige strooming in het water was, wat mij hoop gaf, daar eene kreek of rivier te zullen vinden, die mij als eene haven kon dienen, om mijne lading aan wal te brengen.
Het was zoo als ik gedacht had; voor mij lag een kleine inham, waar eene sterke strooming inliep; dus stuurde ik mijn vlot zoo goed ik kon, om het midden van den stroom te houden. Hier had ik bijkans ten tweeden male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot, en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk liep.
Eindelijk bespeurde ik een kleinen inham aan de regterzijde, en bragt met veel moeite en arbeid mijn vlot daarheen, en kwam er op het laatst zoo nabij, dat ik met mijn riem den grond bereiken kon, en toen stuurde ik erbinnen. Hier was bijkans weder al mijne lading in zee gevallen, want het strand liep hier met zulk eene steile helling, dat ik nergens kon naderen, of het eene einde van het vlot zou als het aan den wal stiet, zoo hoog en het andere einde zoo laag liggen, dat de lading op nieuw groot gevaar moest loopen. Al wat ik doen kon, was te wachten, tot dat het getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang,) bragt ik het boven dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken riemen in den grond te steken, aan weerszijden een, en zoo bleef ik liggen, tot het water begon af te loopen, en mij en mijne lading droog op het strand liet.
Mijn eerste werk was thans het land te bezien, en eene geschikte plaats te zoeken, waar ik wonen kon, en mijne goederen tegen alle mogelijke ongevallen beveiligen. Waar ik was, wist ik echter niet, of op vast land of op een eiland, in een bewoond of onbewoond land, met of zonder wilde dieren. Geene mijl van mij af was een heuvel, die zeer steil en hoog opliep, en mij toescheen eene reeks van heuvelen, die noordwaarts zich uitstrekten, te overzien. Ik nam een der jagtgeweren, eene pistool en een kruidhoorn, en aldus gewapend ging ik naar den top des heuvels op ontdekking uit. Toen ik dien met veel moeite en arbeid bereikt had, zag ik dadelijk mijn lot; namelijk, dat ik op een eiland was, overal door de zee omringd, zonder land in het gezigt, behalve zeer in de verte eenige klippen, en twee eilanden, kleiner dan dit, die drie mijlen ongeveer westwaarts van mij lagen.

Ik zag tevens, dat het eiland, waarop ik mij bevond, woest, en gelijk ik met grond vermoedde, onbewoond was, ten ware van wilde dieren, waarvan ik echter geenerlei spoor zag. Ik zag eene menigte van vogels, wier soort ik niet kende, en waarvan ik niet wist of hun vleesch eetbaar was of niet. Toen ik terugkeerde, schoot ik een grooten vogel, dien ik op een boom aan den zoom van een groot bosch zag zitten. Ik geloof, dat het het eerste schot was, dat daar, sedert de schepping, gevallen was. Naauwelijks had ik gevuurd, of uit alle deelen van het bosch rees eene ontzettende menigte vogels van allerlei soort op, die ieder hun eigenaardig geschreeuw en gekrijsch aanhieven; doch geen was er onder, die ik kende. Dien ik gedood had, hield ik voor eene soort van havik, naar zijne vederen en bek te oordeelen, echter waren zijne klaauwen niet buitengewoon; zijn vleesch was taai en oneetbaar.
Ik hield mij vooreerst met deze ontdekking tevreden, ging naar mijn vlot terug, en ging aan het werk, om mijne lading aan land te brengen, dat mij het overige van den dag bezig hield. Waar ik mijn nachtverblijf kiezen zou, wist ik niet; ik was bevreesd, om op den grond te gaan liggen, niet wetende, of een wild dier mij verscheuren zou. Naderhand vond ik echter, dat ik hiervoor geene vrees behoefde te hebben.
Zoo goed ik kon maakte ik echter eene verschansing van de kisten en planken, die ik aan wal had gebragt, en vormde daarvan eene soort van hut, voor dien nacht. Ik zag nog niet in, hoe ik mij van voedsel zou voorzien, behalve, dat ik twee of drie dieren, naar hazen gelijkende, uit het bosch had zien loopen, toen ik den vogel schoot.
Ik begon nu te bedenken, dat ik nog veel uit het schip zou kunnen halen, wat mij nuttig kon zijn; vooral eenig touwwerk en zeilen, en wat mij maar van dienst zou kunnen zijn. Ik besloot dus, zoo mogelijk nog eene reis naar het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, gelijk ik deed, alleen een gestreept hemd en een linnen broek aanhoudende.
Ik kwam gelijk te voren aan boord, en maakte een vlot, doch door de ondervinding van het eerste geleerd, maakte ik dit niet zoo onhandelbaar, en belaadde het zoo zwaar niet. Thans bragt ik verscheidene allernuttigste dingen voor mij mede; eerstelijk vond ik twee of drie zakken spijkers, een groote boor, een vijfentwintig bijlen, en bovenal, een zoo allernuttigst werktuig, een slijpsteen. Dit alles borg ik, met verscheidene dingen van den konstapel, twee of drie koevoeten, twee vaatjes met geweerkogels, zeven geweren en een jagtroer, met nog eenig buskruid, een grooten zak met hagel en een groote rol lood; maar deze laatste was te zwaar, en kon ik niet over boord hijschen.
Behalve dit nam ik al de kleederen mede, die ik vinden kon, en een waarloos voormarszeil, eene hangmat en eenig beddegoed, en hiermede belaadde ik mijn tweede vlot, en bragt alles, tot mijn groot genoegen, behouden aan land.
Ik was gedurende mijne afwezigheid van het land eenigzins bevreesd, dat althans mijne mondbehoeften zouden weggeroofd zijn, maar toen ik terugkwam, vond ik geen spoor van eenig bezoek, behalve eene soort van wilde kat, die op eene der kisten zat, en bij mijne aankomst een eind weegs wegliep, en toen stilstond. Zij zat zeer bedaard en gerust, en zag mij stijf aan, alsof zij wel lust had, nader kennis met mij te maken. Ik legde een geweer op haar aan, maar daar zij hiervan niets begreep, bleef zij zeer bedaard zitten; daarop wierp ik haar een stuk beschuit toe, waarmede ik echter niet zeer mild was, want mijn voorraad was niet groot. Echter gaf ik haar een stukje, gelijk ik zeide, en zij ging er naar toe, berook het, en at het op, en scheen naar meer te verlangen; maar ik bedankte er voor en kon niet meer missen, dus ging zij heen.
Na mijne tweede lading aan land gebragt te hebben, schoon ik verpligt was de kruidvaatjes open te slaan, en bij gedeelten te ledigen, want zij waren in hun geheel te zwaar, ging ik aan het werk, om van de zeilen, en eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van menschen of beesten.
Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken van binnen, en eene overeind staande ledige kist van buiten, legde een bed op den grond, mijne twee pistolen aan het hoofdeinde, en mijn geweer aan mijne zijde. Hierop ging ik voor de eerste maal naar bed en sliep zeer gerust den geheelen nacht, daar ik zeer vermoeid en uitgeput was, want ik had den vorigen nacht zeer weinig geslapen, en den geheelen dag hard gewerkt, om al die zaken van het schip te halen, en aan land te brengen.
Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar boord, en bragt telkens het een of ander mede. Vooral de derde maal toen ik ging, nam ik zooveel touwwerk mede als ik kon, en zooveel dun touw en garen als ik vinden kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon; want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken.
Niet minder aangenaam was het mij, dat ik het laatst van alles, nadat ik vijf of zes reizen gedaan had, en dacht niets meer van het schip te kunnen bekomen, wat der moeite waardig was, nog vond een groot vat met beschuit, drie vaatjes rum of sterken drank, een kistje met suiker en een vat met best meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land.
Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de bezaansra gekapt te hebben, en al wat ik kon, om een groot vlot te maken, belaadde ik het met al deze zware goederen en zette af. Maar mijn goed geluk begon mij te verlaten, want dit vlot was zoo onhandelbaar en zoo overladen, dat, nadat ik den kleinen inham binnengevaren was, waar ik de overige goederen aan land had gebragt, daar ik dit niet zoo goed besturen kon als de andere, het omsloeg, en ik met al de lading in het water viel. Voor mij was dit van weinig belang, want ik was digt bij land; maar van mijne lading ging het grootste gedeelte verloren, vooral het ijzer, dat ik gehoopt had mij van veel nut te zullen zijn. Toen het echter laag water was, bragt ik nog verscheidene stukken touw aan wal, en eenig ijzerwerk, schoon met ontzettend veel moeite, want ik moest er naar duiken, hetgeen voor mij een allerafmattendst werk was. Ik ging daarop ieder dag naar boord, en bragt mede wat ik kon.
Ik was nu dertien dagen aan wal geweest, en elf malen naar boord van het schip gegaan, in welken tijd ik alles aan wal gebragt had, wat een mensch met twee handen redelijkerwijs kon doen; hoewel ik waarlijk geloof, dat, als het stil weder gebleven was, ik het geheele schip, stuk voor stuk, zou gesloopt hebben. Toen ik de twaalfde maal aan boord wilde gaan, bemerkte ik, dat de wind begon op te steken; ik ging echter met laag water aan boord, en schoon ik gedacht had, dat ik de kajuit zoo goed doorgesnuffeld had, dat ik er niets meer in vinden kon, ontdekte ik toch een kistje met laden. In eene daarvan vond ik twee of drie scheermessen en eene groote schaar, met een dozijn goede lepels en vorken; in eene andere vond ik de waarde van ongeveer 36 [£] in geld; eenige Europesche en eenige Brazilische munten, eenige stukken van achten, eenig goud, eenig zilver.
Ik glimlachte toen ik dat geld zag: "O slijk," zeide ik, "waar zijt gij goed voor? Gij zijt mij niet waardig, dat ik u van den grond opneem. Een van deze messen is meer waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat niet waardig is gered te worden." Bij nadere overweging nam ik het echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene stijve koelte van het land. Thans begreep ik, dat het vruchteloos was een vlot te maken, met den wind van het land af, en dat het zaak was te vertrekken, voordat de vloed doorkwam; anders had ik het strand in het geheel niet kunnen bereiken; dus liet ik mij in het water afzakken en zwom het kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle storm.

Maar ik had mijne kleine tent bereikt, waar ik met al mijn goed zeer veilig lag. Het stormde den geheelen nacht door, en toen ik den volgenden morgen uitzag, was er geen schip meer te zien! Ik stond eenigzins verrast, maar troostte mij met de gedachte, dat ik geen tijd noch vlijt verloren had, om alles er uit te halen wat mij van nut kon zijn; en dat er inderdaad weinig in overgebleven was, wat ik nog aan wal had kunnen brengen, als ik er den tijd toe gehad had. Ik liet nu alle gedachten varen aan het schip en wat er in was, behalve aan hetgeen nog van het wrak op de kust mogt aanspoelen, gelijk inderdaad met verscheidene stukken het geval was, die echter voor mij van weinig nut waren.
Thans waren mijne gedachten geheel gevestigd op mij tegen de wilden, als die zich mogten vertoonen, of tegen wilde dieren, als die op het eiland mogten zijn, te beschermen, en ik overwoog lang, hoe ik dit doen, en welke soort van woning ik maken zou; of ik een hol in den grond of eene tent op denzelven zou opslaan. Eindelijk besloot ik tot beide, en het zal niet ongepast zijn hier eene beschrijving van dezelve te geven.
Spoedig bemerkte ik, dat de plaats waar ik was, niet tot mijne vestiging geschikt was, vooral omdat het een lage, moerassige grond, digt bij de zee was, die ik geloofde dat niet gezond zou zijn, en vooral, omdat er geen zoet water in de nabijheid was; dus besloot ik eene gezonder en meer geschikte plek op te zoeken.
Ik nam verscheidene zaken in aanmerking: eerstelijk, gezondheid en zoet water, gelijk ik zeide; vervolgens beschutting voor de zon, benevens veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding, waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had.
Terwijl ik eene geschikte plaats hiertoe zocht, vond ik eene kleine vlakte aan de zijde van een heuvel, die aldaar regtstandig als een muur omhoog rees, zoodat ik van de hoogte niet kon overvallen worden. Aan den kant van deze rots was eene holte, die naar den ingang van eene spelonk geleek, schoon er geenerlei opening of spelonk in de rots was.
Op de grazige vlakte, regt voor deze uitholling, besloot ik mijne tent op te slaan. De vlakte was niet meer dan honderd ellen lang en tweemaal zoo breed, en lag als eene weide voor mijne deur, en liep aan het einde onregelmatig af naar het lager land aan het strand. Zij lag op de N.N.W. zijde van den heuvel, hetgeen mij voor de zonnehitte den geheelen dag beschermde, tot de zon in het W.t.Z. stond, hetgeen in deze hemelstreken bij het ondergaan plaats heeft.

Alvorens ik mijne tent opsloeg, trok ik voor de uitholling een halven cirkel, die van de rots tot aan het einde, tien ellen wijd, en van het eene einde tot het andere twintig ellen in doorsnede had. In dezen halven cirkel sloeg ik twee rijen zware staken, en sloeg die in den grond tot zij zoo vast stonden als pilaren, terwijl het zwaarste einde, dat ik van boven puntig maakte, ongeveer vijf en een half voet uit den grond zat; de twee rijen stonden geen zes duim van elkander.
Vervolgens nam ik de stukken kabeltouw, die ik op het schip gekapt had, en legde die op elkander in den kring tusschen deze twee rijen van staken, tot boven aan toe, terwijl ik andere staken van binnen plaatste, ongeveer twee en een half voet hoog, om de voorsten te versterken, en deze palissaden waren zoo sterk, dat mensch noch beest er over noch door kon. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, vooral het kappen van de staken in het bosch, hen huiswaarts te slepen en in den grond te slaan.
De ingang tot deze plaats was geene deur, maar eene korte ladder, waarmede ik over de omheining klom en die ik, als ik er in was, naar binnen haalde. Aldus was ik, naar ik dacht, volkomen ingesloten en verschanst voor iedereen, en sliep dus des nachts gerust, hetgeen ik anders niet had kunnen doen; schoon, gelijk naderhand bleek, al deze voorzorgen voor de vijanden die ik vreesde, noodeloos waren.
In deze omheining of verschansing, bragt ik met eindeloos veel moeite al mijn rijkdom, al mijne mondbehoeften, mijn kruid en lood en al mijne goederen, die ik vroeger opgenoemd heb. Ik maakte ook eene groote tent, en om mij voor de regens, die hier een gedeelte van het jaar zeer hevig zijn, te beveiligen, maakte ik eene dubbele, namelijk eene kleinere tent van binnen en eene grootere er over heen, en de bovenste bedekte ik met eene presenning, die ik onder de zeilen gered had.
En nu lag ik niet meer in het bed, dat ik aan wal had gebragt, maar in eene hangmat, die zeer goed was, en aan den stuurman behoord had.
In deze tent bragt ik al mijne mondbehoeften, en al wat door den regen bederven kon, en maakte vervolgens den ingang toe, dien ik tot hiertoe opengelaten had, en ging na dien tijd altijd met eene korte ladder, gelijk ik zeide, in en uit.
Toen dit gedaan was, ging ik aan het uitdelven van de rots, en bragt al de aarde en steenen, die ik uitgroef, door mijne tent, en legde die tusschen deze en de palissaden. Ik verhoogde den grond aldus anderhalf voet, en maakte hierdoor een kelder vlak achter mijne tent. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, voor dat alles gereed was, en ik moet dus terugkeeren tot eenige andere zaken, die mijne gedachten bezig hielden.
Toen ik het ontwerp gevormd had, een tent op te slaan en den kelder te maken, viel er een allerhevigste stortregen uit eene dikke, zwarte wolk, en een bliksemstraal werd door een allerontzettendsten donderslag gevolgd, gelijk natuurlijk is. Ik was niet zoo zeer ontsteld van den bliksem, als van het denkbeeld, dat even snel als de bliksem mij voor den geest kwam: "mijn buskruid!" Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht, dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon, als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had kunnen worden.
Dit maakte zulk een indruk op mij, dat, nadat de storm over was, ik al mijn werk, mijn bouwen en verschansen liggen liet, en aan het maken van dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en mijn kruid, dat ongeveer 140 [lb = gewicht] zal bedragen hebben, had ik toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest was, vreesde ik geenerlei gevaar, dus plaatste ik het in mijn nieuwen kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar ik het legde.
Middelerwijl ik hieraan bezig was, ging ik dagelijks ten minste eens met mijn geweer uit, zoowel tot mijne uitspanning, als om te zien of ik iets schieten kon, dat eetbaar was, en, zooveel ik kon, mij bekend te maken met wat het eiland opleverde. De eerste maal dat ik thans uitging, ontdekte ik, dat er geiten op het eiland waren, hetgeen mij veel genoegen deed; er was echter een ongeluk bij, dat zij namelijk zoo schuw, zoo scherp van gezigt en reuk, en zoo snel ter been waren, dat het allermoeijelijkst was, haar te bereiken.
Ik werd hierdoor echter geenszins ontmoedigd, niet twijfelende of ik zou er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij sloegen. Ik besloot hieruit, dat haar oog zoodanig gevormd was, dat zij met gemakkelijk voorwerpen zagen, die boven haar verheven waren. Ik begon derhalve altijd eerst op de rotsen te klimmen, om boven haar gezigt te zijn, en had dan gewoonlijk een goed schot op haar.
De eerste maal, dat ik op haar schoot, doodde ik eene geit, die een zuigend jong bij zich had, hetgeen mij van harte speet. Toen de moeder viel, bleef het jong stokstijf bij haar staan, tot ik kwam en haar opnam. Toen ik de oude geit op mijne schouders laadde en haar wegdroeg, volgde het jong mij tot aan mijne heining. Ik legde daar de oude neder, nam het jong in mijne armen en droeg het over de palissaden, in de hoop van het tam te maken; maar het wilde niet eten, dus was ik gedwongen het te dooden en het zelf te eten. Deze twee geiten voorzagen mij voor langen tijd van vleesch; want ik at matig, en spaarde mijne eetwaren (vooral mijn brood), zooveel ik bij mogelijkheid kon.
Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik mijn kelder vergrootte, maar ik moet eenig verslag van mijzelven en van mijne denkbeelden over mijne verdere levenswijze, die inderdaad niet weinig waren, geven.
Mijn toestand leverde een treurig vooruitzigt op. De storm, die mij op dit eiland geworpen had, had mij tevens geheel buiten den koers van onze voorgenomen reis geslagen, en wel honderd mijlen buiten het gewone vaarwater der koopvaarders. Ik had dus groote reden, het als een besluit des Hemels te beschouwen, dat ik in deze eenzame plaats en op deze verlatene wijze mijn leven zou eindigen. Mijne tranen stroomden bij deze gedachten, en somwijlen vroeg ik mij zelven af, waarom de Voorzienigheid sommige harer schepselen zoo diep rampzalig maakte, zoo hulpeloos en verlaten, dat het leven naauwelijks een reden tot dankbaarheid was.

Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide zij, gij zijt in een rampzaligen toestand, maar ei lieve, waar zijn uwe kameraden? Waart gij niet elf personen in de boot? waar zijn de tien overigen? Waarom zijn zij niet gered, en zijt gij niet vergaan? Waarom zijt gij uitgezonderd? Is het beter hier of daar te zijn? Hierbij wees ik op de zee. Het kwaad moet men beschouwen met het goede, dat er mede gepaard gaat, en het kwade, waarvan het bevrijd is gebleven.
Vervolgens bedacht ik, hoe goed voor mijn onderhoud gezorgd was, en wat mijn lot zou geweest zijn, als niet (hetgeen honderdduizend tegen een was) het schip van de plaats, waar het eerst gestooten had, vlot geraakt, en zoo digt bij den wal gedreven was, dat ik in staat was geweest, er al die goederen uit te halen. Hoe zou mijn toestand geweest zijn, als ik had moeten leven in den staat, waarin ik het eerst aan wal kwam, zonder levensmiddelen en zonder eenig middel, mij die te verschaffen. Wat vooral zoudt gij gedaan hebben, zeide ik luid tot mijzelven, zonder geweer, zonder kruid of lood, zonder eenig gereedschap om iets te maken of mede te werken, zonder kleederen, beddegoed of eenig deksel?
Nu ik dit alles in genoegzame hoeveelheid had, en fraai op weg was, mij zoodanig in te rigten, dat ik zonder mijn geweer zou kunnen leven als mijn kruid op was, zoo dat ik een gegrond vooruitzigt op voedsel had, zoo lang als ik leefde, want van den beginne af had ik er mijne gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen.
Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht, dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij het onweder, bij mij op kwam.
En, daar ik nu het droevig verslag van een eenzaam leven moet beginnen, gelijk men welligt nimmer in de wereld meer gehoord heeft, zal ik dit van den beginne af en met orde verhalen. Het was, naar mijne rekening, de 30ste September, toen ik op de vermelde wijze het eerst den voet op het woest eiland zette, toen de zon, bij ons in de herfstevening, bijkans regt boven mijn hoofd stond, want ik rekende, dat ik mij op 9°, 22' ten noorden van de linie bevond.
Na een verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten, dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift:
IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659.
en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand, waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, maanden en jaren.

Ik moet nog zeggen, dat onder de vele goederen, die ik op verschillende reizen, van het schip afbragt, zich verscheidene zaken van minder waarde bevonden, die mij echter niet minder van nut waren, en welke ik vroeger vergeten had te vermelden, zoo als vooreerst pennen, inkt en papier, verscheidene zaken van den kapitein, stuurman, konstapel en timmerman afkomstig, als drie of vier kompassen, eenige zeevaartkundige instrumenten, zonnewijzers, verrekijkers, kaarten en boeken over de stuurmanskunst, hetwelk ik alles ondereen wierp, of ik het soms noodig mogt hebben. Ook vond ik drie goede Bijbels, die bij de lading, mij uit Engeland gezonden, geweest waren, en die ik onder mijne bagaadje gepakt had, ook eenige Portugesche boeken, en daar onder twee of drie Roomsche gebedenboeken en andere werken, die ik allen zorgvuldig borg. En ik moet niet vergeten, dat wij aan boord een hond en twee katten hadden, wier zonderlinge geschiedenis ik in het vervolg vermelden zal. Ik nam de beide katten mede, en de hond sprong uit zichzelve over boord en zwom naar den wal, den dag, nadat ik voor het eerst eene lading aan land gebragt had, en was mij vele jaren een trouw dienaar; mij ontbrak niets wat hij mij kon verschaffen; hij was voor mij een uitmuntend gezelschap geweest, zoo hij slechts had kunnen spreken, maar dat ging niet. Gelijk ik zeide, ik vond pennen, inkt en papier, en was daar zoo zuinig op, als mogelijk; en het zal den lezer blijken, dat ik, zoo lang mijne inkt duurde, alles zeer naauwkeurig opteekende, maar toen deze op was, was dit onmogelijk, want ik kon geene inkt maken, wat ik ook verzon.
Dit herinnert mij, dat mij nog vele dingen ontbraken, niettegenstaande al wat ik bijeengeraapt had; hieronder behoorde de inkt, eene spade, houweel en schop, om den grond te bewerken; naalden, spelden en garen. Wat linnen betrof, dit leerde ik spoedig zonder moeite ontberen.
Dit gebrek aan gereedschap maakte, dat al mijn werk langzaam van de hand ging, en het duurde bijkans een jaar, alvorens ik mijne kleine schans, of met palissaden bezette woning, voltooid had; het kappen der palen en staken, die zoo zwaar waren als ik ze slechts vervoeren kon, vereischte veel tijd, en nog meer het bewerken en naar huis slepen. Ik bragt somtijds twee dagen door met een dezer palen te kappen en naar huis te brengen, en een derden met dien in den grond te slaan, waartoe ik eerst een zwaar stuk hout gebruikte, maar eindelijk bedacht mijn koevoet te gebruiken; doch ook hiermede bleef het inslaan van deze palen een zeer moeijelijk en vervelend werk.
Maar wat behoefde ik mij te bekommeren of iets wat ik te doen had, vervelend was, aangezien ik tijd genoeg had, om het te verrigten? Als dit afgeloopen was, had ik toch geene andere bezigheid, ten minste niet die ik voorzien kon, behalve het rondgaan van het eiland, om voedsel te zoeken, wat ik elken dag meer of minder deed.
Ik begon nu ernstig over mijn toestand, en de omstandigheden waarin ik mij bevond, na te denken, en ik maakte schriftelijk een staat van mijne zaken, niet zoo zeer voor iemand, die na mij hier komen zou, want waarschijnlijk zou ik weinig erfgenamen hebben, maar wel om mijne gedachten, die daar dagelijks op gevestigd waren en mijn geest neêrdrukten, lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; op deze wijze:
het kwaad. het goed.
Ik ben op een akelig onbewoond eiland geworpen, buiten alle hoop op verlossing. Maar ik ben in leven en niet verdronken, zoo als al mijne scheepsmakkers.
Ik ben uitgekipt en als het ware afgezonderd van de geheele wereld, om ongelukkig te zijn. Maar ik ben ook uitgekipt uit al het scheepsvolk, om van den dood gespaard te worden, en Hij, die mij wonderbaarlijk van den dood bevrijdde, kan mij ook uit dezen toestand redden.
Ik ben van het menschdom afgesneden als een kluizenaar, als een balling uit de maatschappij. Maar ik ben niet verhongerd, en verga niet op eene onvruchtbare plaats, die geen voedsel oplevert.
Ik heb geene kleederen, om mij te bedekken. Maar ik ben in een warm klimaat, waar ik naauwelijks kleederen zou kunnen verdragen; als ik ze had.
Ik ben genoegzaam weerloos, zonder de middelen, om mij tegen menschen of beesten te verdedigen. Maar ik ben op een eiland geworpen, waar ik geene wilde dieren zie, gelijk op de Afrikaansche kust. Wat zou het zijn, zoo ik daar schipbreuk geleden had?
Ik heb niemand tegen wien ik spreken, of die mij opbeuren kan. Maar God heeft wonderdadig het schip digt genoeg bij den wal gezonden, opdat ik daar zoo velerlei noodwendigheden uit kon bekomen, als mijne behoeften vereischen of althans mij in staat zullen stellen, zelf zoo lang ik leef, daarin te voorzien.
Over het geheel blijkt het uit deze balans duidelijk, dat er naauwelijks eenige toestand in de wereld zoo rampzalig is, dat men niet, hetzij, om het gemis van eenig kwaad, hetzij, om het bezit van eenig goed, dankbaar moet zijn. Volgens mijne ervaring van een der bedroevendste toestanden in de wereld, vinden wij er altoos iets in, om ons mede te troosten, en bij onze overweging van denzelven, op de creditzijde te plaatsen.
Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben, staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken.
Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene rots aan, omringd met sterke palissaden, die men wel een muur mogt heeten, want ik maakte er eenen wal tegen van zoden, van twee voet breed, aan de buitenzijde, en na eenigen tijd (ongeveer anderhalf jaar denk ik), bragt ik staken er van tegen de rots, en bedekte die met boomtakken, en al wat ik dienstig achtte, om den regen af te weren, die sommige tijden van het jaar allerhevigst viel.
Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die, daar zij ordeloos door elkander lagen, de geheele plaats vulden. Ik kon mij keeren noch wenden, dus begon ik mijn kelder te vergrooten, en dieper in den grond te werken, want de rots bestond uit lossen zandsteen, die gemakkelijk te bewerken was; en toen ik vond, dat ik voor verscheurende dieren veilig was, werkte ik zijwaarts in de rots, en toen weder regtsaf werkende, groef ik tot naar buiten, en maakte eene deur, waardoor ik buiten mijne palen of schans kwam.

Dat verschafte mij niet alleen een uitgang van achteren, maar gaf mij ook ruimte, om veel goed te bergen.
En nu ging ik aan het werk, om zoodanige goederen te maken, als ik vond het meest benoodigd te zijn, vooral een stoel en tafel, want zonder deze kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd, maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen ander gereedschap dan een dissel en een bijl, die welligt nimmer op die wijze vroeger zijn vervaardigd geworden. Dit ging echter niet zonder ontzettende moeite. Als ik bij voorbeeld eene plank noodig had, zat er niet anders voor mij op, dan een boom te vellen, dien op een helling voor mij te leggen, en aan weerszijden met mijn bijl af te hakken, tot ik hem zoo dun als eene plank had gemaakt, die ik dan met mijn dissel vlak maakte. Wel is waar, ik kon op die wijze van een geheelen boom slechts eene plank maken; maar hier zat niets op dan geduld te hebben, dat hoog noodig was, voor den ontzettenden tijd en arbeid, dien het maken van eene plank mij kostte; maar mijn tijd of arbeid was weinig waard, en dus kon ik die even goed op de eene als op de andere wijze besteden.
Ik maakte mij echter in de eerste plaats een stoel en tafel, zoo als ik zeide; en dit deed ik van de korte planken, die ik op mijn vlot van boord had gebragt; maar toen ik op de bovengemelde wijze eenige planken gemaakt had, maakte ik groote vakken van anderhalf voet breed, boven elkander, langs de eene zijde van mijn kelder, om er al mijn gereedschap, spijkers en ijzerwerk in te leggen, en ieder ding zijne afzonderlijke plaats te geven, om het gemakkelijk te kunnen vinden; ook sloeg ik krammen in den muur van de rots, om mijne geweren, en wat verder hangen kon, aan op te hangen; zoodat, als men mijn kelder gezien had, men dien als een magazijn van allerlei noodwendigheden zou beschouwd hebben. Ik had alles zoo bij de hand, dat het mij tot een groot genoegen strekte, al mijne goederen in zoo goede orde te zien, en vooral, dat mijn voorraad zoo groot was.
Thans begon ik een dagboek van mijne verrigtingen van elken dag te houden. In den beginne was ik hiertoe te veel bezig geweest, niet alleen met werk, maar ook overladen met neêrslagtigheid, en mijn journaal ware met allerhande buitensporigheden gevuld geworden. Ik had bij voorbeeld moeten zeggen: den 30sten September. Na aan wal gekomen en voor verdrinken bewaard te zijn, in stede van toen God voor mijne bevrijding te danken, ontlastte ik eerst mijne maag van al het zeewater, dat ik in menigte binnen gekregen had, en eenigzins hersteld zijnde, liep ik langs het strand, mijne handen wringende, mij tegen het voorhoofd slaande, over mijne ellende jammerende, en uitroepende: "Ik ben verloren! ik ben verloren!" totdat de afgematheid mij dwong op den grond te gaan liggen, om te rusten, want ik durfde niet slapen, uit vrees van aan wilde dieren ten prooi te vallen.
Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk vermeerderde.
Toen ik dit echter eenigzins te boven was, en mijne huishouding en woning in orde bragt, mij een tafel en stoel maakte, en alles rondom mij zoo goed opknapte als ik kon, begon ik een journaal te houden, hetgeen ik hier laat volgen (schoon al de bijzonderheden reeds vermeld zijn) zoo lang het duurde, want, toen ik op het laatst geen inkt meer had, moest ik het staken.
HET JOURNAAL.
1659. 30 September. Ik, arme, ongelukkige Robinson Crusoe, kwam, na schipbreuk geleden te hebben, op dit rampzalig, woest eiland, dat ik het Wanhoops-eiland noemde, al mijne scheepsmakkers zijn verdronken, en ik zelf half dood.
Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen, maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende.
1 October. In den morgen zag ik met verwondering, dat het schip met den vloed vlot was geraakt en op het strand veel digter bij het eiland was gedreven; hetwelk aan den eenen kant eene vertroosting was, want daar het overeind was en niet in stukken gebroken, hoopte ik, als de wind bedaarde, er aan boord te komen en eenig voedsel en noodwendigheden voor mij uit te halen. Aan den anderen kant hernieuwde het mijn jammer over het verlies mijner makkers, die, als wij allen aan boord gebleven waren, welligt het schip behouden hadden; althans zouden zij niet allen verdronken zijn, gelijk thans. En zoo zij gered waren, hadden wij misschien uit de overblijfselen van het schip eene boot kunnen bouwen, om ons naar een ander deel der wereld te brengen. Ik bragt den geheelen dag door met hierover te peinzen, maar, toen ik eindelijk zag, dat het schip bijkans droog zat, ging ik op het zand er zoo digt bij als ik kon, en zwom toen aan boord. Het regende ook heden den geheelen dag, schoon zonder eenigen wind.
Van 1 tot 24 October. Al deze dagen doorgebragt in het doen van verschillende togten, om al wat ik kon uit het schip te halen, hetgeen ik telkens, als de vloed doorkwam, op vlotten aan wal bragt. Veel regen in deze dagen, doch tusschenbeide mooi weder; het schijnt, dat dit het regenachtige jaargetijde is.
24 October. Mijn vlot viel om en al wat er op lag, maar, daar het in ondiep water was, en er veel zware goederen bij waren, bekwam ik er bij laag water veel van terug.
25 October. Het regende den geheelen nacht en dag, met eenige windvlagen, gedurende welken tijd het schip verbrijzeld werd, en er niets meer van te zien bleef, dan alleen bij laag water het wrak. Ik bragt den dag door met de goederen, die ik gered had, te bergen en te bedekken, opdat de regen ze niet zou bederven.
26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden.
Van den 26sten tot 30sten werkte ik zeer hard, om al mijn goed naar mijne nieuwe woning te vervoeren, schoon het somtijds zeer hard regende.
Den 31sten. In den morgen ging ik uit met mijn geweer, om eenig voedsel te zoeken en het land te ontdekken. Ik doodde eene geit en haar jong volgde mij naar huis, dat ik naderhand ook doodde, omdat het niet eten wilde.
1 November. Ik sloeg mijne tent op onder eene rots, en bragt daarin den eersten nacht door; ik heb die zoo wijd gemaakt als ik kon, en er palen in geslagen, om mijne hangmat aan te hangen.
2 November. Ik zette al mijne kisten en planken en de rondhouten van mijne vlotten op, en maakte daarvan eene verschansing, een weinig binnen de plaats, die ik gekozen had, om mij te vestigen.
3 November. Ik ging uit met mijn geweer, en schoot twee vogels, naar eendvogels gelijkende, die zeer goed waren om te eten. Des namiddags ging ik aan het werk, om eene tafel te maken.
4 November. Dezen morgen begon ik mijn tijd te verdeelen, in werkuren, een tijd, om met mijn geweer uit te gaan, een tijd, om te slapen en een tijd tot uitspanning. Elken morgen ging ik, als het niet regende, twee of drie uren met mijn geweer uit; dan ging ik aan het werk tot tegen elf uren; dan at ik wat ik had, en van twaalf tot twee uren deed ik een slaapje, daar het alsdan drukkend heet was, en ging dan weder tot den avond aan het werk. Dezen en den volgenden dag besteedde ik al mijne werkuren aan het maken van eene tafel; maar ik was een bedroefde timmerman, hoewel de tijd en de noodzakelijkheid mij spoedig een goed handwerksman maakten, gelijk zij, geloof ik, iedereen zouden doen.
5 November. Dezen dag ging ik met mijn geweer en mijn hond uit, en schoot eene wilde kat; hare huid was zeer zacht, maar haar vleesch deugde niets. Ieder dier, dat ik doodde, stroopte ik de huid af en bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik ontsnapten.
6 November. Na mijne ochtendwandeling ging ik weder aan mijne tafel aan het werk, en maakte die af, schoon zij mij niet beviel; het duurde echter niet lang of ik kon haar verbeteren.
7 November. Het werd thans bestendig weder. Den 7den, 8sten, 9den, 10den en een gedeelte van den 12den (want naar mijne rekening was het den 11den, zondag) besteedde ik geheel in het maken van een stoel, en gaf daar met veel moeite een redelijk fatsoen aan, schoon hij mij nimmer beviel, en ik onder het maken hem verscheidene malen weder aan stukken brak. Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had.

13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen, opdat het geen gevaar zou loopen.
14, 15 en 16 November. Deze drie dagen sleet ik geheel met het maken van vierkante kistjes of doozen, die een of op zijn hoogst twee pond kruid konden bevatten, en na het kruid er in geborgen te hebben, zette ik die in zoo veilige en afgelegen plaatsen als ik kon. Op een van deze drie dagen schoot ik een grooten vogel, die goed om te eten was, maar wiens naam ik niet kende.
17 November. Dezen dag begon ik achter mijne tent in de rots te graven, om meerder ruimte voor mij te verkrijgen. Drie dingen had ik hiertoe vooral noodig; te weten een houweel, een schop en een kruiwagen. Ik liet dus het werk staan, en begon te overwegen, hoe ik in dit gebrek voorzien en mij eenige werktuigen vervaardigen zou. In plaats van het houweel, kon ik een der ijzeren koevoeten gebruiken, hoewel die zwaar genoeg waren; maar thans had ik eene spade noodig; deze was zoo noodig, dat ik zonder haar niet veel uitrigten kon; maar hoe ik er eene maken zou wist ik niet.
18 November. Den volgenden dag vond ik in het bosch een boom van het hout, dat men in Brazilië ijzerhout noemt, omdat het zoo hard is. Ik kapte hiervan een gedeelte, schoon met veel moeite, en hoewel het mij bijkans mijne bijl gekost had, en bragt het moeijelijk genoeg naar huis, want het was zeer zwaar.
De ontzettende hardheid van dit hout, hield mij lang op, hoewel ik er echter van lieverlede het fatsoen van een spade aan gaf, van boven met een handvatsel gelijk de onze; maar daar het ondereinde niet van ijzer was, kon zij zoo lang niet duren. Zij was echter voldoende voor hetgeen ik ermede doen wilde. Ik geloof niet, dat men ooit eene spade op die manier, of die zooveel tijd kostte, gemaakt heeft.
Ik had nog niet al wat ik noodig had; ik moest nog eene mand of een kruiwagen hebben. Eene mand kon ik niet maken, omdat ik geen buigzame teenen bezat, ik vond ze althans niet; en wat den kruiwagen betreft, ik verbeeldde mij, dat ik die zeer goed zou kunnen maken, behalve het wiel; daar had ik geen begrip van, en wist niet, hoe ik het aan zou vangen; bovendien had ik geen ijzeren banden, waarin de as van het wiel kon loopen; dus gaf ik dit op. Om dus de aarde, die ik uitdelfde, weg te dragen, maakte ik eene soort van bak, gelijk die, waarin de metselaars hunne kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook meestal iets eetbaars te huis bragt.
23 November. Daar mijn ander werk stil gestaan had, terwijl ik mijne gereedschappen maakte, hervatte ik dit thans, en werkte er zooveel aan als mijne krachten mij toelieten, achttien dagen achtereen aan het verwijden en uitdiepen van mijn kelder, ten einde al mijne goederen er gemakkelijk in zouden kunnen staan.
Al dien tijd werkte ik, om eene kamer of kelder te maken, groot genoeg om mij tot magazijn, tot keuken, tot eetkamer en tot kelder te verstrekken. De tent was mijne eigenlijke woning; maar in het regensaisoen regende het somtijds zoo hard, dat ik er mij niet droog kon houden, daarom bedekte ik naderhand mijn geheele verblijf binnen de palissaden, met lange staken in den vorm van latten, tegen de rots aan liggende, en bedekte die met takken en bladeren.
10 December. Ik had thans gedacht, dat mijn kelder zoo goed als gereed was; toen plotseling (naar het schijnt, had ik te wijd uitgegraven) een zoo groote menigte aarde, van boven en van een der zijden, viel, dat ik er hevig van ontroerde, en geen wonder, want ware ik er onder geweest, men had nimmer een graf voor mij behoeven te graven. Deze tegenspoed verschafte mij op nieuw een groot deel werk, want ik moest de losse aarde naar buiten brengen, en, wat van meer belang was, het gewelf stutten, opdat ik voor geene herhaling van dit ongeval behoefde te vreezen.
11 December. Ik ging hieraan werken, en stutte den zolder met twee stijlen met twee planken dwars er over; den volgenden dag was dit afgewerkt, en door nog meer stutten te plaatsen, had ik in eene week het dak in orde, en de op rijen staande palen, dienden thans om de verdeelingen van mijn huis te maken.
17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon, daaraan te hangen, en thans begon ik binnen 's huis eenigzins op orde te komen.

20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel.
24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan uitgaan.
25 December. Den geheelen dag regen.
26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te voren.
27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en spalkte haar poot.
NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou zijn.
28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik door met in mijne huishouding alles in orde te brengen.
1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging 's morgens en 's avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken.
2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar niet naderen.
3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te zullen worden.
NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den 3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het midden achter denzelven was.
Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was.
Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had.
Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren.
Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op. Ik was zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had, dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd, en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den bliksem) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans onder de rots.
Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar het Engelsche graan geleken.
Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden, en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats opgeschoten was.
Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij, langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien groeijen.

Niet twijfelende, dat de Voorzienigheid dit aldus voor mij beschikt had en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door, waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots, om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn.
Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal.
Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten, die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug.
Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde geen spoor van mogt overblijven.
16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den muur genaken.
Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de schokken onder het water sterker dan op het eiland waren.
Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier bezwijken.
Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde, begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld, behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: "Heer, wees mij genadig!" en toen het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij verdwenen.
Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder kalm, en begon het geweldig te regenen.

Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan, hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben. Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger tijd levend begraven te worden.
Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen, daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De twee volgende dagen (19 en 20 April) besteedde ik met te overleggen werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats te verlaten.
Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten.
22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide handen vrij had.—Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar. Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd.

28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed.
30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte.
1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op zoo digt bij het wrak als ik kon.
Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip, dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden.
Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij op eene of andere wijze van nut kon zijn.

3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at.
4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit werk voor 's hands te staken.
5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal liet drijven.
6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen, met veel lust het werk te staken.
7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken. Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in zien kon; het was schier geheel vol met water en zand.
8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag.
9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het op te heffen.
10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [lb = gewicht] ijzer.
15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er niet genoeg bijkomen.
16 Mei. Het had 's nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te gaan.
17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen, maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om het te huis te brengen.
24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15 Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol lood afgehaald.
16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest, dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch ze dan misschien duur genoeg moeten betalen.
17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had.
18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen 's huis. Mij dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig, hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is.
19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was.
20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en koortsig.
21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne denkbeelden geheel verward waren.
22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst.
23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn.
24 Junij. Veel beter.
25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen duurde, en van eenig zweet gevolgd werd.
26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had geen pot.
27 Junij. De koorts was weder zoo hevig, dat ik den geheelen dag liggen bleef, zonder te eten of te drinken. Ik stierf schier van dorst, maar was te zwak om op te staan en water te halen. Ik bad weder tot God, maar was bedwelmd van hoofd, en als dit niet het geval was, was ik toch zoo onwetend, dat ik niet wist wat ik zeggen zou, en niet anders riep dan: "Heere, wees mij genadig, Heere, heb medelijden met mij!" Ik geloof dat ik twee of drie uren lang niets anders deed, tot ik bij het afgaan der koorts in slaap viel, en eerst laat in den nacht wakker werd. Toen ik ontwaakte bevond ik mij veel verkwikt, maar zwak en zeer dorstig; daar ik echter geen water in mijn verblijf had, was ik verpligt tot den morgenstond te wachten, en viel weder in slaap. In dezen slaap had ik den volgenden verschrikkelijken droom.
Ik verbeeldde mij dat ik op den grond zat, buiten mijn wal, waar ik na de aardbeving, gedurende den storm gezeten had, en dat ik een man, uit eene groote zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze, even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met vuurvlammen bezet.
Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met een speer of dergelijk wapen in de hand, als om mij te dooden, en toen hij op eenigen afstand van mij op eene hoogte stond, sprak hij tot mij, of hoorde ik eene zoo ontzaggelijke stem, welks vreesselijkheid niet te beschrijven is, tot mij zeggen: "Dewijl al deze dingen u niet tot berouw verwekt hebben, zult gij sterven!" Bij deze woorden meende ik, dat hij de speer, die hij in de hand hield, ophief, als om mij te dooden.

Ik zal niet trachten den schrik te beschrijven, dien dit verschrikkelijk gezigt in mijne ziel verwekte. Zelfs toen ik droomde, verwonderde ik mij over mijn eigen angst; en evenmin kon ik den indruk beschrijven, dien mij bijbleef, toen ik wakker geworden zijnde, ontdekte dat het slechts een droom was.
Ik had, helaas, geenerlei godsdienstige kennis; die welke ik uit het onderrigt mijns vaders verkregen had, was door een omgang van acht jaren met ruwe en losbandige zeelieden geheel uitgewischt geworden. Ik herinner mij niet, dat ik in al dien tijd eenige gedachte tot God gerigt, of over het gepaste mijner handelingen nagedacht had. Eene zekere dofheid van geest, zonder verlangen naar het goede, zonder bewustheid van het kwade, had mij geheel overmeesterd, en ik was een van de verhardste, meest gedachtenlooze en bedorvene wezens die men onder de matrozen kan ontmoeten, die niet het minste gevoel der vreeze Gods had, in gevaren, of van dankbaarheid jegens hem, bij hunne redding uit dezelve.
Dit zal men te ligter gelooven, als ik bij het verhaal mijner vorige lotgevallen bijvoeg, dat ik bij al de reeks van ongelukken, die mij tot op dezen dag getroffen hadden, nimmer een enkel oogenblik gedacht had, dat hierin Gods hand was, of dat zij eene regtmatige straf waren voor mijn ongehoorzaam gedrag jegens mijn vader, of mijne latere overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat alleen door zucht tot zelfbehoud gedreven wordt.
Toen ik op zee door den Portugeschen kapitein gered en opgenomen, goed verzorgd, billijk en liefderijk behandeld werd; gevoelde ik niet de minste dankbaarheid jegens God; en toen ik op nieuw schipbreuk leed, en uit de kaken des doods gered, op dit eiland werd geworpen, was ik ver af van eenige wroeging, of van dit als eene straf des Hemels te beschouwen; alleen zeide ik dikwijls tot mijzelven, dat ik een rampspoedig mensch en tot het ongeluk geboren was.
Wel is waar, toen ik hier het eerst aan land kwam, al mijne scheepsmakkers verdronken en mij alleen gered vond, geraakte ik in eene soort van verrukking, die onder Gods genade, tot ware dankbaarheid had kunnen aangroeijen; maar het bleef bij eene gewone opwelling van vreugde. Ik was blijde dat ik gered was, zonder acht te geven op de goedheid van de hand Gods, die mij bewaard en uitverkoren had om gered te worden, terwijl al de overigen vergaan waren, noch na te denken waarom de Voorzienigheid zoo barmhartig jegens mij geweest was. Het bleef bij die vreugde, die zeelieden dikwijls hebben als zij behouden van eene schipbreuk aan land komen; die zij verdrinken in een kom punsch, en die gelijk met dezelve eindigt.
Zelfs toen ik naderhand mijn toestand ernstig overwoog, hoe ik op dit akelig verblijf buiten allen menschelijken bijstand, buiten alle hoop op bevrijding mij bevond; was al mijne neêrslagtigheid voorbij, zoodra ik de waarschijnlijkheid inzag, dat ik niet van honger zou sterven; en ik begon zeer welgemoed aan den arbeid, die tot mijn behoud en voedsel noodig was, en dacht er niet aan mijn toestand als eene straf des Hemels te beschouwen; deze gedachten kwamen zelden bij mij op.
Het opschieten van het graan, gelijk ik in mijn journaal gemeld heb, maakte in het eerst eenigen indruk op mij, en bragt mij tot ernstige nagedachten, zoo lang ik dacht, dat hierin iets wonderdadigs lag. Maar zoodra dit denkbeeld verdwenen was, ging ook die indruk, gelijk ik zeide, geheel verloren. Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had.
Maar nu ik ziek werd, en langzamerhand de dood met al zijne verschrikkingen, zich voor mijne oogen vertoonde; nu mijn moed door eene zware ongesteldheid vernietigd werd, en de natuur door de hevigheid der koorts uitgeput was; begon mijn geweten, dat zoo lang gesluimerd had, te ontwaken. Ik verweet mij mijn vorig leven, dat mij zoo blijkbaar de straffende hand Gods op den hals had gehaald.
Deze overwegingen kwelden mij van den tweeden of derden dag mijner ziekte, en zoo wel de hevigheid der koorts als de strenge berispingen van mijn geweten persten mij eenige biddende woorden af, schoon het geen eigenlijk gebed, maar slechts klanken waren, door droefheid en angst mij ontwrongen. Mijne gedachten waren verward, en de angst van in zulk een rampzaligen toestand te sterven deed mij beven; ik wist niet wat ik zeide, doch het waren uitroepen, als: "Hemel, wat ben ik rampzalig; ik zal gewis van gebrek aan bijstand sterven als ik ziek worde! Wat zal er van mij worden?" De tranen stroomden uit mijne oogen, en ik bleef eenigen tijd zonder te kunnen spreken.
Thans kwamen mij de goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed, God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden vervuld, Gods geregtigheid heeft mij bereikt, en niemand is er die mij hoort of helpt. Ik weigerde naar de stem der Voorzienigheid te hooren, die mij in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen menschelijke kracht niet opgewassen is, zonder hulp, zonder bijstand, zonder raad, zonder troost. Hier riep ik uit: "Heere, wees mij ter hulpe, want mijn jammer is groot!" Dit was, mag ik zeggen, het eerste gebed, dat sedert jaren over mijne lippen kwam.—Doch ik keer tot mijn journaal terug.
28 Junij. Een weinig verfrischt door den slaap, en geheel zonder koorts stond ik op; en schoon de angst en schrik van mijn droom nog zeer groot waren, bedacht ik toch, dat ik zeker morgen weder een aanval van de koorts zou hebben, en het nu de tijd was mij eenige verkwikking tegen dien tijd te bezorgen. Het eerste wat ik deed was eene groote kelderflesch vol met water te vullen en op de tafel te zetten, zoo dat ik die uit mijn bed bereiken kon, en om de koude van het water weg te nemen, goot ik er ongeveer een kwart pint rum bij; daarop nam ik een stuk geitenvleesch en braadde dit, maar ik kon er slechts weinig van eten. Ik ging naar buiten, maar was zeer zwak en neêrslagtig en kon naauwelijks mijn geweer dragen, zonder hetwelk ik nimmer uitging. Ik liep dus niet ver, maar ging op eene hoogte zitten, en zag naar de zee, die kalm en effen voor mij lag. Terwijl ik hier zat kwamen de volgende denkbeelden bij mij op. Wat is deze aarde en zee waarvan ik zoo veel gezien heb? Vanwaar is zij ontstaan? En wat ben ik en alle schepselen, menschen en beesten? Vanwaar zijn zij gekomen? Ongetwijfeld zijn zij het werk van die Magt, die de aarde en het water, de lucht en den hemel heeft gemaakt, en wie is dat? Natuurlijk was het antwoord: het is God, die dit alles gemaakt heeft. Maar dan is het ook zeker, dat als God dit alles gemaakt heeft, Hij het ook bestiert en leidt, want wie alles kan maken, kan het ook regelen en bestieren. En dan gebeurt er ook niets in den geheelen omkring zijner werken, zonder dat hij het weet of gebiedt. En dan weet Hij ook dat ik hier, in dezen akeligen toestand ben, en zoo niets buiten zijn wil geschiedt, dan was het zijn wil, dat mij dit gebeuren zou.

Niets bood zich aan mijn geest aan, dat een dezer gevolgtrekkingen logenstrafte, en dus bleef ik overtuigd, dat het Gods wil was, dat mij dit alles zou overkomen; dat ik door zijne leiding in dezen ellendigen toestand was gebragt; daar Hij alleen alles in de wereld beschikt.
Nu volgde dadelijk de vraag: Waarom heeft God mij aldus behandeld? Wat heb ik gedaan, dat mij dit treft?
Mijn geweten kwam dadelijk op tegen deze vraag, als ware zij eene lastering, en ik meende eene inwendige stem te hooren, die mij zeide: "Rampzalige, vraagt gij wat gij gedaan hebt, Zie terug op uw vorig leven, en vraag u zelven wat gij niet gedaan hebt. Vraag waarom gij niet reeds voor lang vernietigd zijt? Waarom zijt gij niet op de reede van Yarmouth verdronken? gedood in het gevecht met den kaper van Salé? door de wilde dieren op de Afrikaansche kust verscheurd? of hier verdronken, toen al het scheepsvolk, buiten u, verging? Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt?"
Deze overwegingen verbijsterden mij geheel en al, en ik kon mij zelven geen woord antwoorden, maar ging treurig en peinzende naar huis, en over den muur, met oogmerk te bed te gaan; maar mijn hoofd was vol, ik had geen lust tot slapen; dus ging ik op mijn stoel zitten en stak mijne lamp op, want het begon donker te worden. Daar ik nu zeer bevreesd was voor de terugkomst van de koorts, schoot het mij in de gedachten, dat men in Brazilië schier geene andere geneesmiddelen dan tabak gebruikt, en ik had eene rol tabak in een der kisten, die goed droog en rijp was, en eene die groen en niet geheel rijp was.
Ongetwijfeld gaf de Hemel mij dit in, want in deze kist vond ik een geneesmiddel voor de ziel zoo wel als voor het ligchaam. Ik opende de kist en vond wat ik zocht, namelijk den tabak, en daar de weinige boeken, die ik gered had, daar ook bij lagen, nam ik een van de bijbels, waarvan ik vroeger gesproken heb, en die ik tot hiertoe tijd noch lust gehad had, in te zien, en legde dezen met den tabak op de tafel.
Hoe ik den tabak gebruiken zou tegen mijne ziekte, wist ik niet, en evenmin of hij goed voor mij was of niet; maar ik besloot dien op verschillende wijzen te gebruiken, ten einde het een of het ander mij helpen zou. Eerst nam ik een stuk en kaauwde dit, hetgeen mij eenigzins bedwelmde, daar de tabak zwaar en ik er niet zeer aan gewoon was; daarop nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon.
Middelerwijl sloeg ik den bijbel open en trachtte te lezen, maar mijn hoofd was hiervoor thans te veel bedwelmd door den tabak, echter toen ik het boek liet openvallen, waren de eerste woorden daar mijn oog op viel, deze: "Roep mij aan in den dag der benaauwing, en ik zal u redden en gij zult mijn naam prijzen." Deze woorden waren zeer gepast op mijnen toestand, en maakten toen indruk op mij, schoon zoo sterk niet als naderhand; want het woord bevrijding had voor mij geen zin als het ware; dit scheen mij zoo onwaarschijnlijk, zoo onmogelijk, dat ik begon te zeggen even als de kinderen Israëls, toen hun vleesch beloofd was: vanwaar zou dit komen? En daar vele jaren geenerlei hoop zich opdeed, kwam mij dit dikwijls in de gedachten.
Het werd nu laat, en de tabak had, gelijk ik zeide, mijn hoofd zoo bedwelmd, dat ik slaperig werd, ik liet dan mijne lamp branden, om te kunnen zien als ik des nachts wat noodig mogt hebben, en ging naar bed. Maar voor ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond dat de rum mij geweldig naar het hoofd steeg, maar ik viel in een diepen slaap en werd niet weder wakker voor het, naar de zon te zien, drie uren in den namiddag van den volgenden dag was; ja, ik geloof zelfs, dat ik nog een dag en een nacht langer sliep, want anders weet ik niet hoe ik uit mijne rekening een dag had kunnen verliezen, gelijk het eenige jaren later bleek, dat ik gedaan had, want had ik een verkeerd merk op mijn almanak gezet, dan zou ik meer dagen verloren hebben.

Dit zij zoo het wil, toen ik wakker werd was ik uiterst verkwikt, en mijn geest vlug en opgeruimd. Toen ik opstond was ik veel beter dan den vorigen dag en mijne maag ook, want ik had honger en om kort te gaan ik had den volgenden dag geene koorts, maar bleef aan de beterhand. Dit was den 29en.
Den 30en was het mijn vrije dag, en ik ging met mijn geweer uit, maar had geen lust om ver te loopen. Ik schoot een paar zeevogels, naar ganzen gelijkende, maar had weinig lust er van te proeven, dus at ik eenige schildpadeijeren, die zeer goed waren. Dezen avond nam ik weder dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis, ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den 1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige huivering, schoon niet veel.
2 Julij. Ik gebruikte het geneesmiddel weder op alle drie de wijzen, en bedwelmde mij gelijk de eerste reis, en verdubbelde de hoeveelheid drank.
3 Julij. Ik was de koorts voor goed kwijt, schoon ik eerst verscheidene weken later mijne vorige krachten terug ontving. Gedurende mijne herstelling vestigden mijne gedachten zich dikwijls op de woorden der H. Schrift: Ik zal u bevrijden, en de onmogelijkheid mijner bevrijding drukte mij te zeer ter neder, om die te durven verwachten. Maar, terwijl ik mij met deze gedachten pijnigde, schoot het mij te binnen, dat ik mij zoo zeer kwelde met het denkbeeld mijner bevrijding van dit eiland, dat ik geheel vergat, dat ik als door een wonder van mijne ziekte bevrijd was geworden, uit den jammerlijksten toestand, en die mij zoo veel schrik had ingeboezemd. Welke aandacht had ik daarop geslagen? Hoe had ik mij hierin gedragen? God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor mijne herstelling uit mijne ziekte.
4 Julij. In den ochtend nam ik den bijbel op, en met het Nieuwe Testament beginnende, zette ik mij ernstig aan het lezen, en stelde mij ten taak er elken morgen en avond eene poos in te lezen, zonder mij aan een vast getal hoofdstukken te binden, maar zoo lang als mij gepast scheen. Niet lang nadat ik hieraan begonnen was, vond ik mijn hart diep ter nedergeslagen over de ongeregtigheden van mijn vroeger leven. De indruk van mijn droom werd weder levendig, en de woorden: "Al deze dingen hebben u niet tot berouw kunnen brengen," stonden mij ernstig voor den geest. Ik smeekte God vurig mij tot berouw te stemmen, toen ik op denzelfden dag op de woorden stiet: "Hij is tot een Vorst en Middellaar verheven, om berouw en verzoening aan te brengen." Ik legde het boek neder, en verhief zoo wel mijn hart als mijne handen ten Hemel, terwijl ik in vervoering uitriep: "o, Jezus, zoon van David; verheven Vorst en Middellaar, wil mij berouw schenken."

Dit was, naar ik zeggen kan, de eerste maal in mijn geheele leven dat ik, in den waren zin des woords, bad, want thans bad ik met een waar besef van mijn toestand, en met eene ware Christelijke hoop, en van dien tijd af, mag ik zeggen, begon ik te hopen dat God mij verhooren zou.
Nu begon ik de woorden: "Roep mij aan en ik zal u verlossen, in een geheel anderen zin dan vroeger op te vatten, want ik had geenerlei denkbeeld van eenige andere bevrijding, dan die uit mijne gevangenschap; want schoon ik hier werkelijk ruimte genoeg had, was dit eiland toch voor mij eene gevangenis, in den ongunstigsten zin des woords; maar thans begon ik dit op eene andere wijze op te vatten. Nu zag ik met zulk een afschuw op mijn vorig leven terug, en kwamen mijne zonden mij zoo vreesselijk voor, dat mijne ziel van God alleen bevrijding smeekte van den last der schuld, die mij geheel ter neder drukte. Mijn eenzaam leven was niets, hierbij vergeleken, ik dacht er zelfs niet aan, om bevrijding daarvan te smeeken." Ik zeg dit hier, om mijnen lezers te bewijzen, dat zoo zij ooit een regt inzigt van de waarheid verkrijgen, zij de bevrijding der zonde een veel grooter zegen zullen bevinden, dan de bevrijding van ellenden. Doch ik keer terug tot mijn journaal.

Mijn toestand, ofschoon nog altijd mijne levenswijze rampzalig was, begon mij thans dragelijker te worden; en mijne gedachten werden door het bestendig lezen der H. Schrift en aanhoudend gebed, tot zaken van hoogeren aard geleid. Ik bezat thans eene groote mate van vertroosting, die ik voorheen niet kende. Bovendien trachtte ik, toen mijne gezondheid en krachten terugkeerden, mij allerlei noodwendigheden te verschaffen, en zoo geregeld te leven als ik kon. Van den 4 tot 14 Julij was ik hoofdzakelijk aan het doen van korte wandelingen, met mijn geweer in de hand, geëvenredigd naar mijn zwakken toestand. Het geneesmiddel, dat ik gebruikt had, was nieuw, en nimmer misschien te voren had het iemand van de koorts verlost, ook zou ik het niet gaarne iemand aanbevelen, want schoon het mij van de koorts bevrijdde, bleef ik nog lang zwak, en had dikwijls zenuwachtige trekkingen in mijne leden gedurende eene poos. Ik leerde hierbij tevens, dat niets mij nadeeliger was dan in het regenachtig saizoen uit te gaan, vooral bij die regens, die met zware stormen gepaard gingen; als er regen in het drooge jaargetij viel, was er altijd zware storm bij.